maandag 23 januari 2012

Ik, Westerse blanke man

Vandaag stond ik erg vroeg in de ochtend op om naar het werk te gaan - eerst met de bus, dan met de trein, dan de metro, en het laatste eindje te voet. Omdat het nog zo vroeg is, is het in termen van uitgaan tegelijk erg laat en daardoor kruis ik soms het pad van diehard-uitgaansvolk dat naar huis gaat of strompelt. Deze morgen trof ik weer zo'n paar exemplaren aan. Ze floten niet naar me of, godbetert, de kans dat ze me zouden betasten of smerige dingen naar het hoofd slingeren was zo goed als onbestaande (ik ben welgeteld ooit één keer in het passeren "homo" genoemd door een dwerg met een fetaal alcoholsyndroomgezicht in mijn uitgebreide carrière in het passeren van dronkelappen). Ondanks de enorme toestroom van volk aan de treindeuren kon ik moeiteloos als één van de eersten naar binnen omdat ik groter ben dan gemiddeld, jonger en behendiger. De conducteur kwam langs om m'n abonnement te zien. Als ik het niet had bijgehad, zou hij niet onmiddellijk gedacht hebben dat ik een fraudeur of marginaal was omdat ik een das draag en niet bruin ben. Niemand in het bijzonder staarde me aan of probeerde een conversatie met mij aan te knopen puur omdat ik een man was.

De trein stond een kwartier lang stil. De NMBS als grote gelijkmaker, dacht ik even, maar infeite was niks minder waar, want opnieuw drong het besef tot mij door dat ik een gelukzak was, toen ik informatie nodig had in het station. Iedereen was correct en professioneel tegen me, en als ze dat niet waren geweest, zou ik zeker niet gedacht hebben dat ze dat waren omdat ik een blanke man ben. Misschien omdat mijn Frans niet zo goed is (vive Bruxelles), maar ik had me zeker nooit beroepen op een Vlaams calimerocomplex.

Toen ik uit het metrostation tevoorschijn kwam, was de zon al aan het opkomen over een zeer drukke Tervurenlaan. De geur van regen gistte nog na over het trottoir en het oranjeroze van de ochtend joeg een pak grijze wolken voor zich uit. Ik passeerde enkele voorbijgangers, onder andere een jong meisje in een strakke jeans. Haar houding verstarde één seconde en ontspande weer toen ik voorbij was. Mogelijk dacht ze: "Je weet nooit wie daar zo snel achter je aan komt gestapt, het kan altijd een of andere foute vent zijn met rare bedoelingen" en het was iets waar ik me bijna nooit zorgen over hoef te maken, dacht ik dan weer. Dubbel privilege in de categorie "structuren van macht", Luc, voor €5000. Het meisje ontspande mogelijk ook omdat ik niet behoorde tot een groep mensen die door de media en perfide politici gebrandmerkt worden als potentiële criminelen.

Op het werk zat ik wat te suffen in een vergadering omdat ik me nog moe voelde, en tekende ik in mijn notablok een zeppelin. Mijn verstrooidheid werd me niet echt kwalijk genomen, en geen mens die eraan dacht mij etiketten als "leeghoofd" of "dom blondje" op te plakken. Toen ik even later over iets m'n mening gaf, was er niemand die m'n mening afdeed als "onnozele mannenpraat" of zat te denken dat ik mijn job te danken had aan hoe ik eruit zag. Nog wat later gaf ik ongezouten kritiek, en opnieuw niemand die me een "bitch" noemde.

Tijdens de lunch maakte iemand een grap die een paar homofobe connotaties had, maar dat raakte me niet omdat ik hetero was. Misschien had ik iets moeten zeggen, maar het leek zoeken naar spijkers op laag water en ik was er vrij zeker van dat geen één van mijn collega's actief homo's haatte. Ik vroeg me daarbij ook af of homohaters zichzelf zien als homohaters. Een kwart van de Belgen (Vlamingen én Walen) gaf ooit in een enquête toe tamelijk tot zeer racistisch te zijn. Daarover gesproken werd ik op de terugweg naar huis in de metro eveneens niet nageroepen of aangesproken door groepjes hangjongeren.

