Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 13 juni 2017

'Gedachten' wordt voor onbepaalde tijd vergrendeld

Het moest er misschien ooit van komen. Al bijna tien jaar zet ik hier korte gedachten uiteen, fragmentjes over wandeltochten en gesprekken, of een soort verhalende essays, om niet dat gehate tsjevenwoord 'cursiefje' in de mond te nemen. Dat woord smaakt naar oude crème au beurre en pantoffels van oude mensen.

Dit (voorlopige?) einde betekent niet dat ik stop met schrijven. Er zullen nog altijd gedichten, beschouwingen en ander werk verschijnen op m'n andere blogs. De redenen dat ik er hier de brui aan geef, voor wie ze wil weten:

(1) Tijdsgebrek


Geloof het of niet, maar ik kan niet leven van fictie, poëzie en egodocumenten. Ik heb een veeleisende dagjob en dat betekent dat ik moet focussen waar ik m'n vrije tijd aan besteed. En dat brengt me snel bij het volgende punt...

(2) Ik heb er zelf niet zo veel meer aan

Ik heb het gevoel dat ik deze vertelvorm wat heb uitgeput en daardoor te vaak uitkom bij dezelfde procédés, dezelfde verhaalelementen en dezelfde gedachten. Op restaurant vind ik het niet zo erg met te houden aan m'n vertrouwde steak béarnaise, maar in m'n schrijven ben ik toch op zoek naar grotere uitdagingen. Over uitdagingen gesproken...

(3) Ik gruw van emotioneel exhibitionisme

Het is niet dat ik niets wil delen over mijn gevoelswereld, maar het is een fiks stuk makkelijker schrijven als de dingen goed lopen. Nu ben ik nooit het type vrolijke Frans geweest - zeker niet op papier - maar de laatste twee jaar heb ik toch vooral emotionele kwetsuren opgelopen die voor mij te larmoyant zijn om met de wereld te delen. Kort proza is niet de manier om die te laten helen, en naar medelijden zoek ik al helemaal niet. En over wat ik dan wel zoek...

(4) Dit type teksten brengt me niet dichter bij publicaties


Het zou fijn zijn om op een dag met een hardcover te mogen pronken waar de naam op staat van een gerenommeerd literair huis en een dubieuze foto van yours truly, maar het zal allicht niet door dit soort teksten komen. Hoe dan wel, dat weet ik ook niet. Misschien moet ik ergens aan een lul gaan zuigen. Gesproken over publiceren...

(5) In de wachtzaal blijven zitten werkt demotiverend

Ik gun iedereen zijn of haar plekje in de zon, maar ik ben de goedbedoelde (maar irrelevante) adviezen van anderen wat beu over hoe ik meer succes kan boeken. Ofwel heb ik die adviezen al geprobeerd, ofwel zijn ze niet van toepassing op mijn geval.

Nu rest me nog enkel om de mensen te bedanken die de laatste jaren m'n teksten hier hebben gelezen en nu en dan eens hebben gedeeld via sociale media. Van letterlijk zo goed als geen bezoekers te hebben in 2009 tot nu een paar dozijn per week is voor een literaire nobody toch al iets, dus ik dank alle lezers uit de grond van m'n hart voor de tijd die ze hier hebben gespendeerd. Hopelijk hebben jullie er iets aan gehad en kon ik jullie vermaken, verstrooien of aan het denken zetten.

Blijf zeker mijn hoofdwebsite in de gaten houden. Daar staan voor de rest van het jaar nog een aantal projecten gepland die in productie zijn, te beginnen met een bundeling en redactie van het beste wat hier de laatste 8 jaar is verschenen, in een handig formaat voor aan het zwembad, in een bergchalet of gewoon voor op de wc.

maandag 12 juni 2017

Kompas op nul

Ik sta aan het einde van een weg en voor me ligt een vlak landschap dat gehuld is in nevel. Dit lag weliswaar ergens in de lijn der verwachtingen, maar dat maakt het daarom niet ineens prettiger. Mijn hart is door een blender gehaald, al voor een keer die ik niet eens meer wil tellen. Ik ben 34 en afhankelijk van de definitie ben ik al door 11 relaties gegaan. Daarvan eindigde er één in onderlinge overeenstemming, beëindigde ik er zelf vier en werd ik in de overige zes gevallen zelf gedumpt. Die cijfers zeggen op zich niets.

