Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zondag 20 mei 2012

De dag haalt de schouders op

Bovenaan de brandtrap van het appartementsgebouw waar ik woon, kan je een groot stuk van het centrum van de stad zien liggen. De meest opvallende gebouwen zijn de enorme kubus van de nieuwste studentenhome van de hogeschool, de St.-Pieterskerk en de Boekentoren, zoals steeds metafoor voor de toestand van de letteren en de wijsbegeerte. Op een warme dag heb ik er nog al eens gestaan, met Sasha en een glas champagne, was dat. Ik hield me onopvallend tegen de muur gedrukt en probeerde niet te veel naar beneden te kijken. De reden waarom ik hoogtevrees heb, blijft verborgen in de nevel van mijn vroegste kindertijd, en ik denk zelfs dat als ik de reden zou kennen, dat het geen moer zou uitmaken.

Ik hou van dagen die nog echte dagen zijn, met bakken zonlicht en lome mensen op banken. Als boetedoening voor een gemiste afspraak met Boris en Reia zoek ik hen te voet op in het Guislainmuseum, een wandeltocht die me in volle zon ongeveer drie kwartier kost. De warmte, het zweten en het bewegen doen deugd. Het museum zelf houdt een tijdelijke tentoonstelling rond het kind als of het kind in gevaar. Morbide portretten van geboorte-afwijkingen worden afgewisseld met kitscherige schilderijen van verveelde aristocraatjes en de griezelige foto's van kinderen die opgetut zijn voor schoonheidswedstrijden. We kuieren wat rond. Alles is vrijblijvend, vandaag. Het weerzien met Boris is altijd ongedwongen op die manier. In het binnenpark rust ik met gesloten ogen op een bankje.

Als een dag een echte dag moet zijn, dan moet de nacht een echte nacht zijn. Die kwam voordien nog in golven. Tegen m'n verwachtingen in belandde ik in de Tijuana, waar ik eigenlijk altijd alleen maar tegen mijn verwachtingen beland. De plek zit afgeladen met kennissen. Is dit the state of the union van late twintigers in Gent? Zelfs onder de onbekenden zie ik vele gezichten die ik al op andere plekken gezien heb, maar in het van rook doortrokken licht kan iedereen misschien ook wel voor iemand anders doorgaan. Iemand viert zijn verjaardag. Iemand anders vraagt om me de groeten te doen aan Feodor. Ik maak ergens een gemene opmerking over opgeklopt drama en een dronken jongen slaat er praatje met me omdat ik alleen zit te roken en "niemand toch alleen wil zijn". De gesprekken worden er met het stijgen van de promille nonsensicaler en bruter op. Als ik huiswaarts ga, is de zon al op en schijnt er een vaal licht door de Veldstraat. Ik kruis slechts andere nachtwolven.

Er is met de stad een periode geweest van verwondering en nieuwsgierigheid, een idee dat een ander leven net binnen handbereik lag, toen ik voor het eerst op kot ging en mezelf moedwillig ontwortelde uit m'n provinciale bebouwde kom. Vanaf waar ik kijk, is er geen vierkante meter op straat die ik toen niet verkend heb, in die lange periode van zoeken, vinden en toevalligheden. Daarna kwam er een tijd van consolidatie, een besef dat ik ergens mijn plaats innam in de sociale, fysieke en psychologische orde van de stad.

Vanuit het museum nemen we dan toch de tram terug. Eindelijk een meidag met zon. Terrassen zitten afgeladen vol. Koppels slenteren door een slinger mensen. Ik besef dat ik niet zo veel nieuws te vertellen heb over mijn leven, maar je kan niet elke maand diepe nieuwe inzichten opdoen. Ik loop regelmatig nu, dat wel. In mijn hoofd teken ik een kaart waarop ik elke naam zet van mensen die ik ken. Clusters die bij elkaar horen, opposities, relaties. Onder elke naam komt een jaartal. Het is misschien te gezapig geworden, het doet het bloed sneller stromen door mijn hals en het doet een plek achter mijn ogen en voorhoofd jeuken van ongeduld. Daar is nog iets. Daar is nog een andere wereld. Of die nu voorbij het behang ligt, onder een riooldeksel of in een zaal waar ik nog nooit geweest ben, het maakt niet uit. Het is dat ongeduld, die knetterende nervositeit die me steeds verder drijft om dingen te bereiken.

