Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

vrijdag 31 december 2010

Luctor et emergo

Elk ogenblik en elke seconde eindigt en begint er ergens een periode, een episode of een jaargetijde. De woede is nog niet op. Ik doseer ze als drug, om opnieuw te gebruiken als acupunctuurtherapie op momenten dat ze van pas komt. Eén mens heeft maar zoveel energie te verspillen om kwaad te zijn over alles, en uiteindelijk levert het niks op als de inspanning niet gericht is, en helemaal niet als die onterecht is. Een goed mens proberen te zijn is niet makkelijk. De maanden achter me zijn gesmolten en dan gestold tot indrukken van scharnieren, of wankele bruggen over vulkanen. De afstand van teleurstelling is afgelegd. Ik ben niet bezig met verkruimelde relaties of de centrifugale vernielzucht van anderen, noch met geld en macht. Verlicht zal ik dan wel niet worden, maar aan het dok van een nieuw januari sta ik met een zak bagage die een stuk minder zwaar weegt dan voorheen.

Het is een jaar geweest van verwarring en van hebzucht. Voor wie het wilde zien, vielen de poppenspelers en marionetten enkele malen uit hun rol - de grootbanken, de oliereuzen, de nijvere industrie van de nut- en vetvoorzieningen, van de koppigste politicus tot de gladste aal die zelfs het homohuwelijk zou kunnen verkopen aan een neonazi. Het is allang geen nieuws dat rijkdom een fetisj is van het Westen. Het is wel nieuws dat zelfs nadat de keizers van de wereld zonder kleren zijn gezet door economische rampen, ecologische catastrofes en perslekken, de meeste mensen in deze wereld de schouders blijven ophalen. Zolang de kachel brandt, de auto rijdt en de dertiende maand netjes uitbetaald wordt, kijken velen de andere kant op.

Ik vervolg een pad dat ik al jaren geleden gekozen heb. Hoe vaker talen zich laten schilderen, beeldhouwen of rauw opdienen, hoe meer ik erken dat woorden maar relatieve krachten zijn of zelfs valse richtingaanwijzers in een overbelicht landschap. Het zijn niet de letters of waarheden die tellen, maar wat ik zeg tegen jou als één op één. En het is zelfs niet eens het geluid dat uit onze monden komt dat er toe doet. Het is de lichaamswarmte eerst, dan de nabijheid, dan het idee dat de cultuur, de taal, het zelf en uiteindelijk het idee zelf een noodzakelijk kwaad is dat al te snel overwoekert wat we echt zouden kunnen en moeten voelen. Dus zet dat glas neer. Duw die sigaret uit. Hier komen we terug tot woorden als waarheid, woorden als waardeloos en tenslotte ook als het beste wat we hebben om een cirkel te trekken rond die waarheden. De clichés zijn uitverkocht dit jaar, en ook in de koopjesperiode zal ik niet meer overtollig berichten over hoe ik niet ik ben maar jij, en wij in principe elkaar zouden kunnen zijn, geweest zijn en dat ook in de toekomst weer zullen worden, omdat we mensen zijn.

Laat ons dus voor één keer de ogen opslaan en aanvaarden dat een boom een boom is, een straat een straat en dat we het in deze wereld vooral moeten redden met elkaar. Het is echt zo eenvoudig als het lijkt. En intussen, naast dat reusachtige, verpletterende inzicht dat we als kruimels stof op een stofbol in een onvoorstelbaar koud universum voortdurend in en uit elkaars bellen en sferen ademen en die alleen samen vormen, mogen we niet vergeten dat alleen wij een einde kunnen proberen stellen aan de piramidale structuur van slaven en meesters. Ik verwacht niet dat we zullen stoppen dat er vannacht ergens een man zijn vrouw in elkaar slaat. Ik verwacht eveneens niet dat er morgen een baby misschien niet van honger zal omkomen, en ik verwacht zeker niet dat men de week nadien plots niet meer zal voortrazen aan driehonderd per uur in de tegengestelde rijrichting. Maar ik verwacht wel dat ik zal proberen om ergens een verschil te maken. Een nieuwe wissel te bedenken in de sporen. Of gewoon om door daden te laten spreken wat woorden niet kunnen - mensen doen branden om bij elkaar te zijn.

donderdag 2 december 2010

Vinson Massif

Er is al heel wat inkt gevloeid over de verstilde poëzie van sneeuw, en we kunnen er niet genoeg van krijgen. Het is een seizoen van terugtrekking en contemplatie, blauwwit in een vogelvrije hemel of net van een onbegrensd witgrijs dat camera's en definities tart. Het is ook altijd hetzelfde. Ook in 1910 hadden mensen rode neuzen van de kou en kloegen boeren over strenge winters. En toch vervult het aanbreken van elk seizoen dat al miljoenen jaren de revue passeert iedereen weer met een gevoel van nieuwheid, vergeet men tijdens de zomer hoe kil en bar een winter kan zijn, en heeft men midden in januari geen idee meer van hoe plakkerig smeulend heet een hondsaugustus met zomeronweren alweer was. We hebben foto's, maar die zeggen doorgaans niet erg veel. Lagen kalven af. Het denken is een spiraalvormige bezigheid. Ik keer steeds terug in vergelijkbare patronen, en ik heb het al allemaal gezegd, mijn kennis atomair gesplitst en weer samengevoegd, en toch steeds opnieuw andere manieren gevonden om met zesentwintig letters en een beperkte taal nieuwe vormen te bepalen voor memetische inhoud die niet van mij afkomstig was, mij zal overleven en toch niet zonder mij zou kunnen bestaan.

Antarctica lonkt. De uitgestrektheid, het onveranderlijke en vooral ook onmenselijke van het continent spreken tot de verbeelding. Eén kleine man die verloren gaat tegen een overweldigende achtergrond van wit op wit, of hoe vanop afstand diezelfde man niet meer is dan een ingekleurde sneeuwvlok in een eindeloos gordijn van witte sneeuw. Sommige observatiestations op zee of onder water vangen geluiden op van schuivende ijsplaten of langzaam brekende ijsschotsen. Alles is er trager, dieper en ook extremer. Het idee van Antarctica is het idee van de grote verdwijntruc, het oplossen in het alomtegenwoordige nergens, met slechts één duidelijk referentiekader, net als oneindig staren naar een leeg schilderij dat een hele muur inneemt. Ook in de winter zie ik de zaken groot - we denken al klein genoeg.

Er is een zekere welwillendheid gekomen in de voetgangers die ik tegenkom, net als ik onvast en hoogpotig door de sneeuw ploeterend. En al zegt men dat vrouwen er beter uitzien in de zomer, kan men niet ontkennen dat de winter het koninkrijk is van de mensen met een mooi gezicht, aangezien het het enige is dat je in lagen sjaals, jassen en verfrommelde broeken kan onderscheiden. Ik ben gelijktijdig subject, object en de grote bezieler, een circusdirecteur en tevens het verstandelijk gehandicapte kind dat komt kijken naar datzelfde circus. Het is gedaan met het postmoderne, alleen beseft men dat nog niet voldoende. Of is het dat ik me met te veel mensen omring die net als ik die die Saturniaanse moloch beu zijn en in de plaats daarvan verlangen naar authenticiteit die noch een bij voorbaat mislukte terugkeer is naar een ingebeeld verleden, noch een groteske invulling van fragmentarische subculturen?

Het zijn grote woorden allemaal voor iemand die met een loopneus en op pas herstelde laarzen moet oppassen dat hij niet uitglijdt over een oprit. Daarom niet minder waar, maar geen letter en geen zin doen er iets toe bij het besef dat ik dezelfde koude, scherpe lucht in- en uitadem als alle anderen. Het is belangrijker te weten wat we delen dan onze tegenstellingen op scherp te stellen, en wie zich liever bezighoudt met het laatste, vecht een op voorhand verloren gevecht dat er in de loop van de eeuwen toch niet toe doet. En ik denk dat ik wel een ijsberg zou willen zijn, een majestueuze homp bevroren water, blauw gekristalliseerd, tegelijk een vertrouwd beeld en een volslagen vreemde. Een waarschuwing voor een open, vijandige en mensenloze wereld. De Johannes De Doper van de onontgonnen fysieke leegte die een mens mogelijk weer kan doen beseffen wat het betekent om met weinig te zijn, om alleen te zijn, om te waarderen wat basiscomfort, warmte en pragmatiek betekenen.

Ik heb ooit ergens gelezen dat sterven van de kou in eerste instantie geen aangename ervaring is, met de knetterende, bijtende pijn van de zenuwuiteinden en verkilde vingers, neuzen en oren die doodvriezen, maar dat het daarna erg stil en warm wordt. Als ik dan toch op een opzienbarende manier aan mijn einde moet komen, laat het dan op die manier zijn. Ik denk eraan om een grote witte doos om te toveren tot een miniatuurtheater en daar mijn Antarctica van te maken, net als toen ik als kind met dinosaurussen en G.I. Joe's speelde op de witte badrand en me moeiteloos kon voorstellen dat het ijsschotsen en sneeuwvlaktes waren. In dat universum stierf nooit iemand echt. Seizoenen werden er aan- en uitgezet als een lichtschakelaar, en van overspannen postmodernisme was geen sprake. Het is beter in mijn herinnering. Het wordt terug beter in de toekomst, hoewel we er allemaal aan gaan. Het wordt hopelijk ook een winter waarin we beseffen dat sneeuw maar een gegeven is, en er dankbaarder voor zijn dat we elkaar verlegen kunnen toelachen, stuntelend op straat, in plaats van te vloeken in de auto of te vergeten hoe warm de zomer was. Deze winter eis ik op als mijn zomer. Deze dag belis ik dat ik een naïeve ijsberg mag zijn. Laat de boten maar komen.

dinsdag 2 november 2010

La Résistance

Ze herinnert zich de natte ochtendgeur van potgrond, de bitterzoete geur van tomaten in de zomer, zelfgemaakte bessenconfituur, of de wellustig rotte geur van verstikte gewassen in dichtbegroeide bossen. Westkant: kasseien, koeien, distels. Oostkant: straten en oprukkende verstedelijking. In het intussen afgebroken huis daartussenin: de ijzige herinneringen aan repressie. Langzaam verlaat ze het scheepswrak van die herinneringen, en gaat ze langs braakliggende terrein naar beneden, naar een strook niemandsvallei waar geen hond komt. Er is niets verkeerd met een poging om de zaken objectief te bekijken. Er is iets verkeerd met de zwetende koortsdroom om alles voor die lens te krijgen, en objectiviteit zelf te gaan opeisen uit naam van kille misleiding. Het gras is groen, maar wanneer is het te lang voor mensen met een korte nek?

Met die mensen is het voor haar onmogelijk om een diepere band te vormen, omdat ze zich altijd verborgen houden in hun bijeengespaarde kastelen van banaliteit. Met heeft ze Vlaanderen mee uitgespuwd. Soms is ze ziekelijk jaloers op gezonde Vlaams-nationalisten, die pragmatisch en vlijtig komen aandraven met allerlei statistieken, en diep in zich nog ergens de romantische vervlechting voelen met een mythisch Vlaanderen dat nooit bestaan heeft. "De leeuw van Vlaanderen" was het eerste serieuze boek dat ze ooit te lezen kreeg, en ze leeft lang genoeg om te weten dat de Vlaamse beweging relevant was, ontvoogdend en even divers als de bloemen en planten waar ze als kind van wist of ze ze kon eten, moest plukken of gewoon links moest laten liggen.

Voor opgesloten zielen is het volksgevoel het laatste dat ze kunnen stelen om geen individuele gevoelens, conflicten of kwetsbaarheid te moeten tonen. Een collectieve vuist is sneller gevormd dan een uitgestrekte hand en een open blik. Men zegt dat het allemaal zo eenvoudig niet is, om vervolgens met even houterige simplismen aan te komen draven. Men lacht met belgicistische onnozelaars die zich beroemen op dat potsierlijke Atomium, maar teert tegelijk op het al even idiote slachtofferidee dat Vlamingen altijd mismeesterd werden door de geschiedenis. Ze rookt gulzig een sigaret, waarvan de geur zich vermengd met de dampende Scheldedauw.