Ze zei dat ze tot zichzelf moest komen en een tijd alleen moest zijn. Daarna wil ze me wel terugzien. Maar blijven wachten op iets wat er misschien niet gaat komen, dat gaat niet. Dan verleng je enkel maar de pijn en hou je een wonde open. Dus ik heb mijn stapschoenen aangetrokken, mijn rugzak omgegord en ben na een diepe ademtocht het vlakke landschap in gewandeld. Het kan zijn dat ik haar terugzie op het einde van die tour, het kan ook zijn van niet. Als aanhanger van positieve psychologie probeer ik te kijken welke lessen ik kan trekken uit de episode van het voorbije halfjaar om die toe te voegen aan het dikke boek van de amoureuze wijsheden.

Eén van die lessen is dat ik niet aan 11 relaties was geraakt als ik meer had vertrouwd op een combinatie van instinct en ratio, in plaats van overmatig te steunen op één van de twee. Of die relaties hadden allicht minder lang geduurd. In onze vrije, blije wereld hebben we zo weinig omkadering voor de relaties die we aangaan. Vriendschap, seks, liefde, genegenheid en partnerschap zijn allemaal elementen die we geneigd zijn in één Kinepolis-goodiebag te gooien, ofwel scheiden we die strikt op zo'n eetbordje voor kleuters, maar de waarheid is een stuk fijnmaziger dan dat. Dat krijg je niet uitgedrukt op een Tinder-profiel.

Een andere strijd is te beseffen waar je genoegen mee kan nemen. Op dat vlak ben ik een eigenaardige reiziger. Aspecten waar veel anderen van zouden weglopen, zoals een geschiedenis van mentale problemen, trauma, existentiële crises, disfunctionele families en slepende ziektes ben ik bereid er op de koop toe bij te nemen. Waar ik blijkbaar niet tegen kan, is het gevoel dat ik ofwel niet zo belangrijk ben ofwel te belangrijk, of dat ik te veel uiterlijkheden ontdek die me tegenstaan. Zelfs in die laatste categorie is het doorgaans niet wat je zou denken. Ik vind brede heupen en een buikje bijvoorbeeld schattig. Een lelijk kapsel of te veel moedervlekken staan me dan weer enorm tegen.

Alles is hier nieuw en toch weer niet. Ik ken deze nevels. Er zijn periodes geweest dat ik er twee jaar door ronddoolde zonder iemand tegen te komen, en dan weer fases waar ik op twee maand drie, vier verschillende vrouwen tegenkwam die wel wat met me of van me leken te willen. Op metaniveau, overigens, wil ik nooit meer één vent horen klagen dat vrouwen niet geïnteresseerd zijn in een man die het goede probeert te doen. Het klopt wel dat het er veel minder zijn dat je zou denken als je feministisch geïnspireerde artikels leest, maar ze zijn er, en het zijn doorgaans geweldige vrouwen.

De weinige vijanden die ik heb verheugen zich mogelijk in de aanhoudende troebele waters waar ik steeds in lijk terecht te komen. Die mogen dat doen. Ik denk dat er weinig mensen bestaan bij wie liefde niet ergens ettert, monsters verhult in schaduwen of iemand confronteert met pijnlijke waarheden. En ook, wie zich verkneukelt in het relationele ongeluk van een ander die staat maar net een trapje hoger dan iemand die blij is om te horen dat iemand kanker gekregen heeft. Het zegt meer over hen.