Boris en Reia vervolgen hun weg naar een bushalte en ik trek recht de Sint-Pietersnieuwstraat door. Gisteren en eergisteren was ik ook al in deze buurt, op een zelfverklaard marginaal feestje dat buiten de aanwezigheid van mannen in marcellekes helemaal niet zo marginaal was. Ook toen eindigde de nacht pas in dat troebele licht van een ongewenste ochtend.

Ik sta terug helemaal bovenaan de brandtrap en catalogeer de schakeringen van daken, de kringen van afstand in ruimte en in tijd. Niet alles hoeft een betekenis te hebben, maar een plaats. Hoe zou het leven zijn als ik niet nieuwsgierig was? Wat als mensen nooit dachten aan hoe het anders had kunnen zijn? Logica eet zichzelf op. De slotsom is dat ik een goed leven leid, dat ik niet te klagen heb over mijn zegeningen en dat ik me geen zorgen hoef te maken over mijn oefeningen bij herhaling. De betorende skyline van Gent wordt gedoezeld door wolkenpatronen. De dag haalt de schouders op. Ik haal adem, zo diep als ik kan.

vrijdag 18 mei 2012

Een stomende plaat gourmet

De weergoden zijn ons niet gunstig gezind. Duiveltjeskermis noemden ze het bij ons in de streek - brute, plotse afwisseling tussen regen en zonneschijn, soms zelfs gewoon dwars door elkaar, alsof het land nog niet surrealistisch genoeg is. De meimaand verdient beter weer, vooral om dat ik er in verjaar. Die verjaardag noopt zoals elk jaar opnieuw tot grondige zelfreflectie. Verjaren is een datumlijn oversteken die alleen bestaat in de collectieve verbeelding, maar een mens heeft dat nodig, en bovendien is het een dankbaar excuus om in gelijke mate vooruit en achteruit te kijken.
Op moederdag, onder een stomende plaat gourmet, haalde mijn moeder een anekdote op van toen ik peuter was en bij m'n grootouders verbleef aan zee. Blijkbaar weigerde ik als balorige kleine te slapen, maar had ik uitgevist dat als ik mijn grootouders aan het lachen kon maken door op en neer te roetsjen, te dansen en te draaien over de zetel, dat ik langer mocht opblijven. Geef me een podium en ik doe wel wat. Je kan er Hineininterpretierung inzien, maar het is toch frappant hoe bepaalde karaktertrekken al zo vroeg duidelijk worden.

"Heb jij ook die test gedaan om te zien of je een goede Vlaming bent?" vraagt mijn collega Lukacz, met wie ik buiten vaak ga roken. Alles wat hij zegt, lijkt doordrongen van een nuchter soort Antwerpsheid.
"Ja. Hoeveel had je?"
"40%."
"Ik had 70%," grijns ik, "blijkbaar ben ik een stuk traditioneler dan ik dacht. Nochtans zou ik mezelf nooit conservatief noemen."
"Ja. Die Geert Bourgeois, hij kan er wat van."
"Hij lijkt op een wassen beeld."
Lucasz grijnst nu zelf zijn tanden bloot, duwt zijn sigaret uit en gaat naar binnen. Ik volg.
"In dit weer gaan roken, vergt toch een idiote toewijding," zeg ik tegen een nieuwe collega die samen met me de lift is ingestapt. Ze glimlacht verlegen terwijl de liftdeuren zich weer openen. Een andere collega, Edvard, stapt in en slaat de situatie gade met een geamuseerde 'zo, zo zit dat hier'-blik.
"Geen koffie aan het drinken, Anton?" vraagt hij.
"Nee."
Tegen het meisje legt Edvard uit dat hij me de eerste keer zag toen ik een vergaderzaal binnenstormde, één uur te laat, in de aanwezigheid van twintig managers en de CEO, met een verkeerd geknoopte das en een gigantische mok koffie. Ik verdraag de anekdote gelaten.
Er zijn dingen veranderd. Ik ben introverter geworden en tezelfdertijd kan het me ook geen moer meer schelen om ervoor uit te komen dat ik erg gevoelig ben. Je verbergen voor jezelf is wel het domste dat je kan doen, want het is een strijd die je niet kan winnen.
"Die fout heb ik alleszins niet meer gemaakt," zeg ik. Het meisje stapt uit.
"Maar goed, zonder lullen, hoe gaat het nog met je?" vraagt Edvard als de deuren zich weer sluiten.
"Zou je verrast zijn als ik zei dat ik niet mocht klagen?"
Hij moet lachen omdat hij dat antwoord van mij goed kent.

