Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 16 december 2014

Een oude jas

Omdat er intussen al twee knopen ontbreken aan m'n favoriete jas en ik zo niet langer de deur uit kan, zag ik me deze ochtend genoodzaakt een oude jas uit de kast te halen. Het is meer dan 10 jaar geleden dat ik die jas droeg, en met goede redenen. Het is niet dat het een lelijke jas is - hoogstens een beetje uit de mode, het soort jassen waar je verstrooide huisvaders in ziet rondlopen. Ik kocht hem toen ik in het laatste jaar zat van de middelbare school, en zelfs 13 jaar later is de jas nog altijd veel te ruim rond m'n schouders, is de kraag op mysterieuze wijze zowel te slap als te hard, en bolt hij naar onder toe op, wat me automatisch een forse buik lijkt te geven. Geen enkele sjaal past erbij, en het enige voordeel - de zachte binnenvoering - wordt een netto nadeel van zodra er ook maar ergens een zonnestraaltje is.

Ik moet toen gedacht hebben dat die jas me een volwassen aanschijn ging geven na jaren van frivole confectiejassen en een gefaald experiment met jeans. Wat wist ik op 18 ontzettend weinig over praktische aspecten van stijl en kledij. Ik kon je vlot de werken opsommen van Friedrich Nietzsche en met jou een boom opzetten over waarom ik precies dacht dat Jack Vance bagger-sf schreef, maar ik zou een mooie outfit niet herkend hebben al had je een pistool tegen m'n hoofd gezet. Niet dat kleren van zulk een primordiaal belang zijn, maar ze zijn deel van je visitekaartje.

Binnen een goede tien jaar hoop ik op mijn beurt terug te kunnen kijken naar mijn huidige lievelingsjas als een oude jas die getuigde van een dubieuze smaak, omdat het punt is dat ik niet op een dag wil wakker worden met het besef dat ik gestopt ben met evolueren. Om het met obscene beeldspraak te zeggen, vandaag voel ik me letterlijk evolueren in den vleze. Het gaat relatief goed. Ik sta op het punt van één appartement naar een ander te migreren, met de conditie gaat het scherper, en ik neem vlijtig de mij voorgeschreven medicatie. Die heeft me niet, zoals sommigen altijd vrezen van dat soort medicijnen, een catatonicus of een naargeestig vrolijke Frans gemaakt, maar heeft me dat laagje schubben gegeven dat ik anders moet ontberen. Een psychische jas, zo je wil.

Is het dan zo dat het voelt om meer te zijn als andere mensen? Dat is een prettige gewaarwording. En ik hoef er niet eens m'n donkerder kanten voor uit te wissen. Die zijn er nog altijd, maar weten zich beter verzorgd dan vroeger. Dat mag ook wel eens, met de feestdagen in het verschiet, feestdagen (veestdagen more like, am I right) die elk jaar aan persoonlijke betekenis inboeten. Ik ben al lang dankbaar als de tafelconversatie boeiend blijft tot na elf uur 's avonds en als ik de feestdis niet moet verlaten terwijl ik met opgetrokken wenkbrauwen iets moet neuzelen over een "interessante" voedselkeuze.

Voor een keer laat ik het uitslaand branden over de staat van de staat over aan anderen. Die zeggen dat tenslotte ook goed, en ik moet m'n bek niet altijd opentrekken van zodra er een zwart-geel gestreepte ploert in een Schoon Verdiep weer een schofterige beleidsmaatregel decreteert. De Sturm und Drang is wat afgenomen, en dat ter heil mijner ribbenkast.

Ik moet zeggen: hij zit wel vlotjes, die oude jas. Toen ik 18 was vond ik er mezelf een hele heer mee, al wilde ik toen nóg liever een langer exemplaar, liefst van leder, maar dat durfde ik me niet kopen omdat ik bang was dat mensen me (terecht) gingen uitlachen. Dat verstand had ik dan weer wel, na op die leeftijd geworsteld te hebben met foute keuzes als een cowboyhoed van vinyl en een broek die eigenlijk een damesmodel was. Maar ik was uniek en vond dat dat ook al iets waard was. Soms zie ik mannen die in dat unieke gelijk van stijl blijven vastzitten, en vreemd genoeg zien die er allemaal gelijkaardig uit: mannen van m'n eigen leeftijd met zachte babygezichten, vlammenhemden of vormeloze jeans. En altijd de ene "wacky" gast met een hoed.

Was die jas een poging om me iets aan te meten van mannelijkheid, dan is dit het tijdperk van het comfort en de ironische afstand waarin ik me zeker genoeg voel over mezelf van die jas opnieuw te dragen. Ironische afstand kan natuurlijk maar zo ver gaan, anders verval je in hipsterdom en is de eindhalte van die nieuwe stijlwedloop Witte Sportsokken-Centraal. Het is vreemd: zaken die er niet toe doen, worden vaak benaderd met de grootste sérieux (het seksleven van beroemdheden, sport, mode, wat bijna-gepensioneerde rijken te zeggen hebben), terwijl lichtzinnigheid troef is bij wat er wel toe doet - bijvoorbeeld die arrogante smiley van een zeker staatssecretaris die geheel toevallig een beetje de stijl heeft van een skinhead. Soms is het enkel een opbod van pure emotie.

Emotie is een slecht ersatz voor debat. Dat is nog een reden waarom ik dikwijls stilletjes achteruit trippel als ik een hoog oplaaiende discussie voel naderen rond maatschappelijke kwesties. Voor je het weet staat er iemand met overslaande stem boutades te citeren over onze bruinere medemens, en helpt de ander z'n zaak ook niet door bevend dierenleed ten berde te brengen alsof ik persoonlijk mechanisch zeugen insemineer voor mijn perverse plezier. We kunnen allemaal kalmte en reflectie gebruiken. Opnieuw: afstand. Dat wens ik mijn medemens toe. Een adempauze, een paar tellen serene reflectie. Moge iedereen die luxe even vinden.

donderdag 4 september 2014

Anton in Noorwegen - Dag 9, 10 en 11

Alpaca’s, new wavers en tante Julia

Tegen de ochtend blijkt het busje met de “three womens” al verdwenen. Ik ga de plaats inspecteren waar ze stonden, en ontdek een lege kauwgomverpakking waar ‘made in Uruguay’ op staat. Na het opbreken rijden we voorzichtig de grasheuvel af, om te zien of er nu toch niet iemand zit in het wachthuisje. Het is er nog altijd even doods. Omdat ik dat altijd al willen doen heb, brul ik “So long, suckers!” als ik het gaspedaal indruk en wegstuif van de weg, groener oorden tegemoet. Eén nacht in deze Mexicaans aandoende omgeving was meer dan goed genoeg.

Onderweg krijgen Jelka en ik een vlammende discussie over dieren die we langs de kant van de baan zien. Ik denk dat het geiten zijn (“ze waren klein en in allerlei kleuren!”) en Jelka houdt vol dat het hertjes waren (“geiten hebben geen gewei!”). Die discussie is snel vergeten als we later op de dag een weide met alpaca’s passeren. Jelka neemt uitgebreid foto’s. De dieren ondergaan dat laconiek.

Er zijn nog twee tussenstops voor we Oslo opnieuw bereiken, en voor elk van ons wat wils. De eerste stopplaats is de op de route geadverteerde Gardnos-krater. Het park rond de krater blijkt dicht (waar zitten al die Noren toch?) maar je mag er wel nog vrij rondlopen. Ongeveer 560 miljoen jaar geleden kwam hier een meteoriet neer die een krater sloeg van vijf kilometer doorsnede. De krater is al lang overgroeid, natuurlijk, maar we vinden wel een opgedroogde bergrivier die mooi de opgebroken terrassen kwarts nog toont. De heerlijke stilte in het kraterbos krijgen we er voor niets bij.

Jelka mag zich dan weer helemaal laten gaan in het Bjørneparken (“het Berenpark”), een uitgebreid en modern dierenpark met, hoe raad je het, beren. Er zijn niet enkel beren – die er overigens vervaarlijk uit zien, en lappen vlees in een rivier aan het kapotscheuren zijn terwijl we van op veilige afstand op een loopbrug toekijken – maar geitjes die spontaan mensen komen knuffelen en kopjes geven. We zien een jong hert en een jonge eland. De cavia’s zijn op vakantie, en de vos laat zich niet zien. Het is er een paradijs voor kinderen: overal staan speeltuigen, en bij enkele hekkens liggen emmers met wortels klaar om aan de dieren te voederen. Eén klein meisje huilt onbedaarlijk bij een eland. Elanden geven geen fuck, dat is duidelijk.

In Oslo zitten we weer in hetzelfde hotel waar onze reis begon, deze keer onder de grond. Na vier dagen kamperen en eten uit blik, voelt een bed al aan als een ongehoorde luxe. Buiten raak ik nog aan de praat met tweede oudere Engelse mannen die in een new waveband spelen en er ook zo uit zien (gelakt zwart geverfd haar, zwarte lederen jassen, koppen die veel gezien hebben). We hebben het over muziek, voetbal en het Schotse referendum voor onafhankelijkheid. De reis zit er bijna op.

In de voormiddag erop verkennen Jelka en ik elk apart een wijk in Oslo die ons aangeraden was door personeel van het hotel. Het blijkt een hipsterwijk te zijn met tal van tweedehandsboetiekjes, winkels vol snuisterijen, en kleine parkjes waar lokale, nog niet gegentrifieerde dronkenlappen en marginalen doen wat dronkenlappen en marginalen in parkjes overal ter wereld doen: onverstaanbaar roepen, onvoorspelbare bewegingen maken, en mensen lastigvallen voor sigaretten.

We eten in een gezellige tapasbar die de naam ‘Delicatessen’ draagt. Het is er voortreffelijk, en de dienster lacht meewarig met mijn poging de Noorse menu-items correct uit te spreken. Ik voel me een kleuter die net een beetje zindelijk geworden is.

Jelka koopt schoenen. Ik hou me gedeisd in een parkje. Er wandelen veel mannen alleen rond met kinderwagens. Is dat de geroemde Noorse emancipatie? Er is ook een lesbisch koppel dat complexloos hand in hand wandelt. Dat zou overal moeten kunnen. De wereld zou een betere plaats zijn. Slechts één dronkaard valt me lastig, maar druipt teleurgesteld af als ik “jag ikke snakke norsk” zeg.

Vanaf dan staat alles alweer in het teken van de reis huiswaarts. Het is opnieuw de ‘Stena Saga’ die ons terug zal brengen naar het Continent, deze keer met een overnachting. Omdat ik nog nooit op een boot geslapen heb, maak ik me kinderlijk blij in het idee eindelijk in een echte kajuit te kunnen slapen. Het is er klein en krap bemeten, maar proper, en bovendien belooft de nacht entertainment: er wordt omgeroepen dat DJ Gary de hele nacht feestenden zal bedienden in de discotheek met de beste dansmuziek. Dat wil ik niet missen.

Jammer genoeg blijkt het feestje daar pas van start te gaan als wij al willen gaan slapen. Het deert de intussen alweer dronken Noren en Denen niet. Mannen en vrouwen van makkelijk het dubbele van Jelka’s leeftijd en de leeftijd van mijn ouders dansen, zoeken duidelijk liefde voor één nacht, of staan wiebelend op de verschillende dekken te roken. Met de veel goedkopere (maar naar Belgische normen nog altijd dure) alcohol en sigaretten lijken de Scandinaviërs prima in hun nopjes. Maar onze wereld is het niet echt. Ik krijg nog een onvrijwillige slaapwel toegewenst van twee oudere dames die iets dronken tegen me zeggen in het Noors, terwijl de ene m’n haar vruchteloos probeert goed te leggen. Ik onderga het zoals het personage in Boudewijn De Groots nummer die kloeg over de borsten van zijn tante Julia die op z’n schouder rustten als ze zich over hem heen boog.

De ochtend doet pijn. Toch is de rit terug door Denemarken, Duitsland, Nederland en dan uiteindelijk België geen achteruitgespoelde opname van de heenrit. In Denemarken win ik tijd door als een dolleman te rijden, maar in Duitsland raken we vast in de regen, de file, de slechte worsten en mijn slechte richtinggevoel. Tot drie keer toe rijden we voorbij Osnabrück mis, en ik ben de wanhoop haast nabij als we dan toch na anderhalf uur tijd verliezen, in Roermond in Nederland raken.

In Gent is de avond al lang gevallen. We hebben er dan 13,5 uur rijden op zitten, en mijn hele lichaam is een gloeilamp van pijn. Jelka en ik hebben 11 dagen samen doorgebracht zonder elkaar fysiek aan te vallen, ruzie te krijgen (al blijf ik er bij dat we geiten zagen en geen herten) en zonder al te idiote toeren uit te halen. Geir Jensen heb ik niet ontmoet en ik heb niet in een fjord gezwommen, maar Jelka heeft vele dieren gezien, ik heb gevoeld hoe het ook alweer is om door niets dan stilte omgeven te worden, en we zijn boven de fucking poolcirkel geweest. Als dat niet cool is.

Anton in Noorwegen - Dag 8

Een landschap met een acute depressie

Bergen is mooi. Het is mooier dan Oslo, en ook een stuk toeristischer. Dat merk je aan de vele stereotype toeristen die zich overal verdringen: jongere en oudere koppels met een modebesef dat iets zegt over hun afkomst – Chinezen met lelijke petten, een Italiaans koppel waarvan zowel m/v een verblindend witte broek dragen, oude Duitsers met sokken in sandalen, en zo verder.

