Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zaterdag 5 mei 2018

Anton in Malta - Dag 5 en 6

“Ik moest van de paus, sorry.”

Voor het eerst deze reis ben ik voor Jeltsin uit de veren. Ik kijk door de voordeur en zie een bonte optocht schoolkinderen, waarvan er enkele verkleed zijn en ook in hun kielzog een paar verklede volwassenen hebben die meelopen, vast voor één of andere religieuze evocatie. Wat religie betreft, gaan we vandaag dus Mdina opzoeken, de oudste nog bewoonde stad op het eiland, en vroeger tevens de hoofdstad van het eiland. Als bijnaam heeft de stad ‘De Stille Stad’, een verwijzing naar haar vergane glorie, toen eerst Birgu en dan Valletta belangrijker werden. Toch bleef Mdina een belangrijk religieus centrum en woonde veel adellijk volk in de historische stad.

De naamsgelijkenis van Mdina met Medina in Saoedi-Arabië is niet toevallig, want ze komen van hetzelfde woord. Om de verwarring nog groter te maken, ligt Mdina tegenwoordig in een stad die Rabat heet, net als de hoofdstad van Marokko. Toch is er in het stadje, dat we erg vlot bereiken (“Malta is echt maar een schotelvod groot!” zegt Jeltsin meerdere keren), niets van Arabische sferen te bemerken. In de Stille Stad treffen we brede pleinen met majestueuze kathedralen, herenhuizen en kanonnen aan, allemaal uit zandsteen (behalve de kanonnen). In de nauwe winkelsteegjes errond mogen gek genoeg ook auto’s rijden. Bij die chauffeurs zit er ook een rare dikke man met een cowboyhoed en een hond, die vanuit zijn open vensters op een terroriserend hoog volume de Sirtaki afspeelt in zijn wagen.

Jeltsin vraagt hoe het zit met mijn enorme pot olijven, en ik beken dat die in de koelkast in Senglea staat te verpieteren. I fought a jar of olives, and the jar of olives won. Lunchen doen we in het nogal chique restaurant Bacchus, dat zich netjes binnen de Middeleeuwse omwallingen bevindt van de stad. Het eten komt traag, maar het is de moeite. Hete tomatensoep geserveerd in een versgebakken brood, en een zalmfilet met een korstje van olijventapenade. Het kost wat meer dan elders op Malta, maar naar Belgische normen nog altijd heel betaalbaar. 

In Mdina zijn veel toeristen, voornamelijk Britten en Italianen. Ook niet toevallig dat we hier onder de Italianen pieken waarnemen in mooie vrouwen. Jeltsin en ik hebben een zwak voor le bellezze van de Laars, maar hij heeft een streep voor omdat hij ook Italiaans spreekt. Met mijn Duits zal ik niet veel bereiken. Op het centrale pleintje van Mdina zie je oude Maltezen op bankjes zitten en ongestoord kletsen met elkaar, zoals ze dat hier wellicht al generaties lang doen. Voor stilzitten hebben we nu echter niet veel tijd, want we vallen kort daarna binnen in het Domus Romana, de restanten van een Romeinse villa die bijna per ongeluk werden opgegraven aan het eind van de 19de eeuw.

Al ben ik niet onbeslagen in historische kennis, Jeltsin is een gediplomeerde historicus en dus een goeie bron van bijkomende informatie in het kleine museum. Hij is verwonderd dat keizer Frederick II indertijd de Joden en moslims verjoeg van Malta, omdat de vorst in de geschiedenis als eerder verdraagzaam bekend stond. Jeltsin vertelt een amusante anekdote van Frederick II die tegen zijn zin op kruistocht ging om de paus een plezier te doen, en het dan met de lokale emir van Jeruzalem op een akkoordje gooide om niet te moeten vechten: de emir zat immers ook niet te wachten op oorlog. Ik beeld het me bijna als een farcicale sketch in, waar Frederick zucht tegen de emir “ja sorry, ik moest van de paus, maar ik heb hier écht geen zin in.”

Pronkstuk van de opgegraven ruïne is een goed bewaarde vloermozaïek die met heel veel kunde in elkaar gestoken is en zelfs een licht 3D-effect oplevert. Daarbuiten is er niet zo veel te zien, en het museum heeft ook geen overdreven toeloop aan bezoekers.

Daarna vereren we de catacomben van Sint-Paulus met een bezoekje. Volgens de overlevering zou Paulus hier aangespoeld zijn en al snel werk gemaakt hebben van bekeringen op het eiland, wat het één van de oudste christelijke centra maakt in het Westen. Paulus wordt hier traditioneel afgebeeld met een zwaard. In één standbeeld stoppen we hem een smartphone in de handen als niemand het ziet, en nemen we een foto. Voor de rest zijn er veel Romeinse inscripties, ingebeitelde woorden van pauzen die het land bezochten, en een amalgaam aan religieuze kitsch, schilderijen van streng ogende prelaten en imitatie-Renaissancekunst van de tweede garnituur.

Nadat we uit de catacomben zijn eten we op het plein een ijsje in een gelateria waar de opdiener een Italiaan is. “Excuseer me, maar ben jij toevallig Italiaans?” vraagt Jeltsin aan de ober, die flegmatiek antwoordt “Nee, ik kom uit Japan.” Het ijs is er overheerlijk en meer dan welkom op een erg warme dag als vandaag.