In de verte komt intussen tram 3 met een onvast tempo aan gereden, en ik weet niet wat ik daarmee aan moet. Wat heb ik intussen bereikt? Ik ben niet doodgevallen, niet gearresteerd en ben niet beurs geslagen, al heeft het bij de eerste twee weinig gescheeld. Intussen zit ik terug aan mijn bureau, omringd door lege flesjes water en een batterij balpennen. Als je copywriter bent, dan hoort dat laatste zo. Ik ga nooit naar een meeting zonder balpen, ook al neem ik geen papier mee. Het is een fetisj in de klassieke zin van het woord.
In een spotprent over schrijvers die ik onlangs las, stond onder andere dat schrijvers soms hun eigenwaarde ophangen aan wat hun lezers denken, en of ze überhaupt gelezen worden. Zo ver zou ik het niet drijven: ik zou ook schrijven als ik geen publiek had. Maar het idee dat iemand - bekende of onbekende, vriend of vijand - leest wat ik te vertellen heb, is een zeer krachtige drijfveer. Multatuli schreef onbeschaamd: "ik wil gelezen worden". Niemand heeft het nadien nog zo kernachtig gezegd. Het is geen vorm van emotioneel exhibitionisme, want ik kies er zelf voor wat ik zeg en wat ik niet zeg, waarbij dat laatste nog belangrijker is. Ook witregels hebben hun geschiedenis.
Als ik vertel dat ik schrijf aan mensen die ik net leer kennen, krijg ik wel eens te horen dat zij ook schrijven of dat willen doen. Ik kan niks anders doen dan hen oprecht aanmoedigen. Schrijven is geen magie of alchemie. Het is een kunst die je kan leren, net als alle andere dingen. Toch is mijn grootste gebrek is ongeduld, de keerzijde van honger en ambitie. Men klaagt soms dat de wereld te snel gaat en men heeft gelijk, maar soms gaat hij niet snel genoeg. Waar blijven die reacties van uitgevers en waarom lopen literaire wedstrijden zo traag? Waarom doen sommige mensen zo ontieglijk lang over hun gedachten? Met mijn aangeboren haast bereik je natuurlijk ook niet alles wat je zou moeten of kunnen bereiken, dus heb ik geleerd dat te aanvaarden als een facet van het leven. Vandaar dat drugs en ik ook niet zo fantastisch samengaan - waar mijn gedachten al in een stroomversnelling zitten op dagelijkse basis, gaan ze met drugs rondjes maken over het F1-circuit van Spa-Francorchamps en moet ik in een conversatie afhaken.

