Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 30 januari 2014

Les grandes marches

Het is de dag voor Gedichtendag als ik me bevind in de Video Palace onder de Kinepolis van Gent. Die dag noopt altijd tot een gedicht proberen schrijven, maar ik weet dat het niet voor vandaag noch voor morgen zal zijn. De poëzie is tijdelijk uitgeput, of beter, ingedamd, om de akkers wat te laten rusten. Poëtische beelden zijn er echter bij de vleet. Neem nu de Video Palace. Omstreeks 2004, toen videotheken al volop in achteruitgang waren, ging deze nog open in het kader van de architecturale omwenteling waar de Kinepolis zelf ook in begrepen zat. Van de bouwwerven die de buurt tussen het Kramersplein en de Kinepolis tijdens mijn studententijd onafgebroken in hun greep hielden, is nu niets meer te merken. Alles staat er vanzelfsprekend, zoals het zou moeten zijn, en ik moet m'n best doen om de schaduwen van stellingen, bouwkranen en bouwputten nog als transparanten over die plaatsen heen te leggen.

Ik waar rond tussen de geschrankte gangen van de goed verlichte videotheek, waar ik jaar na jaar steeds meer koopfilms en steeds minder huurfilms zie verschijnen, en de koopfilms nu in soldenbakken staan als sokken in een grabbelton van de Wibra. Het heet dat mensen van nu authenticiteit terug zijn gaan koesteren, zoals streekbieren, grootmoeders keuken, vinylplaten en kledij zonder gigantische labels, maar die hang naar authenticiteit heeft meer te maken met het opbouwen van een persoonlijkheid dan met echte commerciële overwegingen. Iedereen downloadt films. Waarom zouden ze dat ook niet doen? Ik ben nog altijd koppig naar de videotheek blijven gaan, simpelweg uit gewoonte, niet uit principe. Sommige mensen gaan mee met de mode, sommigen blijven iets doen tot het weer mode wordt. Al denk ik dat de videotheek de weg zal volgen van de handels in koloniale waren en de klassieke muziekwinkel.

Een nostalgicus ben ik niet. Ik laat de herinneringen komen en gaan als de getijden. Toen ik klein was, was de lokale videotheek een plaats waar ik graag naartoe ging om te staren naar al die covers van dikke VHS-cassettedozen met stoere mannen die wapens droegen, blinkende ruimteschepen, lachende families en tekenfilmfiguren. Omdat we thuis geen kabeltelevisie hadden, was ik bovendien vaak aangewezen op de videotheek om over bepaalde films en series te kunnen meepraten op school. Onze videoboer was een beminnelijke man, en bleek er later een dubbelleven op na te houden als de frontman van muziekgroep Arsenal. De uitbater van de Video Palace is voor zover ik weet geen geheime Bekende Vlaming, maar hij ziet er wel uit als een vermoeide rocker. Er komt een tijd dat mensen zullen lachen met films die zich afspelen in en rond videotheken en die als hippe plekken voorstelden, zoals we nu al lachen met whizz kids in media van de jaren '90 die trots hun baksteen van een gsm bovenhaalden en daarmee iedereen met verstomming sloegen.

Ik ga langs de nieuwe films, de genrefilms, opnieuw de koopjes. Er speelt op een aanvaardbaar volume industrial door de videotheek, en na tien minuten ben ik nog steeds de enige klant. Jelka vond het charmerend ouderwets dat ik bij het plannen van een avondje gezellig naar een film kijken, onmiddellijk sprak over de videotheek. Is dat dan iets van mijn generatie? In tijden waar mensen van allerlei leeftijd ridicule modetrends uit hun jeugd claimen als iets van hen, van hun jeugd, iets dat de jongeren van tegenwoordig niet verstaan, wil ik dat niet lichtzinnig gezegd hebben. Bovendien, wat is dat ook, mijn generatie? Het is gevaarlijk om te denken in generaties en veralgemeningen, maar voor zover die bijziendheid ons van nut kan zijn, val ik toch tussen twee stoelen. Volgens sommige sociologen ben ik een late Gen X'er, volgens anderen behoor ik tot de oudste Millennials. Ik deel niet het cynisme dat X'ers zou typeren en ik ben opgegroeid met computers, maar ik heb geen smartphone en word er nerveus van als werk en privé door elkaar beginnen te lopen. Zolang we ons maar uniek kunnen voelen.

