Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 12 september 2012

Voorherfst

Men spreekt over een nazomer en een voorzomer, soms eens over een vroege lente, of knarsetandend over een vroege winter, maar de begrippen voorherfst of nalente bestaan niet. Nee, de zomer is de zware jongen waar het allemaal om draait, prent de taal ons in. Onze maatschappij is ook op dat model gebouwd. Waren de zomermaanden vroeger oogstmaanden met dito feesten en hun gezwollen fruit, dan zijn ze nu het decor voor alcoholische escapades, bruin bakken aan God weet welk strand, of road trips in aftandse auto's. De winter heeft eveneens zijn passionele aanhangers, al ruikt het verdedigen van een seizoen vol doodsheid en sombere avonden een beetje naar contrair doen om contrair te zijn.

Persoonlijk ben ik de herfst gaan appreciëren, de laatste jaren. Die gedachte komt bij me op als ik terug naar huis slenter van een cafébezoek midden in de week. De weg is niet lang, maar omdat het al donker is en toch niet bijzonder koud, voelt hij langer aan. Aan de wegenwerken zie je dat het binnenkort verkiezingen zijn. Het academiejaar is nog niet begonnen, dus de straten die over enkele weken het terrein zullen zijn van legioenen studenten, liggen er een beetje onthutst bij, alsof ze bezoek verwachten dat al te laat is. Er zit alleen lokaal volk in de pitabars, en de geur van hamburgers en frieten wordt door de zwakke wind, in afwezigheid van geluidsgolven van volk, sterker gedragen dan anders. Het aroma is warm en nutteloos tezelfdertijd.

Poelen licht draaien overuren. Sommige cafés hebben hun uithangborden vernieuwd. Her en der zijn al kluitjes mensen die zich aan togen verzameld hebben. Ik zou het geen melancholie durven noemen, maar opnieuw waait een zeker gevoel van verlorenheid door wat ik denk als ik naar binnen kijk via het venster. Bastonen, glazen die neergezet worden, pratende mensen, een salvo aan noten popmuziek. Afstand op gezelligheid. Ik bedwing mijn nieuwsgierigheid om niet ergens binnen te stappen en me nog dieper te gaan onderdompelen in die schemersfeer van de laatste weekends van de zomer. Niet alleen heb ik niks bijzonders te vertellen, ik ben ook niet erg goed in zomaar ergens stilzitten tenzij ik dat grondig heb voorbereid. Meditatie is bewegen, wat mij betreft.

Ik kijk weg van de vensters naar het kruispunt van de Heuvelpoort dat opdoemt terwijl de straat breder wordt. Links van me is een oud studentenrestaurant in volle afbraak. Weinig is zo zichtbaar onzichtbaar als sluipende renovatie. Van alle cafés en voetpaden die ik daarnet passeerde, bestond meer dan de helft tien jaar geleden nog niet. Het verkeer van het kruispunt raast over die herinneringen heen op het ritme van oscillerende basdrums. Elk moment heeft zijn soundtrack, en dan is daar het moment dat het lijkt, vlak voor het zebrapad, of er in het gelijktijdig in- en uitademen van de binnenring, mijn longen en de verspreide terrasjesmensen achter en voor me, één ogenblik het gevoel dat alles precies in elkaar past zoals het hoort, ook als het vloekt en vecht. Alsof deze paar honderd vierkante meters in het hart van de stad één grote kathedraal zijn voor een god van terugtrekking. De sleep van de zomer die ruisend een verkoeling achterlaat. Al het haar op m'n armen en nek staat overeind.