Ik kijk een presentatie na en schrijf een tekst die bedoeld is als voice-over. Er is een kans dat ik 'm zelf ga mogen inlezen ook, en daarbij mijn meest chique Engels zal mogen bovenhalen. Britten horen dat ik niet van Engeland ben. Anderen tuinen erin.
"Ook 70%! Niet slecht voor een Franstalige!" mailt Edvard mij triomfantelijk. De test doet de ronde op kantoor. Twee andere collega's discussiëren over het feit of die test wel zo Vlaams is en niet algemeen Belgische, zelfs Europese waarden, uitdraagt.
"Vraag niks aan mij, ik ben een sléchte Vlaming," zeg ik als men me om mijn mening vraagt.
Met ouder worden leer je steeds meer hoe je bent en vooral hoe anderen je zien. Het is een bijzonder fascinerend dialectisch proces. Een vastomlijnde persoonlijkheid is een illusie. Voor de ene persoon ben ik een biechtvader, bij anderen ga ik te biecht. Richard Ashcroft bezong het treffend: "I'm a million different people from one into the next, I can change my mould."
Ik heb zin gekregen in koffie. Het regent nog altijd.

vrijdag 4 mei 2012

Bricolage

Het is een heel klein snuifje ancien régime en aristocratie, met een oververtegenwoordiging aan kleine d's in de zaal. Het is een grote lap moderniteit en eclecticisme, met de gezapige lounge en een walking dinner vol lekkernijen uit allerlei gezonde keukens. Tegelijk is het een bedrijfsfeest als een ander, met clusters dronken collega's, ruziënde koppels en mensen die stilletjes de minuten aftellen om huiswaarts te gaan. De zaal is warm en de mensen ook. Dassen en cocktailjurken voor zover het oog kan zien. Ik maak kennis met partners van, collega's van en andere vans voor wie ik ook een van ben. Af en toe kan ik ontsnappen om buiten te roken.

Op grote evenementen heb ik altijd medeleven met de stewards en de hostessen. Het zijn bijna altijd knappe mensen, en bovendien heb ik een zwak voor uniformen, maar voor de dood zou ik er nog niet tegen praten, al was het maar omdat ik weet dat ze op elk evenement wel te kampen hebben met vervelende playboys of dronken zieligaards. Die gedachten voelen zwaar, maar drukken te pret absoluut niet. Een avond hoeft niet speciaal te zijn, er hoeft niets te gebeuren en ik zit ook op niets te wachten in het bijzonder. Feodor en ik kwamen onlangs tot de conclusie dat dit soort uitzichtloosheid niet altijd negatief is - het kan wanhoop impliceren, maar ook tevredenheid. Ik denk aan hoe het leven zou kunnen zijn elders. In coltruien kleine kopjes koffie drinkend in een hip Berlijns café terwijl ik de lokale tongval onder de knie krijg. Wanhopig en gebroken in Parijs, omringd door andere expats en hautaine Parisiens. Het beste gedicht van m'n leven schrijven voor het venster van een Burger King in Londen en dan aangereden worden door een taxi. De waarheid is dat ik me op een erg fraaie locatie bevind in de groene rand rond Brussel en dat ik geamuseerd luister hoe mijn twee bazen druk discussiëren als een getrouwd koppel.

Een Waal waar ik al een tijdje mee aan het praten ben, vraagt mijn mening over Bart De Wever, schuchter haast. Het is niet de eerste keer dat ik dat gesprek voer met Franstaligen. Hij probeert nuance te leggen in zijn vraag. Ik apprecieer dat, maar leg uit dat ik een slechte Vlaming ben en dat ik De Wever een weinig constructief personage vind. Dan zwijg ik nog over zijn recente demarche waarin hij kwam huilen dat de media zijn partij onfair behandelen, terwijl hij al jarenlang in allerlei shows en kranten zonder veel tegenkanting de geestigaard, de intellectueel en het politiek talent mag komen uithangen. Nou. Ik constateer dat de oudere collega's intussen allemaal verdwenen zijn. In een souterrain wordt er gedanst. Ik drink nog wijn en praat met een Engelsman en een Luxemburgse over de zin en onzin van lange-afstandsrelaties, waar we als internationale twintigers allemaal wel ervaring mee blijken te hebben. Het gesprek fluctueert van Frans naar Engels en via Nederlands terug naar Frans en daarbij voel ik me als een vis in het water. Niet eens zo gek als de ruimte bijna volledig donker is, met oranje en blauw. Contrasterende kleuren (eerste les bloemschikken met mijn moeder), toevallig ook allebei relaxerende kleuren, met hun onderlinge afstand die hier opgevuld wordt door uitgekiende houttonen en een kunstmatig verhoogd plafond.

