Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zondag 30 januari 2011

Dulce et decorum est

Ik zit alleen te eten, voor het venster van een fastfoodketen. Als kind vond ik mensen die alleen zaten te eten steeds enorm zielig. Ik heb het intussen nu al zo vaak gedaan dat ik daar absoluut niet bij stilsta, ook al omdat een fastfoodrestaurant per definitie een zielige plek is, of je er nu bent met vrienden of alleen. Ze zijn gemaakt om mensen niet te willen laten blijven plakken. Ik heb altijd een intens medelijden met de mensen die er moeten werken. God weet dat ze het gezicht van hun medemens gezien hebben, en dat dat gezicht vaak niet mooi is, tanden mist en stinkt naar onwelvoeglijkheid. Wat ben ik? Een man. Geen man is een eiland, zei John Donne. Waar is mijn eiland?

Er speelt een onbekende remix van "Mad world" van Gary Jules op de achtergrond. Een vreemde muziekkeuze om fastfood bij op te eten. Maar het blijft wel overal hetzelfde - McDonald's, Quick, Burger King of KFC zijn de rustige vastheden van het globale bestaan waar christendemocraten nog een puntje aan kunnen zuigen. Culturistos richten graag hun pijlen op dit soort symbolen van nivellering, omdat ze alles in zich verenigen wat zij haten - de snelle hap, het consumerisme, de grootste gemene deler en de massabudgetten die dagelijks door de kassa's van dergelijke giganten vloeien. Maar als mensen plots zouden beslissen van er niet meer te komen, zouden die bedrijven allicht ook hun strategie veranderen. Het verzet is zwak. Intussen brandt Egypte en wankelt het regime van de farao. En België blijft barsten met het tergende slow motion van twee continentale platen die elk jaar een paar millimeter verschuiven.

Ik zou zeggen, denk ik, terwijl ik mijn vette vingers afveeg aan een stuk papier, dat mijn zorgvuldig gecultiveerde en op temperatuur gebrachte kamers waar het aangenaam verblijven is met vrienden, mijn vaderland vormen, mijn eiland. Anderen klampen zich met de moed der wanhoop vast aan de romantiek, de nederlagen en de ongetwijfeld glorieuze, toekomstige overwinningen van hun stam. In de neotribale samenleving zullen er ook nog platte symbolen van globalisering zijn. Het is zelfs één van de redenen dat dit land ondanks alles blijft draaien. Er staat nog geld op de rekening, bedrijven werken verder en agenten schrijven nog steeds geestdriftig bekeuringen uit. Maar waarheen gaan we nu echt? Ik ga op zoek naar kleren (confectie, dat spreekt), en België weet eigenlijk niet eens waar het naar op zoek is.

Misschien word ik volgend jaar of binnen tien jaar wakker in de Republiek Vlaanderen. Ik zal het niet vieren. Ja, velen zullen zich in de handen wrijven dat we verlost zijn van het Waalse profiariaat en het vreselijk knullige Nederlands van Elio Di Rupo, maar het was voor beide landsdelen al jaren een gemiste kans tot verrijking. Nee, ik geloof niet in het oude België met zijn hang naar francofilie en affairisme, maar in het zelfgenoegzame, volgevreten Vlaanderen met zijn schrille burgermannetjes geloof ik al evenmin. Ik ben alleen maar Vlaming omdat anderen dat zo willen zien. En uiteindelijk ben ik zelfs ik niet, maar dit is geen dag voor ontologie. Ik betaal voor mijn sweaters en duik de kou in van de drukke Veldstraat.

Opnieuw zie ik al die vertrouwde winkels de revue passeren. Allemaal zijn het filialen van kledings- en mediagrootmachten, en dit zijn hun koloniale uitposten waarmee ze de inboorlingen lokken. De mannenmode voor het voorjaar wordt blijkbaar gedomineerd door pulls met enorm grote knoppen, en ik vind het lelijk, maar mijn eigen logica getrouw hou ik daar maar beter mijn mond over want ik heb van moderne mode al evenmin verstand als een cementeerder iets zinnigs te zeggen heeft over poëzie. De media lieten zich erg schamper uit over het volksprotest uit machteloosheid, want ja, datzelfde radeloze volk had er in de eerste plaats voor gezorgd dat die vermoeide en vermoeiende politici aan tafel moesten gaan zitten. Maar het waren ook de media die de verkiezingen mee gestuurd en bepaald hebben, en de kans die er misschien jaren geleden geweest is om beide landsdelen naar elkaar te laten toegroeien, veronachtzaamd hadden. Wiens schuld is het? Is het belangrijk?