Soms wil ik geen enkel verlangen meer voelen, naar niets meer willen zoeken dat buiten mij om ligt, maar het is all zu menschlich, neem ik aan. Wil je niet verbonden zijn met anderen, dan veroordeel je je tot barre eenzaamheid, en wat voor goeds komt daar nu uit? Het landschap helt. Naar boven, altijd. Ik zet de stappen voorzichtig, kijk behoedzaam om me heen. M'n kompas wijst naar wie er altijd voor me zijn: de goede vrienden, de dichte familie, en een heerschap op vier poten met een onstuitbare honger en een vacht die nog rosser is dan m'n snor. Maar nu is er even enkel de kille lucht en de sobere begroeiing van het zachtste leed ter wereld.

vrijdag 26 mei 2017

Overkapte rivieren

Eindelijk vind ik even na middernacht de anti-insectenspray, verborgen achter enkele schoonmaakproducten onder de pompbak. Zoals de moeder van Stromae al wist, "Lorsqu'on cherche bien, on finit toujours par trouver". En die vervelende kleine muggen, vliegen en naamloze andere ongewervelden die aangetrokken worden door het licht in m'n bureau moeten eraan. Ze kunnen het niet helpen dat ze van de waterkant die even voorbij m'n achterburen begint, aangetrokken worden tot dit kleine kamertje zoals Klein Duimpje in de verte een lichtje zag branden, maar Klein Duimpje was geen bloedzuiger of geen verspreider van vuiligheid. Misschien dat insecten dit anders zouden zien als ze sprookjes konden vertellen.

Ik voel me warm en zwaar, als een voorbode van de nog warmere dagen die me te wachten staan en als een naslag van de voorbije weken, die tot de nok gevuld waren met werk. Werk als in werken voor de werkgever, in kleine kamertjes zitten bij klanten en om acht uur 's ochtends al monter en fris met de eerste koffie van de dag hevig tokkelen op het toetsenbord. Werk als in terug even aansluiten bij vrienden die ik al even niet meer gezien had, waarbij ik met Tim een matige Thai deed die niettemin heel verdienstelijke soep serveerde, en daarstraks in het park met Kim lag te kijken hoe luchtballons opgeblazen werden en joelende kinderen daar een hele avond entertainment uit wisten te puren. Werk als in emotionele bescherming, om niet te diep in te gaan op het idee dat Donald Trump, de cheeto-golem met een stripfiguurkapsel en een prehensiele mond die lijkt op een anus, in België is. Nu, in deze lagune na het spookuur, is er geen werk. Ik zit in m'n pyjama en mol met de spuitbus tal van insecten die zich aan het plafond genesteld hebben.

Dat doet me denken aan toen ik klein was (echt klein). Ons huurhuis was oud en had het toilet in een kot buiten. Tijdens een warme dag, toen ik op de pot zat, keek ik eens naar boven en zag ik tientallen muggen aan het plafond kleven, terwijl over de muren allerlei vieze spinnen kropen. Het lijkt iets wat je zou tegenkomen in het zuiden van Italië of in Marokko, maar dat was gewoon Vlaanderen anno 1988. Later had ik nachtmerries over die insecten, dat ze overal zaten op de muren van het huis en gigantische proporties hadden aangenomen.

Wie kijkt er dan ook naar plafonds, tenzij op de pot of in bed. Dat bed staat nu uitnodigend als anders op me te wachten, met een deken waar diverse vrolijke tekeningen van poezen op staan. Gisteren lag ik er nog naast Sofia, die bijna in slaap viel louter door de horizontale houding, ingebed tussen een deken met poezen en kussens met hetzelfde patroon, opgekruld alsof ze zelf een grote poes was. We hadden goed gegeten en gedronken en ons overgegeven aan het opzoeken van hits uit onze jeugd op YouTube, en nu lagen we gewoon dicht bij elkaar. En zij voelde zich stom omdat ze vond dat ik altijd zo gul was voor haar en ik voelde me stom omdat ik altijd de indruk leek te geven dat ik een soort schuldeiser ben van ongeïnde emotionele arbeid. Zo hoeft dat allemaal niet te zijn, natuurlijk.