Na lang dralen beslis ik om 'This Is The End' te huren en wandel ik nog één keer langs de vitrinekast waar poppetjes en merchandise uitgestald staan van tv-reeksen en sf-films. De onvermijdelijke Darth Vader is aanwezig achter dat glas, evenals een schaalmodel van de DeLorean uit 'Back To The Future'. De nostalgie-industrie is een melkkoe, en videotheken proberen in hun herfsttij nog een graantje mee te pikken, al is het duidelijk dat ze met hun uitgestalde waar geen Millenials proberen aan te trekken. De opmars van de X'ers, die het komende decennium zullen bepalen wat de canon is van de popcultuur, is nog altijd volop bezig, een last hurrah van de Boomers niet te na gesproken. En wat hebben ze geleerd? Niets, zo blijkt. Idolatrie voor de jaren '60 is vervangen door idolatrie voor de jaren '80. De politici van Gen X zijn voor het grootste stuk de spirituele erfgenamen van Reagan en Thatcher, helaas niet van Gorbatsjov of Mandela.

Voorbij de hoek van de laatste vitrinekast lonkt de ingang naar de discreet afgeschermde pornoafdeling. Ooit las ik ergens dat veel videotheken puur op porno overleven. Mij heeft dat altijd raar in de oren geklonken. Als er dan toch iets is dat je liever op je eentje downloadt, is het toch porno? Of nee, mensen streamen dat nu, zodat er geen sporen achterblijven. Ik weet dat er op mijn lidkaart van de videotheek porno staat - een studentikoze frivoliteit onder het mom van een filmrecensie met vrienden - dus wat mij betreft mag de wereld weten dat ik ooit 'Kleopatra, die schwanzgeile Königin' gezien heb. Ik ga naar de kassa om te betalen en laat de porno voor wat die is. Wie weet is het één van de laatste keren dat ik hier sta. Wel, poëzie is afscheid nemen. Dat is niet triest. Afscheid is aanvaarding, en poëzie is haar voetafdruk. De rocker achter de kassa straalt eenzelfde berusting uit. De dagen van de hippe meisjes met tatoeages en piercings die hier werkten, zijn definitief voorbij. De man lijkt me m'n eigen leeftijd: voelt hij net als ik ook de vreemde aantrekking en afstoting van de jaren '80-nostalgica die hier uitgestald staan, of denkt hij daar nooit over na?

Op weg naar buiten waait een gure wind, en ik besluit om langs de plaatsen te gaan van herinnering, over de Kattenberg, langs de mastodonten van de HoGent en de heraangelegde kasseibaantjes. Het is er zeer kalm, afgezien van een paar kuierende studenten en een auto die in de verkeerde richting de baan op hobbelt. Waarlijk, het verleden is hier vakkundig uitgeveegd. Ik verwonder me nog elke keer over hoe netjes er alles bij ligt, en verwondering, dat is belangrijk. Gebrek aan verwondering leidt tot bitterheid. Verwondering is soms ook verstrooidheid, en dan val je in een greppel. Ik bel Jelka op om de vangst van de videotheek te melden. "O. Die film heb ik al gezien." Wel ja. De volgende keer dan misschien toch downloaden. Ik en m'n onnozele poëzie van de gewoontes: ik vond het niet erg om daar drie euro voor neer te tellen.

donderdag 23 januari 2014

Substrata - verfilming

'Substrata' van Biosphere is al meer dan een decennium één van mijn favoriete albums. Biosphere, een pseudoniem van de Noor Geir Jensen, zoekt in zijn soundscapes desolaatheid en ijlheid op in de natuur. Bergen, de ruimte, wolkenformaties of traag bewegende ijsschotsen zitten allemaal in zijn palet, maar die beschrijvingen doen geweld aan de volheid en de maturiteit van zijn geluid. Als geen ander roept de muziek van Biosphere beelden op van mystieke landschappen en meditatie, ontdaan van elke sentimentaliteit en elk cliché. Dus waarom die beelden niet toevertrouwen aan een scenario voor één lange videoclip?