Op de trein naar huis viel ik in slaap en droomde ik niets in het bijzonder op een avond die al bij al ook niet erg bijzonder te noemen viel: koude bries, regenwolken, januari en het soort momenten waar je al professionele bezadigdaard voor moest zijn om er iets interessants uit te puren. Er was niemand die verder deuren voor me openhield uit goedbedoelde patriarchale opvattingen. Niemand die me zou veroordelen voor het aantal sekspartners dat ik al in mijn leven gehad heb, niemand die ervan uitging dat ik kwade plannen had, niemand die me als een idioot behandelde omdat ik een bepaalde leeftijd had, kortom niemand die me een strobreed in de weg legde. Aan het laatste verkeerslicht voor ik thuis kwam, stond ik naast drie andere mannen. Ze hadden het met stellige zekerheid over het feit dat het "feminisme toch wel te ver was gegaan". Het deed me alweer denken aan de reden waarom ik meestal vermijd om te praten over sociale en politieke kwesties.

woensdag 18 januari 2012

Ristretto

Zo traceren we onze stappen terug
naar het aftikken van stilte
in asbakken van wereldsteden
Hoewel
koffie is overal koffie en een stoel
is een fucking stoel denk ik
zonder ook maar een vin te verroeren
De poëzie sterft als laatste
met een vlucht opgeschrikte vogels

Wij hebben elk onze obsessies
verdeeld als taart
Ik denk in eindes en expansie
en jij aan wat juist is

We kunnen de rekening vragen en i
k kan de zaken op een telraam plaatsen
"wil jij dat koekje nog?"
nee en dan ik eet het op, lik ik
het tafellaken ook nog schoon
als een meerstemmige barbaar

Wij waren kleien potten zeg ik en
en mijn kaakbeen krijgt een rake klap,
karmische interpunctie

zondag 15 januari 2012

Canon in G mineur

Langzamerhand raak ik uitgekeken op de stad. Ik voel het in mijn zich verwijdende inspiratie, de trottoirs waar ik al zo vaak dezelfde routes heb afgelegd, en de banen die ik ook nog stomdronken en stoned vanbuiten ken. Het is mooi geweest met de cafés waar ik al jaren kom, de mensen die ik al zo lang graag zie en de voorspelbare zekerheden van de weken en seizoenen. Maar wat moet ik dan doen? Als Schouwenaars in ballingschap gaan op het platteland? Ik weet hoe het er is want ik heb er twintig jaar gewoond en bovendien is het platteland waar hij over schreef al lang verdwenen. Ik zou naar het buitenland kunnen gaan, maar daar zou ik me mogelijk te ontworteld voelen, een permanente vreemdeling met een raar accent, die gedoemd is tot excentrieke oppervlakkigheid.

Kalmaan. Terwijl ik probeer te weerstaan aan de drang om een sigaret te roken, overweeg ik de opties, maar de conclusies zijn ontluisterend. Ontsnappen aan het systeem is gedoemd om te mislukken. De schokken van de eurocrisis, de excessen van het marktfundamentalisme in de Verenigde Staten en de expansie van China zijn overal even onontkombaar, tenzij je al obsceen veel geld had en op die berg kan gaan zitten terwijl de rest van de wereld wegbrandt. Ontsnappen aan mezelf is al even onmogelijk, want het is ook daar dat ik op uitgekeken ben. Voortdurend ervaar ik een verlangen naar rust, naar ergens wegdrijven op een opblaaskussen in de zee, of 24 uur aan één stuk slapen. Ik ben aan het desintegreren, zegt een pathetische stem, wild orerend als een Mussolini van het gevoel. Ik moet nog even blijven liggen en de zaken rustig aannemen voor wat ze zijn, zegt de stem van een Boeddha.

