Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 27 maart 2014

Onder het schild

Er is Werelddierendag, er is de Dag Tegen Extreme Armoede, Openmonumentendag, en er is blijkbaar ook een Internationale Dag van het Geluk. Dat zullen we vandaag geweten hebben. Ik kom aan op het werk en ik merk dat m'n bureaublad veranderd is. In de lift hangen omineuze posters die ons met een dubieuze spreuk van Tolstoj, vertaald in slecht franglais, aansporen om gelukkig te zijn. Want gelukkig zijn, dat kan blijkbaar door het gewoon te willen. Er zijn allerlei activiteiten gepland, zo blijkt. Een verrassingsbord paella met een glas sangria, een gadget en een toespraak van een corporate geluksexpert, en in de namiddag komt er een lachsessie in een vergaderzaal op het zesde. Al dat geluk, en het wordt me hier gewoon in de schoot geworpen.

Van de weeromstuit erger ik me aan het initiatief, niet omdat ik dat aan een denkbeeldige staat van cynisme verplicht ben, maar omdat het geforceerd aanvoelt. In plaats van werknemers te vragen naar wat hen gelukkig maakt of gelukkiger zou kunnen maken, beslist men aan de top dat geluk voor ons bestaat uit een motivational speaker en lachgas. Wel. Ik probeer de oren niet te hard te laten doorhangen. Ik begraaf me in m'n werk en negeer zo veel mogelijk de medewerkers van HR, die van verdiep naar verdiep gaan en er voor de gelegenheid uit zien als een groep stewards en stewardessen. Ze lijken nu al allemaal dronken. En ach, is het ook geen bijzonder mooie dag vandaag? Een blauwe hemel, een beetje wind, en de lente die in elke bloemenschaduw zit.

Ik probeer om niet Die Gast te zijn, maar na een halfuur in de refter door te brengen terwijl 'Happy' van Pharell op oneindige herhaling staat en de motivatiespreker het ene cliché na het andere afvuurt onder goedkeurend gebrom, vlucht ik naar buiten. Ik ga in de buurt naar een bankautomaat. Ik flaneer langs de Tervurenlaan. Allemaal ambassades, groot en klein. De meeste herken ik aan hun vlaggen, omdat ik als kind een obsessie had met vlaggen. Ik herken aan mijn linkerkant de vlag van Cambodia en aan de overkant die van Oeganda, die ik eerst verwar met die van Mozambique. Veelkleurige affaires. Verderop is er ook de Spaanse ambassade, waar altijd rokers buiten staan.

Met mijn blik op de grond gericht, wandel ik verder. Er is nog iets dat me aan dat hele geluksinitiatief stoort, omdat het het allemaal zo doodeenvoudig doet lijken. Voel je gewoon goed en alles komt vanzelf. Dat is simpel voor mensen wiens hoofd geen cyclotron is. Ik bal de vuisten. Ik heb angst. Alle dagen minstens één keer, soms om futiele redenen, soms om gegronde redenen, soms zomaar, zonder object. Die angst ligt telkens op de loer, net om de hoek, de ongenode schoonfamilie voor de deur, de overvaller in het steegje. Ik doe alles wat ik kan om die angst te overschilderen of om die op afstand te houden, maar dat is niet altijd gemakkelijk, want het enige wat die angst doet verdampen, is me terugtrekken uit de drukte en stil blijven zitten als een rotsblok. Een fobie is concreet. Angst heeft een miljoen gezichten zonder ogen.

Bij de slager bestel ik m'n broodje, en laat ik m'n blik ronddwalen over de toonbank met charcuterie. Het helpt niet dat ik nog eens een grote verbeelding heb, maar gelukkig heb ik fantasie en werkelijkheid altijd kunnen onderscheiden van elkaar. Soms ben ik bang dat ik dat op een dag niet meer ga kunnen, en dat alle deuren uit hun hengsels zullen geblazen worden door een oerkracht die al veel te lang verbannen is naar de diepte. Er zijn ook momenten dat ik denk dat het specifiek die angst is, die me helpt om door de realiteit te navigeren. Had ik die niet, dan zat ik misschien nu al lang ergens in een isoleercel.