Praten met gesproken woorden gaat me niet altijd even goed af. Ik luister naar muziek, of ik probeer poëzie te bespeuren in de buurvrouw die met een nukkig gezicht haar auto wast terwijl er een oudere man voorbij wandelt die zijn best doet om haar niet aan te staren. Ik krijg meer gezegd door een knuffel of de voorhoofden tegen elkaar houden dan ik kan in al m'n fraai geconstrueerde zinnen of m'n stomme grappen.

Ik bekijk m'n telefoon. Enkel automatische mails, waarvan eentje me vrolijk meldt dat er weer facturen zijn gearriveerd via m'n bank-app. De betaling daarvan regel ik wel op de dag dat ik zelf betaald word door het werk van de kantoren en het getokkel. Nu wil ik nog niet zien of ik in het rood sta (en hoeveel), en of ik al betaald ben door andere schuldenaren. "Zoals ook ik vergeef aan mijn schuldenaren" zong ik vanaf m'n 11 trouwens niet meer mee als we het 'Onze vader' moesten zingen in de klas. Het toekeren van de andere wang leek me altijd zo onnozel. Niet dat ik een wraaklustige jongen was, maar rechtvaardigheid leek me belangrijker dan jezelf een heilig imago aanmeten, laat staan op een best paternalistische manier te proberen tonen aan wie je kwaad doet dat je er lekker boven staat. Wraak is idioot, maar overdreven zachtaardigheid is dat ook. Zelfs Mandela, Martin Luther King en Ghandi hadden hun kernen van staal.

Overmorgen - technisch gesproken morgen - trouwt Natasja, en ik ga op haar feest een kleine speech geven. Tevens ben ik de laatste DJ in het rijtje feestomkaderaars, en ik heb eindelijk de volledige playlist samengesteld, nadat Kim me er op gewezen had dat ik niet één maar twee uren moest zorgen voor vertier voor alle leeftijden van 9 tot 99. Op diezelfde dag moet Sofia naar een uitvaart. Wij Vlamingen zijn niet geschikt voor uitvaarten. Het gaat er allemaal zo houterig aan toe. Zeker waar ik vandaan kom, daar werd op een uitvaart openlijk verdriet weliswaar gerespecteerd, maar ook met afstandelijkheid benaderd, alsof het eventjes ok was om je ogen uit je kop te huilen, maar dat je nadien bij de broodjes maar best weer flink kon zijn. Is het dat waar onze vooruitgang op gebouwd is, dan? Op flink doorwerken, flink de files verdragen, flink je huishouden doen en flink aanvaarden dat je allicht nooit meer zal mogen zijn dan wat bepaald is bij je geboorte door je kleur, het geld van je ouders en je genitalia.

Gisteren - eergisteren, technisch gesproken, maar rot toch op met die term - zei ik tegen Sofia dat m'n eeuwige tweestrijd loopt tussen het goede doen en m'n eigen zin doen. Meestal lopen die twee hand in hand. Soms knokken ze met elkaar. Zoals die keer dat ik een snoeppapiertje op straat gooide en dan terugliep om het op te rapen en in een vuilnisbak te gooien. Of dat ik geloof dat daklozen een maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn, maar dat ik toch ergens in Brussel een oude bedelaar een paar euro's in de hand drukte.

