Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 1 november 2018

Lelijk

In een losse joggingbroek en met een t-shirt dat eigenlijk deel is van een pyjama stap ik uit m'n auto en ga ik de supermarkt binnen. Er heerst de typische vooravonddrukte. Deze supermarkt is gemiddeld iets duurder dan een andere supermarkt die dichterbij is, maar hij is beter ingedeeld en ik vind het kassapersoneel er iets professioneler. In de dichtere supermarkt werken onder andere een vrouw die alles wat ze zegt, roept met een accent alsof ze van de rurale rand rond Gent komt, en een mooi meisje dat zo dom als een steen is (na twee jaar weet ze nog altijd niet waar het vodkamerk dat ik altijd koop achter haar staat, hoewel de positie van die flessen al twee jaar ongewijzigd is). Ik snak vaak naar verpozing van deze wereld der vreselijkste banaliteiten. Ik verlang naar schoonheid.

Tot op zekere hoogte is schoonheid subjectief - een combinatie van culturele verwachtingspatronen en ingeëtste gedragsvormen in ons DNA. De meeste mensen zullen een weids berglandschap mooier vinden dan een beeld van een vuilnisbelt. Esthetiek kan zeer wisselend zijn per cultuur: sommige culturen vinden nekringen die vrouwelijke halzen onnatuurlijk uitrekken aantrekkelijk, voor andere culturen speelt make-up dan weer een grote rol. In sommige regio's is een wat zwaardere, weldoorvoede man aantrekkelijk als symbool van sociale status en rijkdom, elders is hij een te vermijden loser die niet genoeg zelfdiscipline heeft. In de supermarkt is de variëteit aan uiterlijkheden een gegeven. Niet alleen in de rekken en de belichting, maar ook in de klanten. En ik vind alles zo lelijk, zo veraf en toch weer te dichtbij.

In dit tijdperk, waarin bijna elke locatie op de wereld zo snel zo dichtbij kan komen, valt me inderdaad vooral de lelijkheid op van alles. Noem het overgevoelig zijn, of hoogsensitief, of snobistisch. Ik heb het niet enkel over fysieke lelijkheid van smakeloze huizen, slecht bij elkaar passende outfits of vluchtige modetrends die enkel de 1% van natuurlijk ragfijne modellen goed staan. Ik heb het daarbij ook over de innerlijke lelijkheid van zo veel mensen en de producten die deze wereld bevolken. Op de muziek in de supermarkt speelt 'One kiss' van Calvin Harris en Dua Lipa, en ik vind het een lelijk nummer, geproducet alsof het een achterafnummertje is voor een cocktailbar waar je enkel op uitnodiging komt om je te zitten vervelen met veel te dure daiquiri's. De tekst is lelijk - "I look like all you need", hoe narcistisch kan je zijn. En het stelt me teleur omdat ik andere nummers van Dua Lipa wel erg leuk vond.

De salades in plastic potjes zijn lelijk. Ik weet niet wat er allemaal in zit en misschien wil ik dat ook niet weten, gemaakt als ze zijn in fabrieken met lelijke arbeidscondities, maar niet zo lelijk als die in Bangladesh natuurlijk. Maar laten we de lat vooral niet te laag leggen. Met genoeg optimisme en voldoende roze brillen is immers iedereen buiten Hitler, Stalin en Pol Pot een kandidaat voor de Nobelprijs van de Vrede.

Lelijkheid sijpelt overal naar binnen door de muren van dit bestaan. Het rolt van de sociale media, waar het oprechte verlangen van veel mensen om goed te zijn en een verschil te maken soms lijkt uit te monden in een race naar een aureool, maar weet dat ook jouw stront stinkt. Maar erger nog zijn mensen die een pervers soort trots putten uit hun leugenachtigheid, hatelijkheid en kleinheid. Ik word er soms ziek van, hoe de ene na de andere beunhaas ergens in de media wederzijds handjobs uitwisselt met een zelfgenoegzame keure aan mediafiguren die al lang een veel te kleine bubbel bevolken met middelgrote visjes en zichzelf een walvis wanen.

