Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zondag 13 maart 2011

De gezellige demon

Ik sta even stil in een smalle, slecht onderhouden straat waar langs weerszijden landbouwgronden liggen, bollend en glooiend als brood in een middagzon. Een koe kijkt op naar de auto, vanuit de verte, wantrouwig als een boer uit de Balkan.
"Die koe heeft geen idee wat er gebeurt," zegt Inna. Ze neemt een foto. Ik kijk naar de putten in de weg.
"Ik kwam hier vroeger vaak fietsen," zeg ik. Niet dat dat eigenlijk relevant is, of dat het mijn herinneringen kan overbrengen op een persoon die hier nog nooit geweest is. Maar ik ben blij dat ze alles open in zich opneemt. Ze neemt een foto van de andere kant. Het is een mooi landschap, moet ik ook toegeven, en ik had het voordien nog nooit gezien als iets dat de moeite waard was om een foto van te nemen omdat ik het al haast dertig jaar in onveranderende toestand gekend heb.
"Bij die bunker daar," leg ik uit terwijl ik met een genoeglijke traagheid verderbol over de weg, langs nog meer weilanden en enkele losstaande huizen in omgebouwde, kneuterige fermettestijl, "ging ik soms ook spelen. Erg leuk om er oorlogje te spelen. Het lag er ook altijd vol vuil en sigarettenpeuken. En porno."
Inna tuurt naar de bunker in de verte.
"Bosporno," zegt ze. Ze kent het fenomeen.
"Inderdaad."
Ik zwenk traag langs een familie op zondagswandel. Een oude foto doemt terug op uit mijn albumgeheugen. Ik zit in een buggy, ergens omtrent mijn eerste verjaardag, en de hele familie doet een korte wandeling langs een heuvelachtige kasseiweg die in de zomer altijd rook naar rottend gewas en te dicht opeen groeiende, vochtige bomen. Een de laag hangende klinkers en ingeslikte syllaben van de streektaal, die onlosmakelijk verbonden is met de plaats, een gemeenschap van zijn. Als ik een kind had, denk ik, zou ik het soort goedbedoelende maar uiteindelijk mogelijk pretentieuze vaderfiguur zijn die wil dat zijn kind opgroeit met verschillende talen.
"In de jaren '60 was hier nog haast niks," zeg ik, alsof ik het zelf allemaal heb meegemaakt, "Je ziet het aan de huizen: allemaal gebouwd in de jaren '70 of zelfs later."
Ik sta er niet bij stil dat ik over deze straten en deze velden al eerder geschreven heb. Dat daar moorden gebeurden, dat er geweld was. De waarheid is veel erger dan de groteske fictie en de ontaarde bebouwdekomwaanzin die ik in grove penseelstreken neerschilderde, want een boosaardige aanwezigheid heeft zich deel gemaakt van onze levens.
"Een erg dichtbevolkt land," zegt Inna.
"Bijna elf miljoen mensen op zo'n kleine oppervlakte, wat wil je."
Minder lintbebouwing, misschien, beantwoord ik mijn eigen retorische vraag. Misschien zou dat ervoor zorgen dat de landschappen terug opener worden, dat onze blik minder vernauwd is en we en we die boosaardige aanwezigheid met een ontstellende helderheid zullen kunnen zien.
"Dit land is echt mooi."
Ik haal de schouders op. Ik ben het hier gewoon, en dat klinkt arroganter dan het bedoeld is. Je hoort ze het vaak zeggen, expats die na lange tijd terug dit tochtgat aan de Noordzee opzoeken, dat we het hier zo goed hebben en dat het zo'n rustig land is. Ik begrijp dat wel.
"Ja, we mogen zeker niet klagen," zeg ik nog, terwijl de auto terug de baan op rijdt richting Gent, in een omgekeerde Stef Hertmans-beweging, "Er zijn erg veel historische gebouwen bewaard, en als je ze weet te vinden, zijn er erg mooie landschappen te vinden. Je moet er voor zijn, natuurlijk, die romantiek van dikke grijze wolken boven donkergroene weilanden. Of een warme koffie drinken in een verlopen tearoom aan de dijk, met zand nog in je haar en in je schoenen."
