Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 31 maart 2015

De laatste echte Belgen

Regen die bij dunne vlagen als stof uitgewaaierd wordt onder straatlichten. Niet veel verkeer op de baan in het niemandsland tussen Merelbeke en de Gentse deelgemeentes Gentbrugge en Ledeberg. Wat bij daglicht een meanderende slinger is aan middenstanders, grauwe rijhuizen, een begrafenisonderneming die er als een bordeel uitziet, een dozijn tankstations en enkele omheinde villa's, doorkruist door bruggen, is rond middernacht een grotendeels lege ader van beton en geparkeerde wagens. Ik ben onderweg naar huis en heb zopas Emma thuis afgeleverd, wat ik na een afspraakje meestal doe, enerzijds om haar de busrit en de bushalte te besparen, anderzijds omdat ik graag rij. Als kind had ik angstdromen over autorijden. Ik droomde dat ik de controle over het stuur verloor en dat de auto met mij aan de haal ging door te beginnen vliegen, aan hoge snelheid in een gevel te crashen of zich gewoon spontaan in het water zou storten. Sinds ik leerde rijden heb ik die droom nooit meer gehad.

Op de radio speelt een nummer van Katy Perry, één van de huidige avatars van de Amerikaanse popgeest. Ik betrek er onlogisch Saul Bellows 'Humboldt's Gift' bij, dat ik momenteel aan het lezen ben, waarin de genaamde Humboldt voortdurend kruisverwijzingen maakt tussen intellectuele theorieën, literaire figuren en massacultuur als sport, film en de geest van de democratie. De Amerikaanse geest, als er kan veralgemeend worden, is groots, luid en obees, een ding waar ik altijd vol verwondering naar sta te kijken. We zullen Katy Perry horen 'roaren' en even later zijn Kanye West en Jay-Z in Parijs, 'niggas' die het tot aan de sterren van het firmament geschopt hebben en hun ego meten met de Eiffeltoren. In Ledeberg zou zoiets niet passen.

Bellow diept in 'Humboldt's Gift' een anekdote op uit Wereldoorlog II, die zegt dat de Britten haast gek werden van de praatzieke Amerikanen, die voortdurend ongewild details van oorlogsplannen vrijgaven, maar dat de Duitsers die toch niet geloofden omdat ze dachten dat het opzettelijke misleidingen waren. De Europese geest, als ik die ook even mag veralgemenen, is er één die het gewicht torst van eeuwen van verraad. Wie op de juiste momenten z'n bek hield, die overleefde. Zelfs Odin zou dat advies al gegeven hebben in de håvamål, een codex met praktische adviezen voor de vikings, die onder andere stipuleerde dat je je geheimen maar best voor jezelf kan houden en dat je aan elke vreemde deur goed moet rondkijken om te zien of er geen vijanden op de loer liggen.

Hier zijn geen vijanden, in de veilige kooi van m'n auto. Ik raas langs een kerkhof. Ergens luidt toepasselijk een kerkklok, altijd brenger van onheil, maar het loden luiden verdwijnt mee met de volgende bocht, evenals het dodenakker. Ook over de dood had Odin het één en ander te zeggen: "Je veestapel sterft, je familie sterft, zelf sterf je ook - maar ik weet één ding dat nooit sterft: het oordeel over het leven van een overledene". Emma en ik hadden het nog over de dood, onlangs. Zij vreest de dood iets meer dan ik, maar waar ik liever mijn ouders zou overleven, zou zij het omgekeerde kiezen. Ik verlies liever dan verloren te worden, voor haar is verloren worden het minste kwaad. Er valt iets te zeggen voor respectievelijk het egoïsme en het altruïsme van beide stellingen. We hadden er geen oordeel over. Verschillen mogen immers bestaan.

Mijn wagen gaat onder een brug door, passeert een groezelige vzw en een schroothandelaar, en laat zich nogmaals ringen door een tweede brug, ditmaal een stuk lager en in een scherpe bocht. Tramsporen komen in zicht. Er zijn enkele cafés te zien, wegmarkeringen die zijn vervaagd, en verkeersborden waar geen enkele chauffeur ooit acht op slaat. Een collega van me die uit Binche komt, wilde me ooit eens "het echte Wallonië" tonen. Hij toonde een video van een parade langs los door elkaar heen gebouwde koterijen, bakstenen droefnishuizen en kneuterige beeldjes van uilen en Maria's op vensterbanken, die uiteraard allemaal rolluiken of gordijnen hadden. Ik moest hem teleurstellen en zeggen dat dat even goed in Vlaanderen had kunnen opgenomen worden. De belgitude der Belgen zit soms in de dingen waarvan we denken dat ze ons verdelen.

