Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 4 september 2014

Anton in Noorwegen - Dag 9, 10 en 11

Alpaca’s, new wavers en tante Julia

Tegen de ochtend blijkt het busje met de “three womens” al verdwenen. Ik ga de plaats inspecteren waar ze stonden, en ontdek een lege kauwgomverpakking waar ‘made in Uruguay’ op staat. Na het opbreken rijden we voorzichtig de grasheuvel af, om te zien of er nu toch niet iemand zit in het wachthuisje. Het is er nog altijd even doods. Omdat ik dat altijd al willen doen heb, brul ik “So long, suckers!” als ik het gaspedaal indruk en wegstuif van de weg, groener oorden tegemoet. Eén nacht in deze Mexicaans aandoende omgeving was meer dan goed genoeg.

Onderweg krijgen Jelka en ik een vlammende discussie over dieren die we langs de kant van de baan zien. Ik denk dat het geiten zijn (“ze waren klein en in allerlei kleuren!”) en Jelka houdt vol dat het hertjes waren (“geiten hebben geen gewei!”). Die discussie is snel vergeten als we later op de dag een weide met alpaca’s passeren. Jelka neemt uitgebreid foto’s. De dieren ondergaan dat laconiek.

Er zijn nog twee tussenstops voor we Oslo opnieuw bereiken, en voor elk van ons wat wils. De eerste stopplaats is de op de route geadverteerde Gardnos-krater. Het park rond de krater blijkt dicht (waar zitten al die Noren toch?) maar je mag er wel nog vrij rondlopen. Ongeveer 560 miljoen jaar geleden kwam hier een meteoriet neer die een krater sloeg van vijf kilometer doorsnede. De krater is al lang overgroeid, natuurlijk, maar we vinden wel een opgedroogde bergrivier die mooi de opgebroken terrassen kwarts nog toont. De heerlijke stilte in het kraterbos krijgen we er voor niets bij.

Jelka mag zich dan weer helemaal laten gaan in het Bjørneparken (“het Berenpark”), een uitgebreid en modern dierenpark met, hoe raad je het, beren. Er zijn niet enkel beren – die er overigens vervaarlijk uit zien, en lappen vlees in een rivier aan het kapotscheuren zijn terwijl we van op veilige afstand op een loopbrug toekijken – maar geitjes die spontaan mensen komen knuffelen en kopjes geven. We zien een jong hert en een jonge eland. De cavia’s zijn op vakantie, en de vos laat zich niet zien. Het is er een paradijs voor kinderen: overal staan speeltuigen, en bij enkele hekkens liggen emmers met wortels klaar om aan de dieren te voederen. Eén klein meisje huilt onbedaarlijk bij een eland. Elanden geven geen fuck, dat is duidelijk.

In Oslo zitten we weer in hetzelfde hotel waar onze reis begon, deze keer onder de grond. Na vier dagen kamperen en eten uit blik, voelt een bed al aan als een ongehoorde luxe. Buiten raak ik nog aan de praat met tweede oudere Engelse mannen die in een new waveband spelen en er ook zo uit zien (gelakt zwart geverfd haar, zwarte lederen jassen, koppen die veel gezien hebben). We hebben het over muziek, voetbal en het Schotse referendum voor onafhankelijkheid. De reis zit er bijna op.

In de voormiddag erop verkennen Jelka en ik elk apart een wijk in Oslo die ons aangeraden was door personeel van het hotel. Het blijkt een hipsterwijk te zijn met tal van tweedehandsboetiekjes, winkels vol snuisterijen, en kleine parkjes waar lokale, nog niet gegentrifieerde dronkenlappen en marginalen doen wat dronkenlappen en marginalen in parkjes overal ter wereld doen: onverstaanbaar roepen, onvoorspelbare bewegingen maken, en mensen lastigvallen voor sigaretten.

We eten in een gezellige tapasbar die de naam ‘Delicatessen’ draagt. Het is er voortreffelijk, en de dienster lacht meewarig met mijn poging de Noorse menu-items correct uit te spreken. Ik voel me een kleuter die net een beetje zindelijk geworden is.

Jelka koopt schoenen. Ik hou me gedeisd in een parkje. Er wandelen veel mannen alleen rond met kinderwagens. Is dat de geroemde Noorse emancipatie? Er is ook een lesbisch koppel dat complexloos hand in hand wandelt. Dat zou overal moeten kunnen. De wereld zou een betere plaats zijn. Slechts één dronkaard valt me lastig, maar druipt teleurgesteld af als ik “jag ikke snakke norsk” zeg.