Ik ben deel van die lelijkheid. Ik kies voorverpakt vlees uit, los uit gewoonte, terwijl ik beter zou moeten weten. En ik probeer m'n best te doen om al die verpletterende individuele verantwoordelijkheid toch nog op te vangen door op andere vlakken te letten op wat ik koop en consumeer, dat ik vooral probeer om de medemenselijkheid te zien van alle anderen, of een klare kijk te krijgen op de structuren van macht die ons inkapselen. Toch is die medemenselijkheid ver als ik aan de kassa kom en een oudere dame de rij rustig ophoudt met tienduizend vragen over bons voor brol die ze wellicht niet nodig heeft en dan natuurlijk betaalt in cash. Het is een cliché dat de oudjes supermarkten bezoeken als het werkvolk terug naar huis komt, als was het om ons te pesten. Maar de droeve waarheid is misschien ook dat ze dan voelen dat ze onder de mensen zijn.

Mijn auto is lelijk. Alle auto's zijn lelijk door die uitlaatgassen die ze de lucht in pompen. Ten andere ben ik herhaaldelijk taxi geweest voor vrienden en kennissen die zich anders beroemen op hun autoloosheid. Doe je ook veel mee voor het milieu als je dan vier of vijf keer per jaar het vliegtuig neemt. Maar dit kaatsspel van wederzijdse verwijten heeft maar één winnaar: het systeem. De atomisering van collectieve problemen maakt het ons zo moeilijk om uit dit verstrikkende denkkader te breken.

Lelijk zijn de armoede en de sloppenwijken overal ter wereld, de betonnen grafkelders van communisme en corruptie, de vulgaire en schreeuwerige glamour van roddelblaadjes en Las Vegas, en ga zo maar verder. De betreurde dichter Menno Wigman schreef ooit: "in Petten zijn de mooiste huizen grijs / in Petten spookt het van oneindigheid". Dat gedicht deed alle haartjes op mijn armen en in mijn nek overeind staan. Ik ga deze wereld ooit verlaten, en ofwel gaat die oneindigheid van supermarktrekken er nog altijd in doorgaan, ofwel zal ik in hetzelfde puin liggen als de as en het stof van een globale implosie.

Hertog Maximiliaan van Boergondië was de laatste jaren van zijn leven volgens zijn biografen "morbide depressief". Hij reisde overal met zijn doodskist mee in een sombere koets, en droeg in zijn testament zijn familie op om zijn tanden uit te slaan, hem te geselen en hem te bedekken met as, om hem tenslotte tentoon te stellen aan het volk, om het te doordringen van zijn eigen vergankelijkheid. Natuurlijk had hij ook kunnen kiezen om het besef van sterfelijkheid om te zetten in een globaal medeleven met de vaak deplorabele condities van zijn onderdanen, maar een soort fatalistisch zombie-cabaret opvoeren leek hem interessanter. Tussen die twee polen zit ik ook gevangen. Intussen rijk ik de parking af. De bonnetjeskoningin van zoëven waggelt trots voorbij. Er hangt vogelkak aan mijn auto.

Ik herinner me plots een meisje van m’n middelbare school dat ik schattig vond. Ik denk niet dat veel jongens haar leuk zouden gevonden hebben. Maar ik vond dat ze dat iets had. Soms ben ik ook opgewonden geworden door vrouwen die conventioneel zouden gelden als lelijk, net zo goed als ik zo koud bleef als een ijsklomp onder de charmes van vrouwen die algemeen wel golden als sexy of mooi. Schoonheid is gelukkig niet alleen wat de maatschappij zegt en daar dank ik dan weer het individualisme voor. In de achteruitkijkspiegel zie ik een deel van m’n eigen hoofd, met al dat wilde haar, die bleke smoel en die stevige neus. Schoonheid vinden in mezelf zal me wel nooit lukken. Misschien daarom dat ik er zo verslaafd aan ben. Woestijnen hebben immers ook een eeuwige dorst.

vrijdag 31 augustus 2018

Soms voel ik hem dromen

Hij is 11 jaar en slaapt graag bij mij, vooral als ik een dutje doe. Dan gaat hij vaak met zijn rug tegen me aan liggen, of krult hij zich op in de kom van mijn schouder, soms met zijn kopje op m'n arm of zijn voorpootjes. In mijn teksten noem ik hem Tyr, wat niet zijn echte naam is, maar vaak noem ik hem "patatje". Hij is wat te dik en er schort wat aan zijn urinewegen, maar voorts is hij een gezonde, actieve kater. Een rosse met een witte 'schort', zoals er tienduizenden zijn in de wereld. Het opvallendste aan hem zijn zijn grote, amberkleurige ogen.