Het is beter om verder niets meer te zeggen en te doen alsof m'n lippen aan elkaar genaaid zijn. Terwijl ik het kruispunt verlaat en nog maar op enkele meters van mijn huis ben, ebt ook het verlangen weg van over te steken en me daar te wijden aan het mysterie van alleen drinken in het gezelschap van onbekende mensen van wie ik nooit wat zal eisen (en omgekeerd). Vooruitgeschoven wolken beginnen over de in impressionisme gehulde daken te komen, en beloven regen. De stad anticipeert. De lichten springen op groen. In zelfhypnose, bedolven onder de lichtste en oppervlakkigste van indrukken, sluit ik af en ontsluit ik de deur.

vrijdag 7 september 2012

Allemaal waarheid

Met rode inkt staat op de Joker-kaart van een pak kaarten waarvan maar de helft nog overblijft, het volgende geschreven: “We kunnen de cirkel breken. Het gaat allemaal trager dan ik denk, omdat je niet zomaar overstapt naar een rechte lijn. Het is niet wat vooruitgaat dat telt, maar wat omhooggaat. Architecten van gotische kathedralen wisten dat, de bouwers van de piramiden wisten het en Pfizer verdiende er miljarden aan.”

In mijn dagboek, naast een onbegrijpelijk schema over twee werelden die in staat van oorlog zijn: “Kunst is religie, zei één van m'n broers. Ik begin steeds meer te geloven dat hij gelijk heeft. Ik zie niet in waarom ik anders zo zou kunnen genieten van de gewijde stilte die hangt in een museumzaal en me zo kan ergeren aan luie kunst, luie museumbezoekers en geleide bezoeken. Ongelovigen zal ik bekeren of zal ik verbranden. Had een kerk maar een aanpalende cafetaria om een koekje in de koffie te doppen en hard, erg hard na te denken over wat nu in een museum thuishoort en wat niet.”

Stond op de buitenkant van een kapotte schoenzool gekerfd van een paar dat ik eindelijk volledig afgedragen had: “Informatie is in principe holistisch. In elke hoek van elke kaaklijn, in elke flauwe kromming van een neusvleugel, een trekken van een schouder of een lijntje onder de ogen, zit een verhaal, een plan, een tweede plan. Pagina drie: de geringschattende blik van een ex als ze me er op wijst dat mijn mop niet grappig is. Bedankt, we weten het wel. Maak geen karikatuur in postzegelformaat van me. Ik ben groter dan dat en je weet het.”

Had ik willen posten op Facebook, staat nu te verwelken in een ronddobberend txt-bestand op de harde schijf: “Welkom op Instagram. Alles lijkt er zonniger. Ik heb nog echte afgebleekte, rossige foto's uit de jaren '80 in een dik plakalbum. Alles komt terug. Wat vandaag door het riool naar beneden sijpelt uit de afvoerput, komt morgen terug naar boven op je bord. En we gaan er een Instagram-foto van nemen. We gaan het liken. We gaan er over zeuren dat we er weer eens ironisch over moeten doen. En uiteindelijk zeggen we niets.”

Geschreven met de linkerhand, nauwelijks leesbaar, in bloedtype A+: “Ik ben rechtshandig maar ben ambidexter in twee dingen: eten (voorkeur voor links) en masturberen (voorkeur voor rechts). Na beide activiteiten was ik mijn handen. Mensen slaan, als het al voorkomt en dan ook alleen maar met toestemming van de betrokkene, doe ik rechts. Rechtshandigen zijn in de meerderheid op de wereld, maar linkshandigen lijken zo veel cooler. Daarom zeg ik dat ik een rechtsbreinige ben - dus linkshandige - in het lichaam van een linksbreinige. Om maar niet toe te geven dat ik ben zoals de meerderheid.”

Eén strook heb ik gelikt tot ze wak werd. De inkt maakte onmiddellijk een smeerboel aan vlekken. Er stond op: "Het is een zachte avond. Ik zit buiten op de brandtrap te lezen. Onder me is een reeks ongelijke platte daken, voor me uit de achterkant van andere appartementsblokken, en om me heen struint huiskater Odin, die van het feit dat ik langer dan twee minuten op het smalle balkon ben, een heel evenement lijkt te maken. Mijn linkerhand aait afwezig zijn kopje. Voor de gauw geamuseerden is het leven een feest."

Een onverstuurde brief: “Word is on the street dat je me nog altijd haat, al begrijp ik niet waarom en maakt het feit dat ik niet kan achterhalen waarom, me op een latente manier nerveus. Alsof me kaltstellen toen nog niet genoeg was om me voor de rest van mijn leven te verwonden. Ik denk niet dat je verstaat dat er bij mij iets geknapt is waardoor ik nooit meer iemand zo diepgaand heb kunnen vertrouwen.”

