Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 22 november 2018

Een hele nacht niets dan dansen

Soms verlang ik terug naar de feestjes en fuiven waar ik naartoe ging toen ik begin 20 was, ongebonden en aan het begin van een ongelooflijk avontuur. Ik ging niet uit om meisjes te leren kennen of om dronken te worden – ik ging uit om sociaal te zijn, om te dansen, om me te kunnen overgeven aan heerlijke muziek, om samen met mijn vrienden slecht te dansen maar er geen fuck om geven omdat we toch allemaal vreemd waren. Vincent de goth-reus, Frank de robot, en ik als een rondhuppelende karate kid.

De laatste keer dat ik dat gevoel nog eens ervoer was 5 jaar geleden op Tomorrowland, toen mijn vrienden hadden samengelegd voor een duoticket voor één dag als verjaardagscadeau, wat nog altijd één van de beste verjaardagscadeaus is die ik ooit heb gekregen. Ik ging samen met het meesterbrein achter dit cadeau, mijn beste vriendin en bewaarengel Natasja.

Daar onder die tenten, in die weides, bij fluorescerende beesten en onder fakkels en lichten, op pontons waar de regen hard op kletterde, omringd door dansgraag volk van 18 tot 50, ontdekte ik het opnieuw. Die complete overgave aan muziek. Het transcendente gevoel van door iets groters opgenomen te worden, uit jezelf te stijgen, voelen dat je zeker 4 meter groot bent en een reus die alle tijdperken heeft beleefd. En dat zonder drugs.

Niet dat ik vies ben van roesmiddelen. Maar de echte roes zit in de muziek, het ritme, dat dwingende dat je doet bewegen als een derwisj in het diepste van je gedachten. Of beter: er zijn geen gedachten meer. Ze worden overrompeld door een andere, instinctieve taal die direct spreekt tot het bewustzijn. Dat is niet de hele tijd zo, maar komt met momenten, als satori in zenboeddhisme. 

Het ligt soms verscholen in een brugstuk met warme synths, soms in een keiharde regen aan 4/4-beats, soms in de drop die alle haartjes op je armen al anticiperen als een dansende hond van Pavlov. Soms ook puur in het enthousiasme van de menigte die een collectieve waanzin beleeft. Iedereen heeft er zijn of haar eigen verhalen en gevoelens, maar op dat moment verwordt het collectief tot iets groters. Ik zou zelfs zeggen: iets beters dan de som van haar delen. 

Uiteraard ben ik ook nog uit geweest op zoek naar affectie en een snuifje liefde voor de nacht, maar dat is zelden het resultaat geweest van die escapades. Mijn flirten is niet van een fysieke soort. Ik moet kunnen praten. Fysiek ben ik in mezelf gedraaid, geen lichaam dat zich graag in banen om een ander lichaam probeert te draaien (het is anders als ze al mijn vriendin of partner is). Maar met partners heb ik ook fijne herinneringen. Zoals twee jaar geleden de Gentse Feesten, de hele avond met Sofia op stap. Hoe ze me waanzinnig maakte. Hoe veel dorst ik had naar haar. Jammer dat ze er zich nadien niet veel van herinnerde.

Is muziek niet één van de vreemdste menselijke uitvindingen? Het is niet echt een praktische technologie. Je vangt er geen extra mammoet mee of je dempt er geen verlangen mee aan een autoriteitsfiguur die zegt dat alles goed komt. Net als film is muziek één van de enige uitingen van creativiteit waar elementen simultaan gebeuren in plaats van sequentieel. 

Ik zei onlangs nog tegen een andere dichter dat ik enkel maar dichter ben geworden omdat ik geen muziek kan maken of niet kan schilderen. Maar het beste gedicht zal nooit kunnen tippen aan wat muziek kan doen met dit lichaam, dit vege omhulsel van 90kg droog aan de haak.

Daarbij heb ik ook steeds een voorliefde gehad voor diepe tonen. Ik zei ooit dat ik altijd al heb verlangd naar enormiteit: woeste bergen, uitgestrekte steppes of woestijnen, of het heelal zelf. Iets waar ik me klein in kan voelen in al mijn veelvuldigheid. Een bad op reuzenmaat, als het ware. Want ik ben veel, en soms vind ik dat vervelend. Ik voel veel, ik denk veel en zowel die gedachten als gevoelens gaan meestal diep. Ik ben een levend uithangbord voor de uitspraak “niets menselijks is me vreemd.” 

Er zal nog wel ‘ns zo’n feestje komen. Zoals die keer in 2012, toen Natasja en ik samen puur uit liefde voor het feesten een fuif hadden georganiseerd die baadde in de gloed van een nachtelijk binnenzwembad door het venster. Ik had de hele tijd zo’n onnozele glimlach dat er een man was maar niet kon geloven dat ik geen drugs op zak had. 