De architectuur doet soms aan Amsterdam denken, maar kleuriger, en altijd met de onmiddellijke hoogtes van rotsen en, nu ja, bergen, binnen handbereik. Ik bestijg een partij stevige trappen naar de Sint-Niklaaskerk, maar daar blijkt een dienst gaande. In een ander kerkje heb ik meer geluk. Het oude, wat ineengestampte kerkje herbergt enkel bejaarden die er aan het eten zijn. Waarom een parochiezaal bouwen als je in een kerk ook kan eten, moeten ze gedacht hebben? Ik drijf mee met de geur van vers gevangen en gebraden vis naar de vismarkt, waar ik het water in de mond krijg, en verken een kleine haven met dicht opeengepakte façades die een houten versie lijken van wat je ziet op de Korenmarkt in Gent.

Ik neem naar hartenlust foto’s en omarm mijn toeristische zelf volledig. Eén keer gaat het bijna mis als ik in een parkje een foto neem van het standbeeld van Edvard Grieg, waar een meisje op haar buik bij ligt te lezen, met haar derrière naar mij gericht. Bij het klikken van mijn camera kijkt ze plots beschuldigend om. Ik doe alsof ik het niet gezien heb. Geen enkele uitleg zou niet verdacht geklonken hebben.

Jelka en ik eten op de vismarkt, maar dat blijkt de eerste en enige toeristenval waar we ons in laten vangen op de reis. Het eten is weliswaar bijzonder vers, maar we moeten lang wachten aan een vuil tafeltje, en betalen in totaal meer dan €50 voor een assortiment krab, mossels, vis en walvis waarvan één element zelfs nooit arriveert. Maar het weer is goed en helder. Van regen is er geen enkel spoor meer. Dat goede weer blijft ons mee volgen als we Bergen verlaten, en een pauze nemen in een grasveld bij het water, waar het enige gezelschap van onze sigaretten en mopjes een enorme zwarte naaktslak is, die even hallo komt zeggen. Jelka houdt van dieren – ze krijgt haar dieren duidelijk op een dienblaadje aangeboden.

Na ons vertrek proberen we een plek te vinden die Steyn ons aangeraden heeft met de naam Mordalen. We vinden de plaats niet, maar belanden wel ergens diep in een bergdorp via een kiezelweg met de auto op de oprit van een koppel stomverbaasde, zonnende Noren. Zelfs vanachter hun zonnebrillen zie je ze denken “achterlijke toeristen”. Ik rij ook bijna een spoor op waar een slagboom net neer gaat.

In de namiddag bereiken we de streek rond Buskerud. Eensklaps is het uit met de landschapspret. De bergen zijn hier laag en van een hard bruin, met roestige begroeiing. Er zijn nergens tankstations, winkels of iets dat wijst op een teken van leven rond de zandwegen en de gesloten, donker geverfde huizen die zo nu en dan in losse clusters op de heuvelflanken liggen. De weg loopt haast kaarsrecht door het dal. Alles lijkt hier aan een acute depressie te lijden. Auto’s komen enkel van de tegenovergestelde kant, alsof niemand hier wil zijn en niemand hier hoeft te zijn.

Er zijn eveneens verdacht veel trucks op de baan. Ik heb misschien te veel thrillers gezien, maar een goed gevoel geeft het niet, vooral als er bij elke andere stopplaats zo’n tientonner op rust staat, met verduisterde cabine. We overwegen even om wild te kamperen op een hoog plekje dat beschut wordt door een paar struiken, maar dan blijkt dat we op een mestvaalt terecht zijn gekomen waar nog tractorsporen door lopen. Direct voorbij de mest ligt een metersdiepe kuil met onpeilbaar, groezelig onkruid.

Uiteindelijk vinden we na kilometers rijden, terwijl het al een fiks stuk donker aan het worden is, een camping. Er staan vijf huisjes op rij die allemaal leeg zijn, een paar trailers die dichtgetimmerd lijken, en een kantoortje dat overplakt is met allerlei mededelingen maar waar ook al geen levende ziel te bespeuren is. We wagen het erop en zetten de tent in de hoek van een grasveld op een klein plateau. Terwijl we ons voorbereiden op onze laatste kampeeravond (morgen lonkt Oslo alweer) komen twee donkere jonge mannen in het zwart het plateau op gewandeld. Jelka denkt eigenaars, ik denk problemen.

We hebben allebei ongelijk. Ze zijn net als ons verdwaalde toeristen, met een niet nader te bepalen Zuid-Europees accent, en hebben een busje “with three womens”. Ze vroegen zich enkel af of wij de eigenaars of exploitanten gevonden hadden, en lijken blij dat ze eindelijk levende mensen aantreffen in Buskerud die geen Poolse vrachtwagenchauffeurs zijn.

Na zonsondergang koelt het snel af. De sterren schijnen zoals die dat enkel kunnen in het gebergte, of in een creepy film waar mensen plots wakker worden onder geitenbloed.

Verder naar het laatste deel, tenzij je liever gelooft dat ik in m'n slaap de schedel ben in geslagen door een rondtrekken truckchauffeur met moordneigingen.

Anton in Noorwegen - Dag 7

Overal kaarsvet

Zoals vaak op vakantie, word ik vroeg wakker. Ik denk dat ik in het vakantiedorp, waar hooguit vijftig mensen zijn, als eerste persoon buiten rondloop. Ik lees een boek op een rotsblok en rook een sigaret terwijl Jelka uitslaapt. Nadien gaan we opwarmen in het toeristisch centrum, een gezellige houten barak met een haardvuur en enorme lekkere warme chocolademelk. Er zit een koppel sportieve Duitsers en een Noor met een dekentje over zijn benen. Er hangt de gewijde stilte van een tempel.

Tegen de middag breken we ons kamp op, en rijden we richting Bergen. Het is een rit van 300km, maar daar kijk ik onderhand al niet meer van op. Het landschap blijft onverminderd prachtig. Tunnels met rotsgewelven, soms zelfs kilometers lang, worden afgewisseld met nog meer lagunes, nog meer meren en nog meer filmische bergflanken, al dan niet voorzien van een houten vakantiehuis.

Terwijl we Bergen naderen, komt de beschaving ons terug meer tegemoet, met drukker wordend verkeer, kleine voorsteden en tenslotte de onvermijdelijke ronde punten, waar ze in Noorwegen dol op zijn. Het is intussen al te laat geworden om nog veel van de stad te kunnen profiteren, dus zoeken we opnieuw een kampplaats.

De camping in Fagernes was een luxe-oord, en de eenvoudige rust van het kampeergras in Eidsbugarden een idylle vergeleken bij waar we belanden: een drukke bijna-stadscamping waar ook enkele mensen permanent wonen. De uitbaatsters spreken moeizaam Engels, en her en der weerklinkt weemoedige Balkan-muziek of harde dance uit 1997. Onze buurman-voor-een-nacht blijkt een vaste bewoner te zijn. We lenen peper en zout van hem in ruil voor een paar Duvels, waar hij bijzonder opgetogen mee is. Het lege flesje zet hij naast zijn buste van Satan, die bovenop zijn trailer staat.

Terwijl we eten, komt hij ons gezelschap houden. Zijn naam is Steyn en hij is een groot deel van het jaar zeeman. Hij repareert lichten op eilandjes voor de kust van Bergen die enkel per boot bereikbaar zijn, en blijkt oorspronkelijk van de streek van Tromsø afkomstig te zijn. Hij staat vol tatoeages, en ziet er makkelijk 10 jaar jonger uit dan zijn eind de dertig hem zou mogen geven. We mogen zijn stopcontact gebruiken en hij geeft ons ook een blikje vis.

De rest van de avond houdt Steyn zich bezig met zijn playlist van trance, house en club-muziek van de hoge jaren ’90, en komt er voortdurend volk bij hem af en aan lopen. De korte duur van de visites doet ons vermoeden dat onze nieuwste vriend op de camping een handeltje draait in roesmiddelen. Hij maakte eerder op de avond al een vreemd mopje over ‘Hollandse waren’ die hij nog liggen had. Ons niet gelaten. Eén van zijn vermoedelijke klanten heeft een bijzonder mooie hond bij, en zowel hond als baasje komen ook even hallo zeggen.

Met kampeerstoofvlees nog op de maag, spreken Jelka en ik duchtig onze drankvoorraden aan. Ik mors overal kaarsvet: in het gras, op een boek, en overal buiten waar kaarsvet eigenlijk zou moeten liggen. ’s Nachts slaap ik de slaap van de onnozelen. De volgende ochtend bekent Steyn dat hij me tot in zijn trailer had horen snurken.

Verder naar deel zeven.

Anton in Noorwegen - Dag 6

Eeuwige sneeuw!

Jelka is van het principe: als we zwemkleren mee hebben, moet er gezwommen worden. Daarom neemt ze een ochtendduik in de Valdres, die ijskoud blijkt. Ik waag er mij niet aan, en besef, terwijl ik langs de kant sta, dat ik allicht niet eens goed genoeg kan zwemmen om haar te redden, mocht ze in de problemen raken. Het is tegen dan al voorbij 10u ’s ochtends en we besluiten te brunchen in het enorm propere kampeercentrum, dat kookplaten, douches en ruime toiletten in de aanbieding heeft. Alle infrastructuur ten spijt, wordt de brunch – Aldi-spaghetti in kaassaus – een mislukking, aangezien de kaassaus meer lijkt op een soep met groene spikkeltjes, en zo zout als de pest smaakt.

Op de radio in het gebouwtje weerklinkt ‘Forever Young’, dat ik op deze reis al voor de tweede keer hoor. Toen ik zelf jonger was, vond ik het een zielig nummer voor en door mensen die niet willen aanvaarden dat je nu eenmaal ouder wordt, wat ruimer om de middel en met achterstallige belastingen om te betalen. Nu zie ik er plots wel iets moois in, mogelijk omdat ik de doelgroep ben van het nummer. Laat het kind nog niet in mij sterven.

Dat kind komt later op de dag uitgebreid aan zijn trekken. Voor het eerst in jaren sta ik in simpele bewondering voor de almaar prachtiger wordende landschappen. Als we een onverharde, kronkelende weg in slaan naar Eidsbugarden, naar eigen zeggen één van de oudste toeristische dorpjes van Noorwegen. Het blijkt bovendien dat de rivier die we al de hele tijd volgen, niet de Valdres heet – het is de naam van de streek. Maar wie geeft er wat om? We zien glinsterende meren die zo uit een fantasy-film geplukt lijken, kleine huisjes met grasdaken, en we ontmoeten met de auto een blije kudde schapen. Moerassen met veelkleurige bloemen wisselen bemoste heuvels af, en om de zoveelste bocht van het weggetje zien we plots scherp gekartelde bergen met toppen van eeuwige sneeuw, ijsblauw op hemelsblauw.

Eidsbugarden zelf blijkt klein. Het grootste gebouw is er een in 1909 gebouwd hotel met een haventje. Aan het water lopen diverse fjord- en ijsriviertjes in het dal samen in de bron van een grote, traag stromende rivier. We zijn in het Jotunheimen-gebergte. Hier zijn de hoogste bergen van Noorwegen, die tot ongeveer 2500m hoogte reiken. Klimmers zijn we niet, maar we vatten na het opzetten van de tent, op een belachelijk comfortabele wandelafstand van honderd meter naar de bergpaadjes die vanuit Eidsbugarden het gebergte in kronkelen, een stevige wandeltocht aan.

Hoe beschrijf ik dit zonder te klinken alsof de Noorse toeristische dienst me een bruine enveloppe met een paar duizend kronen onder tafel heeft toe geschoven? Eerst en vooral: het eerste deel van de weg naar boven, via een rotspad met lage begroeiing en veel losse rotsen, volgen we langs een bergbeekje met diverse mini-watervallen. Om de zo veel tijd blazen we uit aan een checkpoint, want stijgen is hard, zeker voor twee rokers uit een stad met vlakke straten. Halverwege de beklimming van de laagste top wordt het al wat frisser, en sterven geluiden van beneden langzaam weg. Ook de insecten zijn er niet meer zo nadrukkelijk aanwezig.

Regelmatig, terwijl het pad ons verder voert langs rotspartijen, veelkleurige, harde struiken en gevlekte kluiten steen, met geel mos, groen mos en berggrassen, kijken we achterom. Eidsbugarden wordt steeds kleiner. We vatten het plan om op naar een klein veld eeuwige sneeuw te gaan, tegen de top van een berg die goed zichtbaar boven een lagere bergtop uit torent. Het wordt zwoegen om er te raken. De stilte neemt toe en de lucht proeft zuiver. Op een bepaald ogenblik is het een feit, als we neer zitten naast elkaar en niets zeggen: er is niets meer van lawaai. Absolute, volkomen boeddhistische stilte. Enkel als we ons heel hard inspannen, kunnen we een bries horen die langs de bergflanken waait.

Uiteindelijk bereiken we de eeuwige sneeuw. Die is hard en glad. Voor ons uitgespreid, voorbij de rivier en Eidsbugarden, dat er bij ligt als een diorama van peperkoek, zonder iets van beweging, rijzen de echte hoge bergen van het park op. Ik zei al eerder dat het landschap uit een fantasyfilm lijkt te komen, en het is niet gelogen. Geen wonder dat de Noren dachten dat hier hun mythische reuzen woonden.

Je kan zo ver kijken vanaf de berg waar we zijn dat we bij de afdaling al van in de verte een hagelbui (in fucking augustus) zien aan drijven. Even wordt het gevaarlijk. We dalen af in de goede richting, maar zijn de weg volkomen kwijt, waardoor we stappen door kniehoog, dicht opeengepakt bergkruid, glibberige stenen en onverwacht zachte moddergrond. Ik sla bijna m’n voet om. We moeten over meerdere kleine, verraderlijke beekjes springen, en zijn op het einde moe, nat maar toch vooral trots.