Onder de invloed van alcohol en drugs tussen een CV geschreven: “De doodswens is van oudsher het excuus van verstandige mensen die erg veel domme dingen doen. Het komt als eb en vloed, als iets dat oprijst uit een moeras en met lange tentakels door de schedel boort en zich dan onverklaarbaar terugtrekt, waarbij nieuwe holtes achterblijven. Disintegratie. Verschillende cirkels met letters trekken voorbij aan het geestesoog, sommige woorden lichten op: belang, balling, vermoeidheid, verslaving.”

In een geringd schriftje met nota’s in slecht Frans van een vergadering. Er zit een koffievlek op: “Van de buitenkant zie ik een lichaam met een witte das dat achter een imposant bureau zit, met uitzicht op chique gebouwen uit de negentiende eeuw, verhuurd aan woekerprijzen voor de Belgische en Europese elite. De hand van dat lichaam rust om een beker koffie en het hoofd van dat lichaam bevindt zich op verschillende denksporen tegelijkertijd, waarvan één die stormvloed is aan emoties die constant door een veel te smalle sluis moet. Een ander spoor verbaast zich over het prachtige, gitzwarte haar van de secretaresse, een derde spoor schiet verder vooruit en probeert zich het eigen lichaam voor te stellen tien jaar van nu, gebalsemd door een beter leven, een beter inkomen en een staalharde state of mind. Ik denk na over het soort toekomst dat niet echt een toekomst is, maar meer een stippellijn op een scheurstrook. Intekenen is gratis, en dus helemaal niks waard.”

Op de deur van een toilet, in het Cyrillisch, omdat m’n Russisch niet toereikend is om het rechtstreeks te doen in de taal van Poesjkin: “We zijn noch uniek noch allemaal hetzelfde; we zijn relatief. Vast staat dat we moeten kunnen ademen, in de ruime zin van het woord. We nemen daar pillen voor - ik toch. Samen kunnen we de tirannie van de toekomst beëindigen.”

dinsdag 7 augustus 2012

Deeltjesvertrager

Niet ver van de Kinepolis is er een brug waar auto's niet onder mogen rijden. Het is er donker, en men kan aan de stalen pilaren en het dakgebinte zien dat vogels er al jarenlang hun nesten bouwen. De graffiti op de muur geeft het geheel, onverlicht, tegenover het inktzwarte water van de Leie, een indruk van volslagen verstilling. Het is ook een beetje griezelig. Als ik een vrouw geweest was, ik zou er geen plotse ontmoeting willen hebben met gelijk wie. Ik kom er zelf al jaren - niet vaak, niet lang, maar er komt telkens een moment dat ik het gevoel heb dat ik er moet zijn.

Het water maakt bijna geen golving. Ik drink een blik Cola Zero. Bij het beeld zou misschien meer de obligate fles wijn in de papieren zak passen, maar het is een dom cliché waar ik me niet aan wil laven. Bovendien zijn er al excessen genoeg en kom ik hier precies omwille van de kalmte. De occasionele voorbijgangers laten me toch met rust. Ik probeer individuele golfjes te onderscheiden op het water, maar m'n verbeelding botst met de realiteit dat er bitter weinig te zien valt. Niet voor de eerste keer vraag ik me af hoe het zou voelen als ik als een blok voorover zou vallen en zou wegzinken in dat zwart. De schok van de klap alleen al zou voldoende zijn om me terug te doen beseffen dat ik maar beter even in leven blijf. De daad scheidt de waanzinnige van de gezonde mens, het woord de grensbewoner van de geborneerde hinterlander. Waan zit in de familie, bij ons. Daarom dat ik ze ook zo snel herken bij anderen.