M'n ruitenwissers draaien overuren tot ik onder de flyover begin te rijden van de E17, die betonnen mastodont die de kern van Gent scheidt van haar belittekende onderbuik. Het middernachtnieuws is bijna klaar met de dieptepunten van de dag op te sommen. Ook de radio neemt 's nachts een andere vorm aan, intiemer, dieper, afgestemd op eenzamen die net als ik op een weekdag nog zo laat onderweg zijn naar huis. Heidegger vond de taal het huis van het zijn, maar ik geloof dat het eerder omgekeerd is: het huis is de taal van ons zijn. We zien onszelf in compartimenten, kamers, meubels, kelders. Jager-verzamelaars zouden hun geest nooit op die manier visualiseren. Al ons psychisch jargon is sedentair. We geven de dingen een plaats. We stoppen iets weg. Trauma's liggen begraven. Het geheugen is een archief.

Als een schaatser glij ik de bocht in die me op de binnenring brengt. Gebouwen worden hoger, rijvakken breder, en in de verte is al de Heuvelpoort in zicht, die al bij al bekeken op een bijzonder flauwe heuvel ligt. Misschien was hij vroeger hoger en is hij platgemalen door die talloze wielen die er overheen gereden zijn. Of misschien is hij vanzelf bescheidener geworden is alles behalve naam, gewoon door zich aan te passen aan zijn Belgische omgeving. In 'Waterland' schreef Graham Swift over de moeraslanden van het Engelse noordoosten als metafoor voor het verraderlijke, sombere en gesloten karakter van de mensen die er woonden, en Cyrus de Grote van Perzië meende dat zijn ruige land ruige, harde mannen gekweekt had. Wat kweken onze betonnen Gestalten, onze eindeloze werven en onze immer groeiende voorsteden? Ik zal voor één keer niet generaliseren, maar enkel voor mezelf spreken. Ze hebben me licht verloren gemaakt, maar altijd verwonderd. Ze hebben me geïrriteerd, maar leren beseffen dat je sommige verschillen moet nemen voor wat ze zijn. Ze leerden me dat ik me allicht nooit zal meten met het Empire State Building of een brullende leeuw zal zijn, maar dat ik in gedachten wel altijd kan schuilen voor de regen onder een lelijke flyover. Soms, in het holst van de nacht, denk ik dat ik bij de laatsten ben van de echte Belgen.

dinsdag 10 maart 2015

In the presence of mine enemies

De Sinksenfoor is in Gent en ik sta met mijn voorarmen tegen een metalen stang geleund die hoort bij een draaimolen waar steeds sneller karretjes op en neer toertjes maken. Een paar kleine meisjes kirren van plezier. De kraamuitbater staat erbij met een doezelige blik. Rondom ons andere kramen zover het oog reikt. Foorkramers die al jaren prrrraten alsof ze op een vrrrrije rrrradio zitten dames en herrrren, "ja u daarrrr, meneermetdeblauwejas, komenwineen televisieeeee." Flitsende lichten, kitscherige kraamschilderingen. Luke Skywalker die meer dan ooit lijkt op Willy Sommers, Chewbacca die eruit ziet als Alf. Een eendjeskraam met een huilende peuter en het jonge grut dat overal doorheen rent, botst, uitgelaten en jong is.
Emma en ik wandelen verder nu, als een botermes doorheen de wild-gezellige drukte, zij parmantig op haar hakken, ik kloppend op mijn laarzen, boef en heer in één gedaante. We besluiten om geen oliebollen te eten. De maaltijd van zo-even ligt nog op de maag. Het eetkraam is magisch breed, met bolle lampen en een belettering die oudere decennia voor de geest haalt. Handgetekend, zelf geverfd en gefikst. Met een weldadig Doppler-effect bereikt ook gekrijs ons van de passagiers van die attractie die als een slazwierder mensen van onder naar boven klutst en weer terug.
Kermissen stemmen me blij en verdrietig tegelijk. Blij door herinnering aan de tijd dat lunaparken nog games hadden en vanuit een minivliegtuig de 'flosj' pakken voor een extra ritje het summum was van entertainment, verdrietig door de realiteit dat de Foor en zijn provinciale afstammelingen ten dode opgeschreven zijn. Enkel wie een teveel heeft aan nostalgie of een tekort heeft aan geld en mobiliteit, die komt hier nog gewillig.