Nog geen fan van Biosphere? Vandaag is je kans om er vooralsnog één te worden. Beluister 'Substrata' hier in zijn volledigheid.


01. As the Sun kissed the horizon

Opkomende zon boven een stad in de verte. Gezichtspunt vanuit de rand van een park, spelende kinderen. Een eenzaam vliegtuig wordt langzaam gevolgd terwijl het zich een weg baant over de horizon in een paraboolbui. De camera trekt zich terug in de struiken en de bomen.

02. Poa Alpina

Camera stapt in in een kleine houten roeiboot. Het water heeft een dikke, donkere kwaliteit. Langs de oevers hangt mist, en in de verte zijn bergen zichtbaar met eeuwige sneeuw op de toppen. De zon is nauwelijks zichtbaar. Diffuus licht, af en toe spelingen op de toppen van de golven (cfr. luministische schilderijen).

03. Chukhung

Camera gaat langzaam de bergen op. Majestueus uitzicht over benevelde bergflanken, hoekige rotsen met poedersneeuw op, hier en daar een bloem die zich staande houdt. Af en toe komt de zon door de mist en de hoger gelegen, weinig gedifferentieerde wolken. Zichtbaarheid is vrij goed naar beneden en vooruit, maar niet naar boven. Tegen de zesde minuut komen hier en daar tempels in zicht. Er komt rook uit van vuurofferandes, en er zijn shots van enorme klokken die over de bergen schallen, traag en verweerd. De klokken zijn grijs, onder gouden koepels. De slagen zelf doen het beeld een andere toon en schijn krijgen, wekken de indruk van verlichting, religieuze extase. Tegen het einde van het nummer is het middag.

04. The things I tell you

Het wordt versneld nacht op een bergplateau. De camera richt zich naar de hemel, waar wolken zich ontrollen en gedurende het nummer plaatsmaken voor een open sterrenhemel. De hemel is gevuld met sattelieten, waarvan er sommige zelfs zijn met zichtbare contouren. Als de tekst komt, richt de camera zich op een figuur die vlak voor de camera staat, gekleed in trekkersoutfit, achter een kampvuur. De figuur lost weer op in de nacht, en het kampvuur wordt langzaamaan flou.

05. Times when I know you'll be sad

Langzaam dooft het kampvuur uit. De camera gaat voorzichtig over de randen van een uitgerolde slaapzak, en zoomt hier en daar in op toevallige objecten (portefeuille, identiteitskaart, foto van een huisdier, twee boeken. Kleine lichtjes ontsnappen uit de grond en beschrijven trage banen rond het uitgedoofde kampvuur. De camera begint die na een tijdje te volgen, voorzichtig, dan sneller. Tegen dat het volgende nummer begint, is de camera aanbeland bij een moeras waar de dwaallichten groter geworden zijn.

06. Hyperborea

Dieren bewegen zich langs de planten en onder water. Kikvorsperspectief vanaf de oever van het moeras. Een boot komt voorbij en de camera stapt op. De stem in het nummer komt van overal en nergens, terwijl de camera rondkijkt langs de overhangende bomen en de dicht opeengehoopte plantenbegroeiing. Aan sommige boomwortels, die in het water reiken, stijgt damp op. De dwaallichten veranderen rond 2'50 langzaamaan van kleur en krijgen in plaats van de gelig-witte schijn tinten van oranje tot blauw. In de verte is licht te zien van een blokhut die op een heuvelflank gebouwd is. Het begint te regenen.