De naamloze protagonist uit 'Aantekeningen uit het ondergrondse' van Dostojevski lijdt aan een hyperbewustzijn, wat hem voor alles en iedereen, inclusief zichzelf, met afkeer vervult, en hijzelf de grootste barrière wordt tot zijn zelfverwezenlijking. Het heeft ook te maken met je basisingesteldheid, veronderstel ik. Ik begreep de mentale toestand van de Ondergrondse Man, en het inzicht dat elke samenleving een bizar marionettenspel is waar ideologieën nog sneller bankroet gaan dan dat ze uitgevonden worden, maar deelde zijn minachting voor anderen niet. Ik hou best van mensen, met verstandige reserve.

Eens ik weer op straat ben, inhaleer ik de lente zo diep mogelijk. Ongelukkig voel ik me niet. Een mens kan heel veel dingen tegelijk voelen die elkaar enkel schematisch tegenspreken. Of in speeches van goedbedoelende gelukscoaches. Hij had het over positieve psychologie, een discipline die zich richt op het verbeteren van wat al goed is, in plaats van altijd te timmeren aan de slechte kanten van de mens. Er valt iets voor te zeggen. Maar hoe moet je verder met dat blok aan je been, al je goede kanten ten spijt? De meeste mensen met mentale problemen die ik ken, compenseren dat al door hun betere kanten te cultiveren. Mag ik dat eigenlijk wel zeggen, dat ik mentale problemen heb? Ik ben niet psychotisch en kan vrij goed functioneren op het werk en in mijn sociale omgeving. Maar ja, voor je het weet zit je bij de verhongerende kinderen in Zuid-Soedan en mag niemand nog spreken over zijn of haar problemen.

M'n hartslag gaat omhoog. Misschien komt dat omdat ik gisteren zo weinig geslapen heb. Ik rond de hoek van het bedrijf en marcheer naar binnen. In de lift weer die posters. "Elke minuut dat je boos bent, heb je zestig seconden geluk verloren". Gelukkig staat het er niet in Comic Sans. Met opgetrokken wenkbrauw zie ik dikwijls reposts passeren van sites als Upworthy, of zucht ik eens bij de uitroeptekens omtrent de zoveelse TEDx-talk. Je kan me dan afserveren als een knorpot die altijd wel iets negatief te zeggen heeft, maar het punt is dat dit soort diepzinnigheid op bestelling vaak enkel een goed gevoel geeft. Het verandert niets.

Op het derde stopt de lift en stappen twee HR-mensen in, die me onmiddellijk vragen wat ik vond van de middagactiviteit. Die was wel "ça va" zeg ik zo enthousiast mogelijk, maar ik weet dat ik met alles wat minder is dan het hoogste lof, op hun hart aan het trappen ben. Morgen zijn ze dat misschien al vergeten, en vroeger zou ik me er schuldig over gevoeld hebben. Dat heb ik tenminste toch al geleerd. Ik laat sneller los. Opnieuw één van de voordelen van die kraken die in m'n hoofd woont. Hij heeft me gedwongen eigenschappen te ontwikkelen die anderen niet hebben om aan zijn tentakels te ontsnappen. Zwaar nieuws verdraag ik gelijkmoediger dan anderen. Ik verlies me niet in geluk zoeken waar ik het toch niet zal vinden, zoals het najagen van andermans dromen, en ik accepteer dat iedereen monsters heeft in zijn mentale spelonken.

Op m'n eigen verdiep tap ik een stevige koffie en sla ik een praatje met een baas. Ik kan zeer moeilijk praten over hoe ik me echt voel omdat het mij niet is aangeleerd. Sterker nog, de les die ik in het leven heb meegekregen, is dat gevoelens delen met iemand op hetzelfde neer komt als alle deuren van je huis wagenwijd openzetten. Poëzie is eigenlijk slechts een garageverkoop, of de lichtshow die Kevin McAllister opzet voor de vensters van zijn huis om inbrekers te misleiden. Niet dat het geen schijn van waarheid bevat, maar intussen weet ik al lang dat waarachtigheid belangrijker is dan onversneden waarheid. Het is mooi meegenomen dat ik er iets uit kan puren dat op kunst lijkt en dat sommige mensen die goed vinden, en nog fantastischer dat ik er recht het hart van sommige mensen mee aanspreek, maar die uitingen zijn niet de cosmetica waarvoor ze soms gehouden worden. Laat staan dat ze bedoeld zijn als emotioneel exhibitionisme, waar ik van gruw.