Het kon niemand wat schelen. Ridderromantiek, een intense band met het land, de streek, de talen en de geschiedenis. Het grotere idee, dat volledig ontbrak. Men playbackte de liturgische liederen in de kerk zonder enig idee te hebben wat oprechte naastenliefde infeite was, en men respecteerde gevierde artiesten zonder er een moment bij stil te staan dat zij dergelijke mensen in principe minachtten. Ze kweekten een gepolariseerde generatie van vijanden, mensen die de wereld zagen in breedbeeld of op smalband, vrouwen zoals zij, met een beweeglijke, smaakvolle tong, of andere vrouwen die avatars gingen worden van de centrifugale dictatuur van onelegante luchtigheid. En mooi, maar terugwijkend.

Het is erger om genegeerd te worden dan om aangevallen te worden. Men berispte haar ouders omdat zij oorspronkelijk van plan waren om haar niet meer de streektaal te leren, maar het is alleen een bittere taal die ze leren spreken heeft, met honderd synoniemen om schande, spot en minachting aan te duiden, maar geen enkel lief woord of een uiting van oprechte emotie. Zij erfde via genen en opvoeding exact dezelfde talent voor kille sluipmoord met woorden, en rekent postuum af met hen, de ultieme, collectieve Tarquinius Superbus wiens hoogmoed intussen gemeengoed geworden is. Steunen op de spade in hardvochtige Vlaamse grond, maar met wantrouwen tegenover de standaardtaal. Met wolfskelen declameren dat iedereen Engels kan en dat dat Duits toch maar voor moffen en malloten is, en tegelijk een verbeten knieval maken voor het gehate Frans. Ze beweren dat ze altijd zo open waren tegenover vreemdelingen, maar het is hun eigen onverschilligheid en trots die die vreemdelingen mee heeft helpen inzien dat Vlamingen doorgaans op zijn best gereserveerd waren, en op zijn slechts wantrouwige klompenburgers met een geknakte eigenwaarde en een vitriolische passieve agressie. Het ergste is dan nog dat rurale, van tussen hun geiten getrokken Marokkaanse families op veel vlakken weinig verschillen van hun ingemetselde drijfmesttegenhangers in Vlaanderen, maar men liet hen niet toe. Men laat niemand toe. Iedereen moet alleen zijn en zijn eigen kruis dragen. Zelfs de enige artiest in de familie draagt altijd de grime van het verdovende cynisme. Acteur en rol zijn al zo lang met elkaar versmolten dat men nauwelijks nog kan spreken van ironie.

Ze is altijd op zoek naar menselijkheid. Naar mensen die niet zwijgen, maar weten en vergeven. Mensen die net als zij ook zouden willen opstaan om terug te nemen wat van hen is - dit land, dit Vlaanderen, dit België, dit hele Europa in een oceaan van wanhoop. Een land met woelige kusten waar men nooit accentloos spreekt en opeengehoopt het liefst van alles door iedereen met rust gelaten wordt. Een klotsend spreekkoor van versnipperde bossen en steden waar migranten praten met een zwaar stadsaccent en de Kerk meer een triest rariteitenkabinet is dan een vals beleefde pilaar van een dood geloof. Dat land is er nooit geweest, want het is een idee dat al te vaak getorpedeerd geweest is door eenzijdige opportunisten. Franstalige Vlamingen die neerkeken op boeren, particularistische boerse volksmenners die prat gingen op hun ongezond verstand, of postimperialen die hardkennig vastgeketend waren aan het teloorgegane prestige van hun eigen taal. Natuurlijk is dit idealisme en romantiek, maar wie zal haar tegenhouden om naar buiten te keren wat wil exploderen als tricoloor vuurwerk? Of, uiteindelijk, dat zij zij is? Het antwoord is al te vaak een stilte uit lafheid. Geef mij mijn hart terug. Laat mij en de mijnen jullie allemaal begraven. Het schijnt dat ze verre aangetrouwde familie is van Guido Gezelle. Het schijnt ook dat Anton Voloshin niet haar echte naam is.

dinsdag 19 oktober 2010

Dirigent

Onlangs heb ik ergens gelezen dat een buitenlichamelijke ervaring een fout is in de hersenen die het lichaam doen geloven dat het zich elders bevindt. Er zit iets in. Er zit een kwart teleurstelling dat we nu nog zekerder zijn dat de ziel niet bestaat, een kwart verheldering over hoe een mysterie ontrafelt wordt, en een helft koffie en vergetelheid die me dit feit zou doen vergeten als het niet interessant genoeg was om nog eens olie op het vuur te gieten dat brandt tegen new age en bijgeloof.
"Wat vond jij van de uitspraken van aartsbisschop Léonard?" vraag ik aan Teodor. De aartsbisschop heeft het bestaan te beweren dat AIDS een vorm van goddelijke rechtvaardigheid was. Moeten we geschokt zijn omwille van zo'n domme uitspraak, die overigens gebraden werd in datzelfde bijgeloof waar ik enkele ogenblikken eerder mee gespot heb?
"Wat wil je? Die man is bejaard. Hij komt uit een andere tijd. Zijn adviseurs zullen hem misschien wel zeggen dat hij dat niet kan zeggen, maar dat vind ik nonsens. Hij verdedigdt hiermee een standpunt dat de dogmatische Kerk veel nauwer aan het hart zal liggen dan de ambiguïteit waar zijn voorganger zich steeds in wentelde."
Ik ben het daar volledig mee eens.
"Het is meer dan uit een andere tijd komen, natuurlijk," zei ik, "Het feit is dat de Kerk over een pak zaken manifest verkeerd is. Maar ik heb liever dat de kaloten uitkomen voor hun meningen, en met open vizier het debat aangaan, in plaats van rond de pot te draaien."
Teodor haalt zijn schouders op.
"Ik snap ook niet waar iedereen wakker van ligt. Wie luistert nog naar die man?"
Ik kan hem geen ongelijk geven, en moet denken aan mijn broer Boria, die zich opwond over het feit dat men van de aartsbisschop een schietschijf maakte voor progressief België, maar dat datzelfde België radicale imams links laat liggen. Het is waar, de wilde publieksjustitie meet met twee maten en gewichten. Toch kan men geen interview lezen met moslimjongens zonder dat de vraag ergens passeert hoe ze denken over vrouwen en homo's, terwijl ik niet verder moet wandelen dan Nieuw Gent om over die onderwerpen rare meningen te horen uit de mond van blanke autochtonen.
"Hoe valt dat Russisch mee?" vraagt Teodor, die eigenlijk niet graag praat over grote sociale thema's. Ondanks het feit dat die thema's mij veel meer interesseren, blijken we er toch altijd hetzelfde over te denken, en dat is niet zo boeiend.
"Ik kan me nog maar nauwelijks voorstellen. Het is niet gemakkelijk."
Niks dat de moeite waard is, is echt makkelijk. Gelukkig vraagt hij me niet om iets te zeggen in het Russisch. Niet dat ik een podium uit de weg zou gaan, maar het is er niet de avond voor. Het is een avond om met spaarzame slokken weg te drinken, een avond die balanceert tussen een droomravijn enerzijds en koudopen, paarsblauwe hemel met enkele heldere sterren anderzijds. Is afdalen in melancholie een optie? Een glas maakt rondjes in mijn handen en neemt terug vaste vorm aan.
"Zie je dat meisje in de andere hoek, aan de toog?" vraag ik. Ik weet aan zijn blik dat hij haar al gezien heeft.
"Een verbeterde versie van Ksana," zegt hij zonder verpinken.
"Ja. Volledig mijn type, ook. Daarnet kwam ik haar tegen in het toilet. Ze zocht iemand, denk ik, want terwijl ik bij de urinoir stond opende ze de deur van het mannentoilet. Ze excuseerde zich toen ze eigenlijk al buiten beeld was, en ik denk dat ik zei dat het niks was toen ze me misschien niet meer kon horen. Vrij ongemakkelijk."
Mijn kleingeestige nieuwsgierigheid wilde wel weten wat ze daar precies had gezocht. Een verloren vriend die misschien weggevlucht was van een afspraakje met haar, gezegd had "ik ben even naar het toilet" en nooit meer teruggekomen was. Zulke dingen gebeuren in films. Maar onlangs las ik dat er effectief twee broers aan hun eind kwamen in Amerika, de één dag op dag één jaar later dan de ander, aangereden op hetzelfde kruispunt, door dezelfde taxichauffeur die dezelfde passagier vervoerde. Toeval is een fascinerend ding. En alles is soms dermate vergeven van ironie dat de ironie compleet haar betekenis verloren heeft. Intellectuelen of koudhuidigen lachen schamper met pathos, de Weltschmerz, onverklaarbare melancholie of brutale uitingen van emotie, niet omdat ze zo overdreven en onsubtiel zijn, maar omdat ze zo oprecht zijn. Een gedicht van een vijftienjarige met liefdesverdriet is stilistisch natuurlijk evenmin een gedicht als dat een zeepkist een auto is, maar de kern is waarachtig in al zijn emotie. Niks ervan werd bedoeld als leugen, en uit elke overtollige letter in zulk een gedicht spreekt niks meer dan het hart dat explodeert van verlangen, verdriet en razernij.
"Inderdaad," beaamt Teodor, "Dat is vreemd."
Hij is erg gevoelig aan gênante situaties, en ziet er dus ook het geestige van in.
"Stel nu dat dat de vrouw van mijn leven is, als je even wegdenkt dat ik daar niet geloof. Dan hebben we al één leuk verhaal om te vertellen."
Ik werp een tersluikse blik op het onbekende meisje. Het is zo één van die blikken waar je van denkt dat niemand het gezien heeft, maar die overduidelijk is. En waarom niet? Binnen een kwartier ga ik toch naar huis.
"Er zijn ergere manieren om iemand te leren kennen. Ik gaf onlangs les aan de verkeerde groep mensen. Het was hun eerste les, ik had ook de verkeerde papieren gekopieerd, en even later zat de kopiemachine zonder papier. Dat moet ook een goeie eerste indruk gemaakt hebben."
Ik moet wolfachtig lachen, en trek me weg van het ravijn.
"Het is niet zo erg als het farting-verhaal."
Een collega van Teodor had de uitspraak "partying hard" van een student die erg nasaal en overgeaffecteerd Engels sprak namelijk verkeerd begrepen als "farting hard" en had dit voor het verzamelde auditorium herhaald. Komedie is tragedie plus tijd - één van Oscar Wildes erg zeldzame uitspraken die er mee door kunnen, omdat ze gewoon waar is.
"Ja."
Teodor steekt nog een sigaret op. Zelfs zijn ultradunne Marlboro's roken doet hij met een reptielachtig gevoel voor verfijndheid waar een lomperd als ik nog iets van kan opsteken. Ook een sigaret, om me maar te bedienen van een onorigineel zeugma. Ik steel één van zijn sigaretten. Bedroevend laag nicotineniveau. Maar Teodor waarschuwde me er al voor. Een verwittigd man die niet luistert is een idioot of een genie, afhankelijk van de uitkomst van zijn koppigheid. Zuig daar maar een traliepunt aan, Wilde.
"Maar goed. Hoe is het écht nog met jou?" vraag ik. Voordien heb ik al uitvoerig zitten berichten over mijn zielstoestand, met Teodor als mijn blanco blad waarik elk detail nauwkeurig op nalaat. Het verstikt het onvermijdelijke schrijven, en verandert opnieuw de bouwstenen in mijn hoofd. Alleen als ik geen blanco papier vind in de vorm van de vertrouwde gastenboeken van vriendenhoofden, kom ik terecht voor de schrijftafel. Intussen vertelt Teodor over zijn reis naar Oost-Europa, waarin opnieuw het Russisch enkele malen ter sprake komt, ontmoetingen met stundenten van overal ter wereld, waaronder een kennelijk perfecte Noorse en een Kameroense die er net als de aartsbisschop erg vreemde ideeën op nahield over AIDS. IJs smelt weg in standaardcocktails.
"En ik heb ook een geweldige huisgenoot," zegt Teodor even later, waarop hij haar Gentse accent met veel gretigheid imiteert, "Dus het gaat best goed met mij."
Hij heeft afstand genomen van wat recent drama, net als ik. Het leven lijkt weer wat meer rock en roll en minder blues. Maar dat zijn ook zulke uitvloeibare termen. Voor sommigen is hier zitten al rock en roll genoeg. En voor anderen - wel, ik hoorde onlangs verhalen over een vage kennis die naar verluidt vroeger een zware crimineel was. Ik viel niet omver van verbazing, omdat ik het wel kon projecteren op zijn aangename directheid, hint van agressie en dat nodige modicum aan charme dat elke interessante crimineel moet hebben, maar ik kon me voorstellen dat deze plek en dit gesprek voor hem de allure moest hebben van een bejaardentehuis.
"Ja, het zijn interessante tijden."
Ik wil tijd kunnen uitrekken en samenvloeien. Deeg of plasticine. De sigaret die nooit opgerookt raakt, of een nummer dat pas na een kwartier vijf minuten lang te spelen voorbij is. Elke seconde moet alles zich aanpassen aan mijn emotionele stemmingen. Intussen nemen we afscheid. Het ravijn is opgeklaard als een droom waaruit ik ontwaak binnen een andere droom.
"Tot één dezer."
En we menen het. Het komt er zo vreemd uit, precies omdat het gemeend is. De beste redenaars zijn de beste leugenaars als hun hart te klein is, dicht de vijftienjarige in mij.
Op weg naar huis, in de verte, bij een videotheek, zie ik een zwerver strompelen. In Gent is hij bekend als Zakman, vanwege het halve bedoeinenkamp dat hij steeds met zich meezeult. Zijn lange, zwalpende schaduw is treurig scherp gedefinieerd tegen het kunstlicht van de videotheek. Hij doet zijn dagelijkse routes. Geen mens die weet waarom, al bestaan er vele verhalen over de man. Zakman is vertrouwd deel van het decor in de wijk, deels legende, deels dorpsidioot. In Gent kan je met idioten alle cafés en koffiehuizen van de stad bevolken, en nog zou je plaats te kort komen om ze te stapelen. Ik zou er niet één van zijn. Ik zou hun buitenlichamelijke dirigent willen zijn.