’s Avonds, terwijl de zon snel verdwijnt achter de bergtoppen in het westen, zitten we met tevredenheid voor de tent te kijken naar de eeuwige sneeuw waar we eerder op de dag nog in gelegen hebben. Er is zo goed als geen kunstlicht in Eidsbugarden, en we gaan dan ook vroeg slapen, terwijl een kille regen in onregelmatige, maar rustige vlagen over de tent waait.

Verder naar deel zes.

zondag 31 augustus 2014

Anton in Noorwegen - Dag 5

“Ik wil je knuffelen, maar ik ben slechts tekst”

De dame aan de balie van het hotel blijkt ‘s ochtends ingewisseld voor een exemplaar dat er niet uit ziet alsof ze houdt van paardenerotica. Vooruitgang. Bij het uitchecken worden we echter nog gratuit beledigd door een dronken oude man die aan het betalen is om zijn roes uit te slapen. Hij roept beurtelings “Dø!” (“Val dood!”) en “Førsvinn!” (“Verdwijn!”) naar ons. Buiten zitten als eksters een stel oranje, verrimpelde midlifers zwijgend sigaretten te roken.

Onze laatste uurtjes voor we terug richting luchthaven gaan, spenderen we aan de plezierhaven van het stadje. De zon schijnt glorieus en het kwik stijgt naar 22°, een luxueuze warmte zo ver noordelijk, gedeeltelijk met dank aan de warme golfstroom van de Atlantische Oceaan, die nog net tot Tromsø reikt. Jelka en ik zitten op een zacht schommelend ponton waar kleine speedbootjes aan vastgeknoopt zijn, en drinken dankbaar de warmte op. In de verte zijn andere houten havenhuisjes, aanlegstijgers en bruggen zichtbaar, met aan de overkant van de stad de “meest noordelijke kathedraal ter wereld”, een glanzend witte, hypermoderne kerk die lijkt op een enorme tent met onderbroken metalen banden. We discussiëren over economie, milieu en politiek. Verderop staat op de gevel van een hoog, bakstenen magazijn “Я бы обнял тебя, но я просто тэкст” geschreven (“Ik wil je knuffelen, maar ik ben slechts tekst”). De vertaling zal ik pas thuis kunnen opzoeken omdat mijn Russisch niet toereikend is om het volledig te verstaan – ik heb me enkele jaren terug gewaagd aan een jaar avondschool in Russisch, maar buiten Cyrillisch lezen kan ik er niet veel meer van.

Vanuit het vliegtuig terug naar Gardermoen, de luchthaven die bij Oslo hoort, zie ik kristalheldere bergmeertjes, eilanden en kale bergen. Op sommige bergen glinstert nog eeuwige sneeuw. Op de kale bergen was dit allicht 25 jaar geleden ook nog zo.

Vanuit Gardermoen begint de derde poot van onze reis als we de auto oppikken – vier dagen kamperen en overleven op meegebrachte conserven, drinken en boeken. Onze reis gaat eerst richting Jotunheimen (letterlijk “het huis van de reuzen”), een nationaal park ten noordwesten van Oslo en ten noordoosten van Bergen, middenin het gebergte. De GPS, die tot hiertoe niet altijd even betrouwbaar dienst heeft gedaan, begeeft het iets voorbij het stadje Gjøvik volledig. Op dat ogenblik is de eerste schemer al bijna ingetreden. 

Van kronkelende wegen door dicht beboste, dreigend donkere bergflanken zijn we nu volop in een mistig landschap gereden, onderbroken door omineus leeg staande houten huisjes uit een ander tijdperk, en ‘stavkirkjer’ of traditionele houten kerken met verlaten kerkhoven. Het zijn filmdecors die tot leven zijn gekomen. Verroeste tankstations volgen op lugubere meubelwinkels en gesloten supermarkten.

Tegen dat het donkert, breekt dat landschap terug wat meer open en beginnen we het spoor te volgen van de Valdres, een grillige rivier die gevoed wordt door prachtige rotswatervallen, smeltwater en allerhande beekjes die zich uitstorten over gladde keien, langs lichtgroene loof- en naaldbossen en moerassen. Rotstunnels wisselen elkaar af met stijgende en dalende banen, en de weinige chauffeurs die we op ons pad tegenkomen, houden de snelheidsbeperkingen goed in acht. Je mag op de meeste plaatsen slechts 80 kilometer per uur rijden, en zelfs als notoir hardrijder lijkt me dat hier alles behalve overdreven voorzichtig.

Een kampplaats vinden we tenslotte in Fagernes, een behaaglijk genesteld, Zwitsers ogend stadje in één van de vele dalen tussen de bergen, aan een arm en een eiland van de Valdres, die hier zo breed stroomt als een meer. Het lijkt wel de rivièra. Ons tentje zetten we dicht bij de waterlijn op, onder de beschutting van een boom, want intussen is het ook beginnen regenen. Toch is het niet al te koud. Jelka zet de tent op en maakt eten, bogend op jaren scoutservaring, terwijl ik me wat nutteloos voel en de ene sigaret na de andere rook.

Na de maaltijd zitten we behaaglijk neer in kappen en hoodies tegen de dikke regendruppels en wisselen we anekdotes uit onder het delen van een mooie joint. Jelka drinkt rosé, ik drink vodka. De lichtjes aan de overkant van de Valdres, en daarachter de zachte silhouetten van het laaggebergte vormen het decor van onze eerste kampeernacht: nu zijn we pas echt diep in Noorwegen.

Verder naar deel vijf.

Anton in Noorwegen - Dag 4

Een zwart poesje en metal op het marktplein

’s Ochtends sterken we aan met een uitgebreid ontbijt, en gaan we wat aan geestesverruiming doen in het wetenschapsmuseum, dat een eind buiten de stad ligt, aan de universiteitscampus, en voorbij een rijke buitenwijk waar de ene kunstige houten villa de andere afwisselt. Het museum belooft ons een planetarium, maar dat planetarium toont enkel een licht slaapverwekkende film over het poollicht met een hyper-Amerikaanse soundtrack.

De rest van het museum is op kindermaat gesneden: je kan sneeuwvlokken maken, met ballen uit een luchtkanon schieten, schaak spelen met gigantische stukken, en draaikolken maken in een vat. Terwijl ik in een drukvlak een piemel teken, zitten in een aanpalend lokaal een hoop kleine blonde meisjes in een labo met kleine witte jasjes te leren over klimaat en meteorologie. Hoop voor de toekomst van Europa. Jelka wist mijn piemel uit, en terecht.

Nadien nemen we een wandeling door een botanische tuin en krijgen we gezelschap van een sociaal, lief zwart katje dat zich onmiddellijk op haar zij rolt voor ons, zich laat oppakken en kopjes geeft. Het is een bastaardje tussen een huiskat en een Noorse boskat, te oordelen aan de wijde pelskraag en de dikke staart. Het diertje blijft ons nog even begeleiden tot we dieper het bos in gaan en de tuin abrupt ophoudt. Jelka is dol op dieren, zo blijkt. Daarom gaan we later naar Polaria, een minizoo die verschillende griezelige oervissen herbergt, naast een aquarium met enorme dikke zeehonden. Er zijn ook zeesterren en dwerghaaien, en nagemaakte ijsberen en pinguïns, omdat echte exemplaren allicht te veel onderhoud zouden vergen.

Klimaatverandering is een serieus thema hier in Tromsø. Aan de poolcirkels voelen ze dat aan den lijve. Zowel in het wetenschapsmuseum als in Polaria zijn hele secties gewijd aan het hoe, het waarom en de effecten. Polaria zet ook in op bredere milieuthema’s, zoals giftige gassen, grondwaterverontreiniging en industrieel afval. Toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de zeehonden er in een wel erg kleine leefruimte zitten. In de shop overweeg ik even een automatisch Grieg-muziekdoosje te kopen omdat ik alle CD's heb achtergelaten in de auto aan de luchthaven. Dat is niet nodig: in de stad is er een muziekfestival gaande. Op een van de pleinen met zeezicht speelt een jong metalbandje zich de ziel uit het lijf. De zanger ziet eruit alsof hij moet kakken. Zware gitaren, snelle drums en gegrunt kunnen op goedkeurend geknik rekenen van drie metalkerels die vooraan staan, en op meewarig glimlachen van ouderen en kinderen die poolshoogte komen nemen. Metal wordt hier behandeld alsof men in Vlaanderen zou komen kijken naar een lokale variété- of coverband. Alweer een cliché bevestigd.

Vooraleer we ons voor een dutje terugtrekken op het hotel, gaan we ergens een hamburger eten. Jelka brengt de kassierster in verlegenheid en charmeert haar tegelijkertijd door haar te zeggen dat ze “schattige sproetjes” heeft. Terwijl we eten, passeert er door de massa volk die van bandje naar bandje trekt op het muziekfestival (dat overigens Manu Chao als headliner blijkt te hebben), een duo magere mannen in gimpsuits.

Op het hotel zetten we de tv aan. De Noorse versie van Idool staat op. Jelka slaapt en ik lees. Zo laden we ons op voor een lange zaterdagavond. In de verte, in de haven, passeren onder luid gedruis grote boten.

Onze avond begint in de Bastard Bar, een rockkelder waar we een optreden bijwonen van een jaren ’80-coverbandje. Het blijkt te gaan om een reünie. De zanger staat de hele tijd met zijn zijkant naar het publiek en houdt een gedurig bijgevuld pintje vast. Hij ziet eruit als een presentator van een lokale tombolashow. De gitarist heeft een uitdunnende ‘80s hairmetalkop en speelt met de toewijding van een true believer. Ze gaan niet voor de voor de hand liggende hits, en de sfeer zit er dik in. In de toiletten zegt de gitarist later tegen me hoe moeilijk het is om goed die hits te spelen zonder keyboards. Jelka wordt door een zwaardere dame tot twee maal toe geflasht, en het publiek, dat overwegend bestaat uit veertigers, danst en swingt met de overgave die enkel mensen van die leeftijd kunnen hebben die nog eens losgelaten worden op de jeugd.

Na de Bastard Bar verkennen we op aanraden van lokale mensen de bar Perez, een hipstergeval dat niet mis zou staan op de Oude Beestenmarkt in Gent, en vooral een publiek bedient van dertigers. Het is er zelfs naar Noorse normen duur. Voor een Mack (“the northernmost brewery in the world!”) betaal je vlot €7. Nog een chance dat het grote glazen zijn.

Uiteindelijk belanden we opnieuw in de Blå Rock. Er lopen onder andere mannen rond die Duits spreken en een Amish-achtige outfit dragen. Als ik hen vraag waarom, verklaren ze dat dat de ceremoniële outfit is voor timmerlui in Scandinavië en Duitsland. Feit is dat schrijnwerkers hier een enorm gerespecteerde beroepsklasse zijn. Jelka en ik knuffelen een depressieve jongen en geven hem dronken levensadvies, en voeren een vrolijk gesprek met twee jongens over hoe vreemd Noors en Nederlands zich verhouden ten opzichte van elkaar: alsof het parallelle taaluniversa zijn die je ergens zou horen te begrijpen, maar verkeerd aan elkaar genaaid zijn.

Voor het slapengaan lopen we een nachtwinkel binnen om sigaretten voor Jelka. De hyperenthousiaste dame in het wit van de luchthaven klust hier bij. Haar manische energie heeft iets griezeligs. Onze slaap is geheel volgens de vigerende normen kort.

Verder naar deel vier.

Anton in Noorwegen - Dag 3

Walvissteak en een scheve ochtend

De introductie was wat holderdebolder, geef ik toe. Ik heb helemaal niet gezegd waarom ik naar Noorwegen wilde, en dan nog specifiek de moeite wilde doen om tot in Tromsø te raken. Tijdens mijn studies Engels en Duits volgde ik als keuzevak twee jaar Noors. Het eerste jaar deed ik dat omdat het mij aangeraden was als makkelijk te pakken studiepunten, en ook omdat Noors de ideale springplank is naar het leren van de andere Scandinavische talen (ik leer graag talen, wat later in dit verhaal nog belangrijk wordt). Noors is de stamtaal van IJslands, dat in principe Middeleeuws Noors is, het is syntactisch en qua uitspraak erg vergelijkbaar met Zweeds, en de spelling lijkt op Deens. Het is een mooie taal, ook: muzikaal, met zachte klanken en pareltjes van woorden die smelten op de tong van elke rechtgeaarde taalkundige.

Het tweede jaar Noors deed ik dan ook met volle overtuiging bij, en al ben ik intussen het meeste ervan vergeten. Door de lessen over trollen, havensteden, ruige nederzettingen op woeste eilandjes, boorplatforms, mythische bergen en de aanraking met een aantal Noorse culturele tradities, bleef ik het land steeds in m’n hoofd houden als vakantiebestemming.

Maar waarom dan Tromsø? Ten eerste: omdat kunnen zeggen dat je boven de poolcirkel bent geweest, fucking cool is. Ten tweede: het is de thuisstad van mijn favoriete muziekartist, het elektronica-genie Geir Jensen alias Biosphere, een teruggetrokken man met een aantal albums op zijn palmares die me al door menige creatieve impasse, lange autorit of kater hebben geloodst. Ten derde: het is de setting van de enigmatische Noorse noir-film ‘Insomnia’ (niet de remake met Al Pacino) uit 1996, een film die zich diep onder mijn mentale huid nestelde. Ten vierde: het is fucking cool om boven de poolcirkel te zijn.