Twintigers praten onder elkaar graag over andere twintigers die al gesetteld zijn, getrouwd en al dan niet kinderen hebben en hoe eng of angstaanjagend dat is. Niks daarvan is eng of angstaanjagend, en vanuit het perspectief van wie gelukkig gesetteld is, is die samenzweerderige kritiek van de andere kant een teken van nukkige adoloscentie die er nog niet helemaal uitgeklopt is door het leven. Nee, de horror van de bedding waar zo veel levens door stromen is niet de bedding zelf, maar dat velen beginnen te lijden aan een terminale blikveldvernauwing. Het universum dijt dan wel eeuwig uit, hun persoonlijke universum wordt alsmaar kleiner - mentaal, emotioneel en sociaal. Steeds meer mensen dansen. Niemand die z'n das uittrekt en er mee boven z'n hoofd begint te slingeren. Enkele mensen zijn aangeschoten, maar van ranzigheid is er geen sprake. Vanop een balkon kijken de niet-dansers toe. Het wordt tijd om naar huis te gaan, want de gesprekken zijn op en ik voel dat het een kantelmoment is waarop, als ik nu besluit te blijven, niet thuis zal zijn voor vier uur 's ochtends.

Met zuivere logica kan ik het niet uitleggen, maar intussen heb ik er een goed oor voor ontwikkeld om te horen of een plaatsnaam niet oorspronkelijk Nederlandstalig is, en dat was bij het horen van de naam Terhulpen geen uitzondering. Er is bijna geen straatverlichting in La Hulpe, maar dat is helemaal niet erg. Ik denk aan filmbeelden van eenzame auto's die over boswegen razen, met snel passerende, dreigend donkere stammen en het geruis van opvliegende bladeren. Of hoe Brouwers in één van zijn paniekaanvallen in 'Bezonken rood' schreef hoe hij voelde dat het bos eerder op hem afkwam en hem omknelde dan dat hij het woud zelf inrende. Alles wat geen pijn kan doen, is een illusie. Een gezapige moeheid maakt zich meester van mijn denken. Gesprekken van zoëven worden terug afgespeeld en voorzien van mentale commentaren. Ik kras telkens een streepje in mijn geheugen als ik moet denken aan het zoveelste koppel dat volledig van de sociale radar verdwenen is, zich alleen nog in platitudes kan uitdrukken als je hen tegenkomt en die daarbovenop nog eens meningen verkondigen die ze vijf jaar geleden te vuur en te zwaard zouden bestreden hebben.

Op de ring rond Brussel is het ook al feest. Enorme, oplichtende gevaartes geven aan dat de baan spoedig vernauwd wordt tot één rijvak. Het lijkt wel een beeld uit een nachtmerrie: rijen rode en gele lichten, dicht opeengepakte files om middernacht. Is de apocalyps op handen? Zijn onze nieuwe heersers uit de ruimte eindelijk geland, en wel op de Brusselse buitenring? We zullen het nooit weten. Daarna volgt nog een omleiding langs steenwegen en banen door Ternat, Denderleeuw en Aalst voor ik terug de E40 op mag. Lintbebouwing, cafés die nog open zijn maar waar geen hond zit, gesloten frituren en slecht aangelegde verkeersdrempels. Welkom in voorstedelijk Vlaanderen op z'n spookachtigst. Wat als deze banen een rit terug in de tijd waren en ik aan de andere kant zou uitkomen in 1995? Mijn aankomst alleen al zou een alternatieve geschiedenis teweegbrengen, maar het eindresultaat zou noch beter, noch slechter zijn. Daarmee moeten we het maar stellen. De weg strekt zich verder uit en de autolichten werpen contrastrijke vlekken over de omgeving. Zolang ik maar thuis raak, is alles goed.