Daarom lijkt – buiten dementie – doof worden me het ergste wat er bestaat. Point in case: ik heb een vriend die blind is, en hij is DJ en fervent muziekliefhebber. Daarbij komt dat ik door mijn DNA behept ben met een erg goed gehoor. Tot m’n 21 kon ik zelfs vleermuizen horen, of elektronische fluittonen die voor anderen onhoorbaar waren.

Weet je – ik hoop dat tegen dat ik een bejaardenhuis binnenrol of -strompel (als ik die gezegende leeftijd bereik en als de wereld niet tot een brandende vuilnisbelt wordt herleid voor die dag komt), dat ik de eerste bejaarde zal zijn die met zijn kunstheup en astmapompje op zijn kamer staat te dansen. Dansen en herdenken hoe het was met de jongens van eertijds.

Hoe ik hield van de ‘vierkante-meter-feestjes’ met Jelka (we dansten spontaan in mijn woonkamer op één tegel), hoe ik met pijn in de benen en voeten de eerste trein naar huis nam met Sasha, of gewoon hoe ik me plots voelde uitdijen en opvlammen tegelijk, sereen en mooi maar oneindig begrepen in het al. Eindelijk één. Eindelijk verbonden met de kleinste zandkorrel en het monsterlijkste sterrenstelsel.
 
Zoals Dalì ooit grapte: ik heb nooit drugs nodig gehad. Ik ben mijn eigen drug.

donderdag 1 november 2018

Lelijk

In een losse joggingbroek en met een t-shirt dat eigenlijk deel is van een pyjama stap ik uit m'n auto en ga ik de supermarkt binnen. Er heerst de typische vooravonddrukte. Deze supermarkt is gemiddeld iets duurder dan een andere supermarkt die dichterbij is, maar hij is beter ingedeeld en ik vind het kassapersoneel er iets professioneler. In de dichtere supermarkt werken onder andere een vrouw die alles wat ze zegt, roept met een accent alsof ze van de rurale rand rond Gent komt, en een mooi meisje dat zo dom als een steen is (na twee jaar weet ze nog altijd niet waar het vodkamerk dat ik altijd koop achter haar staat, hoewel de positie van die flessen al twee jaar ongewijzigd is). Ik snak vaak naar verpozing van deze wereld der vreselijkste banaliteiten. Ik verlang naar schoonheid.

Tot op zekere hoogte is schoonheid subjectief - een combinatie van culturele verwachtingspatronen en ingeëtste gedragsvormen in ons DNA. De meeste mensen zullen een weids berglandschap mooier vinden dan een beeld van een vuilnisbelt. Esthetiek kan zeer wisselend zijn per cultuur: sommige culturen vinden nekringen die vrouwelijke halzen onnatuurlijk uitrekken aantrekkelijk, voor andere culturen speelt make-up dan weer een grote rol. In sommige regio's is een wat zwaardere, weldoorvoede man aantrekkelijk als symbool van sociale status en rijkdom, elders is hij een te vermijden loser die niet genoeg zelfdiscipline heeft. In de supermarkt is de variëteit aan uiterlijkheden een gegeven. Niet alleen in de rekken en de belichting, maar ook in de klanten. En ik vind alles zo lelijk, zo veraf en toch weer te dichtbij.

In dit tijdperk, waarin bijna elke locatie op de wereld zo snel zo dichtbij kan komen, valt me inderdaad vooral de lelijkheid op van alles. Noem het overgevoelig zijn, of hoogsensitief, of snobistisch. Ik heb het niet enkel over fysieke lelijkheid van smakeloze huizen, slecht bij elkaar passende outfits of vluchtige modetrends die enkel de 1% van natuurlijk ragfijne modellen goed staan. Ik heb het daarbij ook over de innerlijke lelijkheid van zo veel mensen en de producten die deze wereld bevolken. Op de muziek in de supermarkt speelt 'One kiss' van Calvin Harris en Dua Lipa, en ik vind het een lelijk nummer, geproducet alsof het een achterafnummertje is voor een cocktailbar waar je enkel op uitnodiging komt om je te zitten vervelen met veel te dure daiquiri's. De tekst is lelijk - "I look like all you need", hoe narcistisch kan je zijn. En het stelt me teleur omdat ik andere nummers van Dua Lipa wel erg leuk vond.

De salades in plastic potjes zijn lelijk. Ik weet niet wat er allemaal in zit en misschien wil ik dat ook niet weten, gemaakt als ze zijn in fabrieken met lelijke arbeidscondities, maar niet zo lelijk als die in Bangladesh natuurlijk. Maar laten we de lat vooral niet te laag leggen. Met genoeg optimisme en voldoende roze brillen is immers iedereen buiten Hitler, Stalin en Pol Pot een kandidaat voor de Nobelprijs van de Vrede.