Alles is gedistribueerd en verspreid - schuld, consumptie, verantwoordelijkheid en frietvet voor standaardhamburgers. We geloven niet in God die eindredacteur of aanstichter kan spelen. De zak met kleren weegt zwaar. Het is vaak erger om slecht na te denken dan het helemaal niet te doen, denk ik, en in diezelfde gedachten is er een klein kind dat stil een rouwproces houdt voor het idee van een vaderland.

dinsdag 11 januari 2011

500m naar nergens

Ik wandel met een fles in de hand door een straat waar niemand is. Dat is verdomd poseuristisch. Ik passeer langs de vitrines van een lederwarenwinkel, het koude licht van een nachtwinkel waarvan ik weet dat de uitbater een tulband draagt, en café "Bij Roosje", waar iedereen bij binnenkomst automatisch een nekmatje krijgt en een willekeurige tand mist. Op deze platitudes bouw ik mijn wereld.

Ergens is er de vage hoop dat mijn pad vannacht zal gekruist worden door een menshoge, pratende kater. Ik lees te veel. En ook te weinig, beweert Fyodor. Ik ben het er mee oneens dat je de hele canon en alle literaire referentiekaders moet kennen voordat je je kan wagen aan literatuur. Het helpt enorm, zoveel is zeker, maar het heeft uiteindelijk niks te maken met wat een schrijver maakt tot schrijver, en dat is een instinctieve koude fusie van instincten, bloed en kil verstand. Hoe meer ik drink, hoe zoeter alles smaakt. En echt liefhebben is ook mee aanvaarden dat dat verlangen wortelt in pijn en terug uitmondt in pijn, want wat eindigt nog gelukkig en in volstrekte harmonie? Liefde is geen balsem of een medicijn, maar tezelfdertijd het meest weerloze ding dat er is, van een vreselijke schoonheid en van een ontzagwekkende wreedheid. Is een mens gemaakt om dit aan te kunnen? Hij moet. Het kan niet anders.

Soms wilde ik dat mijn mond maar een kleine, nauwe streep was, een kier waar alleen het hoogst noodzakelijke uit zou komen, om te benadrukken dat zorgvuldig gekozen, weinige woorden van een veel grotere waarde zijn dan het praten in luchtballons en zeppelins waar ik me anders mee bezig hou. Niemand zit te wachten op mijn mening over het ruimtevaartprogramma van de Sovjets, de falende regeringsvormingen of waarom ik nu precies brunettes verkies boven blondines en dat dat uiteindelijk ook geen moer uitmaakt. Maar we kunnen niet altijd gesprekken voeren met oneindige dieptes, zelfs als we in een onsterfelijke toestand naar de idealen van Habermas' eindeloosheid in geest en taal zouden proberen leven.

Ik kom aan een spoorwegbrug. Verkeerslichten geven rust in al hun regelmatigheid, en het enige hoorbare geluid is van iemand (ik) die zijn neus optrekt en tast naar een sigaret. Het pakje is leeg, maar daar komt spoedig een oplossing voor. Bovendien is met een fles in de hand een nachtwinkel binnenwandelen niet bepaald het toppunt van gratie. Deze vlakke wereld, behept met de grandeur van komisch falen en de verzachting van spaarzame vriendschap, staat op het punt te exploderen. Op welk droomniveau zitten we intussen? Is dit een droom waaruit een mens wel kan wakker worden? Er dendert een trein over de brug, door Maxi Jazz beschreven als "conceding defeat with a low moan". Het hoofd is een kamer vol heen en weer rennende ratten. Soms is het ook een koele bergruimte waarin alles zijn plaats kent.

De reis gaat terug langs een opgeknapt beluik en een pitabar waar ik nog nooit iemand zien binnen zitten heb. Het schijnt dat dit vroeger een mondaine, drukke winkelstraat was, maar ik heb het liever zo, in dit vertraagde tempo, waarin elke indruk van deze hutsepot aan lelijke gebouwen en lelijke mensen zich afzonderlijk laat wegen en samensmelten tot een prikkelend eenpansgerecht. Nee, zeg ik tot man en fles, voor depressie heb ik geen tijd en ik ben nooit een cynicus geweest. Maar de slijtage van dit bestaan is voelbaar. Ook dat is niet erg, omdat het me eraan herinnert dat ook ik behoor tot die almachtige mensheid, waarvan vele telgen niet de luxe hebben om hier doelloos rond te wandelen, te kijken en na te denken, laat staan dat alleen te doen.

Het kruispunt nadert weer, en de lucht ruikt naar een nabije regenbui. Ik heb honger. Ik wil alles, maar ik heb niets te eisen omdat er ook niks af te dwingen valt van het leven. Je kan alleen maar proberen telkens terug te komen naar die plaats van onvermijdelijkheid van passie, van brandende zenuwuiteinden in de vingers en het spreken van woorden die al lang overbodig zijn voor de mensen die ze moeten horen. Ik wandel met een lege fles in de hand door een straat ergens in mijn hoofd. Dat is eigenlijk wel raar.