Schrijvers moeten ook lezers zijn. Dat zegt bijna elke schrijver, of die nu een beginner is of een gevestigde waarde. Andere schrijvers lezen inspireert, verrijkt, doet vergelijken en voedt ideeën. Dat is zo klaar als een klontje. Toch zijn er veel huis-tuin- en keukenschrijvers die dat niet echt nodig blijken te vinden en dan vaak komen aanzetten met erg amateuristische producten die alleen in een context van haast 'art brut' nog interessant te noemen zijn. Mijn vriend Fjodor moedigt mensen voortdurend aan om te lezen, ik zeg altijd dat ze vooral moeten blijven schrijven. Er valt voor beide benaderingen iets te zeggen.

Ik heb geen tijd om meer dan twee boeken per maand te lezen, en bovendien is mijn belangstelling te breed om te beperken tot het taalgebied van Claus en Mulisch. Ooit kreeg ik zelfs te horen dat ik moest ophouden met verborgen verwijzingen te weven naar oosterse filosofie of naar Amerikaanse science fiction omdat "niemand" dat kent. Wel ja. Ik zal even een geheim delen: de bredere Nederlandstalige literatuur en ik zullen nooit goede vrienden worden. Het is een feestje met verschillende kliekjes. Je hebt daar een hoop zelfreferentiële, pompeuze mensen die elkaar aftrekken in het snoeven, gnuiven en elkaar nog louter voor de vorm lijken te bekritiseren. Hier staat dan weer een kluit mensen die alles wat verschijnt krampachtig in een traditie wil gaan plaatsen. Je hebt tenslotte nog een paar schorre schreeuwlelijken die meer kabaal maken dan wat anders, zielige oude rockers eigenlijk. Ik ontsnap zelf niet aan die kritiek, veronderstel ik, maar ik neem er al genoegen mee dat ik literaire evenementen niet opvat als een verklede Waregem Koerse waar men komt etaleren hoe mooi gecultureerd men wel niet is. Ook daar zou ik maar wat graag aan willen ontsnappen.

Ik wil proberen stoppen met roken en een hartelijk vaarwel zeggen aan slechte gewoontes, maar dat gaat niet vanzelf, natuurlijk. De eerste maanden van het jaar liggen bezaaid met tweedehandsvoornemens en weinig verheffende zelfreflecties. Omdat ik naar de magische dertig toe aan het opschuiven ben, heb ik aanvaard dat verandering in stappen komt. Er komt waarschijnlijk geen enorme apocalyps van het systeem waar graag steentjes naar gooi. Ik zal niet morgen opstaan en een fonkelnieuwe, jonge gezonde god worden. Er is tijd voor nodig. De lawine is omgeruild voor de gletsjer. Misschien moet ik dan ook traag mijn grote ontsnapping plannen uit de stad die me steeds minder kan boeien. Elke dag een centimeter verschuiven. Elke euro die ik niet besteed aan roken, in een spaarfonds beleggen waarmee ik op termijn een schuiloord mee kan kopen elders. De vraag blijft waar. Londen of toch maar Antwerpen? Parijs, om het mezelf lastiger te maken, of Brussel, dat al buitenland is in eigen land. Misschien wordt het wel Berlijn maar strand ik onderweg in Bütgenbach. Ook goed.

De voorlaatste sigaret ligt uitgeduwd in de asbak, die straks terug in de kast gaat. Er is geen nieuw begin, geen closure. Maar diep vanbinnen ben ik afscheid beginnen nemen van mijn thuisstad, die er nu koud en verweesd bij staat. Letterlijk zei iemand me ooit dat ik "geen echte schrijver" was in vergelijking met iemand anders, omdat ik niet constant dronken was en geen marginaal was. Daarna had ik last van een acute esprit d'escalier, want ik had moeten zeggen dat iemand die zoiets zegt, "geen echte lezer" kan zijn. Wat wel waar is, is dat ik toch geen echte revolutionair ben, hoe graag ik er ook één had willen zijn. De dingen komen voortdurend, en ze komen traag. Dat is ok.

zaterdag 7 januari 2012

Orion

vonken spatten uit de hoofden -
hier wordt zeker niet gezwegen
en licht is overal voor wie zoekt
naar betaalbaar zonlicht 's nachts

dinsdag 3 januari 2012

Donning & Kruger (III)

Dit is het derde deel van mijn avonturen in corporate. Lees eerst deel I en II.