Op aanraden van een overenthousiaste, helemaal in het wit geklede dame met witblond haar, nemen Jelka en ik vanuit de luchthaven van Tromsø de bus naar het centrum, waar ons hotel ligt. Het hotel oogt oubollig, net als veel andere huizen in het stadje, dat zich rijkelijk verstrooit over het hoofdeiland waarop het gebouwd is, en de bergachtige inhammen en baaien die door bruggen verbonden zijn.

Het is al nazomer in Tromsø. Gras en onkruid groeit overal uit de trottoirs – het is allicht niet de moeite om dat te verdelgen aangezien de winterse maanden dat kruid toch weer verbergen, als ze het al niet doden. Houten en stenen huizen staan door elkaar, en in het centrum blijkt zowat alles op wandelafstand, met weinig hoogbouw. Tromsø geeft een versleten indruk, als van een net iets te lang gedragen maar comfortabele jas. De vrouw achter de balie van het hotel is een beetje raar, met de ogen van een klein meisje en de lichaamstaal van een oude vrouw. Jelka en ik besluiten dat ze in haar vrije tijd erotica leest en schrijft over paarden. Andere hotelgasten blijken voornamelijk te bestaan uit oudere wandelaars.

Tromsø wordt lyrisch omschreven door toeristische diensten als “het Parijs van het noorden”, maar dat is een dikke vette leugen. Je zou misschien nog net kunnen zeggen dat het het Gent van het noorden is. Het is een charmante studentenstad, dat wel. Dat merken we ’s avonds, als we belanden in een rockschuur met drie etages die de naam Blå Rock (“Blauwe Rock”) draagt, nadat we geproefd hebben van lokale tapa's op basis van rendier en walvis. Ik heb ooit gehoord dat een favoriete belediging voor Noren van andere Scandinaviërs ‘hvaldreper’ (“walvismoordenaar”) is, maar de Noorse student aan wie ik dat in de Blå Rock vraag, ontkent dat. Voor wie het wil weten: walvis smaakt naar rosbief, en rendier doet denken aan paardensteak. Ook Noorse mossels zijn best aan te raden.

Noren zijn gereserveerde mensen, maar worden net als Belgen een pak socialer onder invloed van alcohol, wat tegelijk een cliché bevestigt en ontkracht. Jelka en ik raken in gesprek met twee studenten, Nikolai en zijn jongere protégé van op het platteland wiens naam hij na verloop van tijd zelf niet meer goed kan uitspreken en die ik dus ook onmiddellijk vergeet. Hij is zo dronken dat hij vergeet dat hij in het toilet in slecht Noors met me een gesprek voerde, en klaagt een kwartier later over een “rare kerel uit Bergen of Denemarken” die van Noors op Engels overschakelde omdat hij vast wel zo’n stom accent van het platteland had gehad, niet wetende dat ik die persoon was en ten node Engels moest gebruiken omdat mijn Noors niet meer volstond.

We praten ook met een opgewekt mooi meisje dat ons enkele toeristische tips meegeeft. Op haar t-shirt staat “I <3 Jus”, wat niet gaat over vleessap, maar de rechtenstudie. Tussen neus en lippen: het is inderdaad waar dat Noren knappe mensen zijn. Bovendien zie je ze overal, op gelijk welk uur van de dag, lopen, fietsen en wandelen in sportkleren. Het is allicht het land met de minst dikke mensen dat ik al bezocht heb. Het opgewekte meisje, dat Kristin heet, blijkt ook snus tussen haar bovenlip en tanden verborgen te hebben. Snus is een Zweeds type tabak dat op die manier moet geconsumeerd worden, en veel mensen blijken de voorkeur te geven aan snus boven sigaretten, omdat het de longen niet schaadt. Niettemin vind ik het een vies idee, maar er zijn wel meer vieze dingen afkomstig uit Zweden, zoals surströming (rotte vis in blik) en Herman Van Molle.

Een ander cliché is dat alcohol in Noorwegen, net als alles eigenlijk, ontzettend duur is. De prijzen liggen inderdaad hoog, en zeker voor drank. Nikolai legt uit dat de meeste mensen daarom thuis dronken worden en daarna uitgaan, in plaats van al om tien uur ’s avonds buiten te komen. Hier kunnen ze zich dat permitteren, want rond dat tijdstip is het nog helder genoeg om een boek te lezen zonder kunstlicht. Intussen zijn Jelka en ik de dansvloer gaan veroveren. De DJ draait plaat na plaat met een gezicht alsof hij op een begrafenis aanwezig is.

Tegen halfvier ’s nachts zijn we terug op het hotel en wordt de lucht in het oosten al helderder. De middernachtzon is al voorbij en de periode van het poollicht moet nog komen, maar je merkt waarom deze stad zo scheef aanvoelt. Er is nog overal volk op straat – feestjes van een nieuw ingezet academiejaar.

Verder naar deel drie.

Anton in Noorwegen - Dag 1 en 2

Dit is het eerste deel van mijn reisverslag van een 11-daagse reis naar Noorwegen. Wil je nog reisverslagen lezen? Check dan zeker mijn neerslag van een week Dublin, een weekend Parijs en een week Chicago!

Aars en Horsens

Voor de eerste keer in mijn leven ga ik enkel met een lief op reis en voor de eerste keer zal ik ook een autotocht aanvatten van langer dan 400 kilometer. Het zal ook al van het jaar 2000 geleden zijn dat ik langer op reis zal gaan dan een week: het doel is om negen dagen door te brengen in Noorwegen, via een ferry in Denemarken, en nadien reizend met vliegtuig, auto en tent door berg en dal. Zou alles wat ze zeggen over Noorwegen, echt waar zijn? Dat het er prachtig is, maar superduur? Dat Noren beleefd zijn, maar stuurs en gereserveerd? Dat het mooie mensen zijn, maar dat ze niet tegen alcohol kunnen?

Gewapend met Golden Powers en een bomvolle auto verlaten Jelka en ik om vijf uur ’s ochtends Gent, en zijn we een dik uur later de grens met Nederland al overgestoken. Onmiddellijk slaat de GPS daar tilt door enkele niet-herkende nieuwe stukken snelweg en werken, maar de goede orde van zaken herstelt zich eens we in Duitsland zijn, zoals dat hoort voor Duitsland.

De Autobahn is een prachtige uitvinding, ondanks haar nazi-origines. Die Sicht ist gut, der Himmel klar, en ik race tot aan 199 kilometer per uur over lange, kaarsrechte drievaksbanen die uitgesneden zijn in het groene landschap. Sneller laat de auto me niet toe van te gaan, ondanks de tantaliserende 220 kilometer per uur die de wijzerplaat van het dashboard me belooft. Veel is er niet te zien – enkel trekt even een molenwiekende bejaarde in een oranje polo langs de kant van de baan de aandacht, maar verder gaat de tocht vlot. Over de ring rond en door Hamburg openbaart zich één van de kloppende harten van de economie: de haven van Hamburg, recht uit een sciencefictionprent gegrepen, met gigantische boten, hijskranen, metalen dokken en rokende schoorstenen die industriëlen spontaan een zaadlozing zouden bezorgen.

Tussen Hamburg en Kiel eten we een grove kipschnitzel met een dikke bruine saus en bolvormige champignons. Niet Jelka, want zij haat champignons. We zijn al meer dan halfweg in onze route naar Frederikshavn, dat helemaal op de noordelijkste punt ligt van Denemarken, zo’n 1100 kilometer verwijderd van Gent. We volgen dan nadien ook de E45 in haast één rechte lijn noordwaarts, met een late zomerzon in onze ruggen. Eens we de grens met Denemarken oversteken, toont zich het karakter van de Deense automobilist, dat verrassend agressief is, ondanks de nominale snelheidsbeperkingen van 110 kilometer per uur op vele stukken autostrade. We passeren ook plaatsen met gruwelijke namen als Aars en Horsens. Deens, zo zei een bevriend scandinavist me ooit, is een beetje als Zweeds, maar met een aardappel in je mond. Het is een lelijke taal, hortend en stotend, met woordbeelden die bedacht lijken door een stomdronken neerlandicus. Geen wonder dat Lars von Trier zo'n depressief figuur is.

Tegen de late namiddag, zo’n 12 uur na ons vertrek, bereiken we het vredige en proper onderhouden Frederikshavn, dat helemaal genesteld ligt rond een lage, rotsige baai en duinen die niet mis zouden staan op een of ander Waddeneiland. Ik eet er een hamburger in een lokale, niet al te prijzige snackbar even buiten een bescheiden winkelstraat. De dame die me die verkoopt, is een blauwogige Deense met een hoofddoek die zeer vlot Engels spreekt. Jelka eet elders sushi. Omdat de ferry pas ’s ochtends vroeg de dag erop vertrekt, zoeken we nadien een rustige plek om in de auto te kunnen slapen, wat volgens de snackbardame “niet illegaal” is. We vinden zo’n plekje in een rijkere wijk, op het einde van een doodlopende straat die uitgebreid zeezicht biedt, naast rotsen, keien en een bankje. Er komt ons zelfs een vriendelijke buurtbewoner adviseren dat er elders nog mooie plaatsen te vinden zijn om zeevista's te bewonderen, maar het zicht op de pier en de haven ten westen, en niets dan duinen en rotsen ten oosten is al meer dan goed genoeg. De nacht is kort, want als het eerste daglicht door de vensters van de auto komt, worden we wakker.

De ferry, de ‘Stena Saga’, blijkt een fraaie, grote boot, helemaal anders dan de enorme roestbakken waarmee ik 14 jaar geleden van Athene naar Santorini voer, en een fors pak groter dan de metalen doodskisten die over het Kanaal voeren van Dover naar Calais. Boven de drie dekken met auto’s en kajuiten is er een grote cafetaria, een restaurant, een taksvrije winkel, twee observatiedekken, een sauna en een discotheek. Die laatste twee zijn allebei dicht. We doen ons tegoed aan het gigantische buffet in het restaurant, en ik kijk door de piratenachtige kasteelvensters van het schip uit op de kalme baren van het Skaggerak terwijl Jelka lyrisch praat over het eten. Door toevallig in zijn richting te kijken, betrap ik een bejaarde die aan zijn kop koffie likt en dan beschaamd weg kijkt. Erg veel mensen zijn er niet aanwezig. De grootste samenscholing vindt plaats op het dek, waar steeds dronkener worden passagiers roken, lachen en naar muziek luisteren.

Nadien dutten we in de algemene cafetaria. Jelka maakt een foto van me terwijl ik de slaap der onschuldigen slaap. Er wordt een bingo aangekondigd (de meeste passagiers zijn ouder dan 55) in een onduidelijke brij van Deens, Noors en Zweeds, en als we niet slapen of roken op het dek, dan lezen we wat.

Het is al zes uur ’s avonds als de ‘Stena Saga’ aanmeert in Oslo, en nog een dik uur later als we het eerste van slechts twee hotels die we deze reis zullen doen, binnenvallen. Het hotel, vlakbij het centrum van de stad, is een hip geval met flipperkasten, fruitmanden en graffiti. Het personeel is jong en spreekt uitstekend Engels, met een manisch enthousiasme dat onkarakteristiek voor onze stereotype voorstelling van Scandinaviërs lijkt. Oslo is duidelijk ook helemaal anders dan Stockholm, waar ik in 2010 ooit enkele dagen geweest ben met een vriendin. Stockholm had de grandeur van een vervolgen bijna-imperium. Oslo lijkt meer op een vrij generische Europese hoofdstad.

Lang zullen we echter niet verwijlen in de Noorse hoofdstad – op een bezoek aan een lokale bistro na, op een plein waar enkele politieke partijen hun hoofdkwartier blijken te hebben, moeten we de volgende dag met het vliegtuig naar Tromsø, helemaal in het noorden en boven de poolcirkel. Mijn voorlopig laatste beeld van de stad, als ik buiten aan het hotel sta te roken, is een kussend koppeltje in een kebabzaak.

Verder naar deel twee.

donderdag 14 augustus 2014

Een toast op de revanche

Het is ongeveer twintig na acht ’s avonds, en enkele uren geleden is het langverwachte verlof in gegaan. Eigenlijk zou ik bezig moeten zijn met koffers pakken, nog een laatste opruimsessie uitvoeren op het appartement en in bad moeten liggen met een boek, maar ik kan het niet. Ik moet schrijven, want anders ga ik met een wilde blik de straat op en begin ik voorbijgangers slecht gestencilde pamfletjes in de handen te drukken. Het zonlicht dat reflecteert in de vensters van de nieuwbouwkoten achter de achterkant van m’n eigen kamer, met daar dwars doorheen de regen van een laat zomeronweer, zijn een mooie (goedkope) metafoor voor de toestand waarin de wereld zich lijkt te bevinden, zowel buiten als binnenin.

Er is heel veel woede. Veel mensen zijn boos op de Vlaamse regering, die nu zoals volledig te verwachten viel, het mes zet in allerlei uitgaven waarvan ze denkt dat ze die nog het beste kan missen, en het meest van al de zo geroemde gewone m/v in de straat treffen. Ik denk niet dat Geert Bourgeois en co wakker liggen van dat protest, vaak aangevuld met opiniestukken waarin benadrukt wordt dat er achter die ‘besparingen’ menselijke verhalen schuil gaan. Hier is mijn opinie: het kan hen eigenlijk niet alleen niet zo veel schelen (hoe lang zou het geleden zijn dat de gemiddelde minister een arme van dichtbij zag), ik denk dat sommige neoliberale coryfeeën er zelfs van genieten.