zondag 10 oktober 2010

Thalassa (Thalassa)

Er is een anekdote over Marcel Proust, die naar verluidt altijd erg geïnteresseerd was in wat mensen deden in het dagelijkse leven, over een gesprek tussen hem en een man ergens op een feestje. De man in kwestie antwoordde in een zin of drie op de vraag waar hij zich op een doordeweekse dag mee bezighield, maar dat was niet naar Prousts zin, die maar bijvragen bleef stellen, en zijn gesprekspartner steeds verzocht om trager, omstandiger en gedetailleerder te gaan, allicht tot op subatomair niveau van alle banaliteiten. Moet een vervelende man geweest zijn, die Marcel. Maar aan de andere kant is dat ook één van de essenties van literatuur: het stilstaan, meer dan het vooruitgaan. Zeker in poëzie. Het stilstaan is een heimelijk verlangen naar de eeuwigheid, ook. Of niet zo heimelijk, zoals Horatius pochte over zijn dichtkunst die "duurzamer dan brons" was en dus de tijd zou trotseren. Tot hier toe heeft hij gelijk gekregen, maar iedereen beseft ook sinds het tijdperk van de relativiteit dat eeuwigheid een relatief gegeven is, en dat zelfs relatieve gegevens relatief zijn. Je kan overigens tijd ook niet helemaal opdelen. Er bestaat geen subatomaire tijd. Zoals zelfs de oude Grieken al wisten, is dat een filosofisch probleem, omdat je uiteindelijk terecht komt bij afzonderlijke momenten van volslagen stilstand, waardoor beweging logisch gezien iets erg onlogisch is.

Toch bewegen we. Toch gaan we vooruit en achteruit, beweegt de tijd zich in geweldige stromen om ons heen, verdrinken we erin en komen we er weer uit, aan de oevers, om te rusten en ons af te vragen wat er allemaal voordien gebeurd is, waar we nu zitten en wat we moeten doen om verder vooruit te raken. Luctor et emergo. Ik droom vaak over liften. Liften met glas, waardoor ik alles wel kan zien, maar geen snars begrijp van de escheriaanse architectuur die zich voor mijn beperkte perspectief ontspint (treinstations, luchthavens, winkelcentra). Of liften die op hol slaan en door het dak naar buiten vliegen. Eerst de angst, en dan de bevrijding van de val. Was het ook dat, wat de astronauten voelden toen de Challenger of de Columbia opbrandden in de atmosfeer? Of waren ze al in coma? Men zegt dat de geest sneller gaat werken in omstandigheden van doodsangst en extreme stress. De instincten nemen het over, en tijd wordt een brakke poel. Er zijn verhalen over politie-agenten die op die manier kogels zagen aankomen en zelfs het merk op de kogel konden lezen. Of een heroïsche moeder die met bovenmenselijke kracht een drie ton wegende kraan optilde om haar geknelde kind te bevrijden. Het is de eeuw van het anekdotische, het amusante. Grote theorieën zijn te onhandig geworden om alles aan op te hangen, en wie dat nu doet (christelijke fanatici, moslimterroristen, kale sekteleden) is een mens die in principe zegt dat hij er genoeg van heeft, de witte vlag laat wapperen en zich maar liever terugtrekt in een ingebeeld verleden of een infantiel toekomstbeeld. Maar eerlijk is eerlijk, als één van die profeten gelijk heeft, en morgen komt God om zijn oordeel te vellen, dan ben ik binnen enkele ogenblikken een zwarte Pompeii-mens, kruimelig en verdraaid in al zijn diepmenselijke tragikomedie.

In mijn dromen kwamen soms heiligen voor. Nu al lang niet meer. Ik heb nooit met Jezus in de lift gestaan, en de laatste keer dat religie een rol van betekenis speelde, was toen ik in een veel te heet Griekenland op temperatuur was gebracht met alcohol. Toen meende ik Dionysos te ontwaren, grijnzend. De volgende dag scheet ik mijn broek vol. Opnieuw dat anekdotisme. Maar wat zegt dat, wat betekent het over ons, over ik en over jou, en over het zijn als mens in deze wereld? Het is niet veel meer dan een bescheiden viering van het voorbijgaan van de zaken. Door ouder te worden leert een mens loslaten. Ik kan moeilijk verstaan waarom zoveel mensen vasthouden aan verbittering. Of zoals een betere woordscultpeur dan ik zei: "For all the people whose worthless ambivalence / Only leads to frustration and self-obsessed anger." Loslaten en passie sluiten elkaar niet uit (weinig sluit elkaar uit, in principe). Was de lift die door het dak knalde een uiting van dat gevoel? Dat is een brug te ver, allicht. Bovendien zou Freud zeggen dat het een metafoor was voor de ejaculerende oerman, of zelfs het proces van conceptie, want als ik zelf in die lift zit, ben ik een spermacel. Vergelijk en oordeel over feit en fictie. Er is veel dat ik losgelaten heb. Erg veel daarvan wilde ik ook loslaten. Niet om iets te bewijzen, of om te ontsnappen, maar omdat ik vond dat de zaken op die manier minder gecompliceerd gingen liggen. Loslaten van voorbije vijandschappen. Oude liefdes uitzwaaien en opbergen in een schoendoos. Of vaarwel zeggen aan plaatsen wier betekenissen intussen uitgeput waren. Ik hoop steeds dat me dat een beter mens gaat maken. Het is in elk geval de moeite waard om het te proberen - meer dan erover te schrijven.

woensdag 8 september 2010

Paths of glory

Met dank aan de remixes van Burial van Thom Yorke - It rained all night en van Bloc Party - Where is home?

In een les godsdienst tijdens de hoogzomer van mijn middelbare school stelde de lerares de vraag wat het belangrijkste was in het leven. Eén vroegwijze medeleerling antwoordde vastbesloten: "connecties". Het leek toen een antwoord dat op zijn minst de moeite was om over na te denken, en vandaag is het een steenharde waarheid. Filosofie van de laatste decennia heeft het zelfs centraal gesteld in haar ontologische en - in mindere mate - ethische vraagstukken. Connecties zijn banen en sporen, en die bevinden zich overal. De onzichtbare elastieken van mens tot mens, de wurgkoorden van een gedoemde relatie of de marionettenspelersverhouding tussen officier en soldaat. Ook steeds terugkerende wisselsporen en wandelpaden zijn connecties, omdat zij niet alleen plaats A en B met elkaar in verband brengen, maar zij door de baan die tussen hen loopt ook hun bestaan aan elkaar ontlenen.

Mijn ribben doen pijn en mijn hoofd is uitgegoten als een regenbui. Die pijn was een eindpunt van een onfortuinlijke knie en een verkeerd geplaatste schouders, terwijl het hoofd steeds meerolt met het weer. De E17 is een wildwaterbaan geworden in een spattend grijs waas boven en beneden. "A million engines in neutral," zingt Thom Yorke, terwijl duizenden regendruppels hun val beëindigen tegen het glas van mijn voorruit. De uitwendige reis van man en auto weerspiegelt de inwendige, meervoudige tocht van de gedachten langs welgekende wegels en snelwegen. Links zijn de enorme, labyrintische complexen van mijn fictie, rechts liggen de molshopen van onafgewerkte projecten. Een galerij oordelen over mensen. Gisteren kwam ik Sasha nog eens tegen en ik zag haar oordeel weerspiegeld in mijn oordeel - we dachten vast allebei de foute zaken over de zich van elkaar verwijderende sporen die we intussen afgelegd hebben. Het schijnt dat als je je op een willekeurig punt in het universum in een willekeurige richting begint te verplaatsen, je uiteindelijk terug uitkomt waar je vertrokken bent. Het hoofd is echter niet gemaakt om een hypersfeer te bevatten.

Van lange stroken nat asfalt tot de kleinste kromming: ik kan niet zeggen hoe vaak ik al de baan heb afgelegd tussen de Heuvelpoort en de Zuid. Ik ken er letterlijk elke steen, elke deur en elk uithangbord, en leg die baan bijna altijd af op dezelfde, methodische manier. Toen ik kind was, viel me op dat onze katten steeds dezelfde weg namen door de tuin, hoewel daar geen natuurlijke paden doorliepen. Het brein vormt kaarten, kaarten graveren zich in dat brein en vertalen zich in gewoontes. Kaarten om van punt A naar B te raken, kaarten om persoon C ding D te laten doen en nog meer wegenkaarten met knooppunten, kruispunten en doodlopende eindjes die makkelijk uitkomen op dezelfde conclusies en gedachten. De wereld is onrechtvaardig of de wereld is een bittere plek, of zij is op haar laatste benen en alles wijst erop dat God spoedig zal terugkeren om orde te scheppen Insj'Allah. Het ingegraveerde brein verandert na een tijd zo snel niet meer en geeft de voorkeur aan vooroordelen en herhaling. Geen mens die er aan ontsnapt. Ik leer iemand kennen die me te snel en te hard doet denken aan een meisje dat acht jaar geleden mijn hart brak, en het wordt me al benauwd om de pijnlijke ribben. Wie weet heb ik de vrouw van mijn leven gemist. Ik zet mijn auto niet in achteruit, en Thom Yorke gaat onverdroten verder: "They pull the cars out of the river."

De lange, kronkelige weg als metafoor voor het leven is op zich een platgetreden pad dat veel te goed bewegwijzerd is. En terwijl ik een afrit inglij richting metropool van West-Vlaamse ingenieurskunst, maak ik me de bedenking dat alles al met het leven zelf moet vergeleken zijn. Zelfs een pot appelmoes kan het hele leven omvatten, met zijn brokken en gezeefde stukken, kwaliteitslabels en ondoorgrondelijke deksels. Verbanden liggen voor het grijpen. Er komen woorden op die ik al veel te vaak gedacht heb, vertakkingen voorbij de oordelengalerij in de tuin van luwte en rust, een plek waar ik te weinig zit. Onlangs heb ik gelezen dat beslissingen maken nooit een rationeel proces is - dat het deel in het brein dat de keuze maakt al oplicht nog lang voor we de keuze bewust gemaakt hebben. En toch moet ik geloven in een vorm van discipline, al was het maar om niet toe te geven aan de luiheid en het verval van lijf en leden, maar ook dat zal vast wel deel uitmaken van die helse cyclus van determinatie. Het is diezelfde determinatie die me woest twee vrachtwagens doet inhalen en door het oranje doet rijden in de onophoudelijke regenmist.