Begin 2008 vond Ilse dat we een tweede copywriter nodig hadden. Ik zag daar zelf het nut niet onmiddellijk van in. De was weliswaar hoog, maar kon lager indien Ilse en een paar andere overwerkte managers zelf niet de flessenhalzen vormden waar mijn letters en zinnen niet doorgeraakten (“kan daar nog niet iets bijgeperst worden over hoe goed dat rode draadje er uit ziet?”, “mja, nee, misschien moeten we toch weer een volledig andere focus nemen”, “maar je hebt niks gezegd over onze herontworpen lenskap!”). Bij deze opmerking hoort eigenlijk een andere opmerking: er wordt vaak geklaagd dat grote bedrijven te zwaar doorwegende, overbetaalde middenkaders hebben, terwijl mijn observatie hier eerder het tegendeel zou moeten bewijzen. Toch ontsnapte ook Donning & Kruger niet aan die wetmatigheid. Het is namelijk niet omdat een collega niet rondkomt met z’n werk, dat hij daarom per se overwerkt is. Daarover sprak ik eerder al in mijn aantekeningen over overwerk. Bij het middenkader van Donning & Kruger deed zich precies hetzelfde fenomeen voor: de competenten waren enorm overbelast en hadden dus absoluut geen tijd om grondig te kijken naar de tekst van een copywriter, en de incompetenten schopten het proces in de war met nutteloze commentaar, vertragingstactieken en andere afleidingsmanoeuvres in hun voortdurende strijd tegen de ontmaskering.
Het mocht allemaal niet baten, volgens Ilse was er te veel tekstwerk. Eind januari arriveerde de nieuwe collega.
Jane Darrow kwam uit Australië en was met haar man naar Noord-Frankrijk verhuisd omdat hij daar Engelse les zou komen geven. Ilse, met haar gebruikelijke gevoel voor apocalyptiek, zag in de komst van Jane een definitieve versterking van de copywriting met een moedertaalspreker.
Jane en ik konden het erg goed vinden met elkaar. Om die reden scheidde Ilse na een maand als een ware schooljuffrouw ook onze bureaus, omdat we regelmatig zaten te kletsen (roddelen). Als je je gedraagt als een scholier, word je ook zo behandeld. Intussen had ik geheel in die stijl een Ilse-bingo ontworpen, omdat het me niet meer kon schelen wat Ilse of anderen over me dachten. De bingo bevatte haar gebruikelijke maniërismen, stopwoorden, verhakkelde Engelse, Duitse of Spaanse stokpaardjes, en haar nerveuze ongrappigheid. Ik begon me ook te bezinnen op andere mogelijke practical jokes, zoals het bureau van Didier vol aluminium hangen (tot zijn nietjesmachine toe), of de vensters en deuren van Bernds bureau volplakken met isomo, waardoor het van de buitenkant leek of het volgestort was met piepschuim. Jammer genoeg had ik er de energie niet voor. De winter van 2008 was een gure, strenge winter met erg veel plensbuien, bussen die te laat waren, Ilse en haar mentale spruitjeslucht, en het gevoel dat ik vastzat in een afschuwelijk drijfzand waar elke korrel alleen de taal Corporate sprak, Corporate met een West-Vlaams accent.