’s Avonds rijden we terug naar Valletta, waar Jeltsin graag een aanbeveling van TripAdvisor wil uitproberen: Adesso, een vrij chique restaurant in het centrum van de stad. We zijn er om 20:00 de eerste klanten. De patron neemt de tijd om alles uit te leggen over de menukaart en waar alle ingrediënten vandaan komen. Niet voor de eerste keer valt me op dat ze in Malta vaak gestoomde groenten op een bordje apart serveren. Niet mis. Terwijl we weten horen we uit de verte een gedurig gebonk komen van in het gebouw. Blijkbaar deelt het restaurant zijn behuizing met een nachtclub. We overwegen om die even te verkennen na het eten, maar besluiten daar toch maar tegen als blijkt dat het er eivol zit en de muziek er veel te luid is. In de plaats daarvan maken we een wandeling tot aan de dokken van Valletta, die er een stuk armzaliger uitzien dan het opgeschoonde en hippe centrum. Er is bijna niemand op straat en de huizen hier zien er slechter onderhouden uit. De lagere school heeft tralies aan de ramen. Waarom?

Op de terugweg moet Jeltsin een spurt inzetten naar Adesso, want we zijn daar onze GPS vergeten. Ik maak van de gelegenheid gebruik nog wat verder te wandelen en passeer onder meer aan een parochiaal centrum dat herinneringen oproept aan mijn kindertijd op het platteland, en een avondlijke blaaskapel die één of andere lokale heilige vereert.

Terug in Senglea zitten we weer in dezelfde bodega als gisteren, en de bazin komt even babbelen met ons. Ze vertelt dat ze vroeger zelf een restaurantje had in Mdina maar dat de uren haar te lang waren. Ze vertelt ons ook dat je hier in het haventje van Senglea voor een euro of drie aan een particulier kan vragen om overgezet te worden naar Valletta. Hadden we dat maar eerder geweten! De bazin vertelt over haar kinderen, die allemaal werken of studeren in het buitenland. Zelf is ze te gehecht aan Malta, en ik kan zien waarom. Het is een avond met een lichte zweem van melancholie, en ik kan niet goed uitleggen waarom.

De dag nadien vertrekken we alweer terug naar België, maar niet vooraleer we een militair museum bezocht hebben in Valletta, gevestigd in het voormalige wapendepot, waar allerlei oude harnassen, ridderhelmen, speren en musketten uitgestald staan. Er is ook een sectie gewijd aan de strijduitrusting van Ottomaanse soldaten en ruiters. Wat me opnieuw opvalt is hoe klein Maltezen waren. Ik toren zelfs uit boven een volledig opgesteld harnas dat al op een voetstuk staat. Sommige harnassen hebben inslagen van kogels, andere zijn dan weer gemaakt met een ongelooflijke aandacht voor detail, met fijne graveringen, merktekens en heraldische miniaturen.

Om te lunchen stoppen we bij een ander eethuisje dat TripAdvisor aanbeveelt, Dimitri, een klein restaurantje met slechts drie tafels, dat geregeerd wordt door de eponieme chef, een beer van een vent met ondeugende blauwe ogen en een blonde baard. Zijn accent is niet Maltees. We vermoeden dat hij misschien een Bulgaar of een Serviër is. We eten er voortreffelijk, en Dimitri zelf rijst regelmatig op vanuit de keuken in de kelder om te komen babbelen met zijn tafelgasten. We zitten naast een paar oudere Engelse dames die deze avond in een koor gaan optreden in één van de talloze kerken van Malta, en tijdens de lunch passeert er een statige rouwstoet door de straat. De sveer is goud. Er zijn ook Franse toeristen. Dimitri denkt dat Frankrijk het WK Voetbal zal winnen.

Als sluitstuk laten we door een andere toerist een foto van ons nemen tussen twee leeuwenstandbeelden, als de wereldbazen die we zijn. Daarna moeten we naar Luqa om de huurauto af te zetten en in te checken. De jongen van het wagenpark handelt met mij enkele formaliteiten af voor de beschadigde zijspiegel. Eens ingecheckt en wel drinken we elk nog een grote frisse pint Cisk op een buitenterras van de luchthaven, en nemen we de tijd om tussen fluitende vogels en kirrend personeel het eiland een beetje te laten bezinken.

donderdag 3 mei 2018

Anton in Malta - Dag 4

Gozo-journalisme

Onze vierde dag is gereserveerd voor Gozo, het kleine eilandje ten noordwesten van Malta zelf, maar wel nog steeds het tweede grootste eiland van het land. De rit naar de haven duurt een halfuur, en eens op de boot leven Jeltsin en ik ons uit op het dek. Er staat een sterke wind en een stevige stroming, en alsof het een pretpark is, bewegen we mee op en neer met de steven en de golven. Zieke witte toeristen? Hell no, we zijn volop native aan het gaan.

In het Maltees heet Gozo ‘Għawdex’, dat je uitspreekt als ‘Awdesh’. Het is veel ruraler dan Malta, met landbouwterrassen, wijngaarden en brakke stukken land. We merken ook op dat ondanks de EU-subsidies die gezorgd hebben voor betere wegen en mondainere winkelstraten, er erg veel panden te koop staan. Ik zie in vastgoed op Gozo nog een aantrekkelijke pied-à-terre, maar Jeltsin denkt er het zijne van. Hij heeft nog gewoond in Australië, Italië en Ierland, en zegt dat hier wellicht erg weinig te beleven valt. Misschien is dat wel waar. Maar het is hier mooi en relatief rustig. 