Soms kijken we samen televisie. Alleen natuurdocumentaires zijn uit den boze, want als hij vogeltjes hoort fluiten, valt hij de tv aan. Is het raar om zo lyrisch te zijn over wat uiteindelijk maar een huisdier is? Ik vind van niet. Hij is er altijd als ik thuis kom, en als ik op reis ben geweest geeft hij voortdurend kopjes en kirt hij van blijdschap. Het schijnt dat huisdieren een goed hulpmiddel zijn tegen depressies, en dat kan ik best geloven.

Oorspronkelijk kwam Tyr uit een halfwilde nest bij de ouders van mijn eerste huisgenoot. Hij was nog maar twee weken oud, schatte de dierenarts, dus eigenlijk te jong om al weggehaald te worden. Ik leerde hem naar toilet gaan en leerde hem eten, en was erbij toen hij zijn eerste ronkje liet horen, terwijl hij nog volledig in mijn handpalm paste. Nu is hij 8kg en van kop tot staart een halve meter lang, en daardoor vind ik elke andere kat een klein beestje of denk ik ten onrechte dat het een semi-kitten is.

Door zijn opvoeding van mensen heeft hij een paar gekke trekken: hij zit graag in bad en speelt graag met water. Hij wil opgepikt worden als een baby, wat andere katten normaal haten. En als er bezoek is, dan slooft hij zich uit om te showen. Dan miauwt hij luid als hij eten gaat krijgen, ligt hij graag in het centrum van de aandacht op de vloer, of eist hij de aandacht op door op sommige van mijn vrienden te gaan zitten. Dan zeggen mijn vrienden dat hij aardt naar zijn baasje, die ook graag de show steelt. Dat kan. Bij de dierenarts hadden ze het nog nooit meegemaakt: een kat die enkel naar toilet wilde als er een publiek bij was.

Als hij slaapt bij mij, voel ik hem soms dromen door zijn korte grommetjes of onwillekeurige bewegingen van zijn pootjes. Ik vraag me dan af waarover hij droomt. Over zijn vorige woonsten (hij is al twee keer verhuisd)? Over mij of familie en vrienden van me? Of over die ene keer dat hij een hond zag, laag gromde met zijn haar omhoog en daarna als een doodsbang kuikentje met kloppend hartje in mijn armen zat?

Niet alle helden dragen capes. En hij is een beetje mijn kleine held, mijn kleine man. Flink en trots ligt hij vaak aan mijn voeten, rustig genietend van de beste stralen zonlicht, of tevreden toekijkend terwijl ik gasten entertain. Met hem ben ik nooit echt alleen.

zaterdag 28 juli 2018

Caesar trok af met zijn manschappen

Onlangs zat ik op een barbecue bij vrienden, waar een vriendin opmerkte dat er met mij geen middenweg mogelijk lijkt. Ofwel discussieer ik met veel passie over de implicaties van het boeddhistische concept van anatman voor de taalspel-theorie van Wittgenstein, ofwel zit ik me te verlustigen in scatologische of puberale jongensgrappen. En ja, ik moet ook nog altijd lachen met namen als het Titicaca-meer, Honoré de Balzac of ongelukkige ouderwetse vertalingen zoals in de titel van dit stukje.

Toch is dat niet zo raar allemaal, denk ik als ik later door een loden nachthitte naar huis wandel langs het kanaal. Markies de Sade was ook tegelijk een intellectueel en een enorme goorlap. James Joyce, één van de grootste schrijvers aller tijden, schreef de meest ranzige brieven aan zijn vrouw, en muzikaal genie Mozart was verlekkerd op alles dat met pipi te maken had. Geen grootsheid zonder diepe bodem, of, zoals de charlatan van een Jung het stelde (en ik parafraseer): hoe grootser de persoon, hoe langer de schaduw.