Achter m'n bureau is het te warm, omdat elke namiddag het zonlicht recht naar binnen schijnt op die plaats. Ik nip van de koffie, waar ik iets te veel suiker in gedaan heb. Matiging is moeilijk. Ik klaag dan wel dat we constant overgestimuleerd worden door duizenden indrukken tegelijk, maar waad al te vrijwillig door diezelfde poel op sociale media. Tenslotte is het niet al kommer en kwel, denk ik terwijl ik m'n handen verwarm aan de koffiemok. Er is een reden dat ik lachrimpels heb en geen huilrimpels, en dat m'n mondhoeken niet naar beneden staan. Toch vraag ik me af hoe dat moet voelen, gelijkmatigheid. Voor zondagskinderen lijkt dat vanzelf te komen.

Waar het allemaal op neer komt is een doordringend gevoel van stuurloosheid die deze dag accentueert. Ik ben niet de kapitein van mijn eigen lotsbestemming, zoals ons wordt voorgehouden door allerlei feel good-artikels en geblubber over empowerment. Om te kunnen bestaan moet ik geld verdienen, en dat doe ik met een job die me maar zeer matig boeit, onder mijn intellectueel niveau ligt en waarvoor ik elke dag in totaal drie uur onderweg ben. Met toenemend afgrijzen kijk ik terug en zie ik dat ik de voorbije acht jaar zo goed als stilgestaan heb. Ik heb geld verloren en een beetje geld gespaard, ik heb oude meubels weggedaan en nieuwe gekocht, vrienden zijn hier en daar van plaats gewisseld, en ik ben door de draaideur gegaan van verschillende relaties en non-relaties. Maar wat, buiten een kapitaal dat we dan maar zullen omschrijven als 'menselijk', heb ik werkelijk gewonnen? Wat kan ik in de plaats krijgen voor die cheque van de Bank der Levenswijsheden?

Na een tijdje kniezen besluit ik om eerder van het werk te vertrekken. Die brochure wordt wel een andere keer geschreven. Het is nog niet eens vier uur, maar de brave soldaat Voloshin zit anders plichtsgetrouw te werken tot even na het officiële einde van de werkdag, dus niemand maalt erom. Ja, ik zou in theorie alles kunnen achterlaten, de eerste vlucht nemen naar Tahiti en daar proberen om een nieuw bestaan op te bouwen, maar het leven is geen Hollywood-film. Ik plooi terug op mezelf, en merk dat het tijd wordt dat ik gewoon de hoorn van de haak leg. Woorden en gedachten kunnen maar zo veel. Dat betekent een boek vanavond, een verblijf op de zetel, weinig licht, misschien een bad met veel schuim. En vooral die kakofonie die niet meer langs de muren van m'n appartement naar beneden sijpelt en in de kleren kruipt. Laten we vanavond gewoon beginnen met stil zijn.

zaterdag 8 maart 2014

Steak masqué

Het woord 'kostuum' is een prachtig woord omwille van zijn Dietse dubbelzinnigheid, omdat het zowel avondkledij met das en jasje als een ensemble aan verkleedkleren kan aanduiden, en dus impliciet toegeeft dat de typische garderobe op recepties en evenementen met klasse ook niet meer is dan een verkleedpartij voor gevorderden. Bovendien zitten we volop in het carnavalsseizoen, denk ik, terwijl ik in pak en das wacht op m'n eten in een restaurant nabij Sint-Katelijne, in hartje Brussel. De reden dat ik zo uitgedost ben, is omdat m'n werk me daartoe verplicht. In het jaar dat ik geboren werd, werd ons bedrijf opgericht door twee vooruitziende aristocraten, en die vonden het vanzelfsprekend dat hun personeel de bijbehorende klasse zou uitdragen. De reden dat ik dan weer alleen zit te dineren, is omdat ik in de buurt dadelijk op het appel moet verschijnen bij het Vrouwen Overleg Komité, compleet met progressieve spelling - die intussen al meer dan 15 jaar een eerder regressief effect heeft. Het VOK heeft me niet gesommeerd wegens misdaden tegen de vrouwelijkheid, maar omdat ik deel uitmaak van een feministische groepering en dat er vanavond verzamelen geblazen wordt met een aantal van die groeperingen.