Lelijkheid sijpelt overal naar binnen door de muren van dit bestaan. Het rolt van de sociale media, waar het oprechte verlangen van veel mensen om goed te zijn en een verschil te maken soms lijkt uit te monden in een race naar een aureool, maar weet dat ook jouw stront stinkt. Maar erger nog zijn mensen die een pervers soort trots putten uit hun leugenachtigheid, hatelijkheid en kleinheid. Ik word er soms ziek van, hoe de ene na de andere beunhaas ergens in de media wederzijds handjobs uitwisselt met een zelfgenoegzame keure aan mediafiguren die al lang een veel te kleine bubbel bevolken met middelgrote visjes en zichzelf een walvis wanen.

Ik ben deel van die lelijkheid. Ik kies voorverpakt vlees uit, los uit gewoonte, terwijl ik beter zou moeten weten. En ik probeer m'n best te doen om al die verpletterende individuele verantwoordelijkheid toch nog op te vangen door op andere vlakken te letten op wat ik koop en consumeer, dat ik vooral probeer om de medemenselijkheid te zien van alle anderen, of een klare kijk te krijgen op de structuren van macht die ons inkapselen. Toch is die medemenselijkheid ver als ik aan de kassa kom en een oudere dame de rij rustig ophoudt met tienduizend vragen over bons voor brol die ze wellicht niet nodig heeft en dan natuurlijk betaalt in cash. Het is een cliché dat de oudjes supermarkten bezoeken als het werkvolk terug naar huis komt, als was het om ons te pesten. Maar de droeve waarheid is misschien ook dat ze dan voelen dat ze onder de mensen zijn.

Mijn auto is lelijk. Alle auto's zijn lelijk door die uitlaatgassen die ze de lucht in pompen. Ten andere ben ik herhaaldelijk taxi geweest voor vrienden en kennissen die zich anders beroemen op hun autoloosheid. Doe je ook veel mee voor het milieu als je dan vier of vijf keer per jaar het vliegtuig neemt. Maar dit kaatsspel van wederzijdse verwijten heeft maar één winnaar: het systeem. De atomisering van collectieve problemen maakt het ons zo moeilijk om uit dit verstrikkende denkkader te breken.

Lelijk zijn de armoede en de sloppenwijken overal ter wereld, de betonnen grafkelders van communisme en corruptie, de vulgaire en schreeuwerige glamour van roddelblaadjes en Las Vegas, en ga zo maar verder. De betreurde dichter Menno Wigman schreef ooit: "in Petten zijn de mooiste huizen grijs / in Petten spookt het van oneindigheid". Dat gedicht deed alle haartjes op mijn armen en in mijn nek overeind staan. Ik ga deze wereld ooit verlaten, en ofwel gaat die oneindigheid van supermarktrekken er nog altijd in doorgaan, ofwel zal ik in hetzelfde puin liggen als de as en het stof van een globale implosie.

Hertog Maximiliaan van Boergondië was de laatste jaren van zijn leven volgens zijn biografen "morbide depressief". Hij reisde overal met zijn doodskist mee in een sombere koets, en droeg in zijn testament zijn familie op om zijn tanden uit te slaan, hem te geselen en hem te bedekken met as, om hem tenslotte tentoon te stellen aan het volk, om het te doordringen van zijn eigen vergankelijkheid. Natuurlijk had hij ook kunnen kiezen om het besef van sterfelijkheid om te zetten in een globaal medeleven met de vaak deplorabele condities van zijn onderdanen, maar een soort fatalistisch zombie-cabaret opvoeren leek hem interessanter. Tussen die twee polen zit ik ook gevangen. Intussen rijk ik de parking af. De bonnetjeskoningin van zoëven waggelt trots voorbij. Er hangt vogelkak aan mijn auto.

Ik herinner me plots een meisje van m’n middelbare school dat ik schattig vond. Ik denk niet dat veel jongens haar leuk zouden gevonden hebben. Maar ik vond dat ze dat iets had. Soms ben ik ook opgewonden geworden door vrouwen die conventioneel zouden gelden als lelijk, net zo goed als ik zo koud bleef als een ijsklomp onder de charmes van vrouwen die algemeen wel golden als sexy of mooi. Schoonheid is gelukkig niet alleen wat de maatschappij zegt en daar dank ik dan weer het individualisme voor. In de achteruitkijkspiegel zie ik een deel van m’n eigen hoofd, met al dat wilde haar, die bleke smoel en die stevige neus. Schoonheid vinden in mezelf zal me wel nooit lukken. Misschien daarom dat ik er zo verslaafd aan ben. Woestijnen hebben immers ook een eeuwige dorst.