Op het pakje sigaretten waaruit ik een sigaret pluk staat als waarschuwing dat roken het risico vergroot op blindheid. Samen met de waarschuwing die vergezeld wordt van een vader met een jaren '70-kapsel die rook in het gezicht van een baby blaast, vind ik dat één van de zwakste waarschuwingen. Niet omdat ik blind zijn onderschat, maar omdat ik van alle zintuigen het zicht verliezen allicht het minst erg zou vinden. Doof worden of niets meer kunnen voelen lijkt me nog erger. Dan zit je al bij leven in een isoleercel. Misschien denken mensen die doof zijn daar anders over. Het is sowieso een uitspraak van iemand die op dat vlak het privilege heeft van goed werkende zintuigen. Misschien te goed. Ik proef bijna de insecticide die zonet een dozijn geleedpotigen heeft doen neersuizen van m'n muren en m'n plafond. Ik pik de vibratie op in de buurt dat er bijna geen vibraties zijn om op te pikken. De luchtballons zijn al lang weg gevlogen, en het hete Thaise eten van even geleden baant nu zijn weg ergens door mijn cellen en door de riolering.

Ik controleer of alle asse in de asbak voldoende afgekoeld is en ik doe dan het licht uit dat zo'n lokvogel bleek voor al die insecten. Alweer ben ik tientallen teksten rijker in m'n hoofd, maar weet ik heel goed dat er hoogstens één gaat uitrollen, alsof het een kaduke printer betreft. Het zij zo. Ook de groten hadden hun mindere dagen. Dus laten we de kleinen, met hun lieve vrienden en hun dekens met poezen op, niet te hard benaderen.

dinsdag 9 mei 2017

Een hoofd vol schaduwen

De turnzaal van m’n lagere school deed dubbel dienst als de theaterzaal voor het lokale amateurgezelschap van het dorp. Als er op het podium decor opgesteld stond, vond ik het er altijd leuker om te turnen. Het gaf een feestelijk cachet aan een zaal die anders gedomineerd werd door veel te hoog ingeplante ramen uit de jaren 1910, en donkergroen tapijt waar je je knieën lelijk aan kon schuren. Ooit had één van de decormuren op het podium het graffiti-opschrift “Hoe lang nog?”. Hoe lang nog tot wat? Als vieze prepubertjes onder elkaar dachten we natuurlijk aan seks. Tien jaar later dacht ik bij die wanhoopskreet aan de opening van Cicero’s beroemde redevoering tegen Catilina, waar hij het bombast allerminst schuwde.

Nu denk ik eerder aan een existentiële invulling. Hoe lang nog tot bewezen wordt dat het goede in deze wereld toch iets waard is? Ik kijk door het brede venster van m’n werk naar beneden en zie het eindeloze draaien en keren van de wagens op het rond punt. Ik nip van m’n koffie. Elke verklaring over waarom er slechte dingen gebeuren, voelt ontoereikend aan. God is een verzinsel en karma is me te simpel. Dan blijft er nog toeval over, maar moeten we het daar dan maar mee doen? De zon die nu schijnt is een vrij frisse voorjaarszon, maar bij God (weer Hij) als die ook geen schaduwen werpt. Hoe lang nog? Hoe lang nog tot ik ooit vrij kan zijn van die meerlagige agenten die het water troebel maken en zwaarder maken wat voor andere mensen vederlicht kan zijn?

Het is met gepaste afstand dat ik frons als ik wollige theorieën hoor over hoe deze wereld ons misvormt tot uitgeholde idioten met de aandachtspanne van een kip. Een goed gesprek kan al eens deugd doen, maar analyse blijft maar beter met z’n tengels van mijn axonen en dendrieten. Medicatie is ook niet alles, natuurlijk. Al jaren ben ik een trouwe opvolger van medicatieschema’s, en al zit ik niet meer in woeste getijen of de Death Valleys van de geest zoals jaren terug, het is niet dat ik fundamenteel een vrolijker persoon geworden ben. Tijd voor een pauze.