Ik passeer een late fietser in sporttenue. Geen goed idee, denk ik, maar zotten hou je niet tegen. Misschien is hij geïnspireerd door de Tour de France. Wielrennen boeit me niet, maar wat me elk jaar wel opvalt is hoe ontzettend zwaar die koers is. Misschien te zwaar. Te lang. En om bij grootsheid te blijven, vraag ik me af of die theorie klopt over de giganten van de sport. Liet Michael Schumacher zich graag in een pamper behandelen als een baby? Zou Serena Williams een fetisj hebben voor vieze oude voeten? Dat lijkt me minder waarschijnlijk, om de één of andere reden.

Wat ook niet klopt is dat openbare monsters ergens een tegenovergestelde verfijnde kant hebben. Slechte en domme mensen zijn doorgaans vrij eendimensionaal. Het is genoegzaam bekend dat Hitler een enorm banale smaak had in kunst, cuisine en muziek. Als je kijkt naar Trump zie je ook constant meer geld dan goede smaak. Maar ja, voor dat soort lui valt geld samen met smaak, of is macht smaak.

Weinig bewolking maar ook weinig sterren. Wanneer zou 'ster' zijn figuurlijke betekenis hebben gekregen voor een beroemdheid? Natuurlijk vernoemden de Oude Grieken en Babyloniërs al sterren en sterrenbeelden naar hun mythische personages en goden, maar ze zouden het niet in hun hoofd gehaald hebben om een ster te noemen naar een Plato of zelfs een heerser als Hammoerabi. Onze eigen - overdrachtelijke - sterren zijn mensen van vlees en bloed, maar alweer geen intellectuelen. Ja, Stephen Hawking was wereldberoemd, maar het verschil tussen het aantal mensen die hem kan identificeren op een foto en wie een boek van hem gelezen heeft, zal erg groot zijn.

Misschien dat de tweespalt tussen de verheven geest en de bizarre fascinatie met het abjecte en het taboe bij een diepere denker or artiest onvermijdelijk is. Nieuw territorium bestaat immers in beide richtingen. Zelfs Isaac Newton, een briljant wiskundige en de vader van de moderne fysica, geloofde tezelfdertijd in alchemie. Zijn Duitse evenknie Leibniz was een even geniale wiskundige maar flanste een filosofie in elkaar die bijna komisch is in haar potsierlijkheid.

Maar wat is nu dan grootsheid? Ik had het er vorige week nog over met Roman terwijl we in de luwte bier dronken onder een boom op de Gentse Feesten. Wellicht is groots zijn niet bier drinken onder een boom op de Gentse Feesten, noch is het hevig zwetend uit alle poriën naar huis wandelen 's nachts. Maar we waren het erover eens dat wat het genie onderscheidt van de rest, een soort consistent excelleren is in één of meerdere gebieden, vaak al vanaf de jeugd, plus het vermogen om die uitmuntendheid te demonstreren.

Bij sportlui kan je dat natuurlijk opvangen met statistieken, maar bij pakweg een Einstein of Curie kan je dat niet afmeten. Het is vaak pionierswerk dat genieën doen, soms in en soms ondanks de Zeitgeist waarin ze opereren. Bij leven werd Picasso wijd en zijd erkend als geniaal, maar voor zowel Kafka als Van Gogh was het kinnenklop. Soms zeggen mensen dat ook tegen mij om mij troost te bieden: ach, als schrijver kan je gelijk wanneer debuteren en een groter publiek vinden. Dat is misschien wel waar, maar een lijk kan je geen plezier doen met succes, en het is ook niet dat ik zit te wachten op succes - laat staan een bonafide ster worden - maar wat meer weerklank mag wel.

De jeugdige overmoed om mezelf te gaan bij zetten in who's who van de genieën der eeuwen heb ik al lang opgegeven. Ten eerste omdat iedereen toch ooit vergeten wordt, en vroeger of later maakt in het kader van die onnozele speldenkop hier in een eindeloos heelal zo goed als niets uit. Voor sommige mensen is die relatieve, haast absurde kleinheid van het individu tegenover die kosmische krachten angstaanjagend, maar ik put er een gevoel van troost uit. En des te meer het idee dat we ons op deze speldekop niet al te veel hoeven aan te trekken van nutteloze conventies en mak de massa volgen. 