Mensen denken niet écht in woorden. Ik schrijf omdat ik geen muziek kan maken en omdat ik een ramp ben als schilder, want uiteindelijk denken we in klank en beeld. Of hoe de geur van vochtige aarde en potgrond me doet denken aan een tijd die even mistig en flou is als het weer vandaag . Het zijn bijeengeharkte herinneringen aan kastelen bouwen uit steengruis bij de serre van mijn grootouders, mijn grootmoeder die bessensap maakte en mijn geheugen dat nog haarscherp was. Toen al trainde ik om een grootmeester te worden in het inetsen van wat mensen gezegd hadden - soms willekeurig, soms omdat ik het zelf wilde. Terwijl ik een parkeerplaats zoek en werknemers door plassen en regen spurten naar de poort van ons gezamenlijk dagverblijf, heeft de buitenaardse stem van Yorke plaatsgemaakt voor die van Kele Okereke, die zich afvraagt waar zijn thuis is. Wel, thuis is een samenplaksel van zintuiglijke, subvocale indrukken, een souterrain van suiker en vet. Het is een zwaktebod van metaforen en een plek in mijn hoofd. Het heeft een ring rond mijn ribben gelegd, en het is alles tussen wat ik zie als A en B.

vrijdag 6 augustus 2010

De zomer van Chronos

Elk uur kondig ik aan dat ik ga slapen, maar de tijd is een onverbiddelijke meester. "It's the comedy and death of your senses," zingt Chris Corner in zijn falsetstem, en hij gaat gelijk krijgen. Flessen en geesten worden geleegd. Het maakt me minder gebonden aan de zwaartekracht dan ik anders ben of wil zijn. Beelden van exploderend glas. Bloed ophoesten. De misleidende romantiek van stormachtige emoties en de noodzaak ervan. Wat is een leven zonder fouten of zonder gepassioneerd patent verkeerde meningen verdedigen? Rustig, allicht. Ik herbezoek de subtiel-kleurloze smaak van vodka en constateer dat het leven eerder spiraalvormig is dan cyclisch, variaties op gelijkaardige thema's waarvan de laatste variatie in niks meer lijkt op de vorige, zoals huiden zich vernieuwen bij reptielen of hoe een exacte replicatie nooit mogelijk is. Woorden worden anders gebouwd en samengevoegd, en zelfs als de combinaties van mensen, handelingen en plaatsen allemaal dezelfde zijn, dan nog verschilt de context. Het zijn al bij al glaciale redeneringen, omdat ik moeilijk hitte kan verdragen. Nietzsche had een hekel aan koud en vochtig weer en verkaste naar hoge, drogere gebieden. Ik kan van mijn appartement net zo goed een clandestien café maken, met die dozen werkloze jenever die ik hier nog staan heb, het soort spijtaankoop dat daarna alleen nog goed is om grappen over te maken. Er wordt wat afgelachen. Opnieuw zeg ik dat ik ga slapen, maar ik doe het niet. Mensen bezeren zich.

Ik zit op een schommel om vier uur 's ochtends, met zeelucht in de neus. Alleen op schommels had ik nooit last van hoogtevrees. De zee wordt geapprecieerd voor haar voorspelbaar constante verandering. Liever te verdrinken dan te verbranden, als ik moest kiezen. De schommel klimt, zakt, klimt achterwaarts en gaat weer vooruit. Hij zorgt voor een buiksensatie alsof het een miniatuurversie is van een pretparkattractie. Pretparken zijn tenslotte ook maar megalomane speeltuinen, en bovendien ben ik er niet graag, niet alleen omwille van al die kretende en krijsende kinderen, maar ook omdat het idee van vastgesnoerd in een voortrazende kar buitelingen te maken mijn handen doet zweten en mijn nek doet tintelen. Ziedaar de mens en zijn angsten, en hij schommelde verder. Er zit overal zand in. Het schijnt dat seks op het strand of in de duinen om die reden geen aanrader is, zeggen zij die het kunnen weten.

Als de kleine ziel in het stervensgedicht van Hadrianus, zwerf ik rond door de straten. Ik probeer op camera beelden vast te leggen die op dat ogenblik iets betekenen - een deur die half open staat, licht dat door de tralies van een leeg souterrain naar buiten komt, en een brandweerwagen die plompverloren werkloos zijn tijd afwacht onder de toren van het Belfort. Het is de jaarlijkse tiendaagse gekte en kolder die over Gent is neergedaald. De stad heeft er zelfs een aparte schepen voor. Ik ben deel van dit alles, sta er buiten en zit er middenin, net als duizenden anderen. Welke foute beslissingen worden hier genomen op deze avond? Wie zal afgevoerd worden met een ambulance of in een combi tot het inzicht komen dat openbaar dronken worden toch niet zo'n geweldig idee was? Ik kan er veroordelend over doen, of ik kan er mij met een hart vol vrede en welzijn bij neerleggen dat de gemiddelde idiotie die je ziet op de Feesten niet dodelijk is.

Er was iemand zo vriendelijk om rijst mee te nemen op de trouw. Ik weet niet of herinner me niet meer vanwaar dat gebruik komt, maar ik heb er geen band mee. Seculiere rituelen kunnen moeilijk verbergen dat ze de witte producten zijn onder de religieus georiënteerde vieringen. Wat betekent een lentefeest, buiten een koter die twaalf wordt en overladen wordt met dure cadeaus? Niet dat ik een lans breek voor een christelijke reveille, wel integendeel. Handen schudden in de luwte. Het belooft een warme dag te worden, en ik zie eruit als een natte handdoek. Het wegdeemsteren van religie heeft geenszins het aangename van het zondigen ontmoedigd, maar dat kan ook een residu zijn van als zesjarige in een kort broekje in de kerk te zitten en schrik te hebben van die bloederige Passie en verhalen over martelaren. No rules, great scotch. Er wordt met vlaggen gezwaaid, er staat een koets te wachten die getrokken wordt door een erg elegant paard. Ik heb ooit de etymologie van het woord "paard" nog geweten, maar dat zit nu ergens in een onbereikbaar archief. Het geheugen is een enorme kelder met veel ingestorte of overwoekerde zalen. Het schijnt dat alles herinneren iemand gek maakt, en op mijn beurt vind ik het ergerlijk te beseffen dat ik vaak onthou wat anderen al lang vergeten zijn, of dat ik vergeten was wat ik eigenlijk had moeten weten. Kennis houdt de illusie in stand van controle te hebben over de afloop van alles. Het bruidspaar ziet er oprecht gelukkig uit, en je kan niet anders dan blij zijn voor hen.

Het negende jaar van de eenentwintigste eeuw zal voor velen onder de mijnen geboekstaafd blijven als een jaar van dramatische wendingen en abrupte breuken. In mijn geval, ondanks zowel voorspoed als tegenslagen, een jaar van aangroei en ankerpunten. Het moet ooit komen, nietwaar? Alles heeft een prijs. Zolang ik m'n eigen ingewanden er niet voor moet uit snijden, is alles bespreekbaar. Ik probeer me in te leven in de mensen die door lijden en twijfel moeten gaan, maar advies kan ook maar zo ver gaan als het toegelaten wordt, los van het feit of het wenselijk is, en op iets slaat of niet. We kunnen elkaar misschien niet redden, maar we kunnen elkaar wel helpen om onszelf te redden. De grens tussen bemoeizucht en hulp is scherp en grillig tezelfdertijd. En wat dan met concepten als matigheid en versterving, rust en apathie, zelfvertrouwen en arrogantie? Het zijn maar woorden die ik najaag, en dus niet erg van belang. De waarheid is dat er ondanks alle kolder nog altijd veel pijn is. Geen citaat verenigt de werelden van absurde komedie en tragische waarheid als het volkse advies waar Jerry Springer z'n shows mee beëindigde: "Take good care yourselves, and each other."

donderdag 29 juli 2010

Anton in Chicago - dag 5 en 6

Dit is het laatste deel van mijn reisverslag over Chicago. Het eerste deel staat hier en het tweede deel vind je hier.

Een echte dame

De nacht brengt dromen over een vuurrode, gestolen Ferrari 250LM die er gek genoeg veel te klein uit ziet. Freudiaanse analyses hiervan laat ik best over aan anderen, maar het staat vast dat ik uit die droom word gewekt door Boris die met de subtiliteit van een neushoorn door de woonkamer rondstampt en zijn ochtendrituelen afwerkt. Buiten nicotine verlang ik niet naar een ontbijt. De melancholie die me gisterenavond was overvallen, lost langzaam op als ik op weg ben naar het Field Museum, de vorstin van drie musea die zich aan de waterkant van Chicago bevinden.

Ik ben onderhand gewoon aan het lawaai en de schreeuwerigheid in Amerikaanse musea. Ik vervolg in de verkeerde richting een tentoonstelling over de slavenhandel, die er vooral op gericht lijkt de eigenwaarde van Afro-Amerikanen op te vijzelen, en blanke vooroordelen over een zogezegd cultuurloos Afrika van tafel te vegen. Het komt nogal opgeklopt over. In een nagebouwde Egyptische mastaba kunnen kinderen op allerlei knoppen drukken die niks doen. Een springerig klein meisje draagt er een t-shirt met "little miss bitch" er op. Ik weet niet goed waarom ik dat triest vind. Minder triest word ik dan weer van een geanimeerde ruimte met bewegende dinosaurussen, die de bezoekers met vervaarlijk brullen en hoofdbewegingen achtervolgen. Er loopt ook een dikkerd rond die wat lijkt op Dennis Nedry, de onfortuinlijk opgegeten verrader in "Jurassic Park". Omdat ik, infantiel als ik ben, dat grappig vind, neem ik stiekem twee foto`s van de man.

Hoewel ik een ticket heb voor een 3D-voorstelling die draait rond de tyrannosaurus Sue, besluit ik uiteindelijk om me te gaan vergapen aan skeletten van echte dinosaurussen, en ook een bezoek te brengen aan een tentoonstelling rond mammoeten en mastodonten. Ik was vergeten hoe indrukwekkend die beesten moeten geweest zijn. In gedachten sta ik ook verzonken voor een nagemaakte, gigantische holenbeer die op z`n achterpoten iets onder de vier meter meet. Eén klauw tegen mijn hoofd en ik ben er geweest. Ze hadden het niet altijd onder de markt, de oermensen. Daarna volgt er een wat saaie excursie langs planten en stenen, en een wervelende trip door de evolutie van het leven op aarde, met alle spectaculaire rampen vandien, waar logischerwijze nog een indrukwekkend waarschuwingsexposé na komt over de opwarming van de aarde. Het maakt me zowel triest als cynisch. Op het einde kan elke bezoeker op papiertjes zelf ideeën schrijven om de klimaatverandering aan te pakken. Bij het zien van het enthousiasme van de kinderen aan dat bord, vergaat me de zin om ergens "kill four billion people" op te schrijven. Ook cynisme heeft zijn grenzen.

Een ijsje later hebben Boris en Reia me vervoegd in het Museum of Contemporary Art. Het is ongeveer wat een mens van zo`n plaats verwacht. Veel zaken waar je tandenknarsend van moet zeggen dat het "interessant" is, een zeldzame parel of geniale trouvaille, en veel betwistbaar materiaal. Een willekeurige ingeving doet me onthouden dat de schaduw van elk genie in principe een enorme idioot moet zijn. Omdat het museum door art fags als ikzelf bezocht wordt, zie ik hier na meer dan vier dagen ook de eerste vrouwen die ik echt aantrekkelijk vind. Bij het eten vraagt Reia naar m`n indruk van Amerika. Een complexe vraag, waarvan het antwoord al snel leidt tot een discussie over integratiepolitiek en clichés over nationaliteiten. En het feit dat de steak op m`n bord van obsceen gigantische proporties is. De garçon vindt me duidelijk een grappige buitenlander, en ik hem ook. Hij heeft enorm zware wenkbrauwen.