In februari kwam er een nieuw project aanwaaien: de lokale HR-mensen wilden een interne nieuwsbrief gaan rondsturen. Dat er op dat ogenblik binnen onze divisie alleen al twee soorten interne nieuwsbrieven circuleerden, plus nog een viertal van andere divisies, dat was blijkbaar geen argument. Werknemers konden vast niet genoeg krijgen van al die nieuwsbrieven, ook als er helemaal niks te vertellen viel. Ik schreef in die periode dan ook eens een onverstuurde nepnieuwsbrief waarin ik beweerde dat Shun, onze Antwerpse Chinees, per ongeluk een salesdeal verpest had door scheten te laten, of dat Ehud boos was opgestapt na een zakenlunch toen iemand een mopje had gemaakt over de Mossad (dit vond drie jaar later overigens werkelijk plaats, alleen bleef Ehud zitten en kon hij er smakelijk om lachen). In de nepnieuwsbrief werd ook gelachen met het Jommekeskapsel van divisiepresident Didier en het franglais van onze Franse collega’s. Het moet de beste nieuwsbrief zijn die in die periode schreef.
Terug naar het project van human resources, dat blijkbaar snakte naar erkenning voor alles wat ze deden voor hun kuddes ingenieurs, salesmensen en het uitschot van marketing. Jane en ik verdeelden de onderwerpen. Ik was eerder klaar met de mijne en stuurde mijn deel door naar haar. Bij haar onderwerpen had ik open plekken ingevuld met kleine zinnetjes onzin. Voor het onderwerp ‘International sales meeting’ bijvoorbeeld had ik geschreven ‘Lots of fat people snoring’ of voor het jaarlijkse nieuwjaarsfeest ‘Free drinks on the CEO, hooray’. In een vlaag van verstrooidheid stuurde ik die versie door naar Rick in Amerika, omdat de HR-mensen daar nerveus waren geworden van het idee dat er interne HR-nieuwsbrieven gingen komen. Argeloze Rick stuurde dit door naar zijn eigen oversten zonder mijn tekst te bekijken, waardoor het terreuralarm daar volledig in het rood ging. Ik had namelijk van het voorwoord van afdelingshoofd Didier Verbruggen de volgende voorlopige zin gemaakt: ‘Didier announces his conversion to Islam. Death to America!’ Dit voorval zou vanaf dan gaan bekend staan als Islamgate, volledig conform de Amerikaanse sfeer waarin het baadde.