Dat is een zware beschuldiging, en een mens kan zich afvragen of dat geen olie op het vuur gieten is, maar misschien is er effectief nog wat meer olie nodig als we ons niet willen blindstaren op enkel de symptomen. Sommige rechtse politici en hun kiezers zijn revanchisten – mensen die al jaren lang rondlopen met een chronische wrok tegen het systeem. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik Bart De Wever op tv zag, zo rond 2004. Toen al was duidelijk dat hij een meester was van de snedige comeback en niet alleen niet bijzonder sympathiek was, maar daar nog prat op ging ook. Wat me toen ook opviel was hoe kwaad die man mij leek, een kil soort kwaadheid die met de jaren gecultiveerd en bijgesneden was. Dat ben ik nooit vergeten.

Ik maak me even los van mijn computerscherm en ga de trap af naar m’n auto, want die moet volgetankt worden. Het regent heviger nu. Onderweg bliksemt het zelfs, en kom ik op m’n pad weer wegenwerken tegen die er voordien niet waren. Het lijkt wel alsof Gent bevolkt wordt door autonome von Neumann-machines, die zichzelf onder de vorm van werven blijven dupliceren. Waarvan toch die bouwijver altijd? De Ierse komiek Dylan Moran zag er in de woeste Vlaamse bouwnijverheid een vorm van therapie in waarin we ons afreageerden, omdat het volgens hem niet kon dat een volk op straat zo wellevend was. Ze moesten hun negatieve emoties toch ergens in kwijt?

Veel mensen geloven dat er aan de basis van de wereld een natuurlijke orde ligt, en dat die orde dient gerespecteerd te worden. Neoliberalisme presenteert zich als zo’n orde: werk hard, en je komt er vanzelf. Vreemd dan, dat de allerrijksten in de maatschappij bijna allemaal oude blanke mannen zijn die al in rijke middens opgroeiden. Zeker, er waren er bij die uit armoedige omstandigheden kwamen, maar de verzorgingsstaat van de jaren ’60 werkte anders dan nu. Velen zijn de ladder opgeklommen, beschrijft psycholoog Paul Verhaeghe, om daarna te helpen ze omver te duwen voor wie na hen kwam. Want: “ik heb ook hard gewerkt”. Joseph E. Stiglitz beschrijft in zijn boek ‘De prijs van ongelijkheid’ dat ongeveer 50 jaar tussen 1930 en 1980 anomaal waren in de wereldgeschiedenis, waarin de kloof tussen de haves en de havenots verkleinde. Die anomalie heeft bij sommige mensen diepe sporen nagelaten.

Reactionairen van allerlei slag bedienen zich dan ook vaak van de slachtofferretoriek. Alleen zo kan je verklaren dat een ongelooflijk dom opiniestuk als “Heette ik maar Fatima” het daglicht kon zien. De moordpartij van Anders Breivik was gebaseerd op het waanidee dat mensen als hem “onderdrukt” werden door het socialisme, en shooting spree killer Eliot Rodgers haatte minderheden en vrouwen omdat de eersten hem “het recht” zouden ontzegd hadden op de laatsten. Ik stel idiote opinieerders, terroristen, moordenaars met haatmotieven en rechtse politici niet op één lijn, maar er loopt wel een rode draad door: de genoegdoening. N-VA wijst Walen en socialisten met de vinger voor alle problemen, en veel mensen stappen daar in mee. Nee, het kan niet de schuld zijn van een waanzinnig veeleisend neoliberaal systeem – door Bleri Lleshi treffend een “strafstaat” genoemd – dat veel mensen ongelukkig, depressief en boos zijn, het is ofwel hun eigen schuld, of de schuld van de buurman die te lang aan de tepels mocht zuigen van moeder staatskas. De echte schuldigen blijven onzichtbaar en buiten schot, want zij vertegenwoordigen de natuurlijke orde. Comme il faut. Intussen is m’n auto volgetankt en wel, na gepruts met de slang en de stang, en een voorbijgaande gedachte dat het systeem op een rare manier voelt als een penetratie: ik moet geen luik openen, gewoon de slang erin rammen. Waarom heb ik mijn auto ook Evi genoemd? Gelukkig heb ik geen ex-partner die zo heet.

Een goede vriend van mij is al jarenlang actief in het onderwijs voor kansarmen en jongeren die overal al buiten gegooid zijn. Gebroken gezinnen, gedragsproblemen, laaggeletterdheid. Soms lijkt die klasse mensen onverbeterlijk hopeloos, en vragen we ons af waarom we daar met z’n allen geld en middelen in blijven investeren. De laatste jaren merkt die vriend dat de randgevallen in die groep – wat ze in het Engels ‘the precariat’ noemen, één stap verwijderd van de marginaliteit – niet meer mee kunnen. Normaal waren dat de mensen die ze nog net kwijt konden in beschutte werkplaatsen of die ze semi-zelfstandig konden laten wonen. Alles moet harder, sneller, bewezener. Er is een groeiende klasse werkende armen, overal in het Westen, en langzaam gaan we weer terug naar af. Der Untergang des Abendlandes, inderdaad, maar niet zoals Oswald Spengler het zich voorgesteld had. Ik vind parkeerplaats, maar blijf even staan omdat ik aan het luisteren ben naar de live-uitzending van Pukkelpop op Studio Brussel.

Na een tijdje komt Netsky op, met zijn nieuwe hit waarvoor Beth Ditto de stem leverde. Het is compromisloze, dramatische drum & basspop, en ik zet het knalhard. Muziek is catharsis. Ik sluit m’n ogen en voel me even een beetje opgetild worden uit die poel aan regenwater. Het verlof is begonnen, en één van de gewichten die aan mijn armen en benen hangt, is nu voor even weg. Het oordeel is echter onverbiddelijk: binnenkort moet ik weer in therapie. M’n depressie is weliswaar geen gevolg van onze Vlaamse gerontocratische regering, maar ze helpt zeker niet. Ik ben één van die mensen die in de ogen van hun soort weinig genade vindt: onhandig, links, literair, en niet behept met het talent om bullshit zomaar voor waar aan te nemen omdat iemand in een politiek dwergenlandschap een retorische reus is.

De ironie van het gebrek aan goede redenaars op onze politieke Bühne is dat één van de enige momenten van oprechte welbespraaktheid van Tobback Jr. hem tijdens de verkiezingen enkel maar spot opleverden. Sociaaldemocraten hangen al meer dan 20 jaar in de touwen in West-Europa, onmachtig om antwoorden te formuleren, vaak ook medeplichtig aan hun eigen ondergang. Zoals Tony Blair, DSK of Gerhard Schröder.

De kans is belachelijk groot dat ik net tot mijn ouders zal eindigen in de lagere middenklasse, als ik dat bruine geluk al vind. De barrières die de Thatchers, Reagans, Bushes, Ruttes, Berlusconi’s en Bourgeois van deze wereld opwerpen, dienen om die ‘natuurlijke orde’ in ere te herstellen. Het gespuis had nooit iets te zoeken in universiteiten. Jambon Jr. werd niet teruggefloten voor zijn uitspraken dat een hoger inschrijvingsgeld bij hoger onderwijs goed was omdat het zou bijdragen tot een betere elitevorming. Dat was geen aberratie of een jeugdige overdrijving: het is de kern van het neoliberale, revanchistische discours van de N-VA en de rechtervleugels van de Open Vld en de CD&V.

Daar wordt een saus overgegoten van “individuele verantwoordelijkheid” en “hard werken”, maar ik vraag me af hoe mensen als Alexander De Croo, Matthias De Clercq en al die andere zonen en dochters van (Vandenbossche, Tobback, Detiège, Michel, Wathelet, Daerden) dat met een ernstig gezicht kunnen zeggen, gepriviligeerd als ze zijn. Als individuele verantwoordelijkheid dan toch zo belangrijk is, waar zijn al die processen tegen oplichtende topbankiers, graaimanagers en grootfraudeurs? Zodra die tegen het licht gehouden worden, staat rechts op z’n Republikeins hysterisch te schreeuwen over stalinisme en communisme, en mogen rijke, wereldvreemde blanke mannen badinerende opiniestukjes leveren waarin ze zichzelf namens andere ondernemers als zwartepiet portretteren. Alsof de kleine ondernemer hen ook iets kan schelen. Die zitten in dezelfde kookpot van het precariaat, de arbeiders en de slinkende middenklasse. Ik stap uit en de radio valt onmiddellijk stil. Er is enkel de regen en wat lamlendig voorbijgaand verkeer.

Uit verstrooidheid neem ik de trap en bots ik op de nieuwe buren, die druk aan het verhuizen zijn. Ik stel mezelf even voor en vertel hen in één adem dat ik me vermorzeld voel door het idee dat niets van wat ik ooit zal doen of zeggen, goed genoeg is om écht te voldoen aan mijn eigen idealen, en dat ik me bovendien langs alle kanten belaagd voel door een veel te luide, intense wereld die verstoken lijkt van rechtvaardigheid. De nieuwe buren knikken begrijpend en we zingen samen Kumbaya. In werkelijkheid zeg ik gewoon m’n naam, vertel ik hen dat ze mijn kat wel zullen tegenkomen als die op muizenjacht is in de omgeving, en dat ze jammer genoeg niet altijd (nooit) kunnen rekenen op de syndique, die het appartementsgebouw ziet als een simpel wingewest. Het zijn vriendelijke mensen, die nieuwe buren.

De kat in kwestie blijkt onder het bed gekropen te zijn als ik binnen kom. Hij is bang van bliksem en donder. Ik lok hem vanuit zijn schuilplaats met droge brokjes voeding, een gongslag die hij niet kan weerstaan. “De maatschappij is geradicaliseerd, kleine vriend,” zeg ik hem, en hij luistert niet echt. Hij is gewoon blij met de aandacht die hij krijgt. Ik streel hem alsof je een hond zou strelen, en hij laat me zelfs aan zijn wat te dikke buikje komen. Daarna laat ik hem op zijn gemak eten, want zeg nu zelf, niemand wil onder het eten geaaid worden. Ik denk terug aan al die boze mensen die op onze huidige regering gestemd hebben, en allicht ook liefhebbende eigenaars zijn van honden, katten, parkieten of vissen. Is zeggen dat ze misleid werden, paternalistisch? Of kan ik hen mee verantwoordelijk houden voor de penibele situatie waarin ze nu duizenden Vlamingen gaan brengen?

Robin Williams is al twee dagen niet meer onder ons. Van zijn melige tearjerkers moest ik niet weten, maar met zijn standup comedy en zijn serieuzere rollen bezorgde hij de wereld blijvende geschenken. Comedy en depressie, die gaan samen als ongestrafte topbankiers en omheinde villa’s met zwembad. Als tiener wenste ik niets liever dan te zijn als al de rest en ook op zo’n pad terecht te komen naar ongekende weelde en macht. Het was niet voor me weggelegd. Ondanks alles heb ik dat toch al aanvaard.

Ik grijp weer terug naar muziek. M’n favoriete over-the-top dramatist Chris Corner van IAMX mag de omkadering verzorgen, en uitvergroten wat ik voel zonder dat ik er iets meer voor hoef te doen dan te luisteren. Een rilling trekt over m’n rug, armen en nek. Het is de soundtrack voor een emotionele post-apocalyps. Er bestaan mensen die daar naar streven – accelerationisten – die bewust stemmen op de meest extreem neoliberale kandidaten, in de hoop dat het systeem sneller ten val komt, en dat uit de asse daarvan een rechtvaardigere, betere wereld zal oprijzen. Ik denk dat dat een laf idee is. Ik wil blijven vechten. Om een beter persoon te worden. Om gelukkig te zijn. Om op zijn minst één keitje te kunnen verleggen in de enorme rivierbedding van de geschiedenis, en er voor te zorgen dat de wereld van morgen één tint warmer kan kleuren dan de wereld van vandaag.

woensdag 7 mei 2014

De stop erop

Het stond reeds op mijn website toen ik in april een maand in een grot ging zitten zonder sociale media, maar het is de moeite waard van het hier ook nog eens te herhalen: tot nader order wordt deze deelblog niet meer geüpdatet.

Naast dichten en mijn grote Conduit-project was ik al sinds 2002 bezig met dit type teksten, en had ik steeds vaker het gevoel dat in cirkels aan het draaien was. Dat is weinig boeiend voor mijn lezers, en ook niet zo interessant voor mezelf.

Ik sluit niet uit dat het slot van 'Gedachten' er in de toekomst eens af gaat, maar dat zal dus niet voor morgen zijn. Voor de rest raad ik lezers die me enkel van deze teksten kennen, aan om ook eens een kijkje te nemen op m'n hoofdwebsite, en te zien wat ik nog zoal in de aanbieding heb!

donderdag 27 maart 2014

Onder het schild

Er is Werelddierendag, er is de Dag Tegen Extreme Armoede, Openmonumentendag, en er is blijkbaar ook een Internationale Dag van het Geluk. Dat zullen we vandaag geweten hebben. Ik kom aan op het werk en ik merk dat m'n bureaublad veranderd is. In de lift hangen omineuze posters die ons met een dubieuze spreuk van Tolstoj, vertaald in slecht franglais, aansporen om gelukkig te zijn. Want gelukkig zijn, dat kan blijkbaar door het gewoon te willen. Er zijn allerlei activiteiten gepland, zo blijkt. Een verrassingsbord paella met een glas sangria, een gadget en een toespraak van een corporate geluksexpert, en in de namiddag komt er een lachsessie in een vergaderzaal op het zesde. Al dat geluk, en het wordt me hier gewoon in de schoot geworpen.