Vanaf dan staat alles alweer in het teken van de reis huiswaarts. Het is opnieuw de ‘Stena Saga’ die ons terug zal brengen naar het Continent, deze keer met een overnachting. Omdat ik nog nooit op een boot geslapen heb, maak ik me kinderlijk blij in het idee eindelijk in een echte kajuit te kunnen slapen. Het is er klein en krap bemeten, maar proper, en bovendien belooft de nacht entertainment: er wordt omgeroepen dat DJ Gary de hele nacht feestenden zal bedienden in de discotheek met de beste dansmuziek. Dat wil ik niet missen.

Jammer genoeg blijkt het feestje daar pas van start te gaan als wij al willen gaan slapen. Het deert de intussen alweer dronken Noren en Denen niet. Mannen en vrouwen van makkelijk het dubbele van Jelka’s leeftijd en de leeftijd van mijn ouders dansen, zoeken duidelijk liefde voor één nacht, of staan wiebelend op de verschillende dekken te roken. Met de veel goedkopere (maar naar Belgische normen nog altijd dure) alcohol en sigaretten lijken de Scandinaviërs prima in hun nopjes. Maar onze wereld is het niet echt. Ik krijg nog een onvrijwillige slaapwel toegewenst van twee oudere dames die iets dronken tegen me zeggen in het Noors, terwijl de ene m’n haar vruchteloos probeert goed te leggen. Ik onderga het zoals het personage in Boudewijn De Groots nummer die kloeg over de borsten van zijn tante Julia die op z’n schouder rustten als ze zich over hem heen boog.

De ochtend doet pijn. Toch is de rit terug door Denemarken, Duitsland, Nederland en dan uiteindelijk België geen achteruitgespoelde opname van de heenrit. In Denemarken win ik tijd door als een dolleman te rijden, maar in Duitsland raken we vast in de regen, de file, de slechte worsten en mijn slechte richtinggevoel. Tot drie keer toe rijden we voorbij Osnabrück mis, en ik ben de wanhoop haast nabij als we dan toch na anderhalf uur tijd verliezen, in Roermond in Nederland raken.

In Gent is de avond al lang gevallen. We hebben er dan 13,5 uur rijden op zitten, en mijn hele lichaam is een gloeilamp van pijn. Jelka en ik hebben 11 dagen samen doorgebracht zonder elkaar fysiek aan te vallen, ruzie te krijgen (al blijf ik er bij dat we geiten zagen en geen herten) en zonder al te idiote toeren uit te halen. Geir Jensen heb ik niet ontmoet en ik heb niet in een fjord gezwommen, maar Jelka heeft vele dieren gezien, ik heb gevoeld hoe het ook alweer is om door niets dan stilte omgeven te worden, en we zijn boven de fucking poolcirkel geweest. Als dat niet cool is.

Anton in Noorwegen - Dag 8

Een landschap met een acute depressie

Bergen is mooi. Het is mooier dan Oslo, en ook een stuk toeristischer. Dat merk je aan de vele stereotype toeristen die zich overal verdringen: jongere en oudere koppels met een modebesef dat iets zegt over hun afkomst – Chinezen met lelijke petten, een Italiaans koppel waarvan zowel m/v een verblindend witte broek dragen, oude Duitsers met sokken in sandalen, en zo verder.

De architectuur doet soms aan Amsterdam denken, maar kleuriger, en altijd met de onmiddellijke hoogtes van rotsen en, nu ja, bergen, binnen handbereik. Ik bestijg een partij stevige trappen naar de Sint-Niklaaskerk, maar daar blijkt een dienst gaande. In een ander kerkje heb ik meer geluk. Het oude, wat ineengestampte kerkje herbergt enkel bejaarden die er aan het eten zijn. Waarom een parochiezaal bouwen als je in een kerk ook kan eten, moeten ze gedacht hebben? Ik drijf mee met de geur van vers gevangen en gebraden vis naar de vismarkt, waar ik het water in de mond krijg, en verken een kleine haven met dicht opeengepakte façades die een houten versie lijken van wat je ziet op de Korenmarkt in Gent.

Ik neem naar hartenlust foto’s en omarm mijn toeristische zelf volledig. Eén keer gaat het bijna mis als ik in een parkje een foto neem van het standbeeld van Edvard Grieg, waar een meisje op haar buik bij ligt te lezen, met haar derrière naar mij gericht. Bij het klikken van mijn camera kijkt ze plots beschuldigend om. Ik doe alsof ik het niet gezien heb. Geen enkele uitleg zou niet verdacht geklonken hebben.