In de lift kom ik een collega tegen die deze ochtend samen met me arriveerde en gisterenavond tegelijk met me vertrok. Hoe lang nog zullen we betekenis toekennen aan toeval? Er ligt een plasje water op liftvloer. We zien het allebei tegelijk. “Het is niet van mij,” zeg ik. Ze giechelt als een schoolmeisje. Ik ben nooit op m’n grappigst als ik me gelukkig voel, dan lijkt het soms alsof de woorden me ontbreken. Niet genoeg geoefend op die mooie woorden die bellen kunnen blazen van het gemoed, of misschien ben ik gewoon zo bang van het cliché dat ik liever m’n bek hou. Ook dat is een cliché, de mislukte artiest die plots wordt verlaten door de Muze als het geluk om de hoek komt kijken. Maar dat is niet waar – ik heb nog verliefde gedichten geschreven en bericht over eenvoudig en simpel geluk. Het is alleen moeilijker omdat het niet direct kan.

Directe rede of niet, de lift laat ons eruit en we gaan elk onze weg zonder nog iets te zeggen. De rokers hier zijn verbannen naar een half-ondergrondse parkeergarage die aan één kant nog een vaargeul heeft waar je in de zon kan staan en waar auto’s soms per abuis in komen gereden. Ik zeg niets tegen de andere rokers en kijk naar boven, naar de suikerspinnen wolken. Het zonlicht is lauw. Dat is niet erg want ik ben allergisch aan zonlicht, alsof ik letterlijk de witste man ben die je je maar kan voorstellen. Of een vampier. Wat moet het eenzaam zijn om een vampier te zijn.

Hoe lang nog, tot dit hoofd ergens kan gaan neerliggen in het gras, onbekommerd en gedachteloos? Hoe lang nog, tot ik niet onverhoeds door een geur of een geluid terug verloren gewaande herinneringen beleef waar ik het niet van kan helpen dat die doordrenkt zijn met nostalgie? Alsof ik als kind zo gelukkig was, daar in die vieze turnzaal en met een bullebak van een leraar sport. Als ik die neigingen krijg, dan tel ik soms mijn rozenkrans aan dingen die me beter doen voelen, zoals de eigenaardige schare aan vrienden die ik heb weten te verzamelen, of dat ik nog al m’n haar en m’n tanden heb. Of dat ik niet vastgekluisterd zit aan afbetalingen of spijtkinderen.

De sigaret is nu een stompje en vergezelt zijn dode broers en zussen nu in de asbak. Aan de muur hangt het opschrift “Om te roken gelieve u zich naar buiten te geven” en de taalfout in die zin ergert me nog altijd even hard als de eerste keer dat ze me opviel. Verleden zaterdag stond ik gemoedelijk te paffen met de organisator van een quiz waar ik deelnam, en hij zei wat ik zelf al vaak dacht, dat het oppassen geblazen is met korte teksten om niet te snel te vervallen in trucjes. Dat is waar, maar trucage heb ik niet echt nodig. Toch niet voor de indirecte rede, die steeds probeert te koersen langs die randen van de schaduwen die niemand kan zien. Hoe lang nog, tegen dat ik die kan wegblazen als het pluis van een paardenbloem?

dinsdag 25 april 2017

Spinning in a dream

Het is een te kille aprildag waarvan de wolken slechts gradueel verdreven worden, te laat op de dag om nog veel warmte te bieden, ook al schijnt de zon fel als ik de R4 op rij, naar huis. Ik heb zonet m'n zonnebril weggegooid nadat ik ontdekt had dat er maar één glas meer aan vast zat en ik er enkele seconden als 's werelds slechtste cosplayer heb uitgezien. Eén tegenligger heeft me zo gezien, allicht te verbaasd om me uit te lachen.

Omdat ik gisteren flink heb afgewassen en opgeruimd, wacht er straks een relatief proper appartement op me, tenzij Tyr heeft besloten om vandaag geurvlaggen te zetten. Niet dat hij dat ooit gedaan heeft. Voor een te vroeg weggehaald beestje is hij best goed opgevoed, ook al steek ik daarmee voornamelijk een pluim op m'n eigen hoed. Hij is ook een onverbeterlijke dikzak, maar wat moet je heelder dagen doen als je alleen op een appartement zit?