Van de weeromstuit erger ik me aan het initiatief, niet omdat ik dat aan een denkbeeldige staat van cynisme verplicht ben, maar omdat het geforceerd aanvoelt. In plaats van werknemers te vragen naar wat hen gelukkig maakt of gelukkiger zou kunnen maken, beslist men aan de top dat geluk voor ons bestaat uit een motivational speaker en lachgas. Wel. Ik probeer de oren niet te hard te laten doorhangen. Ik begraaf me in m'n werk en negeer zo veel mogelijk de medewerkers van HR, die van verdiep naar verdiep gaan en er voor de gelegenheid uit zien als een groep stewards en stewardessen. Ze lijken nu al allemaal dronken. En ach, is het ook geen bijzonder mooie dag vandaag? Een blauwe hemel, een beetje wind, en de lente die in elke bloemenschaduw zit.

Ik probeer om niet Die Gast te zijn, maar na een halfuur in de refter door te brengen terwijl 'Happy' van Pharell op oneindige herhaling staat en de motivatiespreker het ene cliché na het andere afvuurt onder goedkeurend gebrom, vlucht ik naar buiten. Ik ga in de buurt naar een bankautomaat. Ik flaneer langs de Tervurenlaan. Allemaal ambassades, groot en klein. De meeste herken ik aan hun vlaggen, omdat ik als kind een obsessie had met vlaggen. Ik herken aan mijn linkerkant de vlag van Cambodia en aan de overkant die van Oeganda, die ik eerst verwar met die van Mozambique. Veelkleurige affaires. Verderop is er ook de Spaanse ambassade, waar altijd rokers buiten staan.

Met mijn blik op de grond gericht, wandel ik verder. Er is nog iets dat me aan dat hele geluksinitiatief stoort, omdat het het allemaal zo doodeenvoudig doet lijken. Voel je gewoon goed en alles komt vanzelf. Dat is simpel voor mensen wiens hoofd geen cyclotron is. Ik bal de vuisten. Ik heb angst. Alle dagen minstens één keer, soms om futiele redenen, soms om gegronde redenen, soms zomaar, zonder object. Die angst ligt telkens op de loer, net om de hoek, de ongenode schoonfamilie voor de deur, de overvaller in het steegje. Ik doe alles wat ik kan om die angst te overschilderen of om die op afstand te houden, maar dat is niet altijd gemakkelijk, want het enige wat die angst doet verdampen, is me terugtrekken uit de drukte en stil blijven zitten als een rotsblok. Een fobie is concreet. Angst heeft een miljoen gezichten zonder ogen.

Bij de slager bestel ik m'n broodje, en laat ik m'n blik ronddwalen over de toonbank met charcuterie. Het helpt niet dat ik nog eens een grote verbeelding heb, maar gelukkig heb ik fantasie en werkelijkheid altijd kunnen onderscheiden van elkaar. Soms ben ik bang dat ik dat op een dag niet meer ga kunnen, en dat alle deuren uit hun hengsels zullen geblazen worden door een oerkracht die al veel te lang verbannen is naar de diepte. Er zijn ook momenten dat ik denk dat het specifiek die angst is, die me helpt om door de realiteit te navigeren. Had ik die niet, dan zat ik misschien nu al lang ergens in een isoleercel.

De naamloze protagonist uit 'Aantekeningen uit het ondergrondse' van Dostojevski lijdt aan een hyperbewustzijn, wat hem voor alles en iedereen, inclusief zichzelf, met afkeer vervult, en hijzelf de grootste barrière wordt tot zijn zelfverwezenlijking. Het heeft ook te maken met je basisingesteldheid, veronderstel ik. Ik begreep de mentale toestand van de Ondergrondse Man, en het inzicht dat elke samenleving een bizar marionettenspel is waar ideologieën nog sneller bankroet gaan dan dat ze uitgevonden worden, maar deelde zijn minachting voor anderen niet. Ik hou best van mensen, met verstandige reserve.

Eens ik weer op straat ben, inhaleer ik de lente zo diep mogelijk. Ongelukkig voel ik me niet. Een mens kan heel veel dingen tegelijk voelen die elkaar enkel schematisch tegenspreken. Of in speeches van goedbedoelende gelukscoaches. Hij had het over positieve psychologie, een discipline die zich richt op het verbeteren van wat al goed is, in plaats van altijd te timmeren aan de slechte kanten van de mens. Er valt iets voor te zeggen. Maar hoe moet je verder met dat blok aan je been, al je goede kanten ten spijt? De meeste mensen met mentale problemen die ik ken, compenseren dat al door hun betere kanten te cultiveren. Mag ik dat eigenlijk wel zeggen, dat ik mentale problemen heb? Ik ben niet psychotisch en kan vrij goed functioneren op het werk en in mijn sociale omgeving. Maar ja, voor je het weet zit je bij de verhongerende kinderen in Zuid-Soedan en mag niemand nog spreken over zijn of haar problemen.

M'n hartslag gaat omhoog. Misschien komt dat omdat ik gisteren zo weinig geslapen heb. Ik rond de hoek van het bedrijf en marcheer naar binnen. In de lift weer die posters. "Elke minuut dat je boos bent, heb je zestig seconden geluk verloren". Gelukkig staat het er niet in Comic Sans. Met opgetrokken wenkbrauw zie ik dikwijls reposts passeren van sites als Upworthy, of zucht ik eens bij de uitroeptekens omtrent de zoveelse TEDx-talk. Je kan me dan afserveren als een knorpot die altijd wel iets negatief te zeggen heeft, maar het punt is dat dit soort diepzinnigheid op bestelling vaak enkel een goed gevoel geeft. Het verandert niets.

Op het derde stopt de lift en stappen twee HR-mensen in, die me onmiddellijk vragen wat ik vond van de middagactiviteit. Die was wel "ça va" zeg ik zo enthousiast mogelijk, maar ik weet dat ik met alles wat minder is dan het hoogste lof, op hun hart aan het trappen ben. Morgen zijn ze dat misschien al vergeten, en vroeger zou ik me er schuldig over gevoeld hebben. Dat heb ik tenminste toch al geleerd. Ik laat sneller los. Opnieuw één van de voordelen van die kraken die in m'n hoofd woont. Hij heeft me gedwongen eigenschappen te ontwikkelen die anderen niet hebben om aan zijn tentakels te ontsnappen. Zwaar nieuws verdraag ik gelijkmoediger dan anderen. Ik verlies me niet in geluk zoeken waar ik het toch niet zal vinden, zoals het najagen van andermans dromen, en ik accepteer dat iedereen monsters heeft in zijn mentale spelonken.

Op m'n eigen verdiep tap ik een stevige koffie en sla ik een praatje met een baas. Ik kan zeer moeilijk praten over hoe ik me echt voel omdat het mij niet is aangeleerd. Sterker nog, de les die ik in het leven heb meegekregen, is dat gevoelens delen met iemand op hetzelfde neer komt als alle deuren van je huis wagenwijd openzetten. Poëzie is eigenlijk slechts een garageverkoop, of de lichtshow die Kevin McAllister opzet voor de vensters van zijn huis om inbrekers te misleiden. Niet dat het geen schijn van waarheid bevat, maar intussen weet ik al lang dat waarachtigheid belangrijker is dan onversneden waarheid. Het is mooi meegenomen dat ik er iets uit kan puren dat op kunst lijkt en dat sommige mensen die goed vinden, en nog fantastischer dat ik er recht het hart van sommige mensen mee aanspreek, maar die uitingen zijn niet de cosmetica waarvoor ze soms gehouden worden. Laat staan dat ze bedoeld zijn als emotioneel exhibitionisme, waar ik van gruw.

Achter m'n bureau is het te warm, omdat elke namiddag het zonlicht recht naar binnen schijnt op die plaats. Ik nip van de koffie, waar ik iets te veel suiker in gedaan heb. Matiging is moeilijk. Ik klaag dan wel dat we constant overgestimuleerd worden door duizenden indrukken tegelijk, maar waad al te vrijwillig door diezelfde poel op sociale media. Tenslotte is het niet al kommer en kwel, denk ik terwijl ik m'n handen verwarm aan de koffiemok. Er is een reden dat ik lachrimpels heb en geen huilrimpels, en dat m'n mondhoeken niet naar beneden staan. Toch vraag ik me af hoe dat moet voelen, gelijkmatigheid. Voor zondagskinderen lijkt dat vanzelf te komen.

Waar het allemaal op neer komt is een doordringend gevoel van stuurloosheid die deze dag accentueert. Ik ben niet de kapitein van mijn eigen lotsbestemming, zoals ons wordt voorgehouden door allerlei feel good-artikels en geblubber over empowerment. Om te kunnen bestaan moet ik geld verdienen, en dat doe ik met een job die me maar zeer matig boeit, onder mijn intellectueel niveau ligt en waarvoor ik elke dag in totaal drie uur onderweg ben. Met toenemend afgrijzen kijk ik terug en zie ik dat ik de voorbije acht jaar zo goed als stilgestaan heb. Ik heb geld verloren en een beetje geld gespaard, ik heb oude meubels weggedaan en nieuwe gekocht, vrienden zijn hier en daar van plaats gewisseld, en ik ben door de draaideur gegaan van verschillende relaties en non-relaties. Maar wat, buiten een kapitaal dat we dan maar zullen omschrijven als 'menselijk', heb ik werkelijk gewonnen? Wat kan ik in de plaats krijgen voor die cheque van de Bank der Levenswijsheden?

Na een tijdje kniezen besluit ik om eerder van het werk te vertrekken. Die brochure wordt wel een andere keer geschreven. Het is nog niet eens vier uur, maar de brave soldaat Voloshin zit anders plichtsgetrouw te werken tot even na het officiële einde van de werkdag, dus niemand maalt erom. Ja, ik zou in theorie alles kunnen achterlaten, de eerste vlucht nemen naar Tahiti en daar proberen om een nieuw bestaan op te bouwen, maar het leven is geen Hollywood-film. Ik plooi terug op mezelf, en merk dat het tijd wordt dat ik gewoon de hoorn van de haak leg. Woorden en gedachten kunnen maar zo veel. Dat betekent een boek vanavond, een verblijf op de zetel, weinig licht, misschien een bad met veel schuim. En vooral die kakofonie die niet meer langs de muren van m'n appartement naar beneden sijpelt en in de kleren kruipt. Laten we vanavond gewoon beginnen met stil zijn.

zaterdag 8 maart 2014

Steak masqué

Het woord 'kostuum' is een prachtig woord omwille van zijn Dietse dubbelzinnigheid, omdat het zowel avondkledij met das en jasje als een ensemble aan verkleedkleren kan aanduiden, en dus impliciet toegeeft dat de typische garderobe op recepties en evenementen met klasse ook niet meer is dan een verkleedpartij voor gevorderden. Bovendien zitten we volop in het carnavalsseizoen, denk ik, terwijl ik in pak en das wacht op m'n eten in een restaurant nabij Sint-Katelijne, in hartje Brussel. De reden dat ik zo uitgedost ben, is omdat m'n werk me daartoe verplicht. In het jaar dat ik geboren werd, werd ons bedrijf opgericht door twee vooruitziende aristocraten, en die vonden het vanzelfsprekend dat hun personeel de bijbehorende klasse zou uitdragen. De reden dat ik dan weer alleen zit te dineren, is omdat ik in de buurt dadelijk op het appel moet verschijnen bij het Vrouwen Overleg Komité, compleet met progressieve spelling - die intussen al meer dan 15 jaar een eerder regressief effect heeft. Het VOK heeft me niet gesommeerd wegens misdaden tegen de vrouwelijkheid, maar omdat ik deel uitmaak van een feministische groepering en dat er vanavond verzamelen geblazen wordt met een aantal van die groeperingen.

Ik eet een malse steak, die geserveerd is op een houten plank met drie gaten in voor drie verschillende sausjes. Voor die steak is een koe gestorven en is het broeikaseffect weer dat beetje erger geworden, dus ik kan er maar beter van genieten en alles netjes opeten. De maaltijd smaakt. Intussen word ik in de gaten gehouden door een ouder Nederlands koppel dat luid en in amechtig Frans al een bestelling geplaatst heeft, en een stel Amerikanen die probeert uit te vissen wat er op de menukaart staat. Ik gebaar niet dat ik Nederlandstalig ben en dat ik Engels spreek. Dat is wel vaker een genoegen waar ik me in verkneukel, en ik zorg ervoor dat ik zo gemanierd en stijlvol mogelijk eet, drink en verder lees in het boek dat ik bij heb. Mensen die alleen eten op restaurant oogsten vaak bekijks, dus kan ik maar even goed een bescheiden show opvoeren. Sowieso is op restaurant gaan al acteren, met dat hele ritueel van bestellen, bedanken, de rekening vragen, de discretie bij het betalen, en zo verder. Voor sommigen is dat bourgeois en onnozel. Voor mij is het een vak, een spel. Ik hoop dat de garçon, die aan m'n accent vast wel zal gehoord hebben dat ik een Vlaming ben maar Frans praat omdat ik dat zelf ook doe, denkt dat ik misschien een controleur van van Michelin. De Nederlanders denken mogelijk dat ik een zakenman ben die straks nog verder gaat werken.

Ik drink. Ik eet het bord, dat gemaakt is om te doen denken aan een authentieke slagersplank, netjes leeg. Rood vlees en mannelijkheid, wat is dat toch met dat verband? En dan die slagersplank. Is het een uiting van een hunkering naar een ingebeeld verleden, waar dieren om zeep helpen getuigde van mannelijke waarde? Nostalgie naar brute kracht die vroeger op respect kon rekenen, maar nu hoogstens de wenkbrauwen doet fronsen? De tijden zijn veranderd, maar hoe meer we in de maatschappij inzetten op verfijndheid, empathisch denken en kennis, hoe harder bepaalde segmenten lijken weg te dromen bij een ingebeelde mannelijkheid. Dat is geen nieuwe gedachte. Ook Caesar schreef in zijn Gallische Oorlogen dat de Germanen, hoewel zij barbaren waren, door hun afstand tot het beschaafde leven in de metropool Rome, "het minste verwijfd waren". Ondertussen betaal ik voor het eten en laat ik een kleine fooi achter, deels omdat ik geen zin heb om te wachten op wisselgeld, deels omdat ik oprecht tevreden ben over de service en de kwaliteit.

