Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 8 augustus 2013

Anton in Dublin - dag 5

Kogel in de anus

De kortste dag breekt aan. Die dag is gereserveerd voor de National Gallery, een gratis museum. De cultuurtempel zelf is indrukwekkender dan wat hij herbergt. Het hoogtepunt van de kunstverzameling zijn enkele Caravaggio’s die me met verbluffing slaan. Er hangen ook een paar Vlaamse meesters en één van de mindere Picasso’s. Sculpturen van Ierse staatsmannen. In een ruimte waar bezoekers zelf kunnen tekenen, maak ik een clowneske demon met één nephand. Freona maakt een bescheiden karakterstudie van mijn hoofd.

Op straat is het zeer druk. Er zijn vooral jonge mensen. Lucius en ik bedenken een sexy versie van Tetris met commentaarstemmen van Isaac Hayes. Het is zeer warm, wat ook weer een mooie cirkel rond maakt en doet terugdenken aan ons vertrek uit het dampende België. Bij de St. Patrick-kathedraal liggen we loom in het gras en geven we ons over aan de nutteloze, meanderende gesprekken die horen bij een laatste reisdag.

De taxi naar de luchthaven komt er sneller dan verwacht. Ik krijg een klop van de hamer. In de luchthaven zelf is het gelukkig rustig. Het meisje achter de check-inbalie ziet er dodelijk vermoeid uit, zelfs onder haar lagen fond de teint, alsof ze al haar dodenmasker draagt voor een zwaar weekend. Ik word gefouilleerd, maar men vindt niets. Niet dat er iets te vinden valt, tenzij Miss Bucharest als weerwraak voor m’n nachtelijke gesnurk een kogel in m’n anus geduwd heeft.

De Power Rangers hebben zin in goedkoop vertier en slaan roddelboekjes en tabloids in. Natasha geeft met een exemplaar van de FHM, een Engels mannenblad dat ik vroeger graag las. Ik maak er terug kennis mee met terughoudendheid. Het is ongeveer wat ik me ervan herinner: in bepaalde mate wel seksistisch, maar ook met een bredere kijk dan men zou verwachten van zo’n machobastion. Het artikel over voetbal en types mannen op het strand doet me zelfs terwijl we opstijgen, hardop lachen.

Het vliegtuig landt en triomfantelijk trompetgeschal weerklinkt. Het heeft iets zwart: “Hoera, we leven nog!” Ook nog steeds zwart is het avondlijke Charleroi. Zonder omkijken wandelen we voorbij een frietstand, allicht bedoeld om ontheemde Belgen thuis te doen voelen en hen en passant vijf euro armer te maken, maar we hebben al genoeg (mottige) frieten gezien in Dublin.

Op de terugrit kan ik wel ademen. Ik zit namelijk aan het stuur. Als in de tien kleine visjes vallen we één voor één af. Als de koffer thuis opengaat, is er niks dat nog naar vis ruikt.

Anton in Dublin - dag 4

Liefde is... de hele dag naar zijn panfluitmuziek luisteren

Natasha en Freona reserveren de vierde dag voor shopping. Voor de ingewijden in de rituelen en de gebruiken in de shoppingwereld is dat een spannend vooruitzicht, vooral omdat blijkt dat kleren in Dublin een fors stuk goedkoper zijn dan in ye olde Gent. Tiësto, Lucius en ik zijn wat aan ons lot overgelaten. Daardoor beperken we ons tot het observeren van de shoppers in de straat en te schatten hoe hoog de Dublin Spire – een enorme naald in het centrum – precies zou reiken. Ik schat ongeveer 100 meter. Het blijkt 121 meter te zijn. Mensen zijn slecht in hoogtes inschatten van iets dat meer is dan vier meter.

De dienster in een goedkope bistro is geamuseerd door Tiësto’s bestelling van twee spuitwaters voor zichzelf. Ik neem de pizza deal. Er is een bordje frieten bij. De Indische zaakvoerder neemt alles op met een benevolente blik en een glimlach. We wisselen sterke verhalen uit over het uitgangsleven te Gent. Van zware feestjes hebben we in Dublin tot nu toe niet veel gemerkt, maar we zijn dan ook niet gekomen om te feesten, bedenk ik me.