Mijn tijd is hier bijna leeggelopen. Naar de vliegreis kijk ik niet uit, en opnieuw komt dat rare gevoel aanwaaien dat ik, net als gelijk welke plaats die ik ooit achterlaat, in Chicago ook een stuk van mezelf ga achterlaten, hoe metafysisch klein en ingebeeld dat ook is. Voor conclusies is het nog veel te vroeg, zo kort na een eerste date en lunch met de stad, maar tegen een terugkeer zou ik allicht geen nee zeggen. Sowieso zeg je tegen een echte dame nooit nee.

Oud en jong

De laatste dag, zo zeg ik herhaaldelijk tegen Boris, zal een ingekorte dag worden, want op het vliegtuig zal ik vrolijk door tijdszones heen stormen en uiteindelijk pas om acht uur 's ochtends terug de vertrouwde lijfgeur van het vaderland kunnen opsnuiven. Niets zal minder waar blijken, want enkele hazenslaapjes niet te na gesproken, blijf ik constant wakker.

Een zwarte taxichauffeur van tegen de zeventig brengt me naar O'Hare International. Hij heeft iets geruststellends, iets grootvaderlijks. Hij is erg geïnteresseerd in met wat voor auto's we in Europa rond rijden, en maakt er zich vrolijk over als ik hem vertel dat mijn eigen auto een vijfdeurs is die nog kleiner is dan de kleinste vijfdeurs die we tegenkomen onderweg. Hij vraagt ook naar mijn mening over de economie nadat ik hem vertel dat ik in de marketing zit. In 1967 kwam hij naar Chicago vanuit het Diepe Zuiden, een verhaal dat in één zin tal van implicaties met zich meedraagt, maar die blijven in het midden.

De luchthaven en het vliegtuig zijn de gebruikelijke malaise. Ik zit ingesnoerd tussen niet minder dan drie krijsende baby's, en eens te meer stel ik vast hoe laag mijn tolerantiedrempel is jegens die randmenselijke wezens, en vooral ook hun ouders. Ik dood de tijd door een gesprek aan de knopen met Sarah, die in België een oude uitwisselingsvriendin komt opzoeken. Het is haar eerste keer naar Europa. Als ze me op een gegeven ogenblik vertelt over de film "Taken", slaag ik er bijna in haar wijs te maken dat jonge buitenlandse vrouwen ontvoeren en in de prostitutie dwingen typisch Europees is, en niet iets waar wij over vinden dat je je druk in hoeft te maken. Het is een lief meisje. Ze zal in België onmiddellijk opvallen als Amerikaanse, echter.

Ook de buur aan de andere kant mengt zich in het gesprek - een oudere vrouw die al jaren met haar Grieks-Australische man in Amerika woont, maar nu terugkeert naar België omdat haar vader op sterven ligt. Zelf is ze afkomstig van Eupen, en spreekt ze vlot zes talen. Er vliegt wat Belgische coleur locale over en weer in Frans, Nederlands en Duits. Sarah vindt het verbluffend. En passant krijg ik te horen dat ik een erg mooie Duitse uitspraak heb. Ik erger me aan de vliegtuig-tv, die enorm domme films toont en twee afleveringen van een sitcom met Tina Fey, en ik zit te prutsen met de vliegtuigmaaltijden en de stoelbediening.

Na een erg frustrerend uur wachten op de bagage in Zaventem word ik delirisch van de eerste sigaret die ik rook in meer dan tien uur tijd, maar het kan ook aan de uitlaatgassen van tientallen taxi's of mijn eigen diepste vermoeidheid liggen. Maar wat telt is dat ik haast thuis ben. Anderhalf uur later ben ik ook daadwerkelijk thuis. Het eerste levende wezen dat me begroet is Odin, die onmiddellijk om eten vraagt. De goden zijn onverbiddellijk. Diezelfde onverbiddellijke god komt me daarna echter ijverig kopjes geven en wil onvermoeibaar op m'n schoot springen, terwijl hij me aankijkt met zijn grote, amberkleurige ogen. Ik heb je ook gemist, kleine aap.

Anton in Chicago - dag 3 en 4

Het eerste deel van mijn reisverslag vind je hier.

Toekomstige archeologen en playboys

Mijn woorden over de opvallende afwezigheid van rokers in Chicago waren nog niet helemaal koud, of ik zag al een paar verloren leden van het genootschap des doods in de stad. Of het nu in Gent, Londen of Chicago is, sinds het terechte stigma dat rust op roken, zijn rokers een soort geheime bondgenoten van elkaar geworden. Ik merk het in de blik van verstandhouding die we uitwisselen - wir lieben das hedonistische Leben zum Tode. Wie hier een sigaret van me vraagt, krijgt er ook doorgaans een. Ik verspreid dood en geloof. Buiten de valse romantiek van de nicotinestok is me hier nog iets anders opgevallen. De universiteitsbuurt, waar Boris en Reia wonen, is een overwegend blanke enclave in een zwarte buurt, waardoor ik op straat mensen van allerlei origine de revue zie passeren. De blanken herken je zelfs blind aan hun typisch blanke gedrag. Ze zien me staan, erkennen mijn aanwezigheid maar zeggen niets. De Aziaten kijken actief weg en gaan zelfs in een boog om me heen. De zwarten, vooral de ouderen, zijn het vriendelijkst en zeggen regelmatig hallo of vragen me wat voor raar merk sigaretten ik rook.

Boris leidt me rond langs de universiteitsgebouwen. Ik kom te weten dat brutalisme blijkbaar een kortstondige architecturale stroming was in de jaren `60, en onder meer de hoofdbibliotheek van de universiteit heeft gebaard. Het is een betonnen monster dat niet had misstaan in de hoogdagen van de Sovjetunie onder Stalin. De andere gebouwen zijn mooier. Het zijn allemaal neogotische replica`s van Engelse universiteitsgebouwen, overwoekerd met mos en omgeven door tuintjes, paden en gras. Ze zijn eigenlijk iets te goed nagebouwd, waardoor zelfs een gerenommeerde instelling als de universiteit een subtiel Disneyland-aura heeft. De Hutchins-toren, zo informeert Boris me, staat ook in Oxford, en ook in Princeton. Wat moeten archeologen uit de toekomst daar van denken?

Het is een zachte, erg aangename dag. We verblijven nog even in de lokale kerk, de Rockefeller Chapel, wat een bedrieglijke naam is, want het ding is een kleine kathedraal. Het is een beetje zoals de eerste koffie die ik hier bestelde, die slechts "medium" was in naam, maar in de praktijk een emmer vol zwart goud was. Daarom vraag ik die avond bij de lokale Ribs `n Bibs behoedzaam slechts naar een kwart van een kip. Het etablissement baadt in een sfeer van vet. De muren zijn getooid met foto`s van allerlei zwarte beroemdheden uit Chicago - zangers, muzikanten, acteurs en de ononotkombare Barack Obama. De uitbater en de klanten zijn ook bijna allemaal zwart, maar Boris maakt een kanttekening bij het vertoon van Black Pride door te zeggen dat de eigenaar en oprichter eigenlijk een Jood was. Sommige humor schrijft zichzelf. Mijn kwart kip gaat gebukt onder een laag barbecuesaus, die genadeloos doorsijpelt naar een broodje, en zich daar onherstelbaar vermengt met de papieren onderlegger. Ik voel me schuldig dat ik het opeet.

In de avond gaat de bus- en tramrit richting Wicker Park, de uitgaansbuurt van de stad. Het is zondag, dus erg druk is het er niet. Ik was op voorhand gewaarschuwd voor hipsters, en men heeft niet gelogen. Waar we zitten, bespeur ik enkele ironische nekmatjes, veel tatoeages, broeken met futuro-retro-prints en kledingstijlen waar zo lang over nagedacht lijkt dat ik me afvraag of ik beland ben in een 21ste-eeuwse hervertelling van een boek van Oscar Wilde. Men is luid. Men is eigenlijk overal luid, hier. Daartegenover staat dat Reia vond dat Belgen zo stil waren dat het voor haar leek alsof het land in een permanente staat van rouw en bezinning verkeerde. Best dat ze niet in Finland geweest is, dan. Er is best wat te zien in het circus dat Wicker Park is. Tussen het verkeer door schiet een halfnaakte jongeman heen en weer op z`n fiets, kunstjes uitvoerend ter vermaak van zijn vrienden en de dood. Op een bepaald ogenblik komt er ook een oude playboy aan gereden op een Vespa. Hij draagt een roze kostuumvest. Extatisch werpen meisjes die makkelijk zijn dochters hadden kunnen zijn, zich om zijn hals. Na een regen van zeepbellen, die door iedereen met evenveel kinderlijk enthousiasme ontvangen worden, is het tijd voor een taxi naar huis. En een groot glas water om de alcohol mee door te spoelen.

Koning en hofnar

Het is een moeizame nacht met veel tussentijds wakkerworden en dromen over kortgerokte blondines. In de ochtend is het enige residu van de vorige dag echter geen Amerikaanse die onverhoopt in de zetel waar ik logeer beland is, maar mijn vingers die ondanks uitvoerige wasbeurten nog steeds naar de ronduit vileine barbecuesaus van de Ribs `n Bibs ruiken. Voorts begint de dag traag. Ik lees "The Yiddish policemen`s union" uit en constateer dat het een geweldig boek is, en sla een praatje met een Mexicaanse student fysica die gespecialiseerd blijkt te zijn in gecondenseerde materie. Als schrijver zou ik misschien ook kunnen zeggen dat ik dat ben, maar dat klinkt hopeloos pompeus, dus houden we het maar op een babbel over het slecht geisoleerde gebouw en hoe men quantumeffecten in het dagelijkse leven nooit voelt. En maar best.

Ik loop enkele uren later alleen rond te lummelen in het centrum, op jacht naar leuke foto`s. Weer enkele stoicijnse bedelaars, en een raaskallende gek die iedereen toeschreeuwt dat alleen de Heer ons kan verlossen. Maar de eerste foto`s neem ik in Macy`s. Aan de buitenkant is het naar Amerikaanse normen een vrij bescheiden gebouw, maar binnenin is het een paleis waar de gemiddelde metroseksueel zou schokken van orgiastisch genot. Elf verdiepen hoog kleren, keukengerei, lederwaren, bedden, ondergoed en fruitpersen. De gangpaden zijn breed uitgemeten en in marmer. Gouden pilaren, scherp gekostumeerd personeel. De klant moet zich hier duidelijk een keizer voelen, maar door de ontzagwekkende, labyrintische verdwaalkracht van het hele gebouw voel ik me eerder een onnozel soort hofnar. Hetzelfde geldt voor de vele andere klanten, in rare Hawaii-hemden of roze shorts, of met spastisch zigzaggende kinderen.

Na lang aarzelen besluit ik in McDonald`s te gaan eten, al was het maar omdat ik mezelf voorhou dat dit bij mijn Amerikaanse ervaring hoort. Er is weinig aan. Het interieur is wat protseriger dan bij ons, maar voor de rest is het er even zielig als in gelijk welke andere McDo. Het aantal dikzakken valt er nog vrij goed mee. Dat is anders als ik in een stripwinkel binnen kom gewaaid. Comic Book Guy uit de Simpsons heeft duidelijk zijn zonen uitgezonden. Eén exemplaar trekt vooral de aandacht - met een nasale stem, paars hemd en opzichtige knalpaarse das klaagt hij over een aantal missende exemplaren uit zijn collectie. Er huist onontkombaar ook een gigantische dork in mij, maar in niets voel ik me verwant met het soort man dat na zijn 25 nog in de kelder van zijn moeder woont. Vlak voor ik buiten ga, moet ik lachen met een licht verwilderde, oudere zwarte vrouw die binnenkomt en zich luidop, met een zwaar Afro-Amerikaans accent, afvraagt: "So what exactly is so special about this place?"