Ik werd gesommeerd naar het kantoor van de HR-verantwoordelijke, een potige dame waarmee ik al eerder in de clinch had gelegen omwille van het onredelijke punctualisme rond de taxidienst van en naar het station en die me er allicht van verdacht bewust de nieuwsbrief te willen saboteren. Dat mijn uitschuiver met de nieuwsbrief eerder het product was van intense verveling en een groeiend cynisme met hoe het er aan toe ging bij Donning & Kruger, dat kwam blijkbaar niet bij hen op. Om de waarheid te zeggen zei ik ook in het kantoor van HR, in aanwezigheid van Ilse, niet de waarheid. Ik ging er ten eerste al van uit dat men mij zou ontslaan, en ten tweede was ik al aan het uitkijken naar ander werk, tenzij ik wilde eindigen als de zoveelste zure, kromgetrokken Donning & Krugeriaan.
“Wat heb je hierop te zeggen?” wilde de HR-directeur weten.
“Wat kan ik zeggen? Dat het een domme fout was en dat het niet meer zal gebeuren,” zei ik gelaten.
“Het probleem is dat dit tot in Amerika geraakt is, en je weet hoe gevoelig men daar al was voor dit initiatief. En nu dit... wat als men denkt dat Didier echt moslim geworden is het de Verenigde Staten niet meer binnen mag?”
Ik moest een lach onderdrukken door het absurde idee dat men bij de grenscontrole zou staan zwaaien met een kladnieuwsbrief van Donning & Kruger waarin stond dat Didier, oerbrave Didier met zijn suskewietkapsel, een fundamentalistische moslim geworden was die ‘Death to America!’ geschreeuwd zou hebben.
“Is dat niet... nogal onwaarschijnlijk?”
“Je weet nooit!” zei de HR-verantwoordelijke. Ook Ilse knikte wijs, alsof ze tegenover iemand zat die helemaal nog niet wist hoe de wereld in elkaar zat.
“Goed,” zei ik, “ik wil me hier zeker niet voor verdedigen, want hier bestaat geen verdediging voor. Wat gebeurt er nu?”
Dat ik hiervoor niet ontslagen werd maar ervan af kwam met een blaam – een heerlijk woord, overigens – en een aangetekend schrijven, was wonderbaarlijk en had ik te danken aan twee toevalligheden die in dezelfde week plaats hadden gevonden.
Ten eerste was Ilse ervan overtuigd geraakt dat Jane en ik incompetente nietsnutten waren en had ze haar copywriting-messias gevonden in een onafhankelijk bureau. Ik had die bui al een tijdlang voelen hangen, hoewel Ilse in alle toonaarden ontkend had dat er iets op til was (“copywriting is wel het laatste dat ik zou uitbesteden!”). In mijn week afwezigheid die aan Islamgate vooraf was gegaan, echter, was gebleken dat dat bureau dan toch niet zo geweldig was. Het was niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat Ilse teleurgesteld zou zijn in externe bureaus, waarbij ze zich vast geen enkele keer de vraag stelde of die teleurstelling niet te wijten was aan haar eigen onmogelijkheid.
Ten tweede had Jane de dag dat Islamgate losbarstte, haar ontslag ingediend. De druppel voor Jane was een intense, agressieve meeting met Ilse geweest waarin onze onvolprezen chef op een nodeloos persoonlijke manier brandhout had gemaakt van alles waar Jane mee bezig was. Dat het geen gerucht was, kon ik ten overvloede bewijzen want Ilse had ook het tact gehad deze meeting te laten plaatsvinden aan ons bureau, waar iedereen alles kon horen. Exit Jane, die even later al terug het vliegtuig op zat naar Australië. Het was jammer voor haar dat haar beeld van Europa voorgoed bepaald zou zijn door de stedelijke agglomeratie Rijsel-Kortrijk. Het zou vast net zijn alsof ik naar Australië zou gaan en ik drie maand zou moeten kamperen in een buitenwijk van Sydney waar alleen de zogenaamde bogans wonen.

In 2008 droomde ik ook af en toe over Donning & Kruger. In één droom lag ik dronken in een goot en passeerde een hele parade aan collega’s die me afkeurend aankeek. Het ergste in die dromen waren hun stille gesprekken onder elkaar, de afkeuring en de veroordeling. Want ondanks alle kolder, mijn bingo’s, mijn mislukte practical jokes en mijn zwartgallige cynisme, had ik nog altijd een vorm van beroepseer en probeerde ik zo goed en zo kwaad ik kon mijn werk nuttig in te vullen. Tenslotte lag niet over alles wat ik deed de lange, gekrulde schaduw van Ilse.