07. Kobresia

Alleen het huisje is nog zichtbaar door het dikke gordijn van regen, dat sneeuw wordt. Binnenin zit een oude man met een grijze baard en een muts aan tafel. Hij houdt een kom soep vast met beide handen, en kijkt ingespannen naar tafel terwijl hij praat. Tegen de vensters van de warme blokhut (haardvuur) loeit een immense sneeuwstorm. Bij zijn woorden verandert de kom soep langzaam in een xylofoon. Het beeld wordt flou, en het zachte bruin van de blokhut wordt eerst grijs, dan donkerblauw, als lagen kleuren in een abstract aquarel. Het beeld loopt uit als regen.

08. Antennaria

Ontwaken op een bootje in een rivier met een metaalachtige glans. De regen heeft plaatsgemaakt voor mist. Aan de flanken doemen langzamerhand de wanden op van een enorme kloof. In die wanden zijn verschillende standbeelden gehakt, sommige met een religieus karakter, anderen eerder demonisch of surrealistisch. De camera gaat traag vooruit. Uit de standbeelden lijkt een ijzige damp te ontsnappen.

09. Uva-ursi

Het bootje stopt bij een uit de stenen uitgehakte trap. Het is middag/namiddag De camera gaat de trap op en passeert langs een waterval tot de top bereikt is van de kloof, waar verschillende rotspartijen en bomen staan. Als de muziek zelf begint komt het beeld van achter een boom waargenomen: een ceremonie diegaande is rond een brandend vuur. Een dozijn mannen in wollen mantels met blauw-rode motieven die elkaar met de armen over de schouders vasthouden en in een cirkel rond het vuur bewegen in een dansritme. Ze hebben allemaal de ogen gesloten en verkeren in trance. Het beeld neemt af en toe close-ups van de gezichten, en verwijdert zich na een tijdje van de mannen tot er verder wordt gewandeld door een pad dat zich tussen de rotsen verder slingert naar een plateau, dwars door een grot.

10. Sphere of no-form

Vanuit de grot, met druppelend water, gaat het beeld naar het plateau, een uitgestrekte, bevroren taiga waar stof en oude sneeuw door een hevige wind opgezweept worden. De hemel betrekt en het begint te sneeuwen terwijl het snel donker wordt. De wolken hebben een bijzondere gloed. Als de eerste misthoorn weerklinkt, houdt het op met sneeuwen en verschijnt in de wolken een silhouet van een gigantische boot, die door de gloeiende contouren duidelijk een hallucinatie is. Bij het antwoord komt er een andere boot tevoorschijn, en naarmate de hoorns door elkaar gaan klinken, steeds meer. Het zwaarste signaal toont de grootste boot van allemaal, met de voorsteven naar het beeld gericht. De camera trekt zich wat terug en toont de figuur van de trekker die op z'n knieën gevallen is. De kleuren van de illusoire boten veranderen tussen geel, oranje, goud en wit. Uiteindelijk staat de trekker op en het beeld gaat verder vooruit tussen de onverschillige schepen, die na een tijd langzaam weer vervagen met de afnemende bewolking. Een sterrenhemel komt in zicht, en het beeld vervolgt zijn weg over de taiga.

11. Selene

Het is volledig nacht en de sterren werpen een kil paars licht over de vlakte, die kaarsrecht is. Het beeld nadert een rechthoekige machine die eruit ziet alsof ze van gietijzer gemaakt is. In het midden van die machine draaien diverse centrifuges als een soort matrjosjka aan verschilende tempo's, elk binnen een andere centrifuge. Op elke cirkel staat iets geschreven, soms leesbaar, zoals 'wereld' of 'slaap', soms onleesbaar, soms in karakters van andere talen. Af en toe schiet een lichtstraal door een cirkel. Het beeld trekt naar achter en toont de trekker, die nu neerzit en opkijkt naar de centrifuges, vlak voor een kampvuur. Het beeld vervaagt en het kampvuur dooft langzaam uit terwijl de zon op komt. Het mysterieuze object verdwijnt mee met de nacht, en de vlakte kijkt uit op de stad waaruit de reiziger aan het begin vertrok.