Eens terug bij Boris en Reia, zit ik in een speciaal soort schemer. Ik zit over de terminator van mijn reis, maar begin me op onverklaarbare wijze al in te leven in de slordige wijk op 53rd en South Dorchester. Geen haar op mijn hoofd dat er ooit zou willen wonen, maar ik betrap me op een te grote nieuwsgierigheid naar wat er gebeurt achter al die gesloten deuren. Waarom staat hier bijvoorbeeld soms een enorm lage, brede oude Buick met roestvlekken? Wat hadden een kalende oude blanke en een hippe jonge zwarte te bespreken op de patio van de eerstgenoemde? Hoe komt het dat ik iedereen in het centrum pret zag hebben bij een fontein, maar het enige dat me echt bijbleef, het beeld was van een zwaarlijvige jongen van een jaar of zeven? Dat is de natuur van gedachten in een stad - ze schieten en stuiteren alle kanten uit, over het hele dambordpatroon. Ze zijn te ijl en te klein om een wereldstad in zijn totaliteit te omvatten, en mogelijk is het ook slechts mijn eigen zucht die ik slechts duizend keer hoor als echo, omdat het het enige is waar in mijn oren nu plaats voor is.

Anton in Chicago - dag 1 en 2

Dit is het eerste deel van mijn reisverslag over Chicago, de Windy City, de Second City, en de stad die beroemd is vanwege Barack Obama, house en de oudste wolkenkrabbers van de Verenigde Staten.

You go, little buddy

Twee dingen blijven me bij die ik nooit gedacht had - mijn lagen menselijkheid en mededogen smelten weg in de intense hitte en het knooppunt van kafkaesk dralen en nervositeit dat een luchthaven is, en ik heb na een halve dag Chicago al een gevoel van heimwee naar mijn eigen bed. Ik leef in een vals tijdsbesef door meer dan acht uur een dag aangelengd te hebben die zich uitgestrekt heeft van de warme adem van nachtelijke vriendschap in de Gentse Feesten over de wijdgestrekte armen van een Boeing 767 tot hier in het gezelschap van Boris en Reia in het gesmolten Chicago. Ik ben nog niet in de binnenstad geweest. Het dichtste dat ik er bij kwam was via een hallucinante taxirit in de levitating car van een Nigeriaanse chauffeur die er een hobby van maakte twee rijvakken tegelijk te bezetten.

Het is heet in Chicago. Het is een continentale maar uitzonderlijk vochtige hitte die alle vitaliteit uit me drukt, overdressed en noordelijk als ik ben. Na het eten breekt er een plotse, nietsontziende storm los. We staan buiten aan Medici`s, een lokale bistro waar veel studenten en academici komen. En veel dikke mensen. Het is zo`n godsgruwelijk cliché dat er veel dikkerds rondwaggelen over de Amerikaanse straten, maar het is gewoon waar. Naast ons in de regen staat een enthousiaste dikke man uit Arizona, en daarnet zat er naast ons aan tafel een enorm lijvige man uitvoerig een betoog af te steken over hoe elke mens een bepaald getallensymbool is. Het is te verleidelijk om niet over dat onderwerp na te denken en in diezelfde man het hulpeloos liggende, afgeronde symbool te zien voor oneindigheid. Het eten was copieus. Ik heb nog maar nauwelijks de stad geproefd, en toch voel ik al al die vingers naar me wijzen: gij zult eten. Op de t-shirts van het personeel van Medici's staat trouwens op de achterkant vol trots te lezen: "Barack Obama ate here!" De hele buurt rond Hyde Park en South Side is vervuld van Obama-parafernalia. Dat hij één van hen is, dat zullen we geweten hebben.

In de wijk waar ik logeer, staat er een kerk te koop. Ook dat is zo fantastisch obsceen voor de poseuristische Europese ziel, dat ik het moet fotograferen. Even later geef ik een sigaret aan een jongen die er een vraagt, en ik herinner hem eraan dat het Franse sigaretten zijn. Waarom zeg ik dat? Ik weet het helemaal niet, en het is ook te warm om na te denken over het binnenstebuitenkeren van identiteiten, de jassen en hemden die gedragscodes worden, of de verschillen tussen bedoelen en zeggen of begrijpen en interpreteren. In plaats daarvan, terwijl ik zelf mijn laatste sigaret van de dag rook, hurk ik neer om een erg groot, lelijk insect van dichterbij te bekijken. De glanzende geleedpotige vervolgt dapper zijn route naar de nabijgelegen struiken, en plots voel ik me met hem en zijn zes kleine pootjes een intense verbondenheid. "You go, little buddy," fluister ik hem toe. Dat hij zijn kleine insectendromen najaagt. Dat hij veilig thuiskomt.

The Dude abides

`s Nachts onweert het, en dat onweer is meer dan welkom. Niet dat het iets verandert aan de volgende dag, die nog steeds even heet is als die ervoor. De voormiddag staat in het teken van boeken. Powell`s lijkt aan de buitenkant klein, maar herbergt als in een sprookje een ongekende weelde aan boeken. De rekken, de schappen, de planken en de nokken van de kamers - overal boeken. Oud, recent, hip en stoffig staan kriskras door elkaar, losweg gerangschikt op thema. Ik overweeg om er cadeaus in te slaan voor hen die ik moest achterlaten in het favoriete tochtgat van de Noordzee, maar bedenk me dan dat de compactheid van mijn bagagetas zulks niet toelaat, dus wordt het een enkelvoudig exemplaar van "The Yiddish policemen`s union" van Michael Chabon, een boek dat ik al lang wilde lezen. Boris zwerft rond door de winkel als een kind door een speelgoedwinkel terwijl ik al buiten ga zitten in de overweldigende hitte. Iedereen behalve ik en een erg oude schuifelende man op krukken draagt een short. Slechte rap schalt door de open vensters van rode pick-up trucks.

In de namiddag bezoeken we het centrum. Op de bus bedelt een van een slecht gebit voorziene vrouw om geld, en praat ze op een overdreven vrolijke manier in zichzelf. Het helpt dat er airco is. De stedelingen hier verdragen de warmte gelijkmoedig, door vooral geen onnodige bewegingen te maken en als troepen grote donkere katten in de schaduw te luieren waar dat mogelijk is. Zelfs de bedelaars zijn niet agressief. "A little money for the homeless" is een vaak gehoorde, zacht gemurmelde uitspraak, alsof alle daklozen dat geld `s avonds netjes op hun gezamenlijke bankrekening gaan storten.

Het Art Institute of Chicago is een bijzonder imposante kunsttempel. De voettocht gaat langs Indische godheden met enorme borsten, alwetend glimlachende Boeddha`s tot modernere schilderkunst. Mijn ergernis met de onbeleefde luidheid van de meeste bezoekers (zoveelste cliché over Amerikanen bevestigd) weegt niet op tegen de rijkdom aan kunst die hier tentoongesteld is. Sommige werken zijn puur gedestilleerde woede of in een moment betrapt oergeweld, terwijl anderen door hun koele kleuren of koude vormen een Arctisch landschap oproepen vol afstand en welkome leegte. Er is Hopper en er is de geliefde Brancusi. Ook verschillende Picasso`s en een trein Duitse expressionisten. Interessant ook is een videovoorstelling van twee flatgebouwen in sneeuw en regen, met onbegrijpelijke lichtpatronen in de vensters. Niemand lijkt er echt iets van te begrijpen, maar iedereen is onder de indruk. In de binnentuin rook ik een sigaret. Sinds mijn aankomst heb ik hier nog niemand zien roken.

Autowrakken en stukken beton liggen door elkaar op straat. Er zijn veel kijklustigen, politiebelinting en drukdoende bepantserde agenten in auto`s en met zonnebrillen die iedereen uit films kent. Pas na een tijdje hebben we door dat het om een filmopname gaat. Intussen vermoed ik dat ik de bleekste man ben in heel Chicago, de ene drugsverslaafde in afgewassen jeans niet te na gesproken. Bovendien valt me ook op dat er in het centrum, tussen de oude en nieuwe wolkenkrabbers door, veel knappe vrouwen rondlopen, maar dat ze er allemaal zo onpersoonlijk uitzien, Alle shorts hebben dezelfde lengte, hoe kort ze ook zijn. Of ik ben scheel beginnen kijken van de immense warmte.

Naar een Walgreens om water. Officieel verkoopt men daar gezondheidsproducten, maar er zijn ook rijen chips en ander onkies eten. Je moet eerst door een lange reeks verleidingen om dan pas terug te kunnen denken aan je gezondheid, Opnieuw dat gebod: gij zult eten. De getatoeeerde kassierster maakt een opmerking over mijn t-shirt met the Dude, Jeffrey Lebowski, erop. "Awesome movie," zegt ze. Ik kan niks geestigs bedenken omdat mijn brein een pan pruttelende popcorn geworden is. Later op de dag nog wijst een agent vanuit zijn auto naar mijn t-shirt en steekt hij z`n duim omhoog. The Dude abides, ook in Chicago bij 37 graden.

Boris en ik belanden uiteindelijk in de lounge- en cocktailbar van de John Hancocktower - niet zo toeristisch, noch zo hoog als de Sears, maar ik heb me laten vertellen dat het uitzicht beter is. Terwijl ik nip van de slechtste caipirinha die ik in tijden gedronken heb, en er op mijn bord drie mini-cheeseburgers met wat chips liggen (waar hàlen ze het) moet ik inderdaad bevestigen dat het uitzicht vorstelijk is, Chicago krult zich kilometerslang, in alle hoogtes en laagtes, met penisvormige gebouwen en flatgebouwen met dakzwembad, langs de oever van Lake Michigan. Het is nog te vroeg voor een toost op de stad, echter. We kennen elkaar maar nog maar twee dagen, en alsof ik op een feestje ben waar ik niet helemaal was uitgenodigd, durf ik haar nu nog niet ten dans vragen.

zondag 20 juni 2010

West, noordwest

Het regent veel, vandaag. Soms zijn het warme druppels die nog individuele spatten maken op het trottoir, dan weer zijn het ruisende vlagen die eigenlijk niks meer brengen dan rust, alsof de wolkenpakken boven de hoge daken zelf besloten hebben aan te manen tot stilte. Het is goed zo. Er zijn intussen landen waar ik niet meer naar terugkan. Ik heb er zelf prikkeldraad rond geplaatst. Ik denk daaraan terwijl ik voor mijn venster zit alsof het een reuzengroot tv-scherm is, of een aquarium, en met de gloed van een kop koffie rond mijn rechterhand.

Ik kijk toe hoe de zon zich verplaatst van west naar noordwest, net buiten mijn gezichtsveld. Naast me ligt een opengeslagen boek vol brieven waarin De Wispelaere de poëtische en andere waarheden van voorbije relaties probeert te achterhalen terwijl zich al een nieuwe opdringt. En hij geeft toe dat schrijvers moeten liegen omdat ze de waarheid per definitie toch nooit gestalte kunnen geven. Er is een verschil tussen waarheid en waarachtigheid, denk ik dan. Tussen excentriciteit en authenticiteit. The truth lies somewhere halfway between a lie and a fiction, zegt de omineuze basstem van The Spaceape. Ik leun vooruit en zie een sliert auto's voorbijrijden, stoppen, verderrijden. Nu en dan wordt er plaatsgemaakt voor politiewagens of ambulances. De Gentse binnenring is een roulette met duizenden balletjes.

Mijn koffie wordt kouder. Ik beklaag me de beslissing niet om hem te maken, want er zijn al genoeg beslissingen waar ik me zorgen over zou kunnen maken. Elke dag is er één tot de nok toe gevuld met keuzes, omdat we die vrijheden nu eenmaal hebben, ook al is het de vrijheid om niet te kiezen, om de wereld de rug toe te keren en alle verlangens te begraven. Het regent opnieuw. En geen keuzes maken, hoe doe je dat precies? Ook dat moet gebeuren bij herhaling, en je wint er niets mee. Mijn omgeving atrofieert - vrienden in mijn baan verdrinken hun verdriet, sommigen worstelen met de vloek van hun spiegelbeeld, anderen zitten doelloos als Nescio. Niet dat er geen wrede poëzie in schuilt. Maar soms lijkt het Nein zum Leben een aanvaardbare uitgang. Dan mogen ze van mij nu, voor mijn venster en met uitzicht op het Citadelpark, een koffiedrinkend standbeeld maken. Het is zelfs niet eens erg dat mijn boek niet uit is.