Jelka en ik eten op de vismarkt, maar dat blijkt de eerste en enige toeristenval waar we ons in laten vangen op de reis. Het eten is weliswaar bijzonder vers, maar we moeten lang wachten aan een vuil tafeltje, en betalen in totaal meer dan €50 voor een assortiment krab, mossels, vis en walvis waarvan één element zelfs nooit arriveert. Maar het weer is goed en helder. Van regen is er geen enkel spoor meer. Dat goede weer blijft ons mee volgen als we Bergen verlaten, en een pauze nemen in een grasveld bij het water, waar het enige gezelschap van onze sigaretten en mopjes een enorme zwarte naaktslak is, die even hallo komt zeggen. Jelka houdt van dieren – ze krijgt haar dieren duidelijk op een dienblaadje aangeboden.

Na ons vertrek proberen we een plek te vinden die Steyn ons aangeraden heeft met de naam Mordalen. We vinden de plaats niet, maar belanden wel ergens diep in een bergdorp via een kiezelweg met de auto op de oprit van een koppel stomverbaasde, zonnende Noren. Zelfs vanachter hun zonnebrillen zie je ze denken “achterlijke toeristen”. Ik rij ook bijna een spoor op waar een slagboom net neer gaat.

In de namiddag bereiken we de streek rond Buskerud. Eensklaps is het uit met de landschapspret. De bergen zijn hier laag en van een hard bruin, met roestige begroeiing. Er zijn nergens tankstations, winkels of iets dat wijst op een teken van leven rond de zandwegen en de gesloten, donker geverfde huizen die zo nu en dan in losse clusters op de heuvelflanken liggen. De weg loopt haast kaarsrecht door het dal. Alles lijkt hier aan een acute depressie te lijden. Auto’s komen enkel van de tegenovergestelde kant, alsof niemand hier wil zijn en niemand hier hoeft te zijn.

Er zijn eveneens verdacht veel trucks op de baan. Ik heb misschien te veel thrillers gezien, maar een goed gevoel geeft het niet, vooral als er bij elke andere stopplaats zo’n tientonner op rust staat, met verduisterde cabine. We overwegen even om wild te kamperen op een hoog plekje dat beschut wordt door een paar struiken, maar dan blijkt dat we op een mestvaalt terecht zijn gekomen waar nog tractorsporen door lopen. Direct voorbij de mest ligt een metersdiepe kuil met onpeilbaar, groezelig onkruid.

Uiteindelijk vinden we na kilometers rijden, terwijl het al een fiks stuk donker aan het worden is, een camping. Er staan vijf huisjes op rij die allemaal leeg zijn, een paar trailers die dichtgetimmerd lijken, en een kantoortje dat overplakt is met allerlei mededelingen maar waar ook al geen levende ziel te bespeuren is. We wagen het erop en zetten de tent in de hoek van een grasveld op een klein plateau. Terwijl we ons voorbereiden op onze laatste kampeeravond (morgen lonkt Oslo alweer) komen twee donkere jonge mannen in het zwart het plateau op gewandeld. Jelka denkt eigenaars, ik denk problemen.

We hebben allebei ongelijk. Ze zijn net als ons verdwaalde toeristen, met een niet nader te bepalen Zuid-Europees accent, en hebben een busje “with three womens”. Ze vroegen zich enkel af of wij de eigenaars of exploitanten gevonden hadden, en lijken blij dat ze eindelijk levende mensen aantreffen in Buskerud die geen Poolse vrachtwagenchauffeurs zijn.

Na zonsondergang koelt het snel af. De sterren schijnen zoals die dat enkel kunnen in het gebergte, of in een creepy film waar mensen plots wakker worden onder geitenbloed.

Verder naar het laatste deel, tenzij je liever gelooft dat ik in m'n slaap de schedel ben in geslagen door een rondtrekken truckchauffeur met moordneigingen.

Anton in Noorwegen - Dag 7

Overal kaarsvet

Zoals vaak op vakantie, word ik vroeg wakker. Ik denk dat ik in het vakantiedorp, waar hooguit vijftig mensen zijn, als eerste persoon buiten rondloop. Ik lees een boek op een rotsblok en rook een sigaret terwijl Jelka uitslaapt. Nadien gaan we opwarmen in het toeristisch centrum, een gezellige houten barak met een haardvuur en enorme lekkere warme chocolademelk. Er zit een koppel sportieve Duitsers en een Noor met een dekentje over zijn benen. Er hangt de gewijde stilte van een tempel.