De shoppingstraat heeft ook een zeer persistente panfluitist. Hij ziet er authentiek uit. We vragen ons af wie er in godsnaam graag luistert naar panfluitmuziek. Misschien dezelfde mensen die oprecht vrolijk worden van het kaboutervoetengestamp van Ierse folk. Naast de panfluitist staat er een vrouw cd’s te verkopen. We besluiten al gauw dat het de echtgenote van de muzikant moet zijn. Niemand anders zou de hele dag lang kunnen luisteren naar panfluit. Dat is muziek die je blijft achtervolgen tot op het toilet en tot tijdens seks.

Het shoppen van de dames strekt zich tot voorbij de middag uit. Lucius en ik geven er de brui aan en gaan terug richting hostel, wat een beproeving wordt voor ons gebrek aan oriëntatievermogen. Gelukkig is Dublin niet zo moeilijk te navigeren. Het lijkt ook niet groot. Nochtans wonen er meer dan één miljoen mensen. Misschien is het het gebrek aan hoogbouw, of dat de buitenwijken zich ver buiten het centrum uitwaaieren, zoals bij sommige andere steden op de Britse Eilanden het geval is.

We passeren een café waar uitgepakt wordt met het feit dat zich er een scène in James Joyces klassieker ‘Ulysses’ afspeelt. Het is niet de eerste verwijzing naar Joyce, maar wel de meest openlijke die ik zie. Het plan om de route van Leopold Bloom af te leggen door de stad, heb ik al lang opgeborgen. Waarom zou ik ook? Het Dublin van nu lijkt vooral een samenraapsel te zijn van architecturale beslissingen van na de tijd van Joyce en zijn hoofdpersonage. Ik zou me er ook pretentieus bij voelen.

Buiten aan het hostel maak ik kennis, via Freona, met de Britse sportmannen, die blijkbaar uit Leeds afkomstig zijn. Freona heeft hen onmiddellijk de uitdrukking ‘geil wijf’ geleerd. Hun cynische humor doet me terugdenken aan al die keren dat ik zelf in Leeds was. Ik verontschuldig me voor m’n Zuid-Engelse accent (“yeah, you do sound a bit posh mate”), maar dat vegen ze al snel van tafel door te zeggen dat ze zelf niet eens goed Engels spreken. Het inferioriteitscomplex van Noord-Engeland houdt hen niet tegen van later op de avond te proberen aanpappen met een Frans en twee Zwitserse meisjes.

Ik gebruik de tijd die ik heb gewonnen door mijn ontsnapping aan het woeste shoppen om te lezen. Er overvalt me een langzaam gevoel van melancholie als ik terugdenk aan de buurt waar we zijn, en in de verte enkele mensen die voorbijschuifelen die hier hun toekomstloze leven leiden. Dublin is geen rijke stad. Wat opgeschoond, dat wel, maar zoals men in boerenfamilies het zilver koestert dat bij patriciërs als onopmerkzaam zou gelden. Met m’n ogen volg ik de gang van een sigarettenschooiend boefje. Ik stel me voor hoe de rest van zijn leven er nog zal uitzien. Lelijk is hij niet echt, maar hij ziet er gemeen uit, met harde blauwe ogen die omrand worden door te lange zwarte wenkbrauwen. Ik zou hier niet kunnen wonen.

’s Avonds is Lucius’ gloriemoment aangebroken. Hij heeft zich verzekerd van een plaatsje op een lokale stand-up comedy-avond. Dat vindt plaats in de Temple Bar-buurt, waar tussen hipsters, toeristen en uitgaansvolk ook opvallend veel daklozen rondhangen. In het zaaltje boven de pub zit de sfeer er al onmiddellijk in. De presentator van de avond is een Noord-Ier die praat als een machinegeweer, en de ene grap na de andere het publiek in vuurt. Als buitenlanders moeten we het ook ontgelden (“I know fuck all about Belgium”), vooral als blijkt dat ik niet Natasha’s vriend ben en Tiësto ook niet. Slechts één oude man in het publiek antwoordt positief op de vraag of hij z’n lief op reis zou laten gaan met zijn broer.

Het niveau van de comedians ligt opvallend hoog. Eén man met een grappig krom gezicht doet iets over spraakgebreken en polsstokspringen, en hekelt de onnozele woede van dertigers tegenover jongeren die verkeerd een Kit Kat opeten. Een andere man treitert een Welsh koppel in het publiek (“Oh, people in Ireland love the Welsh! Even though you’ve never done anything for us. You’re not even funny”). Lucius brengt het er goed vanaf. Zijn tempo ligt laag, maar zijn timing is goed. Het publiek kan vooral zijn grappen over hemzelf smaken.