We rijden naar een megalithische ruïne, maar die blijkt gesloten. Een erg vriendelijke dame in een souvernishop zegt ons dat de meeste plaatsen op Gozo al gesloten zijn vanaf halfvijf. Misschien zijn de mensen die van hun vastgoed af willen allemaal nachtmensen. Intussen blijft Jeltsin berichten heen en weer sturen met zijn potentiële dates, maar tijdens onze terugvaart drogen beide conversaties op. 

We trekken het ons niet aan en drinken koffie. De oversteek terug duurt amper 20 minuten, en spoedig zijn we weer op weg naar ons huisje. Buiten een levensecht standbeeld van paus Johannes-Paulus II was er op Gozo niet zo veel voor ons, maar we zijn toch even buiten Malta zelf geweest.

Ik maak in Senglea een bevoorradingsstop bij de superette die zichzelf de ‘Surprise Market’ noemt. Veel verrassingen vind ik er niet, buiten dat ze geen sigaretten verkopen. Ik koop er water en wat frisdrank. Fanta ziet er op Malta veel oranjer uit dan in België, zo blijkt. En flessenwater is hier een noodzaak, want hoewel Jeltsin en ik niet zeker zijn of we hier van kraantjeswater diarree zouden krijgen, is de smaak ervan ronduit ranzig (voor u getest bij het tandenpoetsen).

Terwijl Jeltsin een dutje doet sta ik in het deurgat van ons huisje te roken. Britse toeristen vragen me de weg naar het gemeentehuis. Ik reageer laconiek dat ze beter eens gaan kijken bij de socialisten of de katholieken, die weer verzamelen geblazen hebben in hun eigen cafés. Er klinkt muziek uit de verte, en verderop in de straat staan enkele Maltese kinderen spontaan een beetje te dansen. In Senglea zie je niet veel mensen van onze leeftijd. Ofwel zijn ze veel jonger, of veel ouder, op de knappe apothekeres van de overkant na.

Nadat Jeltsin terug wakker is en we gaan eten in hetzelfde restaurant als gisteren, belanden we in een andere lokale bar, een soort bodega op een verhoogde baan die uitzicht biedt over de andere waterkantbars en het water zelf. Het is een erg rustige avond. In de bar zitten vooral oudere Britse expats. “Expats,” zegt Jeltsin, “da’s toch een typische racistische term, niet? Expats zijn enkel witte mensen, de rest zijn migranten of gastarbeiders.” Ik werp op dat een expat meestal tijdelijk verblijft in een ander land, terwijl migranten er zich willen vestigen. “Maakt dat uit als een zogenaamde expat ergens 15 jaar blijft hangen?”

Aan de bar passeert er plots een bedelaar, een jonge man die zich vriendelijk als Danny introduceert en vraagt naar muntstukjes. Ik geef hem mijn intussen eivolle buidel klein grut. Het is de eerste en laatste bedelaar die we tegenkomen op Malta. Tot hier toe hadden we geen daklozen gezien, ook. De gemiddelde Maltees lijkt me niet rijk, maar van extreme armoede hebben we geen spoor gezien. Natuurlijk kunnen we ons vergissen, maar het lijkt ons dat de samenleving hier al bij al tamelijk egalitair is. Al loeren logge machtsstructuren altijd om de hoek: in het museum over Wereldoorlog II lazen we dat vele Maltezen lang ongeletterd waren en leefden onder de strenge knoet van de Kerk.

Jeltsins potentiële date is volledig uit de ether verdwenen, maar hij neemt het lankmoedig op. We drinken er één en we drinken er twee op het terrasje van de bodega, tot we besluiten naar huis te gaan omdat we de laatste klanten zijn die er nog zitten en we de uitbaatster van de bar niet te veel extra werk en te weinig slaap willen bezorgen. Thuis verdwijnt Jeltsin na nog een afzakkertje naar zijn slaapkamer, terwijl ik beneden achterblijf om nog wat te lezen en te schrijven.

Malta is zich sneller onder mijn huid aan het nestelen dan ik ooit gedacht had. Ik hou van de huizen en kerken uit zandsteen, het altijd dichtbije water en de smoezelige winkeltjes. De mensen zijn er luid, maar opgewekt en beleefd. Trots op hun unieke geschiedenis ook, en terecht. Ik heb weinig gebouwen gezien die me jonger leken dan 50 jaar, op het volledig vernieuwde centrum van Valletta na. Intussen heb ik dan toch beet op een dating-app, maar de Maltese in kwestie zit momenteel in Stockholm en komt pas terug de dag nadat wij weg zijn. Misschien best. Door de warmte en de klamheid van mijn slaapkelder voel ik me niet hygiënisch genoeg om hier te daten.

En morgen is onze laatste volle dag voor we weer naar België moeten. Ik kijk er naar uit om mijn huiskater Tyr terug te zien en te aaien, en we hebben een vrij rustige dag gepland in Mdina, in het centrum van Malta, waar onder andere ruïnes van een Romeinse villa te zien zouden zijn, en de catacomben van de apostel Paulus, die ooit schipbreuk leed op Malta en daar prompt een heilige werd.

Verder naar het laatste deel.

woensdag 2 mei 2018

Anton in Malta - Dag 3

Ten oorlog!