Toen ik hier voor het eerst kwam, intussen bijna tien jaar geleden, was het uit een rusteloze radeloosheid. Een relatie die geen relatie was en waarvan ik geen idee had waar ze heen zou sporen (niet zo ver, zo bleek later, en dat was maar best ook). Sindsdien klonk de associatie met twijfel zich vast aan de brug en zijn donkere buidel binnen de binnenring. Een mens heeft zijn grotten nodig, zijn begraafplaatsen voor idiote gedachten. Wat me nu bezighoudt is een voorbarige terugblik op het voorbije halve jaar - maanden waarin woorden aaneengeregen werden dat het een lieve lust was, dat ik liep, dat ik zwoegde, dat ik schilderde, dat ik tegen de muren opliep van wat ik nog in me had van puur lichamelijke kracht, om van de rest nog maar te zwijgen. De stuiterende rusteloosheid van de adolescentie is voorgoed opgelost. Meer dan ooit kan ik mijn zegeningen tellen, om maar eens een scheve leenvertaling te gebruiken. Ik hou van Roman en Natasha, van Feodor en Teodor en al die andere goede vrienden. Nog het meest hou ik van hen als ik hen even niet zie.

De hielen van mijn schoenen slaan dof tegen de bemoste muur van de kade. Het is een dom geluid, en er zijn al domme geluiden genoeg in deze wereld, niet in het minst klanken die ik zelf produceer, maar ik kan het nauwelijks helpen - geef me een microfoon, een pruik en een vlinderdas, en ik transformeer tot een goeiige idioot die barst van de nutteloze anekdotes. Niet dat ik daar larmoyant over moet doen, want het heeft me bijzonder weinig vijanden opgeleverd. De Cola Zero plakt een beetje te veel en smaakt te zoet voor het aantal calorieën die ze maar bevat. Alweer een klein exces is een universum van excessen. Nog goed dat ik niet in God geloof. Ik begrijp de aantrekkingskracht van fundamentalistische bewegingen wel. Antwoorden op alles, kaarsrechte lijnen, duidelijke vijanden. Er is ook een idiote vorm van zelfbedrog voor nodig waar ik het dan weer minder voor heb.

De laatste tijd denk ik ook vaak aan de uitspraak van Carl Jung (die ik voor de rest soms een verklede astroloog vind), die zei dat sentimentaliteit een deklaag is voor brutaliteit. Ik geloof dat. Het doet me denken aan Milan Kundera die beweerde dat kitsch en totalitarisme onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Emoties herleid tot hun lompste gemene deler. Onherkenbare veralgemeningen waar iedereen zich in kan herkennen, het afgesleten openbaar vervoer onder de gemeenplaatsen. Ik heb sentimentaliteit altijd al gehaat. Het staat haaks op wat echte gevoelens horen te zijn, maar helaas zijn de woorden die daarbij horen ook al lang gekaapt door diezelfde brigade van sentimentelen. Liefde is dit. Vriendschap is zo. Alles z'n eigen kleine gezegde, z'n label in de keukenkast met kruiden van Piet Huysentruyt. Toch moeten we door die barrière van afgestompte zinnen kunnen breken. Daarom dat ik hou van extremen en me afvraag of ik me niet beter met een bevredigende plons in de Schelde gooi. Evenzeer een fundamenteel deel van me dat ik het niet doe. Afhankelijk van het standpunt maakt me dat hetzij wijs en in balans, hetzij lauw en laf.

Het lege blikje wordt door m'n hand samengekreukt langs de kreukelzones waar het voor gemaakt is. Alles moet design zijn, of het zal niet zijn. Dat geldt uiteindelijk evenzeer voor onszelf. De eeuwige klim naar boven. Paden van geld en Armani voor het legioen Patrick Batemans in de City of London. Eenzame routes voor monniken die bij leven al dood zijn. We doen ons best. We weten dat dat een excuus is, want zelfs de meest ascetische monomaan zal het nog niet goed genoeg doen om opgenomen te worden in een onsterfelijk pantheon van supermensen, tenzij via een uitgekiende marketingcampagne. Van die kant bekeken zijn psychoses niet zo onaantrekkelijk meer, was het niet dat psychoses voor de belevers ervan zelf een fundamentalisme in het kwadraat vormen, een zonnebank en spijkerbed in één. Ik neem m'n gsm, begin een bericht te typen en delete het dan weer. Er moet nu maar even niks gezegd worden. Het circus kan gerust nog even doorgaan zonder dat ik er bij ben.