We willen nadien nog wel wat rondhangen in de buurt, maar de meeste pubs zijn dicht. Ook dat is typisch Britse Eilanden, en moeilijk om aan te wennen. ’s Nachts is Dublin mooier dan we gedacht hadden. De straten liggen er proper bij. Er hangt ook niet de dreigende sfeer die sommige grote steden in het donker kenmerkt. Incidenten zijn er niet. In het hostel zetten de mannen van Leeds hun beste beentje voor bij de Zwitsersen.

Buiten – tradities moeten in ere gehouden worden – raken Tiësto en ik nog in gesprek met een innemende Duitse uit Bremen. Ze spreekt zelfs een beetje Nederlands, en zegt dat ze “het sneeuwt” de allerschattigste zin vindt die ze kent. Tiësto en ik proeven het op onze tong en kijken elkaar aan met een lege blik. Vreemd hoe banaliteiten voor anderen exotisch zijn.

Anton in Dublin - dag 3

Een zelfvoldane hond

Voor de derde dag hebben we onder leiding van Natasha, die officieus onze dirigent en gps is, een busreisje geboekt dat ons door de Wicklow Mountains zal voeren tot in Kilkenny, en dan weer terug. Kilkenny kende ik voordien alleen maar van het biermerk. De bus, die opereert onder de naam ‘Wild Rover Tours’, wat onmiddellijk die cantushit in het geheugen brengt, blijkt vol te zitten met Duitsers. Het logo op de bus toont een zeer zelfvoldaan kijkende hond. We slapen veel.

De reisgids, een stevige vrouw met een zangerige stem, geeft tekst en uitleg bij het landschap. Ze vertelt over de Great Famine in de jaren 1840, hoe mensen uit verveling kleine muurtjes begonnen te bouwen die nog altijd overal in het landschap zichtbaar zijn, en over de massale emigratie naar Amerika. We rijden ook door het gehucht Hollywood, dat zijn naam zou verleend hebben aan het wereldberoemde mekka van de filmindustrie. Ze verhouden zich een beetje zoals beide Hobokens, denk ik.

Ik heb weinig zin in de korte voettocht rond een meer en een pittoresk kerkhof dat niet misstaan had in een set van een fantasyfilm. Ik ben er ook niet op gekleed. Mijn vuil hemd wappert in de wind en de aanslag van m’n laarzen is onnodig luid als ik alleen over het houten plankenpad langs het meer slenter. Het levert me een kritische blik op van een groep vrolijke, bolvormige wandelaars.

Kilkenny is weer wat anders. Terwijl Freona gaat shoppen, bezoeken wij een kasteel. Net zoals de vikingburcht in Dublin zelf, is het omliggende park eigenlijk mooier. Binnenin is er niet erg veel te zien, buiten enkele gereconstrueerde kamers van oude edellieden, en een hoge hal met staatsieportretten van diezelfde edellieden. Ik leg het meeste van de weg alleen af, onwillekeurig tegelijk met een meisje dat er ook alleen rondwandelt, een brunette met grote nootogen die de kleur van steenkool hebben. In een lokaal restaurantje – wat heeft Ierland ontzettend veel eetgelegenheden – laat ik me een lekkere dagsoep welgevallen. De uitbaatster heeft het koddigste accent ooit. Een hint van echt Gaelic, misschien.

De busreis terug naar Dublin wordt een martelgang. De temperatuur neemt niet alleen gestaag toe, ook heeft er iemand een tape opgezet met Ierse folkrock die onophoudelijk door de bus schalt. Buitenlanders die houden van die pseudo-Keltische folkmuziek, en zeker Vlamingen, verdenk ik er altijd van dat ze van die weeïge, conservatieve mensen zijn die verlangen naar een ingebeeld dorpsleven vol gezelligheid en sentiment. Het staat maar een trapje boven de schlagermuziek. De pastorale hymnes op de groene velden van het Smaragden Eiland persen er al onze energie uit, en we zijn dan ook blij als we terug uit de bus kunnen bij de Christchurch.