De ochtend opent met regen, maar dat is niet zo erg. Het verdrijft niet alleen de muggen, het zorgt er ook voor dat mijn nachtmerries weggespoeld worden. Ik herinner me slechts vaag moeilijke situaties met voormalige lieven en voormalige werkgevers. Jeltsin, van zijn kant, heeft hoofdpijn door ons vrolijke drinkgelag van gisteravond, dus we pakken het allemaal rustig aan.

Het programma voor de dag belooft (historisch) geweld. We gaan het Wereldoorlog II-museum bezoeken op Birgu, de ‘vinger’ die naast Senglea ligt en ook een historisch fort herbergt. Initieel weten we de ingang van het museum niet te vinden, tot een knappe Amerikaanse ons komt vertellen dat er momenteel filmopnames aan de gang zijn en ze een fake ingang hebben gemaakt voor het museum, dat we vandaag moeten binnengaan via een kleine bistro.

Het oorlogsmuseum is heel interessant, met film, uniformen, rekwisieten en dies meer, en ook heel veel tekst om de bezoeker onder te dompelen in de context van het Malta van de jaren ’30. Italiaanse fascisten zagen Malta als een verlengstuk van hun eigen land, terwijl de Britten koste wat het kost Malta als belangrijke versterking wilden behouden. Hoewel de Italiaanse cultuur lang zijn stempel wist te drukken op Malta, was de sympathie voor het fascisme best gering, en verdampte die volledig toen Wereldoorlog II losbarstte.

Het kroonjuweel van het museum is een schuilkelder die uit die tijd bewaard is gebleven, met diverse kronkelige gangetjes en zijkamers waar mensen in aten, kaart speelden, verzorgd werden of gewoon bang zaten af te wachten of er nieuwe bommen zouden vallen. Toen de Italianen het niet lukte om Malta te veroveren, nam de Duitse Luftwaffe het over, en die waren genadeloos. In de claustrofobische gangetjes, waar Jeltsin en ik ons meermaals moeten bukken om te kunnen wandelen, krijgen we een glimp van wat de gemiddelde Maltees toen moet doorstaan hebben. Het hele land kreeg de medaille van King George voor buitengewone burgerlijk moed. Malta werd niet ingenomen door de Asmogendheden, ondanks de onophoudelijke aanvallen en bombardementen.

We zijn blij als we terug bovengronds zijn en onze plastic veiligheidshelmen en haarnetjes kunnen deponeren in de daarvoor bedoelde bakken. We brunchen toepasselijk in een Brits eetcafé aan het water, en dat bewijst dat Malta culinair de beste aspecten van de Britse, algemeen Mediterrane en de Italiaanse keuken heeft overgenomen: je kan er Brits ontbijten, Mediterrane snacks krijgen en Italiaans lunchen en dineren.

Met onze buiken vol spek, bonen, sla, spiegeleieren en wat aardappelen, en in Jeltsins geval een Angus-burger waar ook worst in zat en we gemakshalve de ‘omniburger’ noemen, wandelen we langs de kleine jachthaven die vanaf Senglea ook zichtbaar is. Hypermoderne jachten liggen naast elkaar te dobberen aan een al even moderne en propere kaai. Eén jacht heeft zelfs een in doeken gewikkelde helikopter op het bovenste dek.

Ons doel ligt echter voorbij de haven – het fort van San Angelo. Trapsgewijs leidt het fort ons hoger en hoger, en van vista naar vista. Hier woonden ooit honderden mensen binnen de muren – soldaten, priesters, tempeliers, werkvolk en slaven. Nu zijn de voormalige woonkwartieren en ruimtes voor officieren omgevormd tot museumkamers of gift shops. In één van de kamers van het fort hangt een uitvergroting van een manuscript in het Italiaans waarin wordt verteld hoe veroordeelden gewurgd werden en hun lijken in zakken met stenen in de zee werden gesmeten. Een andere kamer toont de historische evoluties van het fort van San Angelo, waar ook een Vlaming in figureert – de militaire ingenieur Calros Grunenbergh (wellicht in het Schoon Vlaams ‘Karel’).

Intussen is Jeltsin een date aan het regelen met twee Maltese dames. Voor mij is het nog altijd kinneklop. Bij de terugrit naar Senglea begin ik te merken dat ik qua rijgedrag Malteser aan het worden ben: ik snij andere chauffeurs af, toeter wanneer het me uitkomt en beleef het verkeer met veel passie. Op zich is dat niet zo raar. Ik werkte bijna vijf jaar in Brussel, en daar helpt het als je een halve sociopaat bent. Jeltsin aanschouwt mijn transformatie met een combinatie van vrees en bewondering.

In Senglea is de bar van de socialisten nog open, dus gaan we daar ook eens wat drinken. De stamgasten zijn er luider dan bij de katholieken en de drank is er van een hogere kwaliteit, maar het is er wel iets duurder. Op tv loopt een documentaire over de onlangs gestorven Zweedse producer Avicii. Na één drankje gaan we weg en nemen we afscheid van de stamgasten, die onze beleefdheid lijken te appreciëren.

Avondeten doen we in een lokaal restaurant dat de eerste twee dagen van ons bezoek gesloten was. Het blijkt een meer upscale plaats te zijn waar vooral toeristen en lokale rijkere Maltezen komen eten. De ober is gebouwd als een eik, met blond boysband-haar van in de jaren ’90 en een gesculpteerd lichaam om u tegen te zeggen. We eten gecombineerd voor ongeveer €50 een voortreffelijke maaltijd, die we afsluiten met elk een Black Russian.