Ik eet een malse steak, die geserveerd is op een houten plank met drie gaten in voor drie verschillende sausjes. Voor die steak is een koe gestorven en is het broeikaseffect weer dat beetje erger geworden, dus ik kan er maar beter van genieten en alles netjes opeten. De maaltijd smaakt. Intussen word ik in de gaten gehouden door een ouder Nederlands koppel dat luid en in amechtig Frans al een bestelling geplaatst heeft, en een stel Amerikanen die probeert uit te vissen wat er op de menukaart staat. Ik gebaar niet dat ik Nederlandstalig ben en dat ik Engels spreek. Dat is wel vaker een genoegen waar ik me in verkneukel, en ik zorg ervoor dat ik zo gemanierd en stijlvol mogelijk eet, drink en verder lees in het boek dat ik bij heb. Mensen die alleen eten op restaurant oogsten vaak bekijks, dus kan ik maar even goed een bescheiden show opvoeren. Sowieso is op restaurant gaan al acteren, met dat hele ritueel van bestellen, bedanken, de rekening vragen, de discretie bij het betalen, en zo verder. Voor sommigen is dat bourgeois en onnozel. Voor mij is het een vak, een spel. Ik hoop dat de garçon, die aan m'n accent vast wel zal gehoord hebben dat ik een Vlaming ben maar Frans praat omdat ik dat zelf ook doe, denkt dat ik misschien een controleur van van Michelin. De Nederlanders denken mogelijk dat ik een zakenman ben die straks nog verder gaat werken.

Ik drink. Ik eet het bord, dat gemaakt is om te doen denken aan een authentieke slagersplank, netjes leeg. Rood vlees en mannelijkheid, wat is dat toch met dat verband? En dan die slagersplank. Is het een uiting van een hunkering naar een ingebeeld verleden, waar dieren om zeep helpen getuigde van mannelijke waarde? Nostalgie naar brute kracht die vroeger op respect kon rekenen, maar nu hoogstens de wenkbrauwen doet fronsen? De tijden zijn veranderd, maar hoe meer we in de maatschappij inzetten op verfijndheid, empathisch denken en kennis, hoe harder bepaalde segmenten lijken weg te dromen bij een ingebeelde mannelijkheid. Dat is geen nieuwe gedachte. Ook Caesar schreef in zijn Gallische Oorlogen dat de Germanen, hoewel zij barbaren waren, door hun afstand tot het beschaafde leven in de metropool Rome, "het minste verwijfd waren". Ondertussen betaal ik voor het eten en laat ik een kleine fooi achter, deels omdat ik geen zin heb om te wachten op wisselgeld, deels omdat ik oprecht tevreden ben over de service en de kwaliteit.

Buiten waait het een ongeluk. Allerlei volk dwarrelt over de verkeersvrije straat en het pleintje en ik trek m'n jas dichter. Ik heb nog tijd vooraleer het evenement begint, en bovendien moet ik nog wachten op medestander Wendy. Ik steek de straat over en ga in het café daar een koffie drinken. Terwijl ik er zit, en opnieuw enkele nieuwsgierige blikken voel die zich lijken af te vragen wat die ene zonderling in kostuum daar zit te doen, vraag ik me van mijn kant af of hier ook al andere feministen undercover zitten. Want in weerwil van het cliché zijn feministen anno nu allesbehalve vrouwen met een vierkante kin en weelderig okselhaar, als dat cliché ooit al waar geweest is. Openlijke vrouwenhaters zie je in België niet vaak meer, maar er is genoeg seksistisch achtergrondruis die onze houdingen maar al te vaak beïnvloedt zonder dat we daar bij stilstaan. Ik ben hier echter niet om te preken, en ik lees op m'n gemak verder terwijl ik van de bescheiden koffie nip. Ik zit in zo één van die Vlaamse oases in Brussel, niet ver van de Dansaertstraat, waar Frans optioneel is in plaats van de automatische default. Geert Bourgeois zou het graag zien. Aan het venster passeert guur volk. Waarom zou je op een koude maandagavond ook buiten moeten zijn, tenzij het binnen erger is? Molenbeek is niet veraf. In de Vlaamse psyche is dat een Mordor van ruige Marokkanen, fanatieke imams en francofoon nepotisme. Ik voel me noch op m'n gemak bij die beeldvorming, noch bij de invloed die het ook op mijn denken heeft.