Tegen de middag breken we ons kamp op, en rijden we richting Bergen. Het is een rit van 300km, maar daar kijk ik onderhand al niet meer van op. Het landschap blijft onverminderd prachtig. Tunnels met rotsgewelven, soms zelfs kilometers lang, worden afgewisseld met nog meer lagunes, nog meer meren en nog meer filmische bergflanken, al dan niet voorzien van een houten vakantiehuis.

Terwijl we Bergen naderen, komt de beschaving ons terug meer tegemoet, met drukker wordend verkeer, kleine voorsteden en tenslotte de onvermijdelijke ronde punten, waar ze in Noorwegen dol op zijn. Het is intussen al te laat geworden om nog veel van de stad te kunnen profiteren, dus zoeken we opnieuw een kampplaats.

De camping in Fagernes was een luxe-oord, en de eenvoudige rust van het kampeergras in Eidsbugarden een idylle vergeleken bij waar we belanden: een drukke bijna-stadscamping waar ook enkele mensen permanent wonen. De uitbaatsters spreken moeizaam Engels, en her en der weerklinkt weemoedige Balkan-muziek of harde dance uit 1997. Onze buurman-voor-een-nacht blijkt een vaste bewoner te zijn. We lenen peper en zout van hem in ruil voor een paar Duvels, waar hij bijzonder opgetogen mee is. Het lege flesje zet hij naast zijn buste van Satan, die bovenop zijn trailer staat.

Terwijl we eten, komt hij ons gezelschap houden. Zijn naam is Steyn en hij is een groot deel van het jaar zeeman. Hij repareert lichten op eilandjes voor de kust van Bergen die enkel per boot bereikbaar zijn, en blijkt oorspronkelijk van de streek van Tromsø afkomstig te zijn. Hij staat vol tatoeages, en ziet er makkelijk 10 jaar jonger uit dan zijn eind de dertig hem zou mogen geven. We mogen zijn stopcontact gebruiken en hij geeft ons ook een blikje vis.

De rest van de avond houdt Steyn zich bezig met zijn playlist van trance, house en club-muziek van de hoge jaren ’90, en komt er voortdurend volk bij hem af en aan lopen. De korte duur van de visites doet ons vermoeden dat onze nieuwste vriend op de camping een handeltje draait in roesmiddelen. Hij maakte eerder op de avond al een vreemd mopje over ‘Hollandse waren’ die hij nog liggen had. Ons niet gelaten. Eén van zijn vermoedelijke klanten heeft een bijzonder mooie hond bij, en zowel hond als baasje komen ook even hallo zeggen.

Met kampeerstoofvlees nog op de maag, spreken Jelka en ik duchtig onze drankvoorraden aan. Ik mors overal kaarsvet: in het gras, op een boek, en overal buiten waar kaarsvet eigenlijk zou moeten liggen. ’s Nachts slaap ik de slaap van de onnozelen. De volgende ochtend bekent Steyn dat hij me tot in zijn trailer had horen snurken.

Verder naar deel zeven.

Anton in Noorwegen - Dag 6

Eeuwige sneeuw!

Jelka is van het principe: als we zwemkleren mee hebben, moet er gezwommen worden. Daarom neemt ze een ochtendduik in de Valdres, die ijskoud blijkt. Ik waag er mij niet aan, en besef, terwijl ik langs de kant sta, dat ik allicht niet eens goed genoeg kan zwemmen om haar te redden, mocht ze in de problemen raken. Het is tegen dan al voorbij 10u ’s ochtends en we besluiten te brunchen in het enorm propere kampeercentrum, dat kookplaten, douches en ruime toiletten in de aanbieding heeft. Alle infrastructuur ten spijt, wordt de brunch – Aldi-spaghetti in kaassaus – een mislukking, aangezien de kaassaus meer lijkt op een soep met groene spikkeltjes, en zo zout als de pest smaakt.

Op de radio in het gebouwtje weerklinkt ‘Forever Young’, dat ik op deze reis al voor de tweede keer hoor. Toen ik zelf jonger was, vond ik het een zielig nummer voor en door mensen die niet willen aanvaarden dat je nu eenmaal ouder wordt, wat ruimer om de middel en met achterstallige belastingen om te betalen. Nu zie ik er plots wel iets moois in, mogelijk omdat ik de doelgroep ben van het nummer. Laat het kind nog niet in mij sterven.