’s Avonds smokkelen we drank mee naar beneden in het ruime café van het hostel. Niemand blijkt er echt om te geven. Natasha en Freona ontmoeten de eerste andere Vlamingen die we op de reis zullen tegenkomen, en het geldt als waarschuwing dat ons regiolect, dat door de andere toeristen op orengespits of verstomming onthaald wordt, niet altijd zo onverstaanbaar is als we wel geloven. Vorsicht muss sein.

Bij het roken buiten ben ik getuige van een dronken nerd die vanuit de patio van een dakappartement tegenover het hostel hele stukken dialoog uit de ‘Lord of the Rings’ naar beneden brult. Hij krijgt weerwerk van een aantal tienermeisjes beneden. De hostelgasten staan erbij en kijken ernaar. Onder de verse lading citytrippers zijn er veel Duitsers bijgekomen, en hoor ik ook hier en daar Frans. Er is ook een ploeg sportmannen bij uit Engeland, luide kerels die elkaar voortdurend zitten de pesten.

Alsof het een traditie geworden is, sluit ik de avond af bij een buitenwipper, deze keer een man die zichzelf Tarzan noemt en uit Roemenië komt. Hij blijkt nog in Brussel gewoond te hebben, maar is er niet laaiend over. De andere reisgenoten vinden hem een onvriendelijk man. Hij kijkt gelaten toe terwijl ik aangesproken word door een rondwandelende religieuze gek, die vol hangt met kettinkjes en kruisbeeldjes. Hij zegt dat het einde nabij is. Ik denk dat het einde van zijn geestelijk welzijn al lang voorbij is. Hij heet Martin, zegt hij. Erg geïnteresseerd lijkt hij niet om me te overtuigen van zijn visie. Hij is boos, maar niet op mij persoonlijk, en schreeuwt me nog toe dat ik maar beter goed ga slapen als ik terug naar binnen ga.

Anton in Dublin - dag 2

Omdat je weggegaan bent, moeder

De tweede dag wordt onmiddellijk de meest prototypisch toeristische. De rondleiding door de brouwerij van Guinness loopt volgens het plan van een geoliede machine. Het stikt er van de Chinezen, Russen en Amerikanen. Tiësto, die zelf brouwer is, is in z’n nopjes. Intussen maak ik etnografische observaties. Amerikanen lijken altijd blij om landgenoten te ontmoeten in den vreemde. Een paar kranige tantes met lange gezichten wisselen onmiddellijk wetenswaardigheden uit over hun families als ze zich bij mij in de lift wringen die helemaal tot boven gaat. De skyline van Dublin oogt pover, bedenk ik me, terwijl we weer wegzakken in de industriële porno van de brouwerij. De Amerikaanse dames verlustigen zich in observaties over kinderen en hoe ze soms lastig kunnen zijn.

Het hoogtepunt van het brouwerijbezoek is het zelf tappen van een pint Guinness. Met het bier zelf heb ik nooit veel gehad. Ik vond het altijd te vlezig, te veel een afdronk hebben van ijzer. Eens we echter alle vijf samen keurend onze zelfgetapte Guinness zitten te drinken, wordt hij vanzelf beter. We hebben er ook een certificaat bij gekregen. Jammer genoeg liet Lucius toe dat ik zijn naam doorgaf, waardoor de naam ‘Rudi Balzak’ op z’n waardepapier prijkt. Hij kan er mee lachen. Je bent stand-up comedian of je bent het niet.

Ik ben als eerste weer buiten wegens een dringend behoefte aan verse lucht en nicotine. O tempora, o contradictiones. Ik raak er aan de praat met een Amerikaanse van middelbare leeftijd uit Chicago, maar het gesprek stokt. Daardoor steek ik uit nervositeit nog een tweede sigaret op, terwijl de binnenplaats van de brouwerij zich onder de grimmige bruine bakstenen vult met Chinese toeristen. Bij het gadeslaan van de vrolijke families in parka’s uit Beijing, Shanghai, Guangzhou of Confucius weet waar, valt me ook te binnen wat ik het vreemdste vind aan Chinezen: hun gevoel voor humor. Dat komt op mij altijd over als kinderachtig en onnozel. Misschien ligt dat aan mijn gebrek aan kennis van de Chinese cultuur, die tenslotte ook al 3.000 jaar meegaat. In 1.000 voor Christus voerden Chinese koningen en krijgsheren al complexe oorlogen met geraffineerd wapentuig terwijl mijn voorouders elkaar omgekeerd aan bomen ophingen in Germaanse moerassen.