Ik merk dat ik er zelf lyrisch van word. Is het dat gevoel waar Jacques Brel over zong? En is het ook niet zo dat elke persoon, waar ook ter wereld, met zijn eigen streek en volk verwikkeld is in een haat-liefdeverhouding? Inna kent dat gevoel zeker. Op haar paspoort staan de verblindende sterren en strepen en de bombastische uitspraken over vrijheid van de Founding Fathers.
"Ik ben een beetje een volksverrader, weet je. Het wij-zijn-maar-een-klein-volkje-gevoel waaruit zowel een minderwaardigheidscomplex als een dwangmatige valse bescheidenheid spreekt, is een voortdurende bron van irritatie voor mij," zeg ik. De demon waar ik eerder aan dacht, is eindelijk uitgesproken.
"Ik heb er al eerder over geschreven," orakel ik door, "en het is niet dat ik denk dat ik er veel aan kan veranderen door me er aan te blijven ergeren. Maar hier hangt het ook samen met die zieke machtsgreep van rechts."
"Dat ken ik maar al te goed," zegt ze schamper. In mijn hoofd zie ik natuurlijk onmiddellijk beelden van permanent kwade presentatoren op Fox News, de homohaat van fundamentalistische christenen of het verwrongen realiteitsperspectief van sommige Republikeinse kopstukken. Onlangs bestonden ze het een idee te lanceren waarbij het nog moeilijker zou worden verkrachting te vervolgen. Men had het over 'gedwongen verkrachting', waaruit de zoveelste poging spreekt van de patriarchie van blanke oude mannen om vrouwelijke seksualiteit aan banden te leggen.
"Ja, het is niet alleen hier of in de Verenigde Staten zo," geef ik toe, "Het omspant de hele wereld. De krachten van rechts lachen al jaren met de 'linkse kerk', die zogezegd fout was in het migratiedebat, die te goedgelovig en naïef is als het aankomt op misdaadbestrijding, en die niks kent van economie. Dat, terwijl er geen grotere en naïevere religie is dan blind geloven in neoliberale dogma's, die nergens hebben gezorgd voor meer welvaart bij de bevolking. De kloven tussen arm en rijk zijn alleen maar gestegen, solidariteit wordt geassocieerd met een profitariaat, en de haat tegenover de socialezekerheidsadel is een bliksemafleider voor het feit dat grote bedrijven jaarlijks veel meer stelen van de belastingsbetaler dan die minderheid aan marginalen die sociale vangnetten probeert uit te buiten."
Ik besef dat ik klink als een linkse agitator, en dat zint me niet. Ik zucht. We rijden door Ledeberg, het oorsmeer van Gent.
"Aan de universiteit waren de meeste van mijn vrienden links."
"Ah, vaag links."
"Precies. Nu ze werken, zijn de meesten onder hen rechts. Ze zijn volledig meegestapt in die logica van de rechtse kerk, dat armen, migranten en Walen voortdurend op de loer liggen om hun belastingen op te souperen."
"Jullie betalen hier wel veel belastingen."
"Dat is waar. Maar dat is een andere kwestie."
De plompe, betonnen brug van de E17 doemt op. Het is een dag waarop het zou kunnen gaan regenen, maar het maar niet doet. De wolken zijn onmachtig. Het is ook lente, en in de lente kan alles. Ik trommel met mijn vingers op het stuur terwijl ik wacht aan het rode licht.
"Mijn vader werd ook alleen maar linkser met ouder worden," zeg ik, "Ik denk dat ik gedoemd ben dat te volgen. Gaan werken na de universiteit heeft me niet blind gemaakt door geld, of ontvankelijker voor neoliberale praatjes. Ik zie alleen steeds meer onrechtvaardigheid."
Maar ik ben geen kruisvaarder. Ik rol de Gentse binnenring op met mijn vuile auto.