Dat kind komt later op de dag uitgebreid aan zijn trekken. Voor het eerst in jaren sta ik in simpele bewondering voor de almaar prachtiger wordende landschappen. Als we een onverharde, kronkelende weg in slaan naar Eidsbugarden, naar eigen zeggen één van de oudste toeristische dorpjes van Noorwegen. Het blijkt bovendien dat de rivier die we al de hele tijd volgen, niet de Valdres heet – het is de naam van de streek. Maar wie geeft er wat om? We zien glinsterende meren die zo uit een fantasy-film geplukt lijken, kleine huisjes met grasdaken, en we ontmoeten met de auto een blije kudde schapen. Moerassen met veelkleurige bloemen wisselen bemoste heuvels af, en om de zoveelste bocht van het weggetje zien we plots scherp gekartelde bergen met toppen van eeuwige sneeuw, ijsblauw op hemelsblauw.

Eidsbugarden zelf blijkt klein. Het grootste gebouw is er een in 1909 gebouwd hotel met een haventje. Aan het water lopen diverse fjord- en ijsriviertjes in het dal samen in de bron van een grote, traag stromende rivier. We zijn in het Jotunheimen-gebergte. Hier zijn de hoogste bergen van Noorwegen, die tot ongeveer 2500m hoogte reiken. Klimmers zijn we niet, maar we vatten na het opzetten van de tent, op een belachelijk comfortabele wandelafstand van honderd meter naar de bergpaadjes die vanuit Eidsbugarden het gebergte in kronkelen, een stevige wandeltocht aan.

Hoe beschrijf ik dit zonder te klinken alsof de Noorse toeristische dienst me een bruine enveloppe met een paar duizend kronen onder tafel heeft toe geschoven? Eerst en vooral: het eerste deel van de weg naar boven, via een rotspad met lage begroeiing en veel losse rotsen, volgen we langs een bergbeekje met diverse mini-watervallen. Om de zo veel tijd blazen we uit aan een checkpoint, want stijgen is hard, zeker voor twee rokers uit een stad met vlakke straten. Halverwege de beklimming van de laagste top wordt het al wat frisser, en sterven geluiden van beneden langzaam weg. Ook de insecten zijn er niet meer zo nadrukkelijk aanwezig.

Regelmatig, terwijl het pad ons verder voert langs rotspartijen, veelkleurige, harde struiken en gevlekte kluiten steen, met geel mos, groen mos en berggrassen, kijken we achterom. Eidsbugarden wordt steeds kleiner. We vatten het plan om op naar een klein veld eeuwige sneeuw te gaan, tegen de top van een berg die goed zichtbaar boven een lagere bergtop uit torent. Het wordt zwoegen om er te raken. De stilte neemt toe en de lucht proeft zuiver. Op een bepaald ogenblik is het een feit, als we neer zitten naast elkaar en niets zeggen: er is niets meer van lawaai. Absolute, volkomen boeddhistische stilte. Enkel als we ons heel hard inspannen, kunnen we een bries horen die langs de bergflanken waait.

Uiteindelijk bereiken we de eeuwige sneeuw. Die is hard en glad. Voor ons uitgespreid, voorbij de rivier en Eidsbugarden, dat er bij ligt als een diorama van peperkoek, zonder iets van beweging, rijzen de echte hoge bergen van het park op. Ik zei al eerder dat het landschap uit een fantasyfilm lijkt te komen, en het is niet gelogen. Geen wonder dat de Noren dachten dat hier hun mythische reuzen woonden.

Je kan zo ver kijken vanaf de berg waar we zijn dat we bij de afdaling al van in de verte een hagelbui (in fucking augustus) zien aan drijven. Even wordt het gevaarlijk. We dalen af in de goede richting, maar zijn de weg volkomen kwijt, waardoor we stappen door kniehoog, dicht opeengepakt bergkruid, glibberige stenen en onverwacht zachte moddergrond. Ik sla bijna m’n voet om. We moeten over meerdere kleine, verraderlijke beekjes springen, en zijn op het einde moe, nat maar toch vooral trots.

’s Avonds, terwijl de zon snel verdwijnt achter de bergtoppen in het westen, zitten we met tevredenheid voor de tent te kijken naar de eeuwige sneeuw waar we eerder op de dag nog in gelegen hebben. Er is zo goed als geen kunstlicht in Eidsbugarden, en we gaan dan ook vroeg slapen, terwijl een kille regen in onregelmatige, maar rustige vlagen over de tent waait.

Verder naar deel zes.