Buiten aan het restaurant loopt een wat verwaarloosde straatkat rond die komt bedelen om eten. Het is niet de eerste poes die we zien – Malta zit vol straatkatten, die wonderwel door de lokale bevolking verzorgd worden. Op een populaire site lees ik nadien dat Maltezen zich graag identificeren met katten – zacht, elegant en lief, maar ook onafhankelijk, een beetje nukkig en lui.

Verder naar deel vier.

dinsdag 1 mei 2018

Anton in Malta - Dag 2

Het Stenen Tijdperk in hotpants

Op 1 mei staan we redelijk laat op. Correctie: ik sta redelijk laat op, Jeltsin is al in de weer, leest, maakt koffie en zit op z’n tablet (we hebben wifi in het huisje). Hij heeft Tinder aangezet. Omdat ik een Windows Phone heb, moet ik het stellen met het derivatieve Timber. Veel tijd om te swipen is er echter niet, want ze zijn van plan om de Ħaġar Qim te bezoeken, een ruïne uit het Stenen Tijdperk aan de Maltese zuidkust. De GPS zegt dat het maar 20 minuten rijden is, “maar dit is Malta,” zegt Jeltsin omineus. Onverwachte files, zotten met een doodswens en wegenwerken zijn hier nog een steek steviger dan in ons eigenste heilig land der vad’ren.

Ik rij weer bijna een paar achteruitkijkspiegels van stilstaande auto’s af in het gekronkel en gewirwar van de steegjes van Senglea, maar voorts is de rit relatief vlot. Het is een warme dag, en aan het verkeer te zien zou je niet denken dat het een openbare feestdag is. De meeste Maltese feestdagen zijn sowieso gewijd aan de vele heiligen en kleurrijke lokale tradities, en niet aan iets moderns als het arbeidersproletariaat. Ik vraag me af of er effectief ooit fabrieken op Malta gestaan hebben. Als ze er al geweest zijn, valt daar nu niets van te merken.

Bij het gebied rond Ħaġar Qim aangekomen wacht ons nog een pittige voettocht door een typisch Mediterraan landschap: lage, harde struiken, zanderige ondergrond, rotsen en stenen muurtjes in diezelfde zandkleur. We houden even halt bij een verloren huisje in het landschap, een eindje westelijk van het hoofdpad. Dit blijkt een overgebleven spoorhuisje te zijn van een spoorweg die de eilandstaat ooit doorkruiste. De werken aan de spoorweg waren de katalysator voor de ontdekking van de Ħaġar Qim. Het tempelcomplex zelf gaat schuil onder een groot zeil, dat de ruïnes tegen de elementen moet beschermen.

Het complex zou moeten gebouwd zijn rond 3.500 voor onze jaartelling, toen onze eigen voorouders wellicht nog een jager-verzamelaarsbestaan leidden op graslanden van wat nu Oekraïne is. De tempel was gebouwd met het idee dat het zonlicht bij bepaalde intervallen de heilige mysteriën binnenin liet baden in een gouden schijn. Er werden vruchtbaarheidsgodinnen vereerd – de typische, corpulente vrouwenfiguren die kenmerkend zijn voor het Stenen Tijdperk. Onder het afdekzeil is er ook een constant gekwetter van vogeltjes. In de nokken en op de punten waar de staven van het zeil samenkomen, hebben diverse mussensoorten nestjes gebouwd. Jeltsin, die een dierenliefhebber is, probeert de beestjes op de gevoelige plaat te krijgen.

500 meter verderop liggen de gelijkaardige ruïnes van de Mnajdra-tempel. Het probleem met dergelijke ruïnes is altijd dat ik het moeilijk vind om me voor te stellen hoe deze gebouwen er in hun glorietijd moeten uitgezien hebben, als alles wat nu overblijft een paar gangpaden en uitgeholde kamers is waar stug gras in groeit. Ik probeer me mensen voor te stellen die hier baden en sliepen, of de goden iets kwamen afsmeken. Het lukt moeilijk, te meer omdat Jeltsin en ik in een heen-en-weer verwikkeld zijn geraakt over wie de flauwste woordspelingen op ‘Valletta’ kan maken.

Waar we even later wel stil van worden is het uitzicht over de zuidkust van Malta. Een steile afdaling begint even voorbij een monument voor een belangrijke militair, en het uitzicht is hier royaal. De Middellandse Zee is hier lichtblauw en rustig als in de beste toeristische folders, maar de kliffen, rotsen en de stromingen waarnemen met je eigen ogen is iets wat geen enkele foto ooit kan verslaan. Op de terugweg zien we enorme cactusplanten waar mensen nu en dan iets ingekerfd hebben. “Normaal zie je dit bij bomen, ik heb dit nog nooit gezien bij cactussen,” merkt Jeltsin verbaasd op. Jeltsin is thuis eigenaar van drie cactussen, die hij alle drie Spaanse namen gegeven heeft.

In het restaurant dat aan het museum van de Ħaġar Qim gebouwd is, is het erg druk. Toch zet de patron nog een extra tafeltje voor ons buiten, en vinden we het best dat we even zullen moeten wachten op ons eten. Uit de boxen op het koertje even buiten de overdekte tafels schallen onder meer ‘Eviva España’ en even later ook ‘Pump Up The Jam’. Ontheemd voelen we ons geenszins. In een andere toeristische trekpleister had dit een typische tourist trap kunnen zijn, maar niet hier. Het personeel doet haar best het de gasten naar hun zin te maken, en na een Cisk en een Kinnie of twee arriveert ons eten. Jeltsin eet een erg smakelijke risotto, en ik ga weer voor vlees dat gedrenkt is in champignonsaus.