Nog een gratuite observatie: Ieren zien er vaak vermoeid uit, alsof ze allemaal al meer dan een dag aan een stuk op zijn, of zich zorgen maken over het weer dat aan de horizon loert. Van die zorgen is echter weinig te merken als we in de namiddag eten en drinken in een pub even buiten het centrum, een authentieke Ierse pub waar constant sport op staat en oude mannen hun repertoire aan vaste moppen vertellen. In een achterkamer speelt er een muzikant. De waard bekent dat hij met Freona wil trouwen terwijl zijn dochter ons bedient. Die dochter ziet eruit alsof men, als ze haar in een laken zouden rollen, spontaan een tweede lijkwade van Turijn zou achterlaten.

Dat brengt me bij een andere gedachte. Wij, continentale Europeanen en de Belgen op kop, doen graag geschokt over hoe zwaar gemaquilleerd en kortgerokt veel Britse – en Ierse – jonge vrouwen er bij lopen. Die kritiek stoort me altijd. Laat mensen doen wat ze willen. Of het mooi is, is natuurlijk een andere vraag. Op de terugweg komen we een groepje meisjes tegen van hooguit 13 met zo veel lagen make-up dat Schliemann er Troje VIIIa in had kunnen terugvinden. Het contrast, of net het samenspel, met een muurgraffiti die de patriarchale en katholieke Ierse staat laakt, kan niet perfecter zijn.

Het begint te regenen. Enkele dagen later zal een komiek de relatie van Ieren met het weer omschrijven als die van een vrouw met haar alcoholistische echtgenoot: zelfs als er goed weer aangekondigd wordt, blijven ze achterdochtig. We laten het niet aan ons hart komen en ontdekken een indoor hipstermarkt. Het personeel is Victoriaans gekleed. Kleine subwinkeltjes bieden allerlei curieus waar aan. Ik twijfel om me vintage games aan te schaffen, puur uit nostalgie. De Sega Game Gear, een hebbeding uit m’n jeugd, lonkt. Freona twijfelt om zich een luipaardjas te kopen. Uiteindelijk kopen we niets en zitten we de regen uit in een minicinema waar zonder geluid ‘The Maltese Falcon’ speelt.

De moppen van de dag draaien om slechte titels van boeken en platen. De aanleiding is een foto van Tiësto, waar hij er bij zit als een ideale schoonzoon die net z’n eerste schlagerplaat uit heeft en dames van middelbare leeftijd welwillend toelacht. Lucius merkt op dat ‘moeder’ toevoegen aan het einde van een titel altijd werkt, evenals een titel beginnen met ‘waarom’ of ‘omdat’. Op straat word ik wonderwel vaak aangekeken door Ierse vrouwen. Het moet vast het land zijn waar me dat al het vaakst overkomen is – Amerikaanse vrouwen negeerden mij straal, bijvoorbeeld. Van onze Power Rangers word ik ook het meest onverhoeds aangesproken op straat. Philip de buitenwipper zal dat ’s avonds laat flegmatiek verklaren door te zeggen dat ik er nu eenmaal Iers uitzie.

Op het hostel trekken we naar de kamer met een voorraad drank. Miss Bucharest blijft onverstoord chatten. Een andere kamergenoot, van wie we al begonnen te vermoeden dat het een crossdressende Indiër was met een voorliefde voor fluoroze bh’s, blijkt een Russisch meisje te zijn. We drinken elk ons eigen vergif en discussiëren over de grenzen van humor en sociale vooruitgang. Voor de rest lijkt het hostel zo goed als verlaten. Dat merk ik bij de laatste sigaret, als de buitenwipper binnen gaat drinken en ik daar nog een kwartier sta, en daardoor spontaan gasten de procedure moet uitleggen om binnen te raken. Niemand van het hostel lijkt het erg te vinden dat ik voor security speel. De slaap volgt, en is kort maar verkwikkend.

Anton in Dublin - dag 1

All these moments will be lost like shit in the park

Omdat het vliegtuig richting Dublin vanuit Charleroi ‘s ochtends vroeg vertrekt, zie ik geen andere keuze dan de hele nacht opblijven. Normaal kost me dat geen enkele moeite, aangezien m’n bioritme tijdens het verlof de neiging heeft om zich op een nachtspoor te leggen. Dit blijkt echter de eerste nacht te zijn waarin ik tegen twee uur ’s nachts echter al moet vechten tegen de slaap. Ik eet een vies blikje makreelfilet, maak een sterke koffie en check nog twee keer alle bagage als bezigheidstherapie tot Natasha wakkerwordt en de andere reisgenoten arriveren: de helmboswuivende Freona, Lucius en Tiësto.