Ik stop met pogingen te ondernemen om het verleden te verkleden. De man die ik drie jaar terug was, kon voor hetzelfde geld iemand anders geweest zijn. Alleen papierwerk bewijst het tegendeel. En wie ik vorig jaar was, is eigenlijk ook niet van tel. Je herinnert je een golf ook niet van toen hij nog een schuimkop op de open zee was. Je denkt aan een golf zoals die versteend stond in een eeuwigdurend nu, voor hij over het strand rolde. Elke herinnering is import, is knip-en-plakwerk. Het is de favoriete methode om stommiteiten te rechtvaardigen of te kaderen, hoewel de feiten op zich wars zijn van interpretatie (wat ook een interpretatie is). Ik leun achterover. Het nu is een noodzaak. De toekomst is een snel stuiterende bal over de Gentse binnenringroulette.

dinsdag 1 juni 2010

Zonnewijzer

Het zijn van die dagen. Lang, uitgestrekt, fragmentarisch, gelaagd in stroken en punten en lijnen. Het gevoel van de ochtend en de zon zien priemen onder de kieren van een rolluik en de avonden die onverwachts hun troebele inkt in de hemel doen oplossen als in een traag gemaakt impressionistisch schilderij. Het zijn van die dagen van boete en extase, weinig eten en drinken met uitgerokken stembanden. Dagen waar een man van weet dat hij sterker is dan hij denkt. Ik zie mensen. Elke dag wisselen ze van positie, naam en uitspraak als in een oude kaleidoscoop, waar met elke vingerbeweging weer andere gedachten en gevoelens in hun eigen cirkel draaien. Het zijn dagen waarin gefeest wordt omdat ik jaren terug ter wereld ben gekomen, krijsend en onbeholpen, op een bijzonder hete voorzomerdag. Zo heet als een zon in augustus en zo nat als een wolkbreuk. Ik laat het lijden voor een keer voor me uit stromen door de bekasseide straten van de stad. Ik hou van het geluid dat de zware voetstappen maken. Het zijn dagen die zich oplossen in vocht.

Armen die leunen op een vensterbank. Daar en daar zitten anderen buiten en worden berichten uitgewisseld. Ik zuig elke indruk op. Enkele dagen geleden zat ik in het duister, afgeschermd van daglicht, bij de laatsten die zich nog in de nacht waanden, onder discreet neon en trillende, nabije bastonen. Gisteren speelde ik kaart. Morgen is al ingehaald door gedachten aan verleden tijden. Ik plak bladen papier aan elkaar en kauw op mijn gewonde mond. Toch zijn dit geen dagen meer van lijden. Het zijn dagen waarin het leven totterdood gevierd wordt door idioten als ik, delirisch van honger om alles te beleven en daarna diep te slapen. De laatste nachten waren er geen van slaap, maar des te meer van kristalheldere dromen. Ik zat in een landhuis waar elke kamer verlicht werd door binnevallende zonnestralen met de kleuren van graan. Vrouwen brachten me koffie en kussens. Mannen droegen gedichten en drinkgelagen aan me op. Heb ik werkelijk beleefd wat in mijn dromen plaatsvond, of zijn het herinneringen aan een parallel leven van iemand anders? Ik ben pluricentrisch. En ik maak met syllaben en haperingen veel te grote woorden, ook.

Het zijn dagen dat elke mens een betekenis heeft en een gevoel in zich draagt. Twee jonge Marokkanen die somber over straat wandelen en ook niet echt een reden tot vrolijkheid hebben, alles welbeschouwd. Een kluit dronken metalfans met lelijke baarden en bleke vriendinnen. Iemand die plots liefde vindt en iemand die ze plots verliest terwijl een derde persoon ergens binnen in een café het feest van z'n leven beleeft. Overal likken de uitgestrekte vlammen van het gebogen leven aan de mensen en de gebouwen. Zon en maan. In het diepste van nachtelijk kunstlicht zit een andere dag verscholen. En overdag bleken slechts de beenderen van dromen en indrukken. Ik ben alleen met velen. Mijn huis houdt opendeurdagen. Het zijn van die dagen van vermorzelende overweldigendheid, draaiende en kerende onvoorspelbaarheid en een intens verlangen naar verlangen. Het zijn dagen van rouw en hoop.

maandag 3 mei 2010

Eindhalte

“Impossible is nothing”. Ik hou erg van die slogan. Het ademt iets enorm simpel en voor de hand liggend uit, en net door de omkering van de gebruikelijke woordvolgorde, blijft hij hangen. Hij klinkt zwaarder door. Niets, nee niets is onmogelijk. Hoogstens onwaarschijnlijk. Als je erover nadenkt, verliest die stelling aan kracht als je ze doordrenkt met cynisme en pessimisme, maar in de grond, erg diep vanbinnen, ben ik een optimist. Laten we anders even rond het haardvuur gaan zitten, terwijl ik jullie vergast op een aantal waargebeurde verhalen.

In mijn eerste middelbaar ging ik Latijn studeren, omdat dat vanzelfsprekend leek vanuit mijn achtergrond als luie leerling die op het lager goede resultaten haalde met nietsdoen. Dat zal voor veel studenten vertrouwd overkomen. In dat eerste jaar ging ik echter genadeloos onderuit, en eindigde ik in de staartgroep van de klas, een vergaarbak geblutste leerlingen die de komende jaren allemaal van school verdwenen. Ik zette door en in al mijn hubris nam ik er volgende jaren nog Grieks bij ook. En ik haalde het, hoewel iedereen dacht dat ik het nooit zou kunnen, tot mijn eigenste moeder toe.

Door m'n hele carrière aan datzelfde middelbaar had ik maar weinig vrienden. Erg goede vrienden, toegegeven, maar weinig. We waren niet het soort mensen dat gevraagd werd om wilde feestjes op te leuken of om tot diep in de nacht in een lokale feesttent mee bier te hijsen. Toch trok dat woeste, dat nukkige en exuberante in het uitgaansleven me enorm aan. "Maar jij kunt dat niet," zei iemand me ooit. Die persoon heeft later zijn woorden mogen opeten.

In mijn eerste jaar aan de universiteit ging ik gebukt onder een zware tweede zit en had ik mijn vriendenkring van toen uit elkaar zien spatten. En opnieuw die woorden: "het zal niet lukken." Toen ik verloor als kandidaat-preses bij de oprichting van Filologica: "je kans is voorbij." Het moment dat ik mijn master-na-master wilde stopzetten: "je gaat niet aan een job raken."

Natuurlijk ben ik vaak grandioos mislukt. Het zijn de mislukkingen die ons dan ook lijken te definiëren, en een deprimerend perspectief bieden op alles wat ooit fout zou kunnen gaan. Maar mislukking is ook maar een perceptie. Iedereen doet enorm zijn best om geen loser te zijn, omdat mensen vaak geluk gaan zoeken in schuiloorden en bestemmingen waar het niet te vinden is. Waarom je best blijven doen voor een studie die je geen moer interesseert? Waarom zou je intens verlangen naar vrienden als je nooit buitenkomt?

De zenmeesters zeiden: "de bestemming is de reis zelf." En wat ik ook hoop dat ze erbij vertelden, is dat je je op die reis niet mag laten tegenhouden door mensen die altijd nee zeggen. De geschiedenis heeft keer op keer hun ongelijk bewezen.

zaterdag 1 mei 2010

Drie dichtbundels online beschikbaar

De drie dichtbundels 'Epicentrum', 'Synaeresis' en 'Subductie' staan sinds januari 2014 als gratis download beschikbaar op mijn homepage.

maandag 12 april 2010

Postkaarten

Zomerse groeten uit Regensburg

Best dat we niet alles onthouden. Het geheugen is evenzeer een zegen als een vloek. Wilde schreef dat het leven een komedie is voor denkers en een tragedie voor sentimentelen, en anders zal het allicht een tragikomedie of een groteske vertoning geweest zijn met een bittere pointe, maar dat was te veel gevraagd van zijn onnozele witticisms, die doorgaans nergens op sloegen. Het geheugen is een grafkelder vol levende doden. Ze praten in hun slaap en naaien elkaar andere armen of oren aan, tot de dag dat ze verkruimelen.

Wish you were here... from Brighton with love

De laatste tijd zie ik elke dag dezelfde dode kat liggen langs de kant van de E17 - aan de binnenkant, dus dat beestje weghalen is geen prioriteit voor de onderhoudsdiensten. In tegenstelling tot andere dode dieren, ligt ze er bijzonder waardig bij, niet opengereden of al aangevreten door aaseters, alsof ze slaapt. Het zicht van zo'n dood huisdier langs de kant van de weg, met het razende, zotte verkeer dat er in onbeschrijfelijk hoge aantallen en aan hoge snelheden langs raast, dat breekt mijn hart. Het moet iets zijn dat een mens zijn hart breekt; als het niet de sla is van Kopland, of het allesverwoestende liefdesverdriet van de beeldhouwer uit Turks fruit, laat het dan iets willekeurigs zijn als een dode, gestreepte kat langs de kant van de weg.

Zeg aan ma dat ik haar mis - Frank in het zonnige Nantes

Er is godverdomme zo veel om kwaad van te worden, om me aan te ergeren en met wegdraaiende ogen eeuwig te blijven exploderen in titanische razernij, maar uiteindelijk heb ook ik maar één paar longen en één tong en één hart en kan ik dat allemaal niet verdragen, constant kwaad zijn.

Greetings from the USA!

Ik verzaak voortdurend aan mijn zelfopgelegde plichten. Ik wil me wentelen in absurd zelfmedelijden en loskomen van de lamgeslagen ironie van leven in een welvaartsmaatschappij. Er is veel te willen. De armen en handen zijn geopend, met de blik op dat oneindig verre punt. De horizon van een horizon. Ultraviolet willen zien in een regenboog. Als ik mijn ambities maar absurd genoeg maak, zal ik mezelf misschien niet kunnen verwijten dat ik ze nooit kon waarmaken omdat ze simpelweg onmogelijk waren. Maar wat met al die papieren, die plannen en creatieve tijdverdrijverij? Ergens moeten die inpassen, ook al zijn ze al lang uitgewaaid en -gewaaierd over de kamer van mijn kop.

Season's greetings :)

Zeg me dat je me graag ziet.

het eten is hier raar papa

Dit land heeft ons zwak gemaakt, denkt men. Week en wit, niet bestand tegen het minste onheil, en te zeer gewoon aan de moederborst van de staat. We hebben het alleen maar aan onszelf te danken, en dat is de waarheid. Op een morgen worden we wakker en ontdekken we tot ons afgrijzen dat het onze eigen ingewanden zijn, waar we 's nachts in zitten klauwen hebben.

Groeten aan de familie uit Nepal

Alles is adem.

Een kaartje... zomaar

Ik hou me graag schuil in grote zaken. Mijn gedachten verdwijnen in het regelmatige wieken van enorme windmolens, of gaan op als onmerkbare vlekken in het wolkendek van een gasreus. Niemand die op me hoeft te letten, ook ikzelf niet. Er is geen mens die ik daar hoef te kennen.

zondag 28 maart 2010

Drie keer voor vijf frank

De Sinksenfoor omhult met zijn stalen tentakels opnieuw het Sint-Pietersplein in Gent. Alle beborsthaarde roedels jonge mannen, inspiratieloze gezinnen en dames met in van opzichtige prints voorziene broeken in de stad zijn uit hun schuilholen gekropen. Ook dit jaar laat ik de traditie niet aan mij voorbijgaan om een zak oliebollen te kopen. Een mens zou er kopen om het woord alleen al, dat inherent grappig is. Laat het rondrollen op de tong: "oliebol". Het is één van de weinige woorden in het Nederlands die me onmiddellijk kan amuseren, net als bijvoorbeeld "ploeterbadje" of "kabouter".

Vroeger ging een algemene studentenwijsheid dat als je nog niet aan het blokken was als de foor er stond, dat je slecht bezig was en het betekende dat je al met één been in de tweede zit stond. Nog vroeger was de kermis vooral het teken dat ik weer met grootmoeder eendjes mocht gaan vissen, of rondtoeren in cirkeltjes in een miniatuurwagen of een vliegtuigje. De laatste keer dat ik dat deed, werd ik hardhandig verwijderd uit de caroussel omdat de opzichtster me te groot vond en bang was dat ik iets zou kapotmaken. Je zou er het het noodgedwongen einde van een jeugd kunnen in zien, maar daar zijn wel interessantere voorvallen voor te bedenken.