vrijdag 17 januari 2014

Challenger '86

In 1986 was ik drie jaar oud, en te jong om me de ramp te herinneren met het ruimteveer Challenger, dat 72 seconden na lancering van Cape Canaveral ontplofte. Geen van de zeven astronauten overleefde het ongeluk. Het was pas in de vroege jaren '90, toen mijn interesse in ruimtevaart volop op gang kwam, dat ik over het ongeluk las in een boek dat alle expedities met de space shuttles plichtsgetrouw en in volgorde besprak. De explosie van de Challenger was niet het eerste ruimtevaartongeluk dat dodelijk afliep, en jammer genoeg ook niet het laatste, maar het maakte wel de grootste indruk op me. Waarom dat zo was, en waarom andere rampen altijd minder indruk maakten, kan ik niet goed zeggen.

Ik wil geen gedachten van het nu projecteren op de kinderversie van mezelf (maar zoiets doet iedereen onvermijdelijk toch), maar misschien was het het vermorzelende besef dat het slechts één ademtocht aan willekeur is die een mens scheidt van de dood. Arm, rijk, dom, slim, lelijk of knap - voor een inferno van explosie kilometers hoog in de atmosfeer maakt dat niets uit. Wij zitten in een bubbel die die willekeur zo veel mogelijk probeert buiten de houden. Van mijn generatie hebben weinigen de verschrikking gekend van oorlog of de brutaliteit van een dictatuur, laat staan de oerkracht van vulkanen en aardbevingen. We nemen dat aan als vanzelfsprekend, en kunnen ons rouw veroorloven voor een trein die ontspoort of een roofmoord op een bejaard koppel.

Misschien was het later ook de symboliek van de Challenger die in een gevorkte rookwolk explodeerde, waar ik tijdens het lezen van Griekse mythes niet anders kon dan Icarus in herkennen. Zelfs de naam van het ruimteveer leek gekozen om de toorn van de goden op te wekken: de uitdager, de kampioen van het almachtige Amerikaanse imperium. De waarheid is eigenlijk nog wreder dan toornige goden. Het is dat het universum als god meer de diepe, onbegrijpelijke horror benadert van H.P. Lovecraft, die als enige raakvlak met onze eigen wereld een kwaadwilligheid heeft die geen monnik of filosoof kan verklaren. En voor die goden van het absolute nulpunt betekenen wij als mensen niets.

Die nietigheid bezorgt veel mensen een gevoel van angst als het over de ruimte gaat. Anderen vinden het eerder een geruststelling. Halfvol, halfleeg, neem ik aan. Het gevoel dat ik er zelf aan over hou is fascinatie. Angst voor een dood in de stratosfeer heb ik niet. Als de dood dan toch willekeurig zou komen, dan nog het liefst op een spectaculaire manier, met een schokfront dat nog jaren vooruitstormt in de geschiedenis. Al is ook dat uiteraard een vorm van hubris, want wie zal binnen 500 jaar nog weten wat de Challenger was en wie de astronauten waren die bij de ramp omkwamen? Het belangrijkste wat ik ervan onthouden heb, was dat volgens één van de laatste radio-opnamen, nadat de gastank al ontploft was, één astronaut tegen een andere zei: "Neem m'n hand." Ook in gruwel zit een kiem aan menselijkheid. Op de bodem van de doos van Pandora, nadat alle rampspoed er uit gesneld was, zat ook de hoop.