zondag 22 juli 2012

Lichtend pad

Het is al licht als ik naar huis ga. Het is een lange weg. Elk jaar maak ik mezelf wijs dat ik een normaal leven tijdens de vakantie zal kunnen combineren met de Gentse Feesten, en elk jaar ben ik volledig verkeerd. De voorgaande edities zijn dan ook alweer gereduceerd tot hun beste of meest onthutsende anekdotes. We weten allemaal dat gedachten niet lineair lopen. Ze maken sprongen, slaan zijwegen in of storten zich abrupt in een afgrond om er nooit meer uit te komen. Alleen bij het navertellen krijgen ze een schijn van logica.

De mooiste stukken van de weg terug is door de nauwe winkelstraatjes, als het feestlawaai langzamerhand wegsterft en plaatsmaakt voor verspreide mensen die kreunend op een drempel zitten, koppels die elkaar ondersteunen of de eenzame verdachte die zich nu pas richting Feesten begeeft. Niemand die de noodzaak voelt om met elkaar te praten, niemand die me lastigvalt met een idioot verhaal of uitgekiende geestigheden. Van ver horen voorbijgangers me al komen door het tempo dat ik er gelaarsd op na hou. Ik hou ervan. Ik ben hier. Ik ben onderweg.

De route leeft pas terug op aan het kleine rond punt tussen Overpoort en Sint-Pietersplein, waar 'De gouden saté', sinds enkele jaren met Julien en peter met kleine p samen op het uithangbord, nog mensen voorziet van een gefrituurd ontbijt. Een goeie hamburger smaakt op elk moment van de dag. We zullen na de Feesten weer zien of het klopt dat ik gewicht verloren ben, of dat de uitzondering van het voorbije jaar de nieuwe regel geworden is.

De Overpoort zelf ziet er nog meer als een uncanny valley uit dan anders. Hier en daar is een café open, voor de diehards die niet willen weten van feesten in het centrum, of de groezeligaards die blij zijn dat ze zich in intieme kring kunnen bezuipen. Ik voel meer misselijkheid dan dronkenschap, en dat is ook goed; anders durf ik wel eens dingen uitkramen of denken die instant vergeetbaar zijn, maar de dag erop toch aan m'n kop zijn blijven kleven.

Daarnet aan de tijdelijke houten toog in het Baudelo-park (dat ik eigenlijk alleen maar tijdens de Feesten bezoek) zag ik een jongere man flirten met een oudere vrouw door elkaar uit te lachen met hun leeftijd. Voordien had ik ook voorspeld dat ik maandag op de Feesten ging verschijnen terwijl ik choco zou eten uit een pamper. Naast mij waren er twee wildvreemden beginnen kussen. Een barvrouw gaf me voorrang omdat ik zo beleefd was. Je zou van deze met bier doordrenkte herinneringen kunnen zeggen dat ze kleine kiezels zijn in een grindpad vol feestimpressies, of dat ze samen een alcoholische zomeridylle schetsen van één van de meest vredige festivals in Europa. Het zijn vooral willekeurige herinneringen, lapjes stof die m'n hoofd aan elkaar heeft genaaid tot een vrolijk monster van Frankenstein.

Ik ben bijna thuis, maar het hele gebeuren gaat nergens naartoe. Vooral was ik vergeten hoe zeer de Feesten ook staan voor een gekke stagnatie. Alle andere plannen gaan in de diepvries (verven, meubilair, grote schoonmaak), voor quality time met vrienden is er weinig tijd, en over romantiek zullen we maar beter helemaal zwijgen. De van de pot gerukte gesprekken waarin een coherente zin vormen al reden is tot vrolijkheid, hebben zo hun charme, maar die vallen daar niet onder. Geef me nu maar een pen, een notablok en een fles water. Laat ik maar doen alsof ik stiekem nog altijd een asceet wil zijn, terwijl ik te hard geniet van tot m'n enkels in parkmodder te staan met twee glazen drank en mensen die moppen over onze moeders in m'n oor declameren.