Wat me nu vooral fascineert aan zo'n foor of kermis, is dat het toch volk blijft trekken. Rariteitenkabinetten en de man die zich voor vijf frank drie muilperen liet verkopen, verdwenen indertijd niet alleen omdat de publieke opinie gevoeliger werd voor het leed van gehandicapten, maar ook omdat de tv zorgde voor een onophoudelijke stroom aan freaks. Je hoefde er je huis niet meer voor uit. Nu zijn er ook megapretparken, kartingcircuits en 3D-cinema die stuk voor stuk superieur zijn aan een mottige, uitgeklapte kar met slecht getekende explosies en kometen op, maar de mensen blijven komen.

Is het nostalgie naar simpel vertier van weleer? Of is het misschien een van de laatste sociale gelegenheden waar hele wijken samenstromen zonder met wildvreemden een uur te moeten aanschuiven om in hun broek te kakken terwijl ze over de kop gaan in een roetsjbaan? Het kan ook zijn dat een kermis de enige plek geworden is waar je letterlijk een beer kan schieten voor je geliefde. Zelf zou ik graag geloven dat het is omdat de ruige macho's van nu, die er rondstruinen in merkkledij, loerend naar al wat vrouw is, het doen omdat ze stiekem wilden dat ze op eendjes konden vissen. Mij blijft het echter te doen om de oliebollen. Oliebollen para siempre.

zaterdag 13 februari 2010

Godin

Het is een koude vrijdagnacht, en Gent, de verweerde, stenen godin van zo vele generaties studenten, arbeiders, volksmenners, hoerenlopers, onnozelaars en marginalen, is ons mild gezind. Terwijl ik voel hoe mijn tong dikker wordt van de alcohol, denk ik aan verleden en toekomst. Hoe het verleden ons onterecht kneedt tot de personen die we zijn in het voor altijd voor ons uit snellende heden en hoe we dat gebruiken als excuus om nooit te hoeven veranderen (terwijl we dat constant doen), en hoe de toekomst de ideale droomplek is waarin we eindelijk die persoon in de spiegel zullen zien de we altijd al hadden willen zijn. Ik kom een dronken Rotterdammer tegen die er op staat elkaar te begroeten met een joviale vuistslag. De Overpoort loopt vol idioten, en een oude man in een grijze oliejas wandelt met zijn miniatuurhond. Ik denk aan de lege plek in mijn bed, straks, die slechts voor de helft door mij zal opgevuld worden. En het ijs op het trottoir. Het is geen avond voor schrijvers, zoveel is wel duidelijk. Taxi's zigzaggen zich een weg door het volk. De bushaltes zijn aggluttinerende klompen mens geworden - pubers die nog laat zijn blijven hangen na hun laatste les, soms nog met hun uniformen aan, of ouderen die hun longen vol rook en hun bloed vol alcohol gepompt hebben maar morgen nog op bezoek moeten bij familie (koffie, taart, thee). Het zou me kunnen of zelfs moeten deprimeren, maar het lukt niet.

In mijn vertrouwde stamcafé ademt het hout een verwelkoming uit. Er is gepraat met de barman over reusachtige flessen vodka en hoe ik daar aan zou raken. Ik herinner me dat liefde ook loslaten is, dus drink ik traag. Er wordt gesproken over het verenigingsleven. Over toenemend professionalisme, ook. En ook over S, die altijd op mijn tong ligt. Kennissen en vrienden komen en gaan in het café, dat het decor vormt van een verjaardagsfeestje voor een bevriend koppel, beiden verstokte West-Vlaamse immigranten die aan de slippen van Gent zijn blijven kleven. Wie kan hen dat ook kwalijk nemen. Het is een avond die infeite over niets gaat. De muziek die zich een weg baant dwars door de gesprekken en de rooklucht heen, heeft al vaak dienst gedaan als notenbehang voor moeilijk verstaanbare gesprekken. Ik drink nog een glas. Het is zeker niet het laatste van de avond, zo veel is wel duidelijk. En onder al dat gezwem van stemmen en meningen denk ik met het ijle verlangen van een gerateerd schrijver aan wat ik nog moet zeggen dat er toe doet op Valentijn, dat er binnenkort aankomt. Men kan wel heel wat afzeiken over het naakte winstbejag en de platgestampte clichépaden die op zo'n dag te bewandelen vallen, maar ik vind het tegelijk ook goed om op die manier na te denken over wat liefde betekent. Liefde bestaat in vele vormen.

Er is liefde in het café voor mijn geld, waarmee ik schaamteloos dronken kan worden zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. In mijn hoofd en mijn vingers is er ook de liefde voor mijn vrienden, die altijd meer zullen betekenen dan dat ze zelf zouden kunnen vermoeden. En natuurlijk is er ook de liefde voor dat meisje met haar diepdonkere ogen, die allicht niet beseft dat ik zelfs van haar hou als ze aan haar lippen aan het pulken is als ze piekert en als ze praat over haar gewicht, haar boeken, haar verleden (opnieuw dat in het nu uitmondende deltaverleden) en haar haar en potentiële toekomst. Beiden zijn aanwezig in mijn nu. Dat verleden is een soort vreemde fictie, een vermenging van spookbeelden op een filmrol met een onverstaanbare klankband, en de toekomst, zelfs al is die morgen en speelt die zich af binnen een uur of tien, is altijd omringd door nevelige vraagtekens. Wie weet eten we morgen een pita, daar waar Overpoortmarginalen de nacht ervoor nog kotsten en in zichzelf dachten dat die Turken niet te vertrouwen zijn. Wie weet hebben we slaande ruzie terwijl we drinken en zware baslijnen door boxen schallen in een obscure feestzaal. Of zullen we naast elkaar zitten, hand in hand, terwijl de zon met dodelijke precisie opkomt en we daarin een teken zullen zien zoals zo vele duizenden koppels voor ons een teken hebben gezien.

Als ik besluit de vertrouwde moederschoot van het stamcafé te verlaten, en terug de kou in zal gaan, legt Gent weer haar nauwelijks merkbare, warme mantel om mijn schouders. Het zal wel gaan, lijkt ze te zeggen. Ik hoef me geen zorgen te maken. Er is al genoeg miserie in de wereld om ook nog eens mijn simpele beslommeringen er bij te nemen. Ik heb vrienden, ik heb liefde, en ik heb een familie die om me geeft. Uiteindelijk is er weinig dat een mens zich meer kan wensen om gelukkig te zijn. Dat denk ik, terwijl ik een vers pak sigaretten koop bij een nachtwinkeluitbater die gebrekkig Nederlands spreekt. En daarbij denk ik ook dat die man al vele zompige dronkaards heeft zien passeren, waarvan velen hem nooit meer zouden kunnen herkennen als ze hem op straat zouden tegenkomen. De man doet zijn werk. De klant koopt en betaalt. Kennen wij elkaar? Dat niet, nee. Elke stap brengt me dichter bij mijn bed. Nog steeds ligt daar een lege plek te wachten op mij, zacht en uitnodigend. Maar zij is er niet. Ik zal er haar bij moeten denken, vervlochten met mijn ronkslapende vorm, in in elkaar overvloeiende gestalten van een koude nacht met een warme kern. Ik steek een sigaret op. Ik adem de dood in en uit, op een nonchalante manier die intussen volledig de mijne is. Mijn sleutels roteren over mijn wijsvinger. De gedachten aan gisteren en morgen en al die mensen en wat ze allemaal zouden meemaken vannacht, laat ik van me af glijden. Ik weet dat ik niet ongelukkig ben, en heb berusting in wat morgen me zal voorschotelen. In de lift zing ik erg zacht en erg vals nog een lied, dat ik stiekem opdraag aan S. En niemand legt me ook maar een strobreed in de weg. Het is waarlijk een vreemde, erg gewone, kille vrijdagavond, maar daarom des te meer de moeite waard om over te berichten, omdat niemand anders het zou willen doen.

dinsdag 19 januari 2010

Sign o' the times

De Sumeriërs zijn het oudste bekende volk dat kon schrijven. Naar verluidt beklaagt een anoniem gebleven Sumeriër zich in één van die logge, in spijkerschrift opgestelde tabletten, dat de jeugd er niets van bakt. Hij beschuldigt hen van zedenverval, respectloosheid voor ouderen en algemene domheid. De schrijver was ervan overtuigd dat de wereld spoedig zou vergaan. Dat spijkerschrift nu niet bepaald even een blogtekst uit de losse pols schudden was, maar veel werk en voorbereiding vergde, toont aan dat de arme Sumeriër het best de moeite moet gevonden hebben om het op te schrijven.

Intussen zijn we zo'n zevenduizend jaar verder. De wereld bestaat nog altijd, en nog steeds is jongeren overladen met de zonden van Israel een populair tijdverdrijf. Ik zit nog niet op de derde tram en heb geen ring aan mijn vinger, maar ik voel ook al de zenuwen knetteren als een groep uitgelaten jonge honden op de trein te hard lacht, te oninteressante dingen zegt of zit te spelen met te luide mp3-spelers waar steevast te slechte muziek uit komt geschald. De jeugd is rotverwend, mondig maar zonder diepgang, seksueel losbandig maar liefdeloos, en allicht nog gewelddadig ook.

Als dat al allemaal waar is, dan hebben ze dat zeker niet alleen aan zichzelf te danken. Men wijst naar de ontzielde televisiecultuur die een eindeloze stroom voorverpakte banaliteit afvuurt op de onnozele kinderen. Of men zet een boompje op over de hyperseksuele muziekcultuur waarin alleen plaats lijkt voor de meest ge-airbrushte clichés van schoonheid en machismo. En dan die porno, en de gewelddadige games. Dat was er allemaal niet in de jaren '50. Nee, toen was het nog normaal om door een in een habijt geklede maagd van door de zestig slaag te krijgen om linkshandig te zijn. Toen was de dorpskermis, met een tent mismaakten, met DDT bespoten maaltijden en idioten die zich voor vijf frank een oplawaai lieten verkopen, nog het hoogtepunt van een jaar. In de jaren '50 wist men nog wat respect was, omdat men bang was om gestraft te worden.

Mensen die zich nog vaag herinneren of gebladerd hebben door oude foto's, zullen nu de vinger heffen en me tegenhouden nog enkele spijkers in dit tablet te staan. De autoritaire leefwereld was ook niet goed, maar zijn we nu niet te veel naar de andere kant doorgeslagen? Moeten we niet op zoek naar het compromis. Als iedereen de mentaal gehandicapte versie van Aristoteles wil uithangen door te pleiten voor een vage middenweg, dan belandt men vanzelf in het kielzog van verstokt links dat dweept met de late jaren '60. Wat een goede middenweg was dat, die hippieperiode. Men bereikte meer burgerrechten en homo's werden langzaamaan niet meer levend verbrand in het Westen, maar men maakte zich makkelijk af van de dekolonisatie door de Derde Wereld in een permanente staat van infantilisatie te houden (nog zilverpapier voor de negertjes, iemand?). En die brave hippies smoorden hun brein leeg, of besloten dan toch maar te gaan voor een rijhuis met hond en kinderen - bevrijd opgevoede jongeren die twintig jaar later met een nekmatje in Millet-jassen zouden rondlopen.

Laat me dus nog even verderspijkeren. Ik mag me graag ergeren aan slecht opgevoede etters, maar ik ben democratisch in mijn ergernis. Het klopt, klopletter ik, dat we allemaal tenonder gaan. Maar aan de overgediagnostiseerde, jeugdige jeugd die al te vroeg kan kijken naar de goorste porno, zal het niet liggen. Het zal liggen aan de mannen en vrouwen die elk twee auto's wilden, of vreemdelingen de schuld gaven van hun eigen problemen. En de generaties voordien, die systemen uitvonden om te discrimineren, te overorganiseren, om wolven in schaapsvacht te kunnen blijven en om excuses te blijven verzinnen waarom ze zelf de verantwoordelijkheden niet moesten dragen die ze met het gewicht van negenduizend ton hebben doen neerdalen op hun eigen nakomelingen. Het is niet van luide muziek dat ik bang ben. Het is van een korte hoofdknik van iemand in een veel te hoge toren, of het fervente staren van een paranoïde buurman. Nog leeft Sumer. Maar hoe lang nog?