Als Wendy arriveert, ben ik al verkast naar de zaal waar het evenement plaatsvindt, en kijk ik vooral goed rond. De stoelen staan in een cirkel, en even vrees ik dat we zullen beginnen met djembe spelen. Ik ben één van de weinige aanwezige mannen, maar dat verbaast niet. Eens in de minderheid zijn kan deugd doen voor het perspectief, zeg ik altijd maar. Er wordt een micro doorgegeven terwijl diverse organisaties zich voorstellen. Ik krijg de indruk dat iedereen vooral vol goede wil zit en lief is: een heel eind verwijderd van het militante (en compleet verzonnen) beeld van schreeuwende vrouwen die bh's verbranden en het einde van de fallus afkondigen. Toch schuilt er achter die vriendelijke woorden een gestaalde overtuiging. Twee oudere dames hebben indertijd nog meebetoogd met Simone de Beauvoir. Een ander frappant feit is dat de enige persoon die een dienende functie lijkt uit te oefenen op het evenement, een hoofddoek draagt. Dat is allicht toeval, en er is een brede consensus dat de hoofddoekenkwestie vooral iets is waar gelegenheidsfeministen zich in opwinden, maar niettemin valt het op.

Daarna worden we als in een carrousel verschoven van tafel naar tafel, om te discussiėren over een aantal thema's. Genoeg tijd voor een diepgaande discussie is er niet echt, het is meer een uiteenzetting van standpunten en feiten die elke groep karakteriseren. Een groep die specifiek opkomt tegen vrouwen die op straat lastiggevallen wordt, legt natuurlijk andere accenten dan iemand die actie voert voor holebirechten. Opnieuw blijkt de luisterbereidheid groot, maar de vrijblijvendheid evenzeer. Als man aan feministen gaan vertellen hoe ze beter kunnen zijn in feminisme, is om diverse redenen natuurlijk not done, maar toch vind ik het jammer dat er niet wordt gesproken over speerpunt - of outreachacties die op meer gericht zijn dan een publiek bereiken dat al bereikt wordt. Iemand ziet heil in een mailing list, een begrip dat in feite al verouderd was in 1999, toen ik nog dacht dat feminisme gelijkstond met Goedele Liekens. Ik ben alleszins blij om deel uit te maken van een groep waarin dat niet geldt als een revolutionaire suggestie.

Dik anderhalf uur later ben ik thuis, en leg ik alle vermommingen af. De das gaat in de lappenmand, het kostuum aan de vleeshaak. Zelfs de kater weet dat hij zijn klauwen niet mag uitslaan als ik geen kleren draag. Het is koud, want de centrale verwarming is kapot, dus wordt het behelpen met een beige verwarmingstoestel dat ouder is dan ikzelf. Ik rek me uit en giet een glas vol, steek een sigaret op, en begin het avondritueel als ik alleen ben. Is ook dat geen volgende vermomming? Of is dit uur voor ik in bed kruip een kort verblijf in de coulissen, waar al mijn attributen en rollen uitgestald liggen? Je kan zeggen: je bent je eigen rol, zolang je die voor waar aanneemt. Ik nam mijn persona als zakenman in het restaurant niet voor waar aan, maar beleefde er plezier aan. Mijn persona als medestander in feminisme neem ik voor waar aan, en veroorzaakt soms veel stress. Bijvoorbeeld dat ik dat nog veel te vaak moet rechtvaardigen. Hermann Hesse dacht dat de mens een ajuin was: enkel laagjes, niet echt een kern. Ik zie het nog radicaler. De mens is proteïsch, veranderlijk en zonder kern, en lagen zijn maar een abstractie voor het gemak. Het glas is leeg, nu, en de kater is tevreden aan het eten. Bij gebrek aan Jelka, die vanavond het podium onveilig maakt, mag hij deze nacht bij mij slapen. Ik tik de laatste asse af en denk dat het tijd is om die veerboot van tabak achter te laten, en aan land te gaan in de slaap.