Pas binnen is het volstrekt stil. De weg is met succes afgelegd. Niemand had weer iets zinnigs te zeggen, en dat was fantastisch.

donderdag 14 juni 2012

Quadrophonica

Ik ben ooit eens gaan kijken naar een postmoderne interpretatie van Heijermans' 'Op hoop van zegen'. De opvoering had zijn verdienste, maar het spook van het cerebrale lag er voortdurend op de loer. Twee beelden zie ik nog erg helder voor me: drie actrices die op de vloer zaten, achter elkaar, en deden alsof ze roeiden - dàt beeld me dan weer deed denken aan een reclame voor Neckermann uit 1990 die ik erg vaak gezien had omdat ze mee opgenomen was op een tape van 'The empire strikes back' - en één eenzame, in verschoten kleren gestoken Britse acteur die zong door noot na noot zo lang mogelijk te laten weergalmen. Ik herinner me dat die zang me raakte, en zich op een snijpunt bevond tussen pathetiek, overweldigende emotie en het belachelijke. Niet makkelijk te bereiken, dat punt, of toch niet in opvoering van kunsten.

Ik zit in een vergaderzaal met een microfoon onder mijn neus en lees in mijn beste Engels een tekst voor die ik zelf heb geschreven en die onze klanten een korte introductie moet geven tot ons kernproduct. Het lezen vind ik leuk, het beluisteren nadien minder. Ik ontdek altijd wel een klank die niet helemaal juist zit, een aarzeling die me te lang lijkt te duren, een lettergreep die ik net niet inslik. Performance, het is niet zo evident, ook al laaf je je graag aan de aandacht van een publiek. Is dat verlangen naar een publiek een sublimatie van een tekort aan liefde? Misschien. Was ik gelukkiger geweest indien ik er niet zo'n sterke behoefte aan had in het volle licht van de spot te staan en te verdrinken in gehoorstrelend applaus? Mogelijk. Maar ik bevind me ook graag achter het gordijn, kijkend, wachtend. Ik ben een man van coulissen par excellence. Zelfs als ik recht een zaal in kijk, een tekst voorlees of een anekdote vertel aan vrienden, is er een back office dat met uiterste zorgvuldigheid alle reacties bekijkt en vergelijkt, een gratis redactie met gevoelige seismografen. Privé ga ik er prat op een warm persoon te zijn. Een publiek geef ik graag wat ze willen zien.

Een tekst voorlezen heeft onvermijdelijk iets knulligs. Er zijn vele momenten dat ik me afvraag of ik niet te kritisch ben, of ik niet aan het veranderen ben in één van die hyperkritische, mislukte intellectuelen voor wie het nooit eens goed en leuk kan zijn. Nobody likes a party pooper. En ik zie zo véél dat verkeerd is: iemand op het werk die een beige blazer draagt die absoluut niet past bij zijn huidtint en zijn glimmende kaalkop, een vrouw op de metro die zich verdiept in 'Twilight' of een verloren gelopen racistische opmerking op café waar ik wel wat op wil zeggen maar er dan maar halfslachtig mee omga. Perfectionisme, dreunt een commentaarstem als de lopende teksten in Peter Handkes frustrerende 'Kaspar', heeft altijd een ethische dimensie en de woede die je voelt tegenover de wereld is een verwrongen vorm van woede tegenover jezelf. Ik had new age-schrijver moeten worden, een blanke Deepak Chopra of de minder wollige versie van Alain De Botton.

De klanken rollen eruit. Beschaafd Engels, maar niet te bekakt. Een niet nader gespeficieerde variant van Zuidengels, waarin mannen mates en blokes zijn en je wel 'ns een fit bird ziet op een avondje uit. Ik mis Engeland soms voor zijn grotere openheid en norse vorm van sociaal contact. Ik mis Engeland niet voor zijn smerige straten en zijn gebrek aan verfijning. Vlamingen mogen de Franstaligen dankbaar zijn dat er een substraat van Latijnse gecultureerdheid door de Vlaamse cultuur loopt die je niet vindt in de Duitse, Nederlandse of Engelse cultuur. Ik denk terug aan de zingende Engelsman, een zeeman, een wanhopig man. Wie aan de kade bleef, hoopte vergeefs op de behouden terugkeer van de mannen op zee, wie op zee was, wenste niks liever dan daar niet meer te hoeven zijn, in een traditie die teruggaat op het ijzingwekkend mooie 'The seafarer' uit de achtste eeuw. Bij alle goden, ik wacht ook op een boot en mijn ogen gaan pijn doen van het staren.