Zoals ik al eerder zei, hebben we de luxe om ons te permitteren om de dood op een afstand te houden, niet alleen letterlijk, met geavanceerde medicijnen en anti-verouderingsproducten, maar ook figuurlijk. We verstoppen bejaarden als demente paaseieren in een home, leggen witte doeken over slachtoffers van verkeersongevallen en betalen funeraria om onze doden zo levendig mogelijk te conserveren. Maar telkens opnieuw breekt de werkelijkheid in in dit wankele huis. Middeleeuwers voegden in schilderijen graag het memento mori toe om ook de rijksten ervan te doordringen dan hun leven eindig was, en naar verluidt stond er iemand achter de triomfwagen van Romeinse generaals om hen in hun oor te fluisteren dat hun zeges van voorbijgaande aard waren.

Mijn eerste dode zag ik niet zo lang nadat de Challenger explodeerde, in 1988. Een oude buurman die was overleden aan een hartaanval en thuis opgebaard lag. In 1991 volgde een overgrootmoeder die uiteindelijk ten onder gegaan was aan Alzheimer, en er uit had gezien als een spook, met huid en haar bijna even wit. Spectaculair was het niet. Maar ik ben mijn ouders altijd dankbaar geweest voor die vroege confrontaties met de werkelijkheid: ja, we worden allemaal oud en ooit gaan we er allemaal aan, om op te lossen in het niets van diezelfde kille goden die de astronauten van de Challenger gedoemd waren op een andere manier te bereiken dan in hun ruimteveer.

Op een andere manier betekende als kind lezen over wat er gebeurde op 28 januari 1986 een tempering van m'n optimisme over ruimtevaart, vooral omdat het gebeurd was na mijn geboorte. Ongelukken in de jaren '60 kon ik plaatsen in een zwart-witverleden, maar dit niet. Ik was niet de enige wiens optimisme een deuk kreeg. Ruimteveren waren al een slecht compromis tussen de oorspronkelijke ontwerpen en de eisen voor besparing op visies die niet pasten binnen de tijdsgeest van Ronald Reagan. Het Russische shuttleprogramma verging het nog slechter. In alle opzichten was hun Sneeuwstorm superieur aan de Amerikaanse shuttles, maar na één onbemande vlucht werd het tuig in een hal in Kazachstan geparkeerd, de vergetelheid in bespaard en tot schroot herleid. 's Werelds krachtigste draagraket ooit ontwikkeld, de Energia, ligt voor zover ik weet nog altijd weg te roesten in een ingestorte hangar. Ook hier is een Griekse vertelling weer op z'n plaats (al is het eigenlijk een versie van Shelley, maar hou dat voor je pedante voetnoten): koning Ozymandias liet een gigantisch standbeeld optrekken, het grootste ooit. Aan de voet liet hij ingraveren "Kijk op naar mijn werken, machtigen, en wanhoop". Het beeld stortte in en alleen de voeten en de inscriptie bleven achter.

Mogen we dan geen grotere aspiraties koesteren? Moeten we ons terugtrekken om de lelijkheden van leven en dood op afstand te houden? Ondanks alles lijkt me dat ook geen oplossing. Een tactiek van verschroeide aarde alleen wint geen oorlogen, zeker niet tegen een onuitputtelijke tegenstander als de leegte en de willekeur. In weerwil van temperingen en in de aanblik van horror ben ik daarom op de bodem van de doos altijd een optimist gebleven. Een zwaarmoedige optimist misschien, maar daarom niet met minder geloof dat dingen ooit beter zullen worden. Dat we bijvoorbeeld ooit terug een uitdaging sturen aan de ruimte, en onze verbeelding niet laten kortwieken door tunnelvisies. Het pessimisme, verkleed als realisme, van de neezeggers en de mensen die voor de dood de andere kant opkijken, brengt ons evenzeer nergens als het optimistische magisch denken van de 1%-economen. Op dit punt, waar Griekse mythe en moderniteit samenvloeien (of exploderen, dat mag ook), doemt Nietzsche op, die ervoor pleitte om volop ja te zeggen tegen het leven. En ja zeggen tegen het leven, tja, dat betekent ook ja zeggen tegen de dood.