Op het gemak gaan we terug naar ons autootje, loom van de wandeling, het eten en de warmte. We schrikken dan ook op als er over de hoofdweg plots een paard in volle galop passeert dat zowaar een menner in een wagen trekt, alsof het een paardenracer is uit het Oude Rome die hier op het asfalt is neergezet. We schatten dat hij zeker 50km/u aan het gaan was. Wat drijft hem? Is dit een hobby op Malta? Is hij niet doodsbang op de weg? Niet alleen omdat Maltese chauffeurs avontuurlijk aangelegd zijn, maar ook omdat de auto hier absoluut koning is. Fietspaden zijn op Malta sciencefiction, en voetpaden, als die er al zijn, kunnen in blinde hoeken abrupt ophouden.

We laden de batterijen terug op in Senglea. Ik sta aan de deur te roken. Van overal klinkt muziek. Sommige mensen wiegen spontaan met de heupen of doen een dansje als ze muziek horen. Lichamelijke complexen lijken hier niet echt te bestaan. Veel Maltezen zijn wat aan de zware kant. Jonge meisjes zijn doorgaans wel slank, maar daarna lijken de meesten toch eerder te evolueren naar de vorm van de vruchtbaarheidsgodinnen van Ħaġar Qim. Bij de mannen gebeurt dat iets later, en de oude heren schuifelen bedachtzaam over de afgesleten voetpaden, af en toe knikkend naar niets in het bijzonder.

In de namiddag is het tijd om Valletta eens aan te doen. We zijn nog net op tijd om de nagloeiende gensters te zien van de viering voor 1 mei. Overal lopen mensen van allerlei leeftijden rond met rode t-shirts of polo’s die hun trots uitdrukken voor het socialisme. Dat het socialisme hier zo uitbundig gevierd wordt zou menig Vlaamse sos een hart onder de riem steken. “Misschien moet John Crombez hier eens op herbronning komen,” suggereert Jeltsin.

Valletta heeft duidelijk geprofiteerd van de injectienaalden van de Europese Unie. Moderne gebouwen, trappen en straten rijzen elegant en vol zelfvertrouwen op in het politieke centrum rond het parlement en andere gouvernementele gebouwen. Een brede voetgangerszone pal in het midden van de hoofdstad lijdt een beetje aan de Europese eenheidsworst der winkelstraten: McDonald’s, Marks & Spencer, Swarovski, kortom, zo’n beetje de usual suspects van de globalisering. Maar je moet in Valletta maar twee straten verder gaan en je ziet de oude stad die haar visitekaartje afgeeft: op- en neergaande smalle straten met allerlei bars, eetgelegenheden en kleine winkeltjes, vlaggen en zelfs parochiale centra.

Terwijl de stad een beetje aan het leeglopen is, eten Jeltsin en ik nog snel op één van de centrale pleinen van de stad. De maaltijd is niet om over naar huis te schrijven, maar we beseffen dat we na twee dagen eigenlijk gewoon al rotverwend zijn. Bovendien heeft Jeltsin prijs op Tinder. Op Timber is het één en al ellende. Jeltsin verzekert me dat het ligt aan Timber en aan die vermaledijde Windows Phone, niet aan het feit dat ik er voor de gemiddelde Maltese wellicht uitzie als een vampier. Ik prop dan maar wat koolsla tussen m’n burger en krijg perstubes mayonaise op aanvraag aan de erg gedistingeerd uitziende ober.

De terugweg naar Senglea is lastig. Het is donker, en er is zeker niet overal verlichting. We belanden zelfs even in een wat louche buurt van de haven, die door een wegroestende boot wordt gedomineerd, en waar in de diepe schaduwen van desolate loodsen en semi-industriële gebouwen om een onverklaarbare reden allerlei mannen rondlummelen. Jeltsin en ik proberen het moreel hoog te houden door spontaan te quizzen in de auto. Terloops vertelt Jeltsin me ook dat Mia Doornaert, thans weledelgestrenge barones en heraut van slechte rechtse meningen, vroeger wel eens hotpants placht te dragen. Het beeld verlaat helaas mijn geestesoog niet.

Bij onze thuiskomst blijken de sossen van enkele huizen verderop een privéfeestje te houden – er klinkt nog muziek en gepraat door de deur, maar de deur zelf is dicht. Wij wijden ons dan maar aan wat vodka binnenskamers, en uiteindelijk is het al voorbij twee uur als we onze respectieve bedden opzoeken. Omdat God natuurlijk niet toelaat dat twee Belgische linkserds iets goddeloos als de Dag van de Arbeid vieren op Malta, word ik ’s nachts onophoudelijk bestookt door muggen. In België laten muggen me meestal links (!) liggen. Op Malta ben ik een delicatesse voor de bloedzuigers.

Verder naar deel drie.

maandag 30 april 2018

Anton in Malta - Dag -1 en 1

Dit is het eerste deel van mijn reisverslag van 6-daagse reis naar Malta. Wil je nog reisverslagen lezen? Check dan zeker mijn neerslag van een week Dublin, een weekend Parijs, een week Chicago en 11 dagen Noorwegen!