En des te meerder (taalnazi's mogen nu een spontaan aneurysma krijgen) dat wat echt telt, is of je het leven van jezelf en je medemensen een beter leven hebt gemaakt. Ook als dat is door nog altijd te gniffelen met Caesar die aftrok met zijn manschappen.

In mijn late tienerjaren schreef ik ooit een pornoverhaal. Boris vroeg me ooit om te kiezen tussen na mijn dood onmiddellijk vergeten worden, of eeuwenlange postume roem te krijgen voor mijn porno. Ik antwoordde geschrokken dat ik dan liever vergeten zou worden, maar onderhand denk ik er anders over. Tenslotte kan dat ook mensen blijer maken in hun leven. Ik zou liever zien dat ze blij worden van mijn ernstige teksten of mijn verhalen, of desnoods anekdotes die na mijn verscheiden verder leven, maar als het moet met porno, dan maar porno.

zaterdag 5 mei 2018

Anton in Malta - Dag 5 en 6

“Ik moest van de paus, sorry.”

Voor het eerst deze reis ben ik voor Jeltsin uit de veren. Ik kijk door de voordeur en zie een bonte optocht schoolkinderen, waarvan er enkele verkleed zijn en ook in hun kielzog een paar verklede volwassenen hebben die meelopen, vast voor één of andere religieuze evocatie. Wat religie betreft, gaan we vandaag dus Mdina opzoeken, de oudste nog bewoonde stad op het eiland, en vroeger tevens de hoofdstad van het eiland. Als bijnaam heeft de stad ‘De Stille Stad’, een verwijzing naar haar vergane glorie, toen eerst Birgu en dan Valletta belangrijker werden. Toch bleef Mdina een belangrijk religieus centrum en woonde veel adellijk volk in de historische stad.

De naamsgelijkenis van Mdina met Medina in Saoedi-Arabië is niet toevallig, want ze komen van hetzelfde woord. Om de verwarring nog groter te maken, ligt Mdina tegenwoordig in een stad die Rabat heet, net als de hoofdstad van Marokko. Toch is er in het stadje, dat we erg vlot bereiken (“Malta is echt maar een schotelvod groot!” zegt Jeltsin meerdere keren), niets van Arabische sferen te bemerken. In de Stille Stad treffen we brede pleinen met majestueuze kathedralen, herenhuizen en kanonnen aan, allemaal uit zandsteen (behalve de kanonnen). In de nauwe winkelsteegjes errond mogen gek genoeg ook auto’s rijden. Bij die chauffeurs zit er ook een rare dikke man met een cowboyhoed en een hond, die vanuit zijn open vensters op een terroriserend hoog volume de Sirtaki afspeelt in zijn wagen.

Jeltsin vraagt hoe het zit met mijn enorme pot olijven, en ik beken dat die in de koelkast in Senglea staat te verpieteren. I fought a jar of olives, and the jar of olives won. Lunchen doen we in het nogal chique restaurant Bacchus, dat zich netjes binnen de Middeleeuwse omwallingen bevindt van de stad. Het eten komt traag, maar het is de moeite. Hete tomatensoep geserveerd in een versgebakken brood, en een zalmfilet met een korstje van olijventapenade. Het kost wat meer dan elders op Malta, maar naar Belgische normen nog altijd heel betaalbaar. 

In Mdina zijn veel toeristen, voornamelijk Britten en Italianen. Ook niet toevallig dat we hier onder de Italianen pieken waarnemen in mooie vrouwen. Jeltsin en ik hebben een zwak voor le bellezze van de Laars, maar hij heeft een streep voor omdat hij ook Italiaans spreekt. Met mijn Duits zal ik niet veel bereiken. Op het centrale pleintje van Mdina zie je oude Maltezen op bankjes zitten en ongestoord kletsen met elkaar, zoals ze dat hier wellicht al generaties lang doen. Voor stilzitten hebben we nu echter niet veel tijd, want we vallen kort daarna binnen in het Domus Romana, de restanten van een Romeinse villa die bijna per ongeluk werden opgegraven aan het eind van de 19de eeuw.