Buiten waait het een ongeluk. Allerlei volk dwarrelt over de verkeersvrije straat en het pleintje en ik trek m'n jas dichter. Ik heb nog tijd vooraleer het evenement begint, en bovendien moet ik nog wachten op medestander Wendy. Ik steek de straat over en ga in het café daar een koffie drinken. Terwijl ik er zit, en opnieuw enkele nieuwsgierige blikken voel die zich lijken af te vragen wat die ene zonderling in kostuum daar zit te doen, vraag ik me van mijn kant af of hier ook al andere feministen undercover zitten. Want in weerwil van het cliché zijn feministen anno nu allesbehalve vrouwen met een vierkante kin en weelderig okselhaar, als dat cliché ooit al waar geweest is. Openlijke vrouwenhaters zie je in België niet vaak meer, maar er is genoeg seksistisch achtergrondruis die onze houdingen maar al te vaak beïnvloedt zonder dat we daar bij stilstaan. Ik ben hier echter niet om te preken, en ik lees op m'n gemak verder terwijl ik van de bescheiden koffie nip. Ik zit in zo één van die Vlaamse oases in Brussel, niet ver van de Dansaertstraat, waar Frans optioneel is in plaats van de automatische default. Geert Bourgeois zou het graag zien. Aan het venster passeert guur volk. Waarom zou je op een koude maandagavond ook buiten moeten zijn, tenzij het binnen erger is? Molenbeek is niet veraf. In de Vlaamse psyche is dat een Mordor van ruige Marokkanen, fanatieke imams en francofoon nepotisme. Ik voel me noch op m'n gemak bij die beeldvorming, noch bij de invloed die het ook op mijn denken heeft.

Als Wendy arriveert, ben ik al verkast naar de zaal waar het evenement plaatsvindt, en kijk ik vooral goed rond. De stoelen staan in een cirkel, en even vrees ik dat we zullen beginnen met djembe spelen. Ik ben één van de weinige aanwezige mannen, maar dat verbaast niet. Eens in de minderheid zijn kan deugd doen voor het perspectief, zeg ik altijd maar. Er wordt een micro doorgegeven terwijl diverse organisaties zich voorstellen. Ik krijg de indruk dat iedereen vooral vol goede wil zit en lief is: een heel eind verwijderd van het militante (en compleet verzonnen) beeld van schreeuwende vrouwen die bh's verbranden en het einde van de fallus afkondigen. Toch schuilt er achter die vriendelijke woorden een gestaalde overtuiging. Twee oudere dames hebben indertijd nog meebetoogd met Simone de Beauvoir. Een ander frappant feit is dat de enige persoon die een dienende functie lijkt uit te oefenen op het evenement, een hoofddoek draagt. Dat is allicht toeval, en er is een brede consensus dat de hoofddoekenkwestie vooral iets is waar gelegenheidsfeministen zich in opwinden, maar niettemin valt het op.

Daarna worden we als in een carrousel verschoven van tafel naar tafel, om te discussiėren over een aantal thema's. Genoeg tijd voor een diepgaande discussie is er niet echt, het is meer een uiteenzetting van standpunten en feiten die elke groep karakteriseren. Een groep die specifiek opkomt tegen vrouwen die op straat lastiggevallen wordt, legt natuurlijk andere accenten dan iemand die actie voert voor holebirechten. Opnieuw blijkt de luisterbereidheid groot, maar de vrijblijvendheid evenzeer. Als man aan feministen gaan vertellen hoe ze beter kunnen zijn in feminisme, is om diverse redenen natuurlijk not done, maar toch vind ik het jammer dat er niet wordt gesproken over speerpunt - of outreachacties die op meer gericht zijn dan een publiek bereiken dat al bereikt wordt. Iemand ziet heil in een mailing list, een begrip dat in feite al verouderd was in 1999, toen ik nog dacht dat feminisme gelijkstond met Goedele Liekens. Ik ben alleszins blij om deel uit te maken van een groep waarin dat niet geldt als een revolutionaire suggestie.

Dik anderhalf uur later ben ik thuis, en leg ik alle vermommingen af. De das gaat in de lappenmand, het kostuum aan de vleeshaak. Zelfs de kater weet dat hij zijn klauwen niet mag uitslaan als ik geen kleren draag. Het is koud, want de centrale verwarming is kapot, dus wordt het behelpen met een beige verwarmingstoestel dat ouder is dan ikzelf. Ik rek me uit en giet een glas vol, steek een sigaret op, en begin het avondritueel als ik alleen ben. Is ook dat geen volgende vermomming? Of is dit uur voor ik in bed kruip een kort verblijf in de coulissen, waar al mijn attributen en rollen uitgestald liggen? Je kan zeggen: je bent je eigen rol, zolang je die voor waar aanneemt. Ik nam mijn persona als zakenman in het restaurant niet voor waar aan, maar beleefde er plezier aan. Mijn persona als medestander in feminisme neem ik voor waar aan, en veroorzaakt soms veel stress. Bijvoorbeeld dat ik dat nog veel te vaak moet rechtvaardigen. Hermann Hesse dacht dat de mens een ajuin was: enkel laagjes, niet echt een kern. Ik zie het nog radicaler. De mens is proteïsch, veranderlijk en zonder kern, en lagen zijn maar een abstractie voor het gemak. Het glas is leeg, nu, en de kater is tevreden aan het eten. Bij gebrek aan Jelka, die vanavond het podium onveilig maakt, mag hij deze nacht bij mij slapen. Ik tik de laatste asse af en denk dat het tijd is om die veerboot van tabak achter te laten, en aan land te gaan in de slaap.

dinsdag 25 februari 2014

Contrawerelden

De hemel boven Brussel is zo grijs als de Noordzee. Er ligt een stoflaag van tristesse over de stad, die bijna in regenen gaat uitbarsten. Het is sentiment. Het is eigenlijk een dag als alle andere in deze milde winter, maar hoe ik me voel, daar kan ik ook niets aan doen. Je hebt mensen die geboren worden en zich direct een plaats weten in de wereld, of aanvoelen dat de wereld een plek is die op hun maat gesneden is. Veel mensen voelen dat niet zo aan, en op onze eigen lullige manieren gaan we daar allemaal zo goed en zo kwaad als we kunnen mee om. Mijn tactiek was altijd om de wereld te veranderen in een plaats die voor mij geschikt was. Desnoods zou ik werelden maken, en wat is de hele lange adem van schrijven anders dan de praktijk daarvan? Een vriend die bij nader inzien later maar een lul was, zei ooit dat veel fantasie hebben een eigenschap is van losers. Het ergste was dat hij gelijk had. Aan de andere kant is fantasieloosheid de dood van alles, dus dan ben ik liever een pathetische loser dan een zandzak met kleren aan.

De keerzijde van nobele bedoelingen is de uitvoering ervan, denk ik, als ik voor de zoveelste keer passeer langs de vaste schare daklozen en metromuzikanten terwijl ik haastig naar Brussel-Centraal stap. Er is één oud vrouwtje die ik af en toe enkele eurocentjes heb toegestopt, maar ik ben daarmee opgehouden omdat er in haar buurt altijd een zeer opdringerige straatventer rondliep die zich persoonlijk beledigd voelde als ik voor de vijftigste keer geen daklozengazet wenste te kopen. Het ergste is dat ik die man z’n woede niet eens verwijt, maar dat ik de twee minuten rust van een sigaret roken tussen trein en metro ’s ochtends vroeg niet wenste opengebroken te zien door telkens hetzelfde gesprek te voeren in telkens datzelfde taaie Frans, dat om 8 uur uit m’n mond kwam alsof ik net had leren spreken.

Maar: nobele bedoelingen genoeg, al zijn we er soms niets mee. Op het perron lees ik in de Humo een interview met twee ouderparen die een kind verloren, naar aanleiding van de Oscarnominatie voor ‘The Broken Circle Breakdown’, en het gevoel in mij neemt weer de overhand. Wat heb ik te klagen over lawaai op het werk van collega’s die te luid kauwen aan hun bureau, of wat zit ik boos te pruttelen over de strontgoochelaars die me het leven zuur maken als ik probeer te vatten wat dat moet zijn, je kind verliezen. Natte treinen gieren naar binnen en naar buiten, en mensenmassa’s verplaatsen zich, maar m’n blik hangt ergens in het ijle. Zo veel pijn wens je niemand toe, en valt ook niet te delen. Misschien wil je ze ook niet delen. Miserie houdt van gezelschap en plant zich maar al te graag voort. Wat zou ik doen als iemand van m’n vrienden een kind verloor? Mijn ouders hadden een vriend die twee weken voor mijn geboorte verongelukte, en als kind (ik werd nota bene geboren op zijn verjaardag) werd ik één keer per jaar naar zijn ouders meegetroond. Na de taart viel er telkens die lange stilte die voorafging aan het bezoek van zijn graf. Uiteindelijk verwaterde het contact tussen mijn ouders en zijn ouders.

Ik rol de Humo op als de lichten in de tunnel mijn trein aankondigen. Het is zo’n oud treinstel met neplederen zweetzetels. In de winter heb ik die liever, omdat die treinstellen zo veel lawaai maken dat ze het gebabbel, getelefoneer en ge-eet van de medepassagiers overstemmen en niet zo drukkend warm zijn. Ook vanavond heb ik geluk, en vind ik na even zoeken een coupé waar het redelijk stil is, na één coupé ontweken te hebben waar iedereen bier aan het drinken en chips aan het eten was, en een andere die gedomineerd werd door een Chinese die via haar iPad met de luidspreker aan aan het bellen was, omringd door het mooiste aan wat passief-agressief België te bieden heeft. Belgen zijn te beleefd voor hun eigen goed, en als ze dan uiteindelijk toch kwaad worden, exploderen ze in oudtestamentische woede. ’t Is niet dat ik anders in elkaar zit, en ik tors dan ook nog de last van uit mezelf een persoon die zijn met zeer veel woede. Het is een familietrekje. De scheldtirades van mijn overgrootmoeder waren naar verluidt legendarisch, haar dochter kon concurreren met boer Van Paemel, en haar dochter – mijn moeder – valt ook soms ten prooi aan vlagen van drift en boosheid. Ik zeg: met woede is er geen probleem, zolang het geen ongeleid projectiel wordt.

Er is een lijn bijgekomen in mijn voorhoofd, merk ik als ik kijk naar mijn weerspiegeling in het donker van het treinvenster. Het is een denkrimpel en geen lachrimpel, maar een mens moet van vele markten thuis zijn. Zoals vaker zie ik er moe uit, om niet te zeggen wat verwaarloosd, met iets te weelderig gezichtshaar en een das die slordig geknoopt is. Ik durf dat geen off-day meer noemen, want het zijn de dagen dat ik het vaakst blikken opvang van onbekende vrouwen. Hoe aantrekking werkt, dat heb ik nooit goed begrepen. Een grote verleider ben ik nooit geweest. De vrouwen in m’n leven kwamen vanaf een bepaald moment op eigen houtje, en bleken vooral meester in me het gevoel te geven dat ik hen aan het versieren was. Dat spel hoeft gelukkig niet meer. Dezer dagen ben ik vooral blij dat ik naast goede vrienden ook goede vriendinnen heb. Iemand die als volwassene enkel vrienden heeft van maar één geslacht, vind ik zelfs verdacht.

Ik sluit m’n ogen en probeer een dutje te doen. Het wordt zo’n kattenslaap, waarin mensen en dingen bijeen gedroomd worden die er ook in werkelijkheid zijn, maar in andere ruimtes en configuraties. Af en toe word ik weer wakker als de trein vertraagt over een stuk onzichtbaar spookland. Buiten is er niks dan donkere contouren van voorsteden of zeldzame Vlaamse velden. Emoties bezinken langzaam weer. In de halfslaap zijn het niet alleen de oren die afdwalen, ook het zintuig dat me vertelt waar m’n ledematen zich bevinden, begint z’n eigen gang te gaan. In sommige kringen geldt dat allicht als een uittreding. Voor mij is het gewoon de zoveelste komeet aan de hemel die zegt dat ik vaker moet slapen. Maar meer slapen, hoe doe je dat, als je elke dag op zo’n roetsjbaan gestuurd wordt van plaats naar plaats, gedachte na gedachte en gevoel na gevoel? Ze verwijten de jongeren van nu dat hun concentratie onbestaande is, te gefragmenteerd, zonder er bij stil te staan dat die jongeren leven in de wereld die die commentatoren mee hebben helpen scheppen.

We zijn bijna in Gent, en ik hou die gedachte nog even vast. Hoe doen we dat, een nieuwe en betere wereld scheppen? Ik heb altijd mijn idealen gevolgd in het stemhokje, nooit politiek opportunisme, maar veel zoden heeft dat niet aan de dijk gebracht. Ik probeer wel het goede te doen, maar hoe meer goed je doet, hoe meer je beseft dat er nog zulke grote stukken braakliggend land zijn. Het is pervers, allemaal. Als iemand me zegt dat ik een goed persoon ben, dan voel ik oprecht schaamte. Terwijl het publiek dat ik bereik elk jaar een beetje aandikt, word ik paranoïde van al die ogen. Richard Katz in ‘Freedom’ van Jonathan Franzen besefte op een bepaald moment dat depressie zijn biotoop was en dat hij zijn eigen geluk de nek omwrong omdat hij geen idee had hoe hij er mee om moest gaan.