Subsidieslurpen en drinken bij de tsjeven

Vooraleer ik beroep doe op de goede oude traditie van reisverslagen, moet ik twee kleine items meegeven voor la petite histoire: het eerste is dat mijn reiscompagnon naar Malta ook Anton heet, en dat ik hem dus consequent bij zijn achternaam zal noemen. Ik ben Anton Voloshin en hij is Anton Jeltsin. Het tweede feit is dat het een haar gescheeld had of de hele reis was niet doorgegaan. Ik was namelijk mijn identiteitskaart kwijt en had daarbij geen grote haast gehad om die te laten vervangen aangezien ik er (verkeerdelijk) van uitging dat je Schengen-landen kan bezoeken zonder identiteitskaart. Een vriendelijke Gentse ambtenaar en een zaterdagochtendrit naar Brussel later was dit euvel gelukkig verholpen, waardoor we maandagochtend 30 april toch konden beginnen aan de reis naar Malta.

“En waarom Malta?” vroegen mensen me wel eens in de aanloop er naartoe. In de eerste plaats omdat het eens wat anders is dan de gebruikelijke Balearen, Zuid-Italië of ruïnes in Griekenland. In de tweede plaats omdat bijna alle Maltezen op zijn minst een mondje Engels spreken, wat de zaken aanzienlijk bespoedigt ter plekke. Tenslotte is het ook een land(je) met een erg rijke geschiedenis. De Carthagers, de Romeinen, de Arabieren, de Normandiërs en de Britten hebben er allemaal gezeten – een beetje de who’s who van de gereputeerde oude rijken, zeg maar. Daar komt bij dat Malta een linguïstisch buitenbeentje is in Europa. Maltees is de enige Europese taal met Semitische wortels, en is dus verwant aan Arabisch en Hebreeuws. Het is ook de enige Semitische taal die met Latijns schrift wordt geschreven.

Tegen 6:45 onder een grijze hemel treffen Jeltsin en ik elkaar in de hallen van Gent-Sint-Pieters. Op de trein dutten we, en in Zaventem gaan we vlot door de check-in van Air Malta, waar exact twee man en een paardenkop staat te wachten. Eens op het vliegtuig slaap ik nog wat. Ik droom dat ik zelf vlieg, en wel aan hele hoge snelheden, als een ongeleid projectiel. Jeltsin zit wat te lezen in academische lectuur. Tegen de middag landt het vliegtuig in Luqa, de luchthaven van Malta, en daar gooi ik maar onmiddellijk een klets aardrijkskunde bij voor de lezer: Malta omvat drie grote eilanden en een reeks onbewoonde kleine rotsjes. De drie grote eilanden zijn Malta zelf, Gozo en Comino. Op Comino woont bijna niemand. Malta-het-eiland is ongeveer even groot als de provincies Vlaams en Waals Brabant samen, terwijl Gozo ongeveer de oppervlakte heeft van de Kempen.

Vanuit Luqa vertrekken we met een huurauto richting Senglea, één van de ‘Three Cities’, drie landtongen die loodrecht onder de haven van Malta en de hoofdstad Valletta liggen. Malta rijdt links, dankzij de Britten, die de archipel bestierden van 1814  tot 1964. Aangezien Jeltsin geen rijbewijs heeft, vormt hij een heel goede copiloot. Hij chillt en helpt mee de GPS lezen in plaats van in paniek te schieten bij de minste onverwachte beweging op en rond de weg, en daar zijn er dan ook heel wat van. Maltezen rijden als Italianen. Verkeersregels gelden als goedbedoeld advies, niet als de wet. En al snel dreigt het helemaal scheef te lopen. In de buurt van het huisje dat we huren, schraapt de linkerspiegel van onze wagen tegen een stilstaande verhuistruck, die onmiddellijk de achtervolging inzet en ons blokkeert op een kerkpleintje (waarvan je er op Malta naar schatting één miljard hebt) om verhaal te halen. Pogingen tot ouderwetse omkoperij lukken niet, de chauffeur haalt de politie erbij. Hij is echter niet bijzonder kwaad (hij zet zelfs verkeerskegels uit voor ons zodat we straks een parkeerplaatsje hebben aan de kerk), en ook de flikken die komen opdagen nemen alles rustig in zich op, doen het nodige papierwerk en sturen ons terug op weg. Geen afperserij van toeristen dus.

Eens de flikken weg zijn, staan we voor een nieuw probleem: het adres van ons huisje klopt niet. Ten eerste is het adres in het Engels en zijn in Senglea (L-Isla in het Maltees) alle straatnamen in het Maltees. Ten tweede kloppen de huisnummers langs geen kanten. Een oudere dame bij wie we ons licht opsteken op straat, waar het intussen erg heet geworden is, weet ons te zeggen dat de huisnummers onlangs veranderd zijn en dat de straat die we zoeken niet loopt volgens even-oneven-nummers, maar opeenvolgende nummers heeft tot het eind en dan aan de andere kant verder loopt, een beetje als een boustrofedon dus. Maar dan op Malta. En terwijl het zweet mijns aanschijns intussen al druppels maakt op de afgesleten, sjofele voetpaadjes. Uiteindelijk vinden we ons huis, een verbouwde woning in wat eigenlijk de hoofdstraat van Senglea is. Dat is een ruim begrip: hoewel Senglea dicht opeengepakte, hoge huizen heeft, meestal in een charmante Mediterrane stijl, is het in essentie meer een dorp dan een stad. Rommelige kruideniertjes en andere kleinhandelaars wisselen elkaar af, en vele oude herenhuizen herbergen vandaag meerdere woningen. 