Naarmate de precessie van de jaren voorbij tikt, voel ik m'n ongeduld groeien. Door dom genetisch geluk heb ik een gespierd talenbrein en een blijkbaar ook de stem die erbij hoort. Door stom ongeluk lijken kansen om dit te gaan verzilveren me steeds door mijn vingers te glippen. Waar blijft mijn onontdekte publiek - en sterker, is het dat wat ik nodig heb? Zal die ene pennenstreek van waanzin in m'n karakter ooit uitgewist worden, of steeds opnieuw die bron blijven van het mooiste en het lelijkste waartoe ik in staat ben? Ik romantiseer het alleszins niet. We moeten blij zijn met wat we hebben, we mogen nooit tevreden zijn, we moeten ons openstellen voor nieuwe ervaringen, we moeten vertrouwen op wat we al weten, we moeten een schizofrene puzzel zijn die een interpretatie is van allerlei verwachtingen. Waar kan ik me nog voeden en waar kan ik nog drinken? Literatuur is het bewuste stuk ballast aan m'n luchtballon dat ervoor zorgt dat het niet al te ijl wordt in m'n kop. Na alle ideologie, al het gezwam over hoe mooi of hoe vettig je een ash-klinker kan uitspreken en welke metafoor nog geen hopeloze knoeiboel wordt in een gedicht, ben ik net als de dikzak met het tapse voorhoofd ook een mens die verdriet heeft, optrekt met vrienden en die liefde geeft en krijgt. Het verschil is relatief.

Toen ik kind was, dreven mijn broers soms de spot met m'n megalomane kant: als we speelden met de auto's en daarna met de dinosaurussen, moest ik een manier vinden om hen te plaatsen in hetzelfde universum. De keuken was een continent met staten en geschiedenissen, voor elk type speelgoed één. De GI Joe's hadden geprobeerd de tuin te koloniseren en waren er in mislukt. Legoland was een archipel aan anachronistische samenlevingen. Onder mijn leiding zetten we een tentoonstelling op van alles en vroegen we inkom aan onze ouders (de volle twintig Belgische frank). Er loopt een draad door. Ik wil niet zomaar wat woorden neerzetten op papier, ik wil er mensen mee schokken, kwaad maken, verdrietig, vertederd en verliefd. Als een hongerige geest uit Tibet wil ik meer en besef ik dat het woord 'genoeg' maar een voetnoot is in dat verlangen.

Mijn baas en de multimediaman zijn tevreden van de eerste opname. Ik doe hard mijn best om niet te luisteren naar de stem die uit de luidspreker komt. Luuk Gruwez zei dat schrijven altijd strafschrijven is voor een niet achterhaalde schuld en hij had gelijk. Mentaal weeg ik tweehonderd kilo en ben ik een botsbal die van heuvel naar heuvel kaatst, groot en vlammend als een hadouken. Ik zit te wachten op iets heftiger dan corporate volzinnen aan elkaar rijgen, een openbaring of een toevalstreffer, een impressario die me binnenleidt in een verborgen onderwereld vol champagne en groupies. Je eigen lot maak je zelf, zegt de liberaalgezinde boer die z'n land omspit, maar dat is niet helemaal waar. Ik zit in m'n negende week van een loopprogramma, drink elke dag anderhalve liter water en ga zo maar verder, maar het maakt me fysiek noch beter, noch sterker. Geduld, bezweert de stem van mijn gepensioneerde prof Duitse Taalkunde, alles immer mit der Ruhe. Laat die onrust nu net de bom zijn die alles blijven in lichterlaaie zet en de pot doet overkoken. De ambitie en de goesting doen mijn gezicht vervellen tot er een nieuwe ambitie in de plaats komt als een eindeloze rij schildpadden die de wereld stut. Ik zou graag een lied zingen op hoop van zegen, maar ik weet niet hoe.