Al ben ik niet onbeslagen in historische kennis, Jeltsin is een gediplomeerde historicus en dus een goeie bron van bijkomende informatie in het kleine museum. Hij is verwonderd dat keizer Frederick II indertijd de Joden en moslims verjoeg van Malta, omdat de vorst in de geschiedenis als eerder verdraagzaam bekend stond. Jeltsin vertelt een amusante anekdote van Frederick II die tegen zijn zin op kruistocht ging om de paus een plezier te doen, en het dan met de lokale emir van Jeruzalem op een akkoordje gooide om niet te moeten vechten: de emir zat immers ook niet te wachten op oorlog. Ik beeld het me bijna als een farcicale sketch in, waar Frederick zucht tegen de emir “ja sorry, ik moest van de paus, maar ik heb hier écht geen zin in.”

Pronkstuk van de opgegraven ruïne is een goed bewaarde vloermozaïek die met heel veel kunde in elkaar gestoken is en zelfs een licht 3D-effect oplevert. Daarbuiten is er niet zo veel te zien, en het museum heeft ook geen overdreven toeloop aan bezoekers.

Daarna vereren we de catacomben van Sint-Paulus met een bezoekje. Volgens de overlevering zou Paulus hier aangespoeld zijn en al snel werk gemaakt hebben van bekeringen op het eiland, wat het één van de oudste christelijke centra maakt in het Westen. Paulus wordt hier traditioneel afgebeeld met een zwaard. In één standbeeld stoppen we hem een smartphone in de handen als niemand het ziet, en nemen we een foto. Voor de rest zijn er veel Romeinse inscripties, ingebeitelde woorden van pauzen die het land bezochten, en een amalgaam aan religieuze kitsch, schilderijen van streng ogende prelaten en imitatie-Renaissancekunst van de tweede garnituur.

Nadat we uit de catacomben zijn eten we op het plein een ijsje in een gelateria waar de opdiener een Italiaan is. “Excuseer me, maar ben jij toevallig Italiaans?” vraagt Jeltsin aan de ober, die flegmatiek antwoordt “Nee, ik kom uit Japan.” Het ijs is er overheerlijk en meer dan welkom op een erg warme dag als vandaag.

’s Avonds rijden we terug naar Valletta, waar Jeltsin graag een aanbeveling van TripAdvisor wil uitproberen: Adesso, een vrij chique restaurant in het centrum van de stad. We zijn er om 20:00 de eerste klanten. De patron neemt de tijd om alles uit te leggen over de menukaart en waar alle ingrediënten vandaan komen. Niet voor de eerste keer valt me op dat ze in Malta vaak gestoomde groenten op een bordje apart serveren. Niet mis. Terwijl we weten horen we uit de verte een gedurig gebonk komen van in het gebouw. Blijkbaar deelt het restaurant zijn behuizing met een nachtclub. We overwegen om die even te verkennen na het eten, maar besluiten daar toch maar tegen als blijkt dat het er eivol zit en de muziek er veel te luid is. In de plaats daarvan maken we een wandeling tot aan de dokken van Valletta, die er een stuk armzaliger uitzien dan het opgeschoonde en hippe centrum. Er is bijna niemand op straat en de huizen hier zien er slechter onderhouden uit. De lagere school heeft tralies aan de ramen. Waarom?

Op de terugweg moet Jeltsin een spurt inzetten naar Adesso, want we zijn daar onze GPS vergeten. Ik maak van de gelegenheid gebruik nog wat verder te wandelen en passeer onder meer aan een parochiaal centrum dat herinneringen oproept aan mijn kindertijd op het platteland, en een avondlijke blaaskapel die één of andere lokale heilige vereert.

Terug in Senglea zitten we weer in dezelfde bodega als gisteren, en de bazin komt even babbelen met ons. Ze vertelt dat ze vroeger zelf een restaurantje had in Mdina maar dat de uren haar te lang waren. Ze vertelt ons ook dat je hier in het haventje van Senglea voor een euro of drie aan een particulier kan vragen om overgezet te worden naar Valletta. Hadden we dat maar eerder geweten! De bazin vertelt over haar kinderen, die allemaal werken of studeren in het buitenland. Zelf is ze te gehecht aan Malta, en ik kan zien waarom. Het is een avond met een lichte zweem van melancholie, en ik kan niet goed uitleggen waarom.