De avondlucht rond Gent-Sint-Pieters is druk en fris. Ik zoek opnieuw aansluiting bij de wereld buiten m’n gedachten – die wereld waar ik altijd al geweten heb dat mijn plaats niet is, wat ook altijd een rustige zekerheid geboden heeft. En ik wacht. Ik wacht op de bus, en ik wacht op het moment dat de dingen in de plooi vallen, omdat het soms alles is wat ik kan doen. Een anonieme zenmeester zou ooit gezegd hebben: “Doe niet gewoon iets. Zit daar!”. Lastig in een bewegende wereld, zowel aan de binnenkant als de buitenkant, als je één van die vissen bent die niet met de stroom mee zwemt omdat hij niet wil, maar omdat hij niet kan.

donderdag 13 februari 2014

Ik ben de regen

Buiten stormt en waait het. Door de gangen van het appartementsgebouw klinkt de atonale muziek van de wind. Ik lig op het bed en luister, met naast me de huiskater. We ademen samen. Ik kijk graag naar hoe zijn borst groter wordt en dan weer kleiner, sneller dan de mijne, omdat zijn lichaam zo veel kleiner is en ik meer zuurstof nodig heb om te leven. Ademen is fundamenteel, en toch één van de enige lichamelijke processen die we volledig zelf kunnen controleren. De zonen van de storm buiten blazen hun longen leeg. In mijn hoofd spoken naast die wind nog andere melodieën: landschappen van trage en donkere geluiden, de muzikale badhuizen waar ik me altijd het meeste heb in thuis gevoeld. Dat komt omdat ze me kalmeren. Zenuwen die vonken hebben geen overstimulatie nodig van gitaren en distortie.

Ik steek een sigaret op en leg mijn vrije arm tussen mijn hoofdkussen en mijn matras. Het licht in m’n kamer is gedimd, en de warmte kan elk moment overgaan in dat moeras tussen slapen en waken, maar ik besluit wakker te blijven. Ik moet ook wakker blijven, want straks komt Jelka langs, en er is weinig dat ik meer haat dan het gevoel van desoriëntatie na een gestolen dutje. Wanneer kan ik echter anders slapen? Ik heb het mezelf nooit echt toegestaan, dat slapen. Waarom, dat weet ik al lang niet meer. Het was misschien magisch denken, dat ik mezelf als kind zag als beschermer over iedereen die in ons huis woonde, en dat ik pas als laatste mocht slapen. Het was ook altijd al deel van die knetterende zenuwen die al zulke mooie dingen hebben teweeggebracht, maar even goed vriendschappen relaties op de helling zetten en me een vluchter maakten als ik me afgemat voelde.

De rook verdwijnt naar waar hij wil. Soms maak ik me zorgen over het effect van m’n rookgedrag op de kater. Hij houdt niet zo van m’n sigaretten, maar de laatste dagen lijkt het hem minder te storen omdat ik het enige gezelschap ben dat hij heeft, nu Natasha en Roman in Thailand zitten. Beggars can’t be choosers. Ik rek me uit en voel de kieren tussen m’n gewrichten kraken. Het geluid van lucht die ontsnapt. Daar heb ik eigenlijk altijd al van gehouden, van ontsnappingsroutes. Met de rug tegen de muur staan is het ergste wat er is. Het is geen enkele keuze meer kunnen maken die relevant is. Het zijn de grote jongens met een stinkende adem en veel miserie die een kleinere jongen aftuigen. Maar ik sta niet met de rug tegen de muur, nu. Ik ben een eenmansleger dat zoals vele eensmanslegers elke dag worstelt met zijn eigen demonen. Als ik zou zeggen dat we allemaal hetzelfde zijn, dan zou ik liegen, maar ik zou eveneens liegen als ik zou zeggen dat we allemaal verschillen. Het is een statement waar niets mee te bereiken valt. Het punt is: hier is voortschrijdend inzicht aan de gang, hoewel die term me altijd doet denken aan Herman Van Rompuy die met de handen op de rug door een abdijtuin wandelt en Phil Bosmans citeert.

De wind en regen blijven inbeuken op het appartementsgebouw. Ik sluit de ogen en denk aan de straat met haar verweerde voetpaden, waar altijd wel tegels los liggen, of de binnenring van Gent, waar op elk uur altijd wel auto’s rijden, door weer en wind. Ook die beelden, vlakken en geluiden hebben hun eigen soundtrack. Ze verdrinken in aangehouden, subsonische baslijnen met spaarzame fragmenten van stemmen en onregelmatige percussie. Het is hypnotiserend, net als het één-twee van het kijken hoe de kater ademt en voelen hoe ik zelf adem. Nog een rookpluim komt naar buiten en verspreidt zich naar het plafond. Ik voel me niet per se goed als het zo hard regent, maar regen maakt dingen meestal draaglijker. Regen is niet triest. Wat triester is, is een uitvaart in volle zon, als het mooi weer is. Of in de gestolde kou van een heldere winternacht doodvriezen op straat als dakloze. Soms probeer ik regen zelf te zijn. Het is een truc waarmee ik mezelf kalmeer als ik op een podium moet staan om teksten te lezen, denken dat ik in ontelbare, gestage druppels neer val over het publiek, en de zaal vul met verkoeling of verfrissing, al naargelang.

Voorzichtig ga ik overeind zitten. De kat wordt niet wakker en blijft in zijn cirkel gedraaid liggen, met zijn kopje over zijn voorpootjes. Om me heen staan kaarsen en theelichtjes die nog niet aangestoken zijn, en een fles wijn die nog op moet, broederlijk naast een fles vodka die nog voor driekwart vol zit en een laag ijs op het glas heeft. De vodka is voor mij, de wijn voor haar. Net als wij zijn beide flessen even groot. Hun eigenschappen lezen als mogelijke beschrijvingen van onszelf: vodka schenkt een ijsschok die een hete laag legt over het binnenste, en de meer gematigde wijn is niet te zoet, niet te droog is, helder als een klok, feestelijk, aangenaam om naar te luisteren. Over luisteren gesproken, dat is nog iets wat regen ook doet: het drukt veel andere geluiden weg en dwingt me niet langer rekening te houden met de agressieve dissonantie van wat er voorbij ligt. Waarom zou een mens nog oordopjes willen?

Terwijl de flessen en ik wachten op m’n lief, druk ik de sigaret uit in de asbak, en daarmee ook het verlangen nog meer belegen metaforen te bedenken voor de liefde. Een mens kan dat toch niet vatten in haar totaliteit. Er bestaat geen enkel systeem dat zo consistent is dat het nergens een paradox kent, of iets dat aan zijn greep ontsnapt. Er zijn alleen fenomenen die oprijzen uit het diepe, en dan vervagen. Het schijnt dat atomen zich anders en intenser gedragen als ze geobserveerd worden. De perceptie van onze eigen werkelijkheid lijkt precies andersom: hoe meer en hoe harder we kijken, hoe meer de dingen oplossen en hun vanzelfsprekendheid verliezen. Uiteindelijk eet analyse zichzelf op. Met zo weinig mogelijk geluid kom ik uit het bed en verplaats ik de asbak. Terwijl ik de theelichtjes aansteek en de kater wakker wordt van het gerinkel van de lichtjes in hun ijzeren potjes, krijg ik telefoon. Ze komt eraan. Nog vijf minuten. Under a sheet of rain in my heart, I dream of home.

donderdag 6 februari 2014

Haperende goden

Van beroemdheden ontmoeten ben ik zelden onder de indruk. Ik denk steeds: "die moet toch ook kakken". Die gedachte heb ik niet toevallig terwijl ik op het toilet zit. Het kan natuurlijk zijn dat ik gewoon nog geen persoonlijke held heb mogen ontmoeten, want het is makkelijk om blasé te doen over toevallige ontmoetingen met BV's wier werk en bezigheden ik helemaal niet volg. De mensen die ik echt bewonder, zijn bovendien meestal teruggetrokken figuren. Ik bewonder hen niet omwille van hun teruggetrokkenheid, maar het blijkt een rode draad te zijn door het weinige dat ik weet over hun persoonlijkheid. Dat hou ik ook graag zo.

Het kan teleurstellend zijn om je helden te ontmoeten. Ze kunnen etters blijken, of gewoon een off-day hebben. Ik herinner me een uitspraak van Will Smith, toen hem gevraagd werd of roem een mens verandert. Die zei dat je bestaande persoonlijkheid enkel uitvergroot wordt. Wie al een eikel was, zal een gigantische eikel worden. Wie een mens is zoals de meeste mensen - met goeie en slechte kanten - zal beide ook uitvergroot zien. Misschien verklaart dat waarom zo veel wereldberoemde mensen tegelijk groter willen zijn dan Jezus zelf, maar dan plots een daad stellen die getuigt van een verbluffende lacune in hun morele centrum. Bono voert overal campagne voor het behoud van het leefmilieu, maar maakt nodeloze trips in z'n privéjet. Sean Penn zet zich in voor de indiefilm en al wat links is, maar ranselde in de jaren '80 Madonna af.

Dan vraag ik me af, zou dat voor mij hetzelfde zijn? Mijn slechte kanten - neiging naar het exces en ongeduld - zijn eigenschappen die al veel sterren fataal zijn geworden. Aan de andere kant ben ik niet jong meer. De vileinste daden van beroemdheden zijn er vaak van zij die te jong beroemd werden. Ik moet dan altijd denken aan Romeinse keizers. De grootste zotten onder hen waren bijna steeds jongens die het purper al in hun handen hadden voor ze 20 waren; de Justin Biebers van hun tijd. Ik zou ook niet m'n hand in het vuur willen steken om een goed aflopende alternatieve tijdlijn te vinden waarin ik beroemd was geworden op m'n vijftiende. Ik zet m'n handen tegen elkaar en kijk naar boven, naar de deur. Er hangt een raadgeving op aan werknemers om in de pot te kakken en niet ernaast. Dat dat advies er hangt, geeft te denken over de ontdekkingen die zelfs op een keurige werkplek als deze voorkomen.

Men zegt dat de celebrities van vandaag onze nieuwe goden zijn, ons Grieks pantheon met hitsige mannetjesputters, ijdele blazen, wulpse verleidsters en gebeeldhouwde atleten. Zelf doen ze vooral hard hun best om menselijk over te komen, met een PR-agent aan hun zijde die dat beeld ten allen tijde onder controle houdt. Ik vind dat saai. Als een celebrity dan toch een idioot is, mag dat geweten zijn. Ik hoef geen korrelige naaktshots van paparazzi te zien, of een ster die door de modder wordt getrokken voor een misstap, want die morele verontwaardiging is toch hypocriet. De sterren met de ergste misdaden op hun kerfstok, ontsnappen meestal aan werkelijke boetedoening. Chris Brown heeft nog altijd een carrière maar Paula Deen werd afgevoerd van het scherm voor racistische uitspraken die zo voor de hand lagen dat het verbazing opwekte dat ze nog niet eerder gevallen waren. Ook voor ons nieuwe pantheon zijn de Schikgodinnen grillig.

Ik knoop m'n broek dicht en vraag me af hoe dat komt dat wij en onze huisdieren het liefst van al privé naar het toilet gaan. Is het een oerinstinct dat ontwaakt, dat beseft dat we op het moment van onze ontlasting extra kwetsbaar zijn? Of zien we de ander niet graag meedoen aan het afscheiden van biologisch afval omdat we beseffen op welk een basaal niveau we allemaal gelijk voor de wet zijn? Er bestaat in de States een boekje voor kinderen met de titel 'Everybody poops'. Zo is dat.

Het is moeilijk om me voor te stellen dat ik een popster of een acteur werkelijk zou bewonderen. Misschien is dat de hardcore atheïst in mij, denk ik dan. Het is niet omdat mensen in Europa jaar na jaar minder gelovig worden, dat de religieuze mechanismen mee zijn verdwenen. Kijk naar de fanatieke toewijding van fans aan hun favoriete sportclub en welke miljoenen dat genereert. Topsporters zijn halfgoden, en de eigenaars van de tempels kunnen bijna openlijk hun corruptie bedrijven, zolang de spelen maar verder gaan, of dat nu de Winterspelen zijn in het uiteenvallende snelbouwdecor van Sotsji, dan wel de Wereldbeker voetbal in Qatar, toegekend op basis van een fata morgana met centen. Ik was mijn handen en denk daarover na, vraag me af of ik ook corrupt zou kunnen zijn indien ik het lot in handen had van iets wat zo veel mensen belangrijk vinden maar er voor mezelf niet toe doet. Ik denk dat ik er niet psychopathisch genoeg voor ben.

Mijn weinige helden gaan ook naar het toilet. Misschien drogen ze ook hun handen af op dit eigenste moment. Misschien doen ze dat ook niet: het eerste barstje in de kwaliteiten die ik hen door hun kunst toch onbewust toeken. Sommige dingen wil je heel graag delen, zei een vriend van me ooit, maar je deelt ze beter niet, ook al zijn het nog zulke zuivere gevoelens of diepe artistieke ervaringen. Als ik ooit één van m'n helden zou ontmoeten, dan zou ik het hen niet zeggen wat ze betekenen voor me. Ik zal niemand verplichten om aan mijn ideaalbeeld te voldoen. Laat me gewoon in stilte bidden, en ondertussen de neus optrekken voor de openlijk aanbeden sterren, hun volgelingen en hun wegwerpmythes. Ik zal wel verder doen alsof ik niet mee op die wc zit.