De autorit wordt alvast een beproeving voor m’n wervelkolom. Een auto voor vijf personen is nooit echt een auto voor vijf personen, zeker niet als je je op de achterbank bevindt met voor je twee lopende meter stand-up comedian als Lucius. De laatste ronde punten, geheel opgetrokken volgens het Belgisch surrealisme, dat in Charleroi de vorm aanneemt van een permanente bruine vlek, zijn de lastigste, en eens in de luchthaven zelf loop ik verloren tussen de grillige corridors aan humeurige mensen en krijsende kinderen. Luchthavens: toch wel deel van de hellecirkels van het leven van de middenklasse.

Wat wel goed is aan een luchthaven, is de smakeloosheid ervan. Dat dempt een onmiddellijke cultuurschok. Naast de zeelucht en het Gaelic is er weinig dat zou doen vermoeden dat we in Ierland zijn als we lummelend wachten op een taxi. Vanuit die taxi doet Dublin vooral denken aan Noord-Engeland, waar ik vroeger zo vaak geweest ben: rode baksteen, verwilderde voortuintjes, laag hangende opschriften voor smoezelige winkels en cafés, en iedereen rijdt er links. Er zit ook vast een grap in de letterafkorting van Ierse nummerplaten (IRL) die al een miljoen keer door toeristen gemaakt is.

Het hostel is een normale Toren van Babel van allerlei talen en nationaliteiten. Vooral Engelsen, maar ook kuddes Spanjaarden. Aan de linkervleugel prijkt een grote, smalle toren, die bij nadere inspectie vroeger een verbrandingsoven blijkt geweest te zijn. Niets aan de binnenkant van het hostel herinnert daaraan. Alles ademt er architectuur anno 2002 uit, maar omdat Natasha me toch altijd verwijt dat ik ergens in de late jaren ’90 blijven hangen ben wat smaakt betreft, stoor ik me daar niet aan. Intussen zitten we een soort ontbijt te eten. Het is tien uur ’s ochtends, maar het voelt alsof we er al een hele dag op zitten hebben.

Na een rustpauze gaan we de eerste keer het centrum van Dublin in. Onderweg, in een klein park, zien we hoe een man doodgemoedereerd een drol legt op een grasveld. Correctie: hij houdt zijn hand onder zijn aars, alsof hij later nog iets van plan is met die drol. Doorlopen, doorlopen. Aan de Liffey nemen we het stadslandschap van het centrum nauwkeuriger in ons op. De verkeerslichten maken allemaal dat vreemde geluid waarmee ‘Lethal Cut’ van de Propellerheads begint. De wolken zijn van een genadig grijs. Weinig hoogbouw. Veel eilandgezichten: wat breder dan normaal, gek uitstekende oren. Ik heb het gevoel dat we vijf Power Rangers zijn die ergens geland zijn om een monster te bevechten. Misschien duikt er nog ergens een enorme Evil Paddy op die ons zal bestoken met klavertjes vier.

Het historische centrum is niet zo groot. De geroemde vikingburcht heeft een charmant parkje, maar het gebouw zelf is niet zo spannend. We zwemmen door een grote groep Italiaanse toeristen en een snelheidsduivel in een rolstoel. Daarna is het etenstijd. Ook daar maken we een mentale nota van cultuurverschil: Lucius krijgt z’n bestelde lasagne met een automatische side dish van frieten. Die frieten zijn, zoals we vermoed hadden, Engelse chips. Karbonkels van halve patatten die één keer in het frietvet gegooid zijn, en niet echt de naam friet waardig zijn. Elke keer als ik er één in m’n mond stop, krijgt er ergens een friturist in la Belgique een hartaanval.

De dubbele opschriften in Engels en Gaelic zijn enigszins verwarrend. Ik ben wel gewoon aan tweetalige bewegwijzering, maar van Gaelic kan een mens haast niets maken. Bovendien besef ik dat het een laagje nationalistisch vernis is. Niemand die Gaelic spreekt, spreekt ook geen Engels, en het is de moedertaal van nog geen 10% van de bevolking. Een voorbijgaande gedachte zegt dat Nederlands misschien ook zo had kunnen eindigen in België indien de verfransing zich overal had doorgezet als in Brussel.