We staan stil bij een waterbad waar kinderen in plastic ballen zitten en ronddollen door het water. Haar zouden ze nooit in zo'n ding krijgen, zegt ze. Ik zou het nog overwegen, maar ik ben er allicht te groot en te zwaar voor. Wat heb je als man ook te zoeken tussen al die polymorfe kleine wezens. Ze zouden maar eens moeten denken dat ik zo'n blozende pedofiel ben. Emma geeft me uit het niets een kus en ik moet glimlachen. Dat doe ik wel vaker, de laatste tijd. Er is weinig dat slechter staat voor een schrijver dan domweg gelukkig zijn, maar zo is dat.
Terwijl we onze weg verder zetten, verkennen mijn zintuigen de Foor verder, dit keer weg van de eetkramen, de ballenkramen en de schiettenten, maar des te meer geconcentreerd op de talrijk opgedaagde medemens. Al die mensen in hun ontzettende veelheid, en 99% onder hen zal ik nooit kennen, niet weten wat hen bezig houdt, hoe ze de personen geworden zijn die ze nu zijn en waar hun levens heen zullen gaan. De meesten zal ik één ogenblik zien om voorgoed te vergeten, preventief gegooid in een massagraf onder de geheugencryptes.
Ik ben jaren geleden op de Foor ooit uit het niets door een dwerg uitgescholden voor homo. Niet alleen raakt die belediging mee even veel als dat iemand "Waal" of "kaalkop" naar mij zou schreeuwen (geen van beiden zijn waar en geen van beiden vind ik een belediging), ik was ook te verbouwereerd om te reageren. Die gast zal ik dus nooit vergeten, maar wat met die groep luide Turkse jongens of dat trio bejaarden met wijd opengesperde ogen? Of de Nonkel Danny die daar morsig twee pinten tegelijk zit te drinken en ongegeneerd op z'n dijen slaat van het lachen? Zij zien me allemaal niet, maar ik zie hen.
Toen ik nog studeerde en ik 's nachts naar huis wandelde na een feestje, beeldde ik me soms in dat er in m'n nasleep onzichtbare linten uitgerold werden, of nauwelijks waarneembare vleugels, en dat iedereen in m'n slipstroom daardoor eventjes werd aangeraakt, nooit zou vergeten worden, opgenomen werd in een idee van vrede en eenheid. Zeg zelf, er zijn slechtere manieren om de dronken nagloei van een feestje te beleven. Met geheven hoofd ging ik dan door de soms donkere, soms hel verlichte straten, de bedstee tegemoet.

Emma en ik gaan na wat dralen het spookhuis binnen. Dat heb ik in mijn drie decennia als mens nog nooit gedaan (de Efteling telt niet). Hand in hand schuifelen we naar binnen, beducht op onverhoedse geluiden en effecten. Ik mag eerst van haar niet met m'n gsm voor me uit schijnen omdat dat de verrassing verpest, maar drie minuten stikdonker en benauwde houten gangen later, vraagt ze zelf om licht. Buiten de claustrofobische schuifelingen waartoe we gedwongen worden, valt het al bij al nog mee. De bewegende vloeren jagen even de primaire schrik aan om te vallen - en niet eens zo onredelijk, op ons instabiele schoeisel. De coup de grâce van het spookhuis is een kerel in een monstermasker die voorts duidelijk een groene confectiesweater en een trainingsbroek draagt. Wat een rotjob, in feite.
We besluiten mild dat deze ervaring misschien geen €3 waard was, maar wat stelt €3 in deze tijden nog voor, nietwaar? Terwijl we door de massa een weg banen richting uitgang, doemt die andere permanente Foor op van de Overpoort. Die neem ik voor het eerst sinds ik een kilometer verder verhuisde, op met nieuwe ogen. Er is berusting dat de tijd die ik doorbracht naast deze tot straat geworden flipperkast, voorbij is. M’n nieuwe appartement mag dan een bric-à-brac zijn van typisch Vlaamse koterijbouw, met ongelijke vloeren, onbehoorlijke afvoerbuizen en overgepleisterde geschiedenis, het is de demarcatielijn geworden met de zeven Bijbelse jaren voor 2015.
Ik knijp in Emma’s hand. Ze glimlacht. Ik zie het in mijn ooghoek. De cafés, clubs en snackbars konden voor haar net zo goed niet bestaan hebben en ze is hier een vis uit het water. Ze biedt aan om nog iets te drinken in één van de enige cafés waar ik zelf nooit graag zat. Ik sla dat vriendelijke aanbod af, te meer omdat ik me veel liever thuis in de zetel zij aan zij wil vlijen met haar. Indrukken moeten gerangschikt worden, de mensen moeten hun plaats krijgen in de X-, Y- en Z-assen van het hoofd. Er slepen geen linten of magische vleugels meer achter me aan. Epische grandeur is niet langer een noodzaak. Des te meer wil ik een koel bad van een warme woonkamer waar de meubels wat te dicht op elkaar staan en niet echt bij elkaar passen, maar waar ik dankbaar kan drinken van affectie achter gesloten gordijnen.