De dag nadien vertrekken we alweer terug naar België, maar niet vooraleer we een militair museum bezocht hebben in Valletta, gevestigd in het voormalige wapendepot, waar allerlei oude harnassen, ridderhelmen, speren en musketten uitgestald staan. Er is ook een sectie gewijd aan de strijduitrusting van Ottomaanse soldaten en ruiters. Wat me opnieuw opvalt is hoe klein Maltezen waren. Ik toren zelfs uit boven een volledig opgesteld harnas dat al op een voetstuk staat. Sommige harnassen hebben inslagen van kogels, andere zijn dan weer gemaakt met een ongelooflijke aandacht voor detail, met fijne graveringen, merktekens en heraldische miniaturen.

Om te lunchen stoppen we bij een ander eethuisje dat TripAdvisor aanbeveelt, Dimitri, een klein restaurantje met slechts drie tafels, dat geregeerd wordt door de eponieme chef, een beer van een vent met ondeugende blauwe ogen en een blonde baard. Zijn accent is niet Maltees. We vermoeden dat hij misschien een Bulgaar of een Serviër is. We eten er voortreffelijk, en Dimitri zelf rijst regelmatig op vanuit de keuken in de kelder om te komen babbelen met zijn tafelgasten. We zitten naast een paar oudere Engelse dames die deze avond in een koor gaan optreden in één van de talloze kerken van Malta, en tijdens de lunch passeert er een statige rouwstoet door de straat. De sveer is goud. Er zijn ook Franse toeristen. Dimitri denkt dat Frankrijk het WK Voetbal zal winnen.

Als sluitstuk laten we door een andere toerist een foto van ons nemen tussen twee leeuwenstandbeelden, als de wereldbazen die we zijn. Daarna moeten we naar Luqa om de huurauto af te zetten en in te checken. De jongen van het wagenpark handelt met mij enkele formaliteiten af voor de beschadigde zijspiegel. Eens ingecheckt en wel drinken we elk nog een grote frisse pint Cisk op een buitenterras van de luchthaven, en nemen we de tijd om tussen fluitende vogels en kirrend personeel het eiland een beetje te laten bezinken.

donderdag 3 mei 2018

Anton in Malta - Dag 4

Gozo-journalisme

Onze vierde dag is gereserveerd voor Gozo, het kleine eilandje ten noordwesten van Malta zelf, maar wel nog steeds het tweede grootste eiland van het land. De rit naar de haven duurt een halfuur, en eens op de boot leven Jeltsin en ik ons uit op het dek. Er staat een sterke wind en een stevige stroming, en alsof het een pretpark is, bewegen we mee op en neer met de steven en de golven. Zieke witte toeristen? Hell no, we zijn volop native aan het gaan.

In het Maltees heet Gozo ‘Għawdex’, dat je uitspreekt als ‘Awdesh’. Het is veel ruraler dan Malta, met landbouwterrassen, wijngaarden en brakke stukken land. We merken ook op dat ondanks de EU-subsidies die gezorgd hebben voor betere wegen en mondainere winkelstraten, er erg veel panden te koop staan. Ik zie in vastgoed op Gozo nog een aantrekkelijke pied-à-terre, maar Jeltsin denkt er het zijne van. Hij heeft nog gewoond in Australië, Italië en Ierland, en zegt dat hier wellicht erg weinig te beleven valt. Misschien is dat wel waar. Maar het is hier mooi en relatief rustig. 

We rijden naar een megalithische ruïne, maar die blijkt gesloten. Een erg vriendelijke dame in een souvernishop zegt ons dat de meeste plaatsen op Gozo al gesloten zijn vanaf halfvijf. Misschien zijn de mensen die van hun vastgoed af willen allemaal nachtmensen. Intussen blijft Jeltsin berichten heen en weer sturen met zijn potentiële dates, maar tijdens onze terugvaart drogen beide conversaties op. 

We trekken het ons niet aan en drinken koffie. De oversteek terug duurt amper 20 minuten, en spoedig zijn we weer op weg naar ons huisje. Buiten een levensecht standbeeld van paus Johannes-Paulus II was er op Gozo niet zo veel voor ons, maar we zijn toch even buiten Malta zelf geweest.