Na de maaltijd slaat de vermoeidheid volledig toe, en trekken we ons terug op het hostel voor een uitgebreide dut. Daar maken we alvast kennis met één kamergenote, wier bijnaam de rest van de reis Miss Bucharest zal blijven. Ze zal het merendeel van haar tijd daar spenderen in haar bed alsof ze in een imaginaire bunker zit, haar meelgezicht slechts belicht door het schijnsel van haar smartphone, terwijl ze heelder conversaties voert met haar lief. Niemand van ons begrijpt Roemeens, maar de cadans van de klefheid is universeel in alle culturen.

Bij de koffie beneden eist een nieuw fenomeen onze aandacht op. Een groep potige Britse vrouwen van midden de 30 draagt er een zwarte jurk en een roze lint. Hen night. Waarom een hostel als afspreekpunt? Niemand die het kan zeggen. Ze kirren en trappelen rond in hun eigen bubbel, met voorpret op de in onze verbeelding klasseloze taferelen die zich later op de avond zullen afspelen (één der dames die zal kotsen zonder onderbroek aan, een andere die een kerel binnendoet zonder tanden, en de hen zelf, die in haar Paddy-kostuum en met haar opblaasbare piemel wenend in de goot zal zitten). Tegen negen uur worden de hennen afgevoerd in een brandweerwagen, plastieken piemel en al. We zien ze nooit meer terug.

We gaan nog één keer richting centrum, naar een fish & chips-keet die het reisplan ons aangeraden heeft. Die wordt uitgebaat door een man met een sterk Slavisch accent en een meisje met koele ogen. Het worden direct zowat de enige onvriendelijke Ieren die ik op de reis zal tegenkomen, want als er al één cliché klopt over het rosse volk, is het dat ze inderdaad zeer hartelijke mensen zijn. Je voelt je onmiddellijk overal welkom. Op de terugweg zijn we nog getuige van een vechtpartij tussen twee groepen zwarte jongens. Migratievraagstukken en kansarmoede zijn universeel. Het is jammer.

De eerste avond van een extreem lange dag eindigt, zoals hij begonnen was met de drolleerder in het park, op een surreële noot. Blijkbaar organiseert het hostel een soort van minidisco omdat het zaterdag is. We voelen ons lamme toeschouwers meer dan wat anders, en zitten versteend in de zetel te grijnzen naar de door elkaar wemelende Engelsen. Een paar mannen proberen indruk te maken op de weinige aanwezige vrouwen met hun poolkunsten. Freona en ik proberen de Crystal Head-vodka uit. Niet slecht.

Bij de sigaret voor het slapengaan leren Freona en ik tevens van de strenge security aan de deuren van het hostel waarom diezelfde security er überhaupt al is. Philip, een buikige kalerd met zijn handen permanent aan zijn buik vastgelijmd, legt uit dat het ruime plein, waar nu moderne flatgebouwen en winkels prijken tegenover het hostel, vroeger een rauwe buurt was. Achter het hostel liggen nog altijd sociale woonwijken, en ’s avonds loopt er soms volk op straat dat ze in het hostel liever niet over de vloer krijgen. De komende dagen zullen we ze vaak zien voorbijparaderen: graatmagere mannen in trainings, zwervers, meisjes die al een bierbuikje hebben op hun 14, en mensgeworden meeuwen die ons om sigaretten komen vragen.

Na een laatste vodka ga ik slapen, droomloos, onder het geluid van drums beneden, en de immer chattende Miss Bucharest.

vrijdag 2 augustus 2013

Vandaag, gisteren, morgen

De zomer is aan het voorbijzwemmen aan een dement tempo. Kloegen we de voorgaande jaren dat er van echt zomeren geen sprake was en dat alles weer veel te snel verdronk in eindeloze regenbuien, dan lijkt het nu alsof hogere machten besloten hebben een buitengewoon warme zomer door onze strot te rammen. Het gevolg is een trager wandelritme, ventilatoren die overuren kloppen en zweet dat overal schijnt over te parelen, van kaas tot voorhoofden.