Het verkeer valt mee. Ongedurig wissel ik tussen radiozenders. Nergens spelen ze iets wat me echt aanstaat. Ik zit ook al vijf dagen in m'n hoofd met de nieuwste EP van Lorn, een stukje dat afklokt op een zuinige 20 minuten, maar onmiddellijk elk haartje op m'n armen overeind deed staan en tranen in m'n ogen deed opwellen alsof het niets was. Hoe kan die man dat toch voor elkaar krijgen? Me het gevoel geven dat ik me plots verloren bevind in een droom vol kleuren en grote, naamloze emoties. Volledig verdwijnen in een universum, alsof ik niets meer ben dan een betekenisloze stip in de oneindigheid (wat in feite ook gewoon de waarheid is).

Ik hang lui achter een tankwagen. De dag was druk en hard. Ik heb een boekje afgewerkt voor een klant maar ik twijfel of het de juiste normen zal halen, omdat de deadline zo dwingend en plots was. Het voordeel van zulke dagen is dat ze vooruit gaan aan een fenomenaal tempo en dat de rust 's avonds weldadiger is dan anders. Vanavond vind ik het niet erg om alleen te zijn.

Op de radio babbelt een presentator opgewonden over hoe jong sommig nieuw DJ-talent is. Gek dat je dat nooit hoort over schilders of schrijvers. Of toch, vandaag werd op de sociale media breed uitgemeten hoe een knul van 17 met een debuutroman achteloos beweerde nooit te lezen. Dat zal wel niet volledig kloppen, want hoe kan hij anders schrijven? Dat hij misschien geen dikke romans leest, dat kan. En ja, het gebrom daarover is wel wat elitair, maar het gesakker over dat gebrom is nog ergerlijker. Zouden we ook aanvaarden dat een F1-piloot niets van automechaniek kent, of dat een schilder niets weet over verf? Alleen het schrijverschap moet blijkbaar door iedereen probleemloos kunnen geclaimd worden.

Het is druk op de afrit. Op zes maand tijd heb ik deze route al erg veel gedaan, ook omdat het de route is die ik gebruik om terug te komen van bij broer Roman, naar m'n ouders te rijden in Nederland, en terug te keren van bij Sofia. Ik denk aan ons samen plaatjes draaien vorig weekend, een container Spaanse daklozencocktails en haar parmantige stapje. Komend weekend ben ik de aanstichter van een vrijgezellenbedoening - weer een heel andere categorie. Ik ben een beetje nerveus of alles wel goed zal lopen en zit me al wat te wapenen om een dag en een nacht door te brengen met 10 andere mensen.

Lorn krijg ik niet meer uit m'n hoofd. Zouden er nog mensen zijn zoals ik, die nu aan exact hetzelfde nummer denken en er exact hetzelfde bij voelen? Het is minder onmogelijk dan ik misschien denk (en ik zou ook geen aanspraak willen maken op uniek zijn). Volgens YouTube-commentaren blijkt voorbeeld dat tal van mensen bij het einde van 'Rival Dealer' van Burial denken aan hoe het moet voelen om zachtjes dood te gaan. Of dat Boards of Canada zo vaak beelden oproept van slecht afgestelde kleurentelevisie met feuilletons uit de jaren '70 en '80, zelfs bij mensen die die periode niet eens meegemaakt hebben.

Carl Jung zou er vast een hoopvol teken in gezien hebben van een collectief onderbewuste. Maar daar geloof ik niet echt in. De brave man kon een goed eind weg lullen. M'n huis komt in zicht, en in de buurt de kermis die op haar laatste stelten loopt. Het lawaai is er de laatste dagen wat van weggeëbd, met als hoogtepunt zaterdag de komst van Patje 'For da bigga and bolda' Krimson. Ik ben niet gaan kijken en heb ook uit nostalgie niet z'n muziek opgelegd. Maar straks ga ik wel plaatjes draaien, alleen rondwentelend in m'n eigen universum, met m'n ogen gesloten, onder een heel zacht deken. Dat heb ik misschien wel verdiend.