Ik maak in Senglea een bevoorradingsstop bij de superette die zichzelf de ‘Surprise Market’ noemt. Veel verrassingen vind ik er niet, buiten dat ze geen sigaretten verkopen. Ik koop er water en wat frisdrank. Fanta ziet er op Malta veel oranjer uit dan in België, zo blijkt. En flessenwater is hier een noodzaak, want hoewel Jeltsin en ik niet zeker zijn of we hier van kraantjeswater diarree zouden krijgen, is de smaak ervan ronduit ranzig (voor u getest bij het tandenpoetsen).

Terwijl Jeltsin een dutje doet sta ik in het deurgat van ons huisje te roken. Britse toeristen vragen me de weg naar het gemeentehuis. Ik reageer laconiek dat ze beter eens gaan kijken bij de socialisten of de katholieken, die weer verzamelen geblazen hebben in hun eigen cafés. Er klinkt muziek uit de verte, en verderop in de straat staan enkele Maltese kinderen spontaan een beetje te dansen. In Senglea zie je niet veel mensen van onze leeftijd. Ofwel zijn ze veel jonger, of veel ouder, op de knappe apothekeres van de overkant na.

Nadat Jeltsin terug wakker is en we gaan eten in hetzelfde restaurant als gisteren, belanden we in een andere lokale bar, een soort bodega op een verhoogde baan die uitzicht biedt over de andere waterkantbars en het water zelf. Het is een erg rustige avond. In de bar zitten vooral oudere Britse expats. “Expats,” zegt Jeltsin, “da’s toch een typische racistische term, niet? Expats zijn enkel witte mensen, de rest zijn migranten of gastarbeiders.” Ik werp op dat een expat meestal tijdelijk verblijft in een ander land, terwijl migranten er zich willen vestigen. “Maakt dat uit als een zogenaamde expat ergens 15 jaar blijft hangen?”

Aan de bar passeert er plots een bedelaar, een jonge man die zich vriendelijk als Danny introduceert en vraagt naar muntstukjes. Ik geef hem mijn intussen eivolle buidel klein grut. Het is de eerste en laatste bedelaar die we tegenkomen op Malta. Tot hier toe hadden we geen daklozen gezien, ook. De gemiddelde Maltees lijkt me niet rijk, maar van extreme armoede hebben we geen spoor gezien. Natuurlijk kunnen we ons vergissen, maar het lijkt ons dat de samenleving hier al bij al tamelijk egalitair is. Al loeren logge machtsstructuren altijd om de hoek: in het museum over Wereldoorlog II lazen we dat vele Maltezen lang ongeletterd waren en leefden onder de strenge knoet van de Kerk.

Jeltsins potentiële date is volledig uit de ether verdwenen, maar hij neemt het lankmoedig op. We drinken er één en we drinken er twee op het terrasje van de bodega, tot we besluiten naar huis te gaan omdat we de laatste klanten zijn die er nog zitten en we de uitbaatster van de bar niet te veel extra werk en te weinig slaap willen bezorgen. Thuis verdwijnt Jeltsin na nog een afzakkertje naar zijn slaapkamer, terwijl ik beneden achterblijf om nog wat te lezen en te schrijven.

Malta is zich sneller onder mijn huid aan het nestelen dan ik ooit gedacht had. Ik hou van de huizen en kerken uit zandsteen, het altijd dichtbije water en de smoezelige winkeltjes. De mensen zijn er luid, maar opgewekt en beleefd. Trots op hun unieke geschiedenis ook, en terecht. Ik heb weinig gebouwen gezien die me jonger leken dan 50 jaar, op het volledig vernieuwde centrum van Valletta na. Intussen heb ik dan toch beet op een dating-app, maar de Maltese in kwestie zit momenteel in Stockholm en komt pas terug de dag nadat wij weg zijn. Misschien best. Door de warmte en de klamheid van mijn slaapkelder voel ik me niet hygiënisch genoeg om hier te daten.

En morgen is onze laatste volle dag voor we weer naar België moeten. Ik kijk er naar uit om mijn huiskater Tyr terug te zien en te aaien, en we hebben een vrij rustige dag gepland in Mdina, in het centrum van Malta, waar onder andere ruïnes van een Romeinse villa te zien zouden zijn, en de catacomben van de apostel Paulus, die ooit schipbreuk leed op Malta en daar prompt een heilige werd.

Verder naar het laatste deel.