Het is ook rustig gesteld met de literaire productie. De workshops van de geest, die anders overuren draaien, liggen er zo goed als verlaten bij. Wat valt er te berichten over deze verlofperiode? Dat de geneugten van lang opzitten en me verliezen in de donkere stegen van het internet nog altijd communicerende vaten vormen met overdag iets productief gedaan krijgen, of dat er een langzame proliferatie is van papier en kattenhaar in m'n kamer.

Ik was m'n handen en strijk nadien door m'n snorbaard - er is geen ander woord voor - als een geroutineerde Poolse truckchauffeur. De koelte van het water, waar verdacht weinig druk op zit, doet deugd. In de spiegel staart iemand me aan die overdenkt dat 2013 alweer voor meer dan de helft voorbij is. Ik had nauwelijks voornemens aan het begin van het jaar, en dat was een goede zaak. Op de achtergrond ligt m'n kat languit op de vloer van de hal, geveld door de intense warmte. Een pels hebben is niet erg praktisch in de zomer.

Naast het verdwijnen van de dwang aan voornemens en het realistischer worden van ambities, is een ander voordeel aan ouder worden dat je er geen fuck meer om geeft van mensen over je denken. Sommigen onder ons worden met die eigenschap geboren, maar het is alleszins niet iets dat in de Vlaamse volksaard zit. "Wat gaan de mensen wel niet zeggen?" Ik denk aan de gezelligaard op Tomorrowland die z'n middelvinger naar me opstak omdat ik twee keer na elkaar oogcontact gehad had met zijn vriendin. Wat gaan de mensen anders niet denken? Dat hij niet voldoende een soort alfagorilla is? Zij liever dan ik.

Als wijdbeense veroveraar, slechts gehuld in een boxer, besluit ik nog wat te lezen. Lectuur van het moment is ''t Bolleken' van Cyriel Buysse. Het overvloedige Frans dat er in voorkomt doet me denken aan zijn vriendschap met Emile Verhaeren. Verhaeren, een Franstalige Vlaming, kon alleen Buysses werk lezen in Franse vertaling. We zijn zo ver nog niet, maar de dag kan gerust komen dat er een nieuwe generatie Vlamingen opstaat die zo goed als Engelstalig is. Ik zie het steeds vaker om me heen. Conversaties die doorspekt worden met heelder zinnen Engels, mensen die geen affiniteit meer hebben met de Vlaamse cultuur, en steeds minder naarmate Vlaanderen voorbij de horizon verdwijnt van bloedworst en bloemkool.

Het dialect dat Buysse in zijn dialogen hanteert, doet sterk denken aan de moerassige taal waarin ik grootgebracht ben. Het roept herinneringen op aan grootouders en kermisvolk. Ik vouw het boekje even op m'n borst en steek een sigaret op. Misschien is het daarom, denk ik, dat ik zo hou van sciencefiction en andere literatuur waar verbeelding een centrale rol speelt: in m'n eigen taal is er alleen de verbeelding van tenenknippers in het koren en andere mensen vreselijke ziektes toewensen.

Heel ons leven lang proberen we te ontsnappen aan de gevangenis van onze jeugd. Het lukt ons toch nooit. Dat maakt deze zomer ten overvloede duidelijk, alsof er net een stapelwolk van warmte, doordrongen van melancholie, geland is in de straten van de stad. Ik zal me altijd een boerenlul voelen als ik ergens in een viersterrenhotel ben of rondjes rij in een mooie auto. De enige geslaagde ontsnappingspoging is wetenschappelijke afstand, toen ik bijvoorbeeld een eigen schrift ontwikkelde voor het dialect van de triepenvreters waarbij ik opgroeide.

Als kind wenste ik regelmatig dat ik een buitenaards wezen was op geheime missie om de mensheid te observeren. Ik vraag me af wat die alien nu in zijn rapport zou schrijven. Het zou weinig verheffend zijn. Buysse is intussen terzijde gelegd. Ik heb me neergeknield bij m'n kater, die zich laat welgevallen dat ik zijn buik streel. Binnenkort zal hij me vier dagen moeten missen, want ik ga naar de stad van James Joyce om me te vergapen aan vislucht en rosse mensen. Ook dat is een bourgeoisontsnapping, maar m'n spiegelbeeld is niet overtuigd: de enige bagage die je altijd en overal meeneemt, zijn de linten en de kettingen die zich met haken en knopen vastgemaakt hebben aan een ingebeeld verleden.