Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zondag 30 december 2018

Zonneschijn en kittens

O, dat 2018 een beter jaar was dan 2017! Dat is niet echt een grote prestatie, aangezien 2017 in mijn intussen 35-jarige bestaan een absoluut dieptepunt was, waar het enige dat er nog aan ontbrak mijn eigen overlijden was. Maar toch, laten we proberen om positief te blijven over 2018. Minder muziekgoden overleden, Trump drukte niet op de grote rode knop en de Malediven bleven ook in 2018 nog boven de zeespiegel. Welke huyzentruytiaanse lessen heb ik zelf geleerd?

Vrienden zijn misschien meer bereid om je te steunen dan je denkt

Op een dieptepunt belde ik op een nacht in de nazomer mijn beste vriendin op. Ik had zonet meer dan een uur onbedaarlijk zitten wenen – ik was volledig op, kapotgeslagen door maanden van aanhoudende financiële rampen, een nieuw ontslag en de naschokken van een onmogelijke liefde. Ik voelde me zo groot als een pinda, iemand die hopeloos gestrand was ergens halverwege het leven met zo goed als geen enkele aanwijsbare prestatie en een stapel onvervulde, gefrustreerde ambities.

Dat ene telefoontje hielp. De dagen nadien open zijn tegenover mijn beste vrienden, waarvan er velen geen idee hadden dat het zo slecht met me ging, die hielpen ook. Vrienden of vriendinnen, het maakte niet uit. Ze waren er voor mij en waren zelfs blij dat ik de stap naar hen had gezet om te praten en eerlijk te zijn over wat er in mij omging. Dit leidde tot gesprekken die onderling vertrouwen verder versterkten, elk op zijn eigen manier. De ene vriend hield meer van een wijdlopende babbel met een glas erbij, voor een andere vriendin was zuiver troost bieden belangrijk.

Op 35 ben je allesbehalve uitgeteld in de datingmarkt

Ik ben niet graag 35. Het voelt zo definitief middle-aged aan. Mijn lichaam geneest ook trager, heeft vaker pijn, hevig feesten boeit me niet meer zo, en ik ben definitief tot de conclusie gekomen dat de jaren dat ik er fysiek het beste uitzag, achter mij liggen. Maar wat ik op die vlakken heb ingeboet, heb ik gewonnen op andere vlakken, bijvoorbeeld dat ik me veel minder aantrek over wat mensen van me denken.

Bovendien is er nog altijd belangstelling in mij, paradoxaal genoeg zelfs veel meer dan toen ik op het perfecte kruispunt zat van jeugdige frisheid en volwassen patina. Horrordates heb ik niet meer, de ‘slechtste’ date waar ik op ben geweest was er nog altijd één met waardevolle gesprekken en bezoeken aan plaatsen waar ik anders nooit zou komen. Er is minder bullshit en meer mensen die een beter beeld hebben van wat ze willen, en op dat vlak kan ik 35 zijn enkel maar toejuichen, want hetzelfde geldt voor mij.

Als student maakte ik de juiste beslissing om te investeren in mensen in plaats van resultaten


Ik had elk academiejaar tweede zit (ik slaagde wel telkens in die tweede zit). In de jaren nadien vroeg ik me soms af of ik niet beter mijn best had moeten doen, want ik heb zowel vrienden als familie die in academia zitten en bezig zijn met enorm interessante onderwerpen. Die vrienden academici zeggen soms terloops dat ik zeker het denkvermogen had om in die wereld potten te breken, maar heb ik dat ooit echt gewild? Ik zie ook veel schaduwzijden aan hun bestaan.

Mijn periode aan de universiteit was er voornamelijk één van steeds uitbreidende horizonten. En de laatste jaren zijn die horizonten ook beginnen teruggeven. Een privéjob hier, een doorverwijzing naar een goede contactpersoon daar – mijn sociale investeringen (die ik zo koud niet beschouw!) zijn veel belangrijker gebleken om me vooruit te helpen dan mijn scores op examens of de boeken die ik moest lezen. En zelfs die boeken zijn geschenken die blijven geven. Ze staan nog steeds in mijn boekenkast, soms herlees ik er één, soms ontdek ik er één dat ik toen niet gelezen had uit tijdgebrek.

Soms moet je durven vragen en durven falen

Wie tegenwoordig wil dat ik een pagina ga liken op Facebook, vraag ik zelf eerst om de mijne te liken. Zie ik een sociale media-initiatief dat me interesseert, dan meld ik me aan. Niet om een tafelspringer te zijn, maar omdat de realiteit van bouwen aan een netwerk en een aanwezigheid er één is van geven en nemen. Jarenlang heb ik te veel in het ijle gegeven, en ik geef nog steeds veel meer dan ik krijg, maar die balans is zich aan het herstellen.

Dat heeft te maken met moed. En dit geldt niet enkel voor het proberen verspreiden van mijn teksten en ander geschrijf. Het is ook durven in die DM te sliden, durven om eerst te kussen, durven ook om nee te zeggen op iets waar je eerst denkt dat je eigenlijk niet onderuit kan. En soms ga je grandioos op je bek. Pas in 2018 heb ik het falen volledig leren omarmen als een mogelijke uitkomst van een risico.

Ik kan me thuis voelen in de vreemdste gezelschappen

Bijna alle literaire optredens in 2018 stonden in het teken van Droef, een zelfverklaard ‘podium voor pessimisme’ in Gent. Edities van Droef staan garant voor een toets anarchie, artistieke bevreemding en contacten met mensen die ik buiten die context wellicht nooit had leren kennen. Ik ben ten slotte een zoon van de lagere middenklasse en de petite bourgeoisie. Ik draag graag een das en heb de meeste dingen het liefst als ze een zekere mate van voorspelbaarheid bezitten.

Maar Droef is niets van dat alles. En toch voelde ik me op die evenementen, of ik er nu was als artiest, presentator als toeschouwer, nooit minder dan 100% welkom, gewoon als ikzelf. Tussen rauwe volksmensen en excentriekelingen, tussen veteranen van vele cafétogen en jonge cynici. Ik zat daar soms en dacht: “dit zijn mijn mensen, ondanks alles”.

Koken kan zo leuk zijn

In mijn vriendenkring heerst een hardnekkig en niet onterecht vooroordeel dat ik een grote hang heb naar junkfood. In mijn studententijd en de jaren erna stond ik op speed dial voor vrienden die frietjes wilden gaan eten, en hoewel ik toch vaak zelf kookte, bleven die maaltijden erg vaak beperkt tot typische basiskost als erwtjes en worteltjes met een kotelet, of fishsticks met spinazie. 2018 was het jaar waarin ik definitief en doelbewust nieuwe dingen leerde. Sausjes maken, beetje experimenteren, één dag per week vegetarisch eten, vettige tussendoortjes minderen, en zo verder.

Een ranke, atletische god ben ik er niet van geworden, maar ik heb nu wel meer deugd van het kookproces en kook nu ook graag voor anderen. Een amateurchef zal ik nooit worden, maar ik weet dat ik nu een maaltijd op tafel kan toveren die gasten lekker vinden en niet direct afzakt naar de vettige afslag. O, en soep! Als kind had ik een hekel aan soep. Als volwassen man hou ik juist van de textuur, de smaak en de verrassing van diverse soepgroenten en vind ik de balletjes die ik eens zo leuk vond als kind vaak het meest smakeloze element in de soep.

Oude levenslessen blijven overeind

M’n moeder placht te zeggen dat je in het leven drie dingen moet leren zeggen, en vaak: “dank je”, “het spijt me” en “dat heb je goed gedaan”. Uiteraard oprecht. Ook in 2018 blijft een beetje beleefdheid en hoffelijkheid een uitstekend glijmiddel om banden aan te halen en de mens uit de alledaagse banaliteit tevoorschijn te toveren.

De eerste twee uitspraken zijn manieren waarop je je nederig leert opstellen – je kan niet alles alleen, je maakt soms fouten, je kwetst soms mensen ook als je het zelf niet wil. Het laatste is dan weer een beetje zonlicht geven aan iemand anders. Complimenten zijn vaak kruiperig of worden gezegd in de hoop er één terug te krijgen, maar het fijnste compliment is er altijd één uit de grond van je hart, zonder vooringenomenheid. Mensen appreciëren dat, ook al reageren ze er soms onhandig op.

2018 uitzwaaien

Voor iedereen hoop ik dat 2019 een echt boerenjaar wordt. De voorbije jaren is er in de wereld alweer veel groot en klein leed geweest. De Westerse democratieën zijn aan het barsten, de klimaatverandering marcheert apocalyptisch vooruit en mensen doen elkaar nog altijd pijn. Maar individueel proberen velen te doen wat ze kunnen om minder miserie en meer geluk te maken in de wereld of in hun directe omgeving, en ik hoop dat ze dat zullen blijven doen.

Neem het maar gerust van me aan: ook vanuit een peilloze diepte kan je terug opstijgen. Ook in een situatie die hopeloos lijkt, kan je een hand vinden die je terug omhoog wil trekken. Ik wil iedereen moed toewensen en eerlijkheid, een rechte rug om het niet te begeven onder de leugens die elke dag over ons uitgestort worden, en een helder hoofd om het bos door de bomen te zien. Laat 2019 maar komen.

woensdag 12 december 2018

Nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil

Het bekendste citaat van de Nederlandse poëziegigant Lucebert is "alles van waarde is weerloos", maar het citaat in de titel, uit het gedicht 'Stand van zaken' zou daar in een ideale wereld mee mogen wedijveren. Het is de ideale pendant voor "alles van waarde".

Ik merk het te voet, met de auto, in supermarkten, aan bushaltes, op café. Een vriend van me is enkele jaren geleden verhuisd naar het platteland en zegt dat hij niet meer in Gent kan komen zonder zich direct overweldigd te voelen door al die drukte en er zo snel mogelijk weer uit wil. Hij is nochtans opgegroeid in Gent, dus van rurale geborneerdheid kan je hem niet beschuldigen. 

Drukte en ook geweld zijn niet altijd negatief, overigens. Denk spontane feestjes. Denk een uitbarsting van euforie na een gewonnen sportwedstrijd. Of de warmte van de menigte op kille dagen, met verkleumde handen om een kop warme chocolademelk, koffie of glühwein. Naar diezelfde glühwein ben ik overigens momenteel op zoek. Ik ben te vroeg voor een eetafspraak, dus ben ik de kerstmarkt in gedoken.

Als ik weer maar eens over de hoofden loop of als een jager door de kleine kieren en gaten sluip van die amorfe, traag deinende mensenmassa in de binnenstad, dan kan ik er niet aan doen om op die concrete drukte de abstracte drukte te projecteren. Ik ben niet de enige die zich tegenwoordig wat afzijdig probeert te houden van wat er zich afspeelt op de nationale en de internationale politieke bühne. 

Misschien dat de mensen die hier langs de kraampjes handtassen, gebak en kitsch wandelen er ook zo over denken. Er zitten veel toeristen tussen. Misschien hopen die in Gent tijdelijk te ontsnappen aan hun lokale 'war on truth' in Hongarije, Italië, Oostenrijk en die ultieme koortsdroom van waandenkers en cynici, de Brexit.

Opnieuw 'Stand van zaken': "grote tirannen hebben zich geborgen in kleine kamers / optrekjes slechts met vaal behang en leidingen lek / wel telefoons beschikbaar er zijn wel duizend telefoons / alleen verbonden met zonderlingen op alle lijnen kraakt / hun gekrakeel zij trekken gezichten uit krakende kasten / ook kunnen zij gezichten snijden uit ledematen / en elk nieuw gezicht is met de tomeloze tiran verbonden."

Het is moeilijk om in Luceberts worden niet de beerput te zien van sociale media, waar de platvloerse leugen de orde van de dag is. De bedoeling is om de adepten van de leugen zodanig op te hitsen dat alle rationaliteit verkruimelt. Je kan nog geen nieuwe link aanklikken of een antwoordvenster openen of er komt weer een strijdwagen voorbij van een volksmenner, getrokken door een vijfspan van nuttige idioten met lege ogen en het schuim op de lippen. Intussen heb ik een glühwein weten te bemachtigen en blijf ik nog even drentelen achter het plastic zeil van de kleine kiosk, met tong en lippen voorzichtig tastend of de glühwein niet te heet is.

Je probeert het goede te doen, met mate. Minder vlees consumeren, letten op biolabels, aandachtig zijn voor scheve sociale machtsverhoudingen. Maar wat baten die inspanningen als de mensen met macht onverdroten en met grof geweld het tegenovergestelde voorbeeld blijven geven. 

75.000 mensen die marcheerden in Brussel voor meer klimaatinspanningen kregen de middenvinger van een minister die in een privéjet naar Polen ging en daar als één van de enige twee Europese landen een intentieverdrag voor strengere milieunormen niet ondertekende. Maar naar och God een paar duizend racisten en crapuul "moeten we eens luisteren", dixerunt hun politieke peetvaders en een hoop laffe centristen in de media.

De glühwein is perfect op temperatuur en kruidig genoeg. Ik posteer me op een bankje op de Kraanlei. In de etalages zie ik leuk design dat ik me nooit zal kunnen veroorloven. Niet dat dat zou moeten. Met voldoende geld om na de huur, nutsvoorzieningen, afbetalingen en voeding een klein beetje over te hebben, zou ik al lang tevreden zijn. Maar dat is niet zo. 

De kleinste financiële misstap of misstap algemeen betaalt de gemiddelde persoon direct in keiharde cash, omdat de eigen verantwoordelijkheid enkel geldt voor wie niet weg kan en geen keuze heeft. Intussen vieren de erven Frère allicht ergens feest, en zeker niet op een volkse kerstmarkt, met een miljardenerfenis waarop nul euro belasting betaald is. Ook dat is een vorm van geweld.

Verdrinken in die orgie van geweld, licht, lawaai en leugen is geen optie voor mij. Het zou gelijk staan aan capituleren. Ik steek een sigaret aan (een andere vorm van capitulatie) en neem nog een beredeneerde slok. Ware rust is een utopie, of komt met zijn eigen prijs. De vriend die verhuisde naar het platteland weet dat hij qua nutsvoorzieningen en voetafdruk noodgedwongen meer kost aan de maatschappij, ondanks zijn erg groene levensstijl. 

Maar dat is uiteindelijk niets meer dan de depressie van de kleine verschillen. Debatteren over je eigen moestuin versus isolatie van een stadswoning betekent niets als we allemaal langzaam gekielhaald worden door dezelfde monsterlijke olietanker.

Het bekertje gaat de vuilnisbak in, na eigenlijk niet noemenswaardig m'n handen verwarmd te hebben, en de sigarettenpeuk in het daaraan bevestigde gleufje. Tegen m'n zin en aard in ben ik beter geworden in geduld oefenen, omdat er simpelweg geen andere optie was waarmee ik mezelf niet blijvend pijn zou doen. 

Natuurlijk zou ik graag een statement willen maken, als in pakweg 'La casa de papel', door de ECB te beroven, of een soort 'Three billboards outside Ghent' te doen, waarop alle leugens en smeerlapperij van onze lokale brahmanen staat. Maar intussen moet ik ook overleven, en dan heb ik het nog niet eens zo slecht als de bedelaar die me daarnet om wat euro's kwam vragen, of wie moet wonen in vochtige, ziekmakende huizen. "De oogst beschouwt men als verloren / alle perziken liggen gekwetst in het dorre gras".

donderdag 22 november 2018

Een hele nacht niets dan dansen

Soms verlang ik terug naar de feestjes en fuiven waar ik naartoe ging toen ik begin 20 was, ongebonden en aan het begin van een ongelooflijk avontuur. Ik ging niet uit om meisjes te leren kennen of om dronken te worden – ik ging uit om sociaal te zijn, om te dansen, om me te kunnen overgeven aan heerlijke muziek, om samen met mijn vrienden slecht te dansen maar er geen fuck om geven omdat we toch allemaal vreemd waren. Vincent de goth-reus, Frank de robot, en ik als een rondhuppelende karate kid.

De laatste keer dat ik dat gevoel nog eens ervoer was 5 jaar geleden op Tomorrowland, toen mijn vrienden hadden samengelegd voor een duoticket voor één dag als verjaardagscadeau, wat nog altijd één van de beste verjaardagscadeaus is die ik ooit heb gekregen. Ik ging samen met het meesterbrein achter dit cadeau, mijn beste vriendin en bewaarengel Natasja.

Daar onder die tenten, in die weides, bij fluorescerende beesten en onder fakkels en lichten, op pontons waar de regen hard op kletterde, omringd door dansgraag volk van 18 tot 50, ontdekte ik het opnieuw. Die complete overgave aan muziek. Het transcendente gevoel van door iets groters opgenomen te worden, uit jezelf te stijgen, voelen dat je zeker 4 meter groot bent en een reus die alle tijdperken heeft beleefd. En dat zonder drugs.

Niet dat ik vies ben van roesmiddelen. Maar de echte roes zit in de muziek, het ritme, dat dwingende dat je doet bewegen als een derwisj in het diepste van je gedachten. Of beter: er zijn geen gedachten meer. Ze worden overrompeld door een andere, instinctieve taal die direct spreekt tot het bewustzijn. Dat is niet de hele tijd zo, maar komt met momenten, als satori in zenboeddhisme. 

Het ligt soms verscholen in een brugstuk met warme synths, soms in een keiharde regen aan 4/4-beats, soms in de drop die alle haartjes op je armen al anticiperen als een dansende hond van Pavlov. Soms ook puur in het enthousiasme van de menigte die een collectieve waanzin beleeft. Iedereen heeft er zijn of haar eigen verhalen en gevoelens, maar op dat moment verwordt het collectief tot iets groters. Ik zou zelfs zeggen: iets beters dan de som van haar delen. 

Uiteraard ben ik ook nog uit geweest op zoek naar affectie en een snuifje liefde voor de nacht, maar dat is zelden het resultaat geweest van die escapades. Mijn flirten is niet van een fysieke soort. Ik moet kunnen praten. Fysiek ben ik in mezelf gedraaid, geen lichaam dat zich graag in banen om een ander lichaam probeert te draaien (het is anders als ze al mijn vriendin of partner is). Maar met partners heb ik ook fijne herinneringen. Zoals twee jaar geleden de Gentse Feesten, de hele avond met Sofia op stap. Hoe ze me waanzinnig maakte. Hoe veel dorst ik had naar haar. Jammer dat ze er zich nadien niet veel van herinnerde.

Is muziek niet één van de vreemdste menselijke uitvindingen? Het is niet echt een praktische technologie. Je vangt er geen extra mammoet mee of je dempt er geen verlangen mee aan een autoriteitsfiguur die zegt dat alles goed komt. Net als film is muziek één van de enige uitingen van creativiteit waar elementen simultaan gebeuren in plaats van sequentieel. 

Ik zei onlangs nog tegen een andere dichter dat ik enkel maar dichter ben geworden omdat ik geen muziek kan maken of niet kan schilderen. Maar het beste gedicht zal nooit kunnen tippen aan wat muziek kan doen met dit lichaam, dit vege omhulsel van 90kg droog aan de haak.

Daarbij heb ik ook steeds een voorliefde gehad voor diepe tonen. Ik zei ooit dat ik altijd al heb verlangd naar enormiteit: woeste bergen, uitgestrekte steppes of woestijnen, of het heelal zelf. Iets waar ik me klein in kan voelen in al mijn veelvuldigheid. Een bad op reuzenmaat, als het ware. Want ik ben veel, en soms vind ik dat vervelend. Ik voel veel, ik denk veel en zowel die gedachten als gevoelens gaan meestal diep. Ik ben een levend uithangbord voor de uitspraak “niets menselijks is me vreemd.” 

Er zal nog wel ‘ns zo’n feestje komen. Zoals die keer in 2012, toen Natasja en ik samen puur uit liefde voor het feesten een fuif hadden georganiseerd die baadde in de gloed van een nachtelijk binnenzwembad door het venster. Ik had de hele tijd zo’n onnozele glimlach dat er een man was maar niet kon geloven dat ik geen drugs op zak had. 

Daarom lijkt – buiten dementie – doof worden me het ergste wat er bestaat. Point in case: ik heb een vriend die blind is, en hij is DJ en fervent muziekliefhebber. Daarbij komt dat ik door mijn DNA behept ben met een erg goed gehoor. Tot m’n 21 kon ik zelfs vleermuizen horen, of elektronische fluittonen die voor anderen onhoorbaar waren.

Weet je – ik hoop dat tegen dat ik een bejaardenhuis binnenrol of -strompel (als ik die gezegende leeftijd bereik en als de wereld niet tot een brandende vuilnisbelt wordt herleid voor die dag komt), dat ik de eerste bejaarde zal zijn die met zijn kunstheup en astmapompje op zijn kamer staat te dansen. Dansen en herdenken hoe het was met de jongens van eertijds.

Hoe ik hield van de ‘vierkante-meter-feestjes’ met Jelka (we dansten spontaan in mijn woonkamer op één tegel), hoe ik met pijn in de benen en voeten de eerste trein naar huis nam met Sasha, of gewoon hoe ik me plots voelde uitdijen en opvlammen tegelijk, sereen en mooi maar oneindig begrepen in het al. Eindelijk één. Eindelijk verbonden met de kleinste zandkorrel en het monsterlijkste sterrenstelsel.
 
Zoals Dalì ooit grapte: ik heb nooit drugs nodig gehad. Ik ben mijn eigen drug.

donderdag 1 november 2018

Lelijk

In een losse joggingbroek en met een t-shirt dat eigenlijk deel is van een pyjama stap ik uit m'n auto en ga ik de supermarkt binnen. Er heerst de typische vooravonddrukte. Deze supermarkt is gemiddeld iets duurder dan een andere supermarkt die dichterbij is, maar hij is beter ingedeeld en ik vind het kassapersoneel er iets professioneler. In de dichtere supermarkt werken onder andere een vrouw die alles wat ze zegt, roept met een accent alsof ze van de rurale rand rond Gent komt, en een mooi meisje dat zo dom als een steen is (na twee jaar weet ze nog altijd niet waar het vodkamerk dat ik altijd koop achter haar staat, hoewel de positie van die flessen al twee jaar ongewijzigd is). Ik snak vaak naar verpozing van deze wereld der vreselijkste banaliteiten. Ik verlang naar schoonheid.

Tot op zekere hoogte is schoonheid subjectief - een combinatie van culturele verwachtingspatronen en ingeëtste gedragsvormen in ons DNA. De meeste mensen zullen een weids berglandschap mooier vinden dan een beeld van een vuilnisbelt. Esthetiek kan zeer wisselend zijn per cultuur: sommige culturen vinden nekringen die vrouwelijke halzen onnatuurlijk uitrekken aantrekkelijk, voor andere culturen speelt make-up dan weer een grote rol. In sommige regio's is een wat zwaardere, weldoorvoede man aantrekkelijk als symbool van sociale status en rijkdom, elders is hij een te vermijden loser die niet genoeg zelfdiscipline heeft. In de supermarkt is de variëteit aan uiterlijkheden een gegeven. Niet alleen in de rekken en de belichting, maar ook in de klanten. En ik vind alles zo lelijk, zo veraf en toch weer te dichtbij.

In dit tijdperk, waarin bijna elke locatie op de wereld zo snel zo dichtbij kan komen, valt me inderdaad vooral de lelijkheid op van alles. Noem het overgevoelig zijn, of hoogsensitief, of snobistisch. Ik heb het niet enkel over fysieke lelijkheid van smakeloze huizen, slecht bij elkaar passende outfits of vluchtige modetrends die enkel de 1% van natuurlijk ragfijne modellen goed staan. Ik heb het daarbij ook over de innerlijke lelijkheid van zo veel mensen en de producten die deze wereld bevolken. Op de muziek in de supermarkt speelt 'One kiss' van Calvin Harris en Dua Lipa, en ik vind het een lelijk nummer, geproducet alsof het een achterafnummertje is voor een cocktailbar waar je enkel op uitnodiging komt om je te zitten vervelen met veel te dure daiquiri's. De tekst is lelijk - "I look like all you need", hoe narcistisch kan je zijn. En het stelt me teleur omdat ik andere nummers van Dua Lipa wel erg leuk vond.

De salades in plastic potjes zijn lelijk. Ik weet niet wat er allemaal in zit en misschien wil ik dat ook niet weten, gemaakt als ze zijn in fabrieken met lelijke arbeidscondities, maar niet zo lelijk als die in Bangladesh natuurlijk. Maar laten we de lat vooral niet te laag leggen. Met genoeg optimisme en voldoende roze brillen is immers iedereen buiten Hitler, Stalin en Pol Pot een kandidaat voor de Nobelprijs van de Vrede.

Lelijkheid sijpelt overal naar binnen door de muren van dit bestaan. Het rolt van de sociale media, waar het oprechte verlangen van veel mensen om goed te zijn en een verschil te maken soms lijkt uit te monden in een race naar een aureool, maar weet dat ook jouw stront stinkt. Maar erger nog zijn mensen die een pervers soort trots putten uit hun leugenachtigheid, hatelijkheid en kleinheid. Ik word er soms ziek van, hoe de ene na de andere beunhaas ergens in de media wederzijds handjobs uitwisselt met een zelfgenoegzame keure aan mediafiguren die al lang een veel te kleine bubbel bevolken met middelgrote visjes en zichzelf een walvis wanen.

Ik ben deel van die lelijkheid. Ik kies voorverpakt vlees uit, los uit gewoonte, terwijl ik beter zou moeten weten. En ik probeer m'n best te doen om al die verpletterende individuele verantwoordelijkheid toch nog op te vangen door op andere vlakken te letten op wat ik koop en consumeer, dat ik vooral probeer om de medemenselijkheid te zien van alle anderen, of een klare kijk te krijgen op de structuren van macht die ons inkapselen. Toch is die medemenselijkheid ver als ik aan de kassa kom en een oudere dame de rij rustig ophoudt met tienduizend vragen over bons voor brol die ze wellicht niet nodig heeft en dan natuurlijk betaalt in cash. Het is een cliché dat de oudjes supermarkten bezoeken als het werkvolk terug naar huis komt, als was het om ons te pesten. Maar de droeve waarheid is misschien ook dat ze dan voelen dat ze onder de mensen zijn.

Mijn auto is lelijk. Alle auto's zijn lelijk door die uitlaatgassen die ze de lucht in pompen. Ten andere ben ik herhaaldelijk taxi geweest voor vrienden en kennissen die zich anders beroemen op hun autoloosheid. Doe je ook veel mee voor het milieu als je dan vier of vijf keer per jaar het vliegtuig neemt. Maar dit kaatsspel van wederzijdse verwijten heeft maar één winnaar: het systeem. De atomisering van collectieve problemen maakt het ons zo moeilijk om uit dit verstrikkende denkkader te breken.

Lelijk zijn de armoede en de sloppenwijken overal ter wereld, de betonnen grafkelders van communisme en corruptie, de vulgaire en schreeuwerige glamour van roddelblaadjes en Las Vegas, en ga zo maar verder. De betreurde dichter Menno Wigman schreef ooit: "in Petten zijn de mooiste huizen grijs / in Petten spookt het van oneindigheid". Dat gedicht deed alle haartjes op mijn armen en in mijn nek overeind staan. Ik ga deze wereld ooit verlaten, en ofwel gaat die oneindigheid van supermarktrekken er nog altijd in doorgaan, ofwel zal ik in hetzelfde puin liggen als de as en het stof van een globale implosie.

Hertog Maximiliaan van Boergondië was de laatste jaren van zijn leven volgens zijn biografen "morbide depressief". Hij reisde overal met zijn doodskist mee in een sombere koets, en droeg in zijn testament zijn familie op om zijn tanden uit te slaan, hem te geselen en hem te bedekken met as, om hem tenslotte tentoon te stellen aan het volk, om het te doordringen van zijn eigen vergankelijkheid. Natuurlijk had hij ook kunnen kiezen om het besef van sterfelijkheid om te zetten in een globaal medeleven met de vaak deplorabele condities van zijn onderdanen, maar een soort fatalistisch zombie-cabaret opvoeren leek hem interessanter. Tussen die twee polen zit ik ook gevangen. Intussen rijk ik de parking af. De bonnetjeskoningin van zoëven waggelt trots voorbij. Er hangt vogelkak aan mijn auto.

Ik herinner me plots een meisje van m’n middelbare school dat ik schattig vond. Ik denk niet dat veel jongens haar leuk zouden gevonden hebben. Maar ik vond dat ze dat iets had. Soms ben ik ook opgewonden geworden door vrouwen die conventioneel zouden gelden als lelijk, net zo goed als ik zo koud bleef als een ijsklomp onder de charmes van vrouwen die algemeen wel golden als sexy of mooi. Schoonheid is gelukkig niet alleen wat de maatschappij zegt en daar dank ik dan weer het individualisme voor. In de achteruitkijkspiegel zie ik een deel van m’n eigen hoofd, met al dat wilde haar, die bleke smoel en die stevige neus. Schoonheid vinden in mezelf zal me wel nooit lukken. Misschien daarom dat ik er zo verslaafd aan ben. Woestijnen hebben immers ook een eeuwige dorst.

vrijdag 31 augustus 2018

Soms voel ik hem dromen

Hij is 11 jaar en slaapt graag bij mij, vooral als ik een dutje doe. Dan gaat hij vaak met zijn rug tegen me aan liggen, of krult hij zich op in de kom van mijn schouder, soms met zijn kopje op m'n arm of zijn voorpootjes. In mijn teksten noem ik hem Tyr, wat niet zijn echte naam is, maar vaak noem ik hem "patatje". Hij is wat te dik en er schort wat aan zijn urinewegen, maar voorts is hij een gezonde, actieve kater. Een rosse met een witte 'schort', zoals er tienduizenden zijn in de wereld. Het opvallendste aan hem zijn zijn grote, amberkleurige ogen.

Soms kijken we samen televisie. Alleen natuurdocumentaires zijn uit den boze, want als hij vogeltjes hoort fluiten, valt hij de tv aan. Is het raar om zo lyrisch te zijn over wat uiteindelijk maar een huisdier is? Ik vind van niet. Hij is er altijd als ik thuis kom, en als ik op reis ben geweest geeft hij voortdurend kopjes en kirt hij van blijdschap. Het schijnt dat huisdieren een goed hulpmiddel zijn tegen depressies, en dat kan ik best geloven.

Oorspronkelijk kwam Tyr uit een halfwilde nest bij de ouders van mijn eerste huisgenoot. Hij was nog maar twee weken oud, schatte de dierenarts, dus eigenlijk te jong om al weggehaald te worden. Ik leerde hem naar toilet gaan en leerde hem eten, en was erbij toen hij zijn eerste ronkje liet horen, terwijl hij nog volledig in mijn handpalm paste. Nu is hij 8kg en van kop tot staart een halve meter lang, en daardoor vind ik elke andere kat een klein beestje of denk ik ten onrechte dat het een semi-kitten is.

Door zijn opvoeding van mensen heeft hij een paar gekke trekken: hij zit graag in bad en speelt graag met water. Hij wil opgepikt worden als een baby, wat andere katten normaal haten. En als er bezoek is, dan slooft hij zich uit om te showen. Dan miauwt hij luid als hij eten gaat krijgen, ligt hij graag in het centrum van de aandacht op de vloer, of eist hij de aandacht op door op sommige van mijn vrienden te gaan zitten. Dan zeggen mijn vrienden dat hij aardt naar zijn baasje, die ook graag de show steelt. Dat kan. Bij de dierenarts hadden ze het nog nooit meegemaakt: een kat die enkel naar toilet wilde als er een publiek bij was.

Als hij slaapt bij mij, voel ik hem soms dromen door zijn korte grommetjes of onwillekeurige bewegingen van zijn pootjes. Ik vraag me dan af waarover hij droomt. Over zijn vorige woonsten (hij is al twee keer verhuisd)? Over mij of familie en vrienden van me? Of over die ene keer dat hij een hond zag, laag gromde met zijn haar omhoog en daarna als een doodsbang kuikentje met kloppend hartje in mijn armen zat?

Niet alle helden dragen capes. En hij is een beetje mijn kleine held, mijn kleine man. Flink en trots ligt hij vaak aan mijn voeten, rustig genietend van de beste stralen zonlicht, of tevreden toekijkend terwijl ik gasten entertain. Met hem ben ik nooit echt alleen.