We slaan Maltezers in (want uiteraard), voorraad voor als op 1 mei alles dicht zou zijn, en in mijn overmoed koop ik een gigantische pot olijven die er zeer appetijtelijk uitziet. De mensen in de winkeltjes zijn vriendelijk en behulpzaam, en duidelijk nog niet van de gehaaide soort die je elders aantreft waar er toerisme is. Al bij al is onze eerste indruk dat Malta wel gewoon is aan toeristen, maar dat het geen hotspot is waar je om de vijf meter door straatventers wordt lastiggevallen, laat staan dat het er bulkt van de souvenirwinkels die uitpuilen van overgeprijsde waar van lage kwaliteit.

Ons huisje is vrij geriefelijk, ook al ruikt het er een beetje bedompt. Jeltsin neemt de slaapkamer op het eerste verdiep, en ik neem mijn intrek in de slaapkamer van het souterrain, een soort klamme grot met twee smalle bedden, standbeeldjes en sta-ventilators. Daarna gaan we op goed geluk een Cisk drinken aan het water. Cisk is het Maltese equivalent van Jupiler en smaakt een beetje naar de Spaanse San Miguel-pils. Al bij al geen slecht biertje, zeker niet bij warm weer. Opnieuw treft het me hoe losjes Maltezen zijn: de uitbater van het waterterrasje vraagt niet direct naar geld na de bestelling. Integendeel, hij trekt zich terug aan zijn eigen tafeltje om te keuvelen met een vriend en verdwijnt daarna zelfs. We zouden net zo goed kunnen tafelschuimen. Het zegt iets over het vertrouwen dat men hier nog heeft in de medemens, en dat voelt prettig.

Een wandeling leert ons verder dat er serieuze bouwwerken gaande zijn aan de andere waterkant (Senglea heeft ruwweg de vorm van een vinger, het terrasje was aan de oostkant, de bouwwerf aan de westkant), en geen kleine. Gigantische kranen en enorme vrachtschepen tonen de logistieke ambitie van Malta, dat altijd zijn geld heeft verdiend aan de scheepvaartindustrie. Het andere fortuin van Malta was uiteraard militair: het eiland is van nature gebouwd als een fort, met zo goed als nergens platte stranden en bijna overal steile kliffen. Bovendien heeft het een diepzeehaven, wat het sinds de tijd dat de Johannieters – een soort Tempeliers – er hun uitvalsbasis van maakten in de 16de eeuw een strategisch erg gunstige positie opleverde. De Ottomanen, Italianen en de Duisters beten er allemaal hun tanden op kapot. Dat maakt deel uit van de trots van het land, en dat voel je overal. Je ziet vaak vlaggen, Maltese kruizen en monumenten voor deze of gene generaal die de zoveelste bestorming van de eilanden wist af te slaan.

Eerst springen we binnen bij de apotheek aan de overkant van de straat, waar we zonnebrandcrème inslaan en ik deodorant en haargel koop. “How strong would you like it?” vraagt de apothekeres, een knappe vrouw met gitzwart haar. “Not super-strong, my hair doesn’t need to look like iron,” zeg ik. In de winkel helpt een meisje met blauwe ogen en donkerblond haar. Britse roots of zeldzame witte raaf onder de Maltezen? ’s Avonds eten we weer aan de waterkant, in de buurt van waar we onze Cisk dronken, en ik probeer de populaire Maltese frisdrank Kinnie, die een beetje smaakt als Dr. Pepper. Het eten is erg lekker en zeer betaalbaar: €21 voor een filet pur met smakelijke champignonsaus. Voorafgaand heb ik me laten verleiden tot een typische Maltese vissoep met bonen en rijst. Opnieuw erg lekker en heel divers qua smakenpalet en textuur.

Daarna wandelen Jeltsin en ik verder langs het water. Er is veel volk op straat, en al snel blijkt waarom. Aan de overkant van het water, in Valletta, is er een optreden gaande van coverbands. Donna Summer, Pink Floyd, Coldplay, Boney M en tal van andere trouwfeesten-dj-klassiekers passeren de revue. Tegen dat we hoog op de oude wallen van Senglea staan, barst er een enorm vuurwerk los over het water. Kosten noch moeite blijken gespaard. Het spektakel duur ongeveer drie kwartier en de kleuren, knallen en patronen zijn indrukwekkend. “Daar gaat de EU-subsidie in rook op,” merk ik op tegen Jeltsin. We beelden ons in dat Malta aan een commissie zure eurocraten lege handen toont en schokschoudert als hen gevraagd wordt wat ze met al dat EU-geld gedaan hebben.

Jeltsin en ik besluiten nog ergens een afzakkertje te gaan drinken. De bar van de socialisten enkele huizen verderop van waar we slapen heeft de deuren al gesloten. Misschien om morgen goed wakker te zijn voor 1 mei. De katholieke bar (‘The Queen’s Own’) is nog open. We krijgen er elk een vodka-cola aan €1,5 per glaasje. De lokale stamgasten zijn al even uitgewoond als het café zelf en slaan niet veel acht op de twee blekerds die aan de bar zitten. Aan de overkant, op het dorpsplein, staat een telefooncabine waar je ook wifi kan krijgen, en lonkt de gesloten winkel ‘Surprise Market’ naar ons. Maar dat is voor morgen. De eerste dag Malta bleek er één in stijgende lijn, en we zijn nieuwsgierig naar wat de rest van het land te bieden heeft. 

Verder naar deel twee.