Met Donning & Kruger ging het niet goed – al twee jaar op rij waren de resultaten slecht, en ook de voorspellingen voor het jaar erop zagen er somber uit. In de zomer kwam er een grote ontslaggolf op gang. Het is te zeggen, mensen werden druppelsgewijs ontslagen. De ene week werden twee oudere collega’s op brugpensioen gestuurd, een andere week hield er eentje het zelf voor bekeken (niet door zichzelf op te hangen, helaas), dan weer werd er een afdeling in Japan opgedoekt, daarna vond er een stoelendans onder managers plaats waarbij er één verdween met een gouden handdruk, en verderop werd er ook enkele collega’s onder tijdelijk contract een zak over hun hoofd getrokken en werden ze met een Mercedes met geblindeerde ramen weggevoerd naar een onbekende plek in een nabijgelegen bos. Die plakjes salami van het personeelsbestand afsnijden was zeer uitgekiend en vermeed een collectieve ontslagbemiddeling met de vakbond.
Bij ons was het oude Alfred die wegging, maar dat stond al lang in de sterren geschreven, en zijn vertrek viel eerder samen met de ontslagrondes dan dat het er veel mee te maken had. Daardoor viel een grote kostenpost weg voor marketing en mogelijk konden Elien en ik daardoor blijven. Ook van Ilse, de eeuwig rondcirkelende Stuka in aanvalsformatie, kwam er goed nieuws. We hadden in de wandelgangen opgevangen dat ze viste naar een vergelijkbare job bij een andere divisie. Elien en ik begrepen niet echt hoe ze er ook daar in zou slagen mensen om de tuin te leiden met retorische trucs en haar bekende combinatie van venijn en geslijm, maar blijkbaar werd ze serieus genomen als kandidate, wat voor ons een periode zou betekenen van perestroika en glasnost. Zo gebeurde het. Elien en ik verhuisden als ingekrompen marketingteam nadien naar het eiland van product management.
Bij de divisie van Donning & Kruger waar ik toen voor werkte, had product management een weinig benijdenswaardige job. Ze voelden voortdurend de geest van R&D-hoofd Henri Cattoir achter hun rug rondwaren, en de macht die hij had over vele andere machtigen binnen de divisie, waardoor product management vaak meer het gevoel had achter feiten aan te hollen dan om werkelijk te managen. De macht van R&D groeide echter nog door toen Didier wandelen werd gestuurd tijdens een wekelijkse ontslagronde. Bernd Aatz van sales, van zijn kant, vond dat zijn mensen zich helemaal niet met productkennis moesten inlaten. Zijn boutade was dan ook, in zijn flegmatieke Duitse accent: “een sales, die moet fe’kopen”.
De minst benijdenswaardige product manager van een toch al jammerlijke groep mensen was Frank. Hendrik en ik noemden Frank nooit bij zijn echte naam, maar hadden het over 'Gollem'. Gollem was een productmanager die letterlijk gebukt ging onder jaren van frustratie met het beleid van Donning & Kruger, zijn eigen werkverslaafde en meer geapprecieerde manager en het feit dat de wereld allicht tegen hem was. Dat ging van de kardinaal Richelieu die hoofd was van R&D en vond dat als zijn mannen een product konden maken, dat ze het ook moesten doen, of er nu vraag naar was of niet, tot Bernd en zijn macho salesbrigade die productmanagement overstelpten met onnozele vragen. Dat veroorzaakte ondermeer dat er een marketingmanager kloeg dat mijn brochures meer in technisch detail moesten gaan omdat onze eigen salesmensen anders niet genoeg verstonden, waaruit bleek dat de sales marketingmateriaal gebruikten om meer te leren over de producten die Donning & Kruger verkocht.

Hoewel ik nog steeds uitkeek naar ander werk, was ik terug meer van mijn job gaan houden door het verdwijnen van Ilse. Af en toe bereikten ons nog horrorverhalen over hoe ze als een harpij tekeer was gegaan op een meeting, of hoe ze een hele hoop ingenieurs tegen zich in het harnas had gejaagd door te getuigen van een ontstellend gebrek aan productkennis, maar het raakte ons niet meer. Product management liet het mini-marketingteam vooral zijn eigen ding doen, en het moet gezegd, dat deden we goed.

De onafhankelijkheidsbonanza had echter een beperkte houdbaarheidsdatum. We wisten dat men tegen begin 2009 alle marketingafdelinkjes wilde gaan samenvoegen tot één grote afdeling. Binnen de besparingsplannen die Donning & Kruger doorvoerde, was dat geen onverwachte zet. Ik zag die toekomst tegemoet met een milde berusting.
Mijn nieuwe chef zou vreemd genoeg de man worden die me in de eerste plaats had helpen aannemen, Luigi Bertoli, ondanks zijn naam een Vlaming pur sang, en ik zou ook nieuwe collega-copywriters krijgen van de andere divisies. Om al wat te proeven van dat nieuwe werkleven, bracht ik tegen december telkens een halve week door in de andere vestiging van Donning & Kruger, waar Bertoli zelf zat en ook het merendeel van mijn toekomstige collega’s. De sfeer was er opperbest, en hoe donker, mismoedig en zwartgallig 2008 begonnen was, des te beter leek het te gaan eindigen.