Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'.

Noot voor lezers die al een tijdje deze blog volgen: dit was vroeger de hoofdblog waar bijna alles op kwam. Indien je zoekt naar content (zoals gedichten en kortverhalen) die je nu niet meer kan vinden, neem dan via de linkerbalk een kijkje op de andere afdelingen. Daar kan je vast vinden wat je zoekt!

dinsdag 30 augustus 2016

De engel met gebroken vleugels

Telkens als ik begin aan mijn looptocht voel ik me precies als een dier dat ergens uitgezet wordt uit een fuik en dan door een plastic tube door een bos moet rennen, terwijl er ergens een goddelijke observant met een klokje in de hand mijn tijd opneemt. Ik ren zonder muziek, zonder apps. Ik probeer enkel te tellen, in reeksen van acht, om hetzelfde ritme te kunnen aanhouden. Al de rest zou enkel afleiding zijn. "Vergelijken heeft geen zin als je loopt," zei iemand ooit tegen me, "Iedereen loopt zijn eigen race." Daarom ga ik graag lopen. Of beter: ik hou van het gevoel gelopen te hebben. Nu het is een beetje afzien. Het eerste deel van de looptocht gaat noordwaarts langs wat ik schertsend onlangs de Mariakerkse Rivièra noemde.

Door de concentratie op adem, ritme en afstand komen en gaan gedachten zonder veel samenhang, alsof het een meditatiesessie is op wielen. Bijvoorbeeld: dat op dagen van vermoeidheid een oude ring van pijn opgloeit rond mijn linkerenkel, die ik 12 jaar geleden lelijk verzwikte ergens diep in de bossen van Vlaams-Brabant. Sinds dit jaar heb ik hetzelfde met het rechterschoudergewricht, dat bijna heel 2015 ontstoken was. En ik denk: met dit soort artefacten van pijn moet ik eens iets doen in een verhaal, tot ik me bedenk dat Donna Tartt iets vergelijkbaar schreef over een kwetsuur die tijdens een grimmige winter opgelopen was. Origineel zijn is moeilijk, maar moet dat dan? Ik ben alweer 64 tellen verder en rond de kaap van wat ongeveer twee kilometer is, onder een brug door. Ik word ingehaald door een lopend koppel, zij aan zij in lycra. Als wandelaar ben ik het die meestal mensen inhaal maar als loper is het omgekeerd en soms knaagt dat een klein beetje. Duikt bij deze rat dan toch weer wat competitiedrang op?

Ach, een beetje competitiegeest is gezond. Zeker in de letteren. Als mensen mij vragen waarom ik lees, geef ik doorgaans de voor de hand liggende redenen: omdat het verrijkend is, omdat een schrijver zelf ook hoort te lezen en te weten wat anderen zoal uit hun pen hebben gewrongen, of omdat het inspirerend kan werken. Een reden die ik meestal niet vermeld is dat ik graag ook de ingebeelde competitie aanga met een andere schrijver. Soms is het appelen met peren vergelijken: ik sta qua thematiek, stijl en verhaalstof veel te ver af van een Paul Auster om een vergelijking zinnig te maken. Dan drijf ik gewoon even mee door de stroom waar zo'n schrijver me doorvoert en probeer ik onderweg te genieten van het landschap. Soms moet ik concluderen dat ik te maken heb met een slechtschrijver of een matige schrijver met een slechte dag. Dan voel ik me nadien een beetje gebruikt, alsof iemand me een restaurantbezoek beloofd had maar we een fletse pannenkoek zijn gaan eten in een tearoom die ruikt naar bejaarden en steunkousen. Intussen zit ik op drie kilometer, met als ijkpunt het politiekantoor aan de Rooigemlaan, een gebouw dat er niet meer jaren '70 had kunnen uitzien als het gewild had.

Er komen titels en woorden in me op. 'De engel met gebroken vleugels', dat klinkt wel mooi. Maar wat kan ik ermee? De dagen dat ik in het wilde weg teksten zat te schrijven zonder te weten waarheen de reis ging, zijn voorbij. Een man die ik volg op Twitter betreurde ooit dat hij erg veel projecten opstart maar er zelden langer mee doorgaat dan een paar maanden, waarna het digitale stof neerdaalt en er weer een onbereikt doel aan zijn lijst wordt toegevoegd. Opnieuw: hoeft alles een doel te hebben? De reis is zelf het doel, preekt een boeddhist uit een kauwgomautomaat, maar is een reis een doel als je het zelf niet weet en is het doel dan niet simpelweg het inzicht? Ik hijg me een weg langs een heraangelegd stukje Groendreef aan het konteinde van de Brugse Poort. Gent doet zijn best om de stad te verfraaien en verliest daarbij de achtergestelde wijken niet uit het oog, wat er verder ook van aan is met die hele Optima-zaak. Siegfried Bracke denkt dat daardoor zijn tijd gekomen is, maar hij lijkt niet de beseffen dat hij de Grima Slangentong is van het verhaal. Het is niet omdat zijn rivaal nu misschien onherstelbare imagoschade geleden heeft, dat de prinses Grima plotseling niet meer weerzinwekkend zal vinden.

Ik ben al een fors eind over de helft en op de terugweg. Ik moet glimlachen door het zweet heen omdat ik weet dat ik het zal halen en m'n jaarrecord ga breken - zeven kilometer is weinig indrukwekkend in vergelijking met mensen die routineus halve marathons uit lopen of aan een verschroeiende 10km/u rond de Watersportbaan denderen, maar het kan me niet schelen. Ik kijk enkel over de schutting als ik nuttige tips kan krijgen van andere lopers. Dat brengt me ook weer terug bij de schrijverij. Nu en dan lees ik een boek of beland ik op een blog waar ik me niet alleen gretig te goed doe aan de woorden, zinnen en paragrafen, maar dingen zie waarvan ik denk "dit moet ik toch maar eens onthouden om zelf uit te proberen". Voor de duidelijkheid, ik steel geen ideeën van andere schrijvers, het gaat me veel vaker om bepaalde stijlprocédés, wendingen of woordkeuzes. Dat klinkt weinig romantisch en is het ook niet.

Lezen en vooral schrijven hebben veel minder te maken met goddelijke inspiratie, Weltschmerz en met een laag over de lippen hangende sigaret onder sloten koffie gitzwart proza uit te braken, maar hebben meer gemeen met wat een R&D-afdeling doet in een machinefabriek. In het lezen van een tekst zie ik vaak de blauwdruk of heb ik oog voor het buizenwerk dat de grondslag vormt van het idee dat gepresenteerd wordt. De besten kunnen dat bijzonder goed verbergen, of onthullen op cruciale momenten zodat je weet met wat voor genie je te maken hebt. Niet dat alles techniek is. Er is ook het nous, en datzelfde nous is nu met korte, diepe stoten uit mijn longen aan het puffen (terwijl het thuis al honderden taaie pagina's Ulrich bezighoudt in 'De man zonder eigenschappen'). Ik loop langs een lang hekken dat een wilde boomgaard afschermt. Overal liggen al bladeren en kleine takken. Ik denk eraan dat ook bomen ademen en 's nachts hun takken iets meer laten zakken - alles buigt voor de almacht van de aswenteling. De horizon is roze, oranje en ik sluit m'n ogen terwijl ik hem in mijn hoofd probeer na te schilderen met woorden.

Mensen romantiseren te veel en tegelijk te weinig. Te veel: flauwe citaten herkauwen van Oscar Wilde of doen alsof het leven prachtig is gewoon omdat je ergens een kleine hebt zien lachen aan de oevers van een meer. Te weinig: hoe techniek en bezieling soms kunnen samensmelten in kleine concerten van eenheid en je beseft dat, ook al loop je hier alleen je longen uit je lijf aan de Mariakerkse Rivièra, alles voortdurend leeft in dialoog met iets anders. Want dit lopen zal misschien ook ooit iemand anders aanzetten om in sportkleren te springen en de eerste stap te zetten, en wie weet zijn er nu andere schrijvers die pizzicato door m'n zinnen gaan om zich te ergeren of te verwonderen. Ik rond de laatste hoek terug naar m'n appartement en de fuik klapt weer dicht. De man met de chronometer drukt af.

zondag 24 juli 2016

Laatbloeier

Neergestreken in het al hevig vertrappelde glas van het Baudelo-park zitten we gezapig met een groep vrienden te kletsen in de luwte, met in onze oren een onophoudelijke salsa. We hebben het over ervaring en meer bepaald over ervaringen in de liefde. Allemaal zijn we relatieve laatbloeiers maar niet buiten de gemiddelde normen voor hoger opgeleiden, die daar volgens statistieken allemaal wat later aan beginnen. Want voor het gepiemel moeten eerst de punten binnen zijn, zeker? Zoiets? Of, als ik terugdenk aan mezelf op de leeftijd waar de potiger leeftijdsgenoten al rondtoerden door de straten met hun eerste liefje achter op de scooter, was het niet dat ik toen niet wilde maar de kans gewoon niet had. Door in je zetel sf-romans te lezen waar je een boer mee van zijn paard kan slaan, ga je natuurlijk geen lief vinden. Bovendien zat ik op een school waar de meisjes sterk in de minderheid waren en zat ik niet in een jeugdbeweging, die bij ons te lande maar in twee variëteiten kwam: de scouts en de voetbal.

Als er één onderwerp is dat je niet kan vermijden op de Gentse Feesten, is het wel liefde. Is het geen liefde voor de stad, dan is het liefde voor elkaar, of de zoektocht naar de liefde. Terwijl we gênante anekdotes uitwisselen over eerste keren ("ben jij ooit betrapt bij het masturberen?"), verhalen vertellen over foute interpretaties ("mijn lief dacht toen echt dat ik 'condomen' gezegd had in plaats van 'condooms'!") of er ongepaste woordspelingen gemaakt worden ("Sint-Befs") kan ik het niet laten rond te kijken. De Gentse Feesten is meer dan ooit een vreemde ervaring, met zo veel mensen tegelijk samen zijn maar toch enkel in je eigen kringetje blijven zitten. De dag voordien had een Amerikaanse die mee was met vrienden van vrienden dat opgemerkt en ze had gelijk. Op feestjes en festivals zijn wij Vlamingen ook allemaal zo. Het is geen toeval dat één van de enige conversaties die langer duurt dan een paar seconden met een wildvreemde, de dag nadien zal zijn met een Nederlandse toerist.

Mijn blik dwaalt naar de salsadansvloer. De ene trippelt en molenwiekt al beter en vloeiender dan de ander. Wij bevinden ons niet in een gezelschap van dansers. Vroeger kon ik me kwaad maken als een vrouw beweerde dat ze kon zien hoe iemand zou zijn in bed door hoe die danste (je raadt al dat ik niet goed kan dansen). Nu: ach. Die "ach" begeleidt veel dingen de laatste tijd. Het "ach" als iemand nu om vuur komt vragen waar ik vroeger zeker nog een praatje mee zou gemaakt hebben. Het "ach" als ik besluit om om één uur al mijn biezen te pakken en de fietstocht naar huis aan te vatten. Tien jaar geleden dwaalde ik pas als de plastic zak uit 'American Beauty' naar huis tegen het ochtendgloren, zat en met kapotte voeten. En dikwijls met een anekdote of twee die in de pot kon gestoken worden met belachelijke verhalen.

En toch steekt het ergens. Hier lopen zo veel mensen rond die elk een verhaal hebben, die elk iets willen, die volgende week ergens moeten zijn of die spijt voelen, mijmeren als ze kijken naar het donkere water voorbij de lichten of enkel in het kolkende nu willen leven van de Vlasmarkt even verderop. Ik zou ze allemaal één voor één willen interviewen. Van het oudere koppel dat samen dronken giechelend door het park stuitert, pintjes liefdevol in de hand, tot de troep jongens met grote ogen die eruit zien alsof ze in een snoepwinkel zijn losgelaten. Maar je komt het niet te weten. Ik heb het jaren geprobeerd, wel, maar dan kom je al snel over als een vreemde reality-journalist of iemand die een tweede plan heeft. Die keer dat ik een brandblusser liet leegschuimen over een leeg podium, dat ik samen met een groep impromptu vandalen aan het afbreken was, mocht daarvan gelden als mijn hoogte/dieptepunt, afhankelijk van je standpunt. Ze hebben ons nooit gepakt omdat we niet eens elkaars namen wisten.

Het gesprek van de groep is verschoven naar gemeenschappelijke kennissen. Verhalen worden bovengehaald van die ene kennis die fakete dat hij kanker had en dan midden in de nacht mensen opbelde om te zeggen dat hij bang was of pijn had. Sommigen zien hem nog soms, meestal rond de Feesten. Sommige mensen zie je inderdaad enkel dan. Zoals een kleine groep krakers die ik zie op letterlijk elk feestje waar ik ben. Wie zijn die 24/7 party people? Ik denk aan 'Northern Lights' van Praga Khan, waarin de protagonist zich met tegenzin opmaakt voor nog maar eens een nachtje stevig uitgaan. Want uiteindelijk komt er toch een dag dat je 't gezien hebt? Ik heb het ook enkele jaren gehad met de Feesten. Pas dit jaar ben ik er weer meer, gedeeltelijk omdat er moet opgetreden worden. Een uur geleden was ik nog in dat café, een volkse bedoening met stoelen en krukken die niet bij elkaar passen en een smoezelig binnenterras, maar gezelligheid om U tegen te zeggen.

Even verderop catwalkt een groep jonge vrouwen voorbij die lijken te denken dat ze op Tomorrowland zijn. Mij niet gelaten. Mijn gedachten cirkelen weer terug naar het begin van het groepsgesprek, dat ik geestelijk al lang niet meer aan het volgen ben. Die laatbloeierigheid, dat was ook simpelweg een vorm van verlegenheid. De angst dat ik iets zou zeggen of doen dat ongepast was. De angst voor afwijzing. Ook de groep is weer terug on topic. Een vrouw zegt dat het voor vrouwen inderdaad makkelijker is om zomaar op een willekeurig moment iemand voor de nacht te vinden. Wij, het merendeel mannen, beamen dat, maar ik merk er ook bij op dat de kwaliteit misschien niet dat gaat zijn wat je wel zou willen. Want je kan dan wel op de Vlasmarkt om 5 uur 's ochtends mits enig geluk uiteindelijk je lippen tegen die van een ander zetten, maar wat levert het op? Het lijkt me allemaal zo veel moeite voor weinig resultaat, homo economicus als ik ben.

Even later ga ik aan Sint-Jacobs om een zak frietjes. Zeg maar frieten. De snit is dik, namelijk, en traditioneel. Het kot wordt al sinds jaar en dag uitgebaat door Turken, de meest zichtbare en ook de meest vergentste groep mensen in de stad wier wortels elders liggen. Ik durf zelfs zeggen dat ze beter aangepast zijn dan de vele kolonies West-Vlamingen die in de stad wonen. Een Turk ga je nooit "Hent" horen zeggen. De rij gaat vlot vooruit, de maestro aan het raam is bij de pinken. Als vroege herfstbladeren zitten en liggen her en der groepjes mensen, smullend, grappend, op elkaars rug zittend. Al die verhalen, al die nachten die tegelijk plaats vinden hier en nu.
Plots is het mijn beurt. Shit, niet nagedacht over wat ik wilde.
"Een laatbloeier alstublieft."


woensdag 6 juli 2016

De dood in kleine dosissen

Nadat ik een anekdote had verteld over mijn familie - de zoveelste - schudde een vriendin haar hoofd vol ongeloof. "Ik geloof je niet meer," zei ze. Toch was wat ik zonet had verteld helemaal waar. Daardoor moest ik even nadenken. Elke mens denkt bij het opgroeien dat zijn of haar familie ergens binnen een bepaald spectrum valt van normaliteit. Je kan wel weten dat nonkel Jef meer drinkt dan andere nonkels, maar je weet pas dat hij een alcoholicus is als je merkt dat niemand een nonkel heeft die zo veel drinkt als Jef. Een dergelijk besef groeide bij mij heel gestaag en kwam pas door die uitspraak van die vriendin tot volle wasdom. Voordien hadden sommige mensen me al gezegd dat ik uit al die verhalen een eigen versie kon puren van 'De helaasheid der dingen', maar dat zag ik zelf niet zo. Mijn familie was niet arm, niemand zat er zwaar aan de drank of aan de drugs, er werd niet geslagen en geroepen en de meeste mensen hadden een job of toch alleszins een waaier aan activiteiten waarvoor je iets anders aantrok dan een training en een marcelleke.

Die gedachten komen allemaal terug nu ik op de bus zit en me opmaak om morgen naar de uitvaart te gaan van mijn nog laatst levende natuurlijke grootouder, 's vaders moeder. De kranige oude heks is 87 geworden en die woorden kies ik bewust. Mijn band met haar was, net zoals mijn band met bijna alle andere familieleden die niet mijn ouders of broers zijn, zo goed als onbestaand. Langs vaderszijde was dat voornamelijk omdat zijn eigen familie vele kromme telgen en vertakkingen kende die zich ondanks alles weliswaar staande hield in het leven, maar die vooral behept leek met een vies soort excentriciteit. Niet koddig genoeg om grappig te zijn, niet diep genoeg om artistiek te zijn en niet snijdend genoeg voor tragiek. Behalve misschien de nu overleden grootmoeder, die een groot deel van haar leven doorbracht met een man die in ontkenning leefde dat zijn vrouw karaktergestoord was.

Op een bus denkt een mens na, want concentreren op lezen gaat nauwelijks in dit pandemonium van stedelijk lawaai. Onlangs zei ik tegen een andere vriendin dat mensen die me storen op de bus ruwweg in vier categorieën komen: luidruchtig telefonerende vreemdelingen, jongeren met te luide muziek, dronkaards en dan wat ik bestempelde als "algemene marginalen". Momenteel stapt een gezin van de algemene signatuur op. De man zint me het minst van allemaal. Zijn basishouding is er één van agressie. Er is het bekende stereotype van de dommekracht-met-speknek die liever zijn vuisten laat spreken dan zijn verstand, maar ik weet dat die graatmagere, rattige types veel gevaarlijker zijn. Dat zijn jongens die hun hele leven moesten knokken om tegen de speknekken op te kunnen en er hard van geworden zijn. Om respect te krijgen, moesten ze meer durven, sneller zijn en harder meppen. Dit is zo'n type. Natuurlijk zit hij neer met zijn benen superwijd uit elkaar. Natuurlijk kaffert hij zijn vrouw uit (en zij hem, met een schorre stem). Natuurlijk gromt hij als zijn peuter begint te krijsen. Allemaal in het Gents. Het Gents van mijn grootmoeder, ook, dat ik graag mocht imiteren als ze ons veelgeplaagde familiebezoek probeerde te verlengen door ons limonade aan te bieden waar de prik uit was en ijsjes uit te delen waar de rijp uit de diepvries groen was geworden.

Onlangs heb ik ergens gelezen dat 'confessionals' geschreven door mannen meestal te flauw zijn, te weinig gedetailleerd en te veel het eigen ego sparen. Misschien is dat waar. Maar de man wordt meer grootgebracht als voyeur dan als exhibitionist, ook in de literatuur. Ik ben niet anders. Even voorbij de briesende homo erectus zie ik een pracht van een vrouw met rijk, zwart haar, ogen van steenkool en hakken om u tegen te zeggen. Een bloem in een mesthoop, zou Cyriel Buysse gezegd hebben, maar aan de verdere implicaties van het verhaal waar dat citaat uit komt, denk ik liever niet. Mijn familie heeft nooit in arbeidersmilieus gezeten. Mijn beide grootouders hadden een job. In dat opzicht waren de Voloshins in de jaren '60 avant-garde. Er zaten vrouwen in de familie die studeerden en werkten. Maar het geslacht Voloshin produceerde ook veel afval. Mijn afkeer voor dat afval is deels een afkeer voor mijzelf. Willens nillens deel ik immers veel genetisch materiaal met die familie onverbeterlijke affairisten, gulzigaards en leeglopers. Want dat waren ze ook. Zoals die oudoom die nooit een dag gewerkt had en al tegen z'n 40 een vies oud mannetje was dat naar verluidt "stonk naar de look en de pipi". Of een andere oudoom die hoogbejaarde leeftijd in de spoed was beland nadat hij zijn lul in een stofzuiger met een vuilverhakselaar had pogen te steken.

Aan een halte heeft een vrouw moeite om haar zwaar beladen kinderwagen op de bus te krijgen. Ze krijgt onmiddellijk hulp van een oudere Marokkaan op de bus en een Afrikaan op het trottoir. Als de vrouw het haalt en de deuren dichtglijden, zie ik de Afrikaan weghinken. Zelfs met zijn handicap vond hij het nog zijn menselijke plicht om die vrouw te helpen. Intussen help ik zelf een oudje om haar boodschappen vast te houden zodat ze in de stoel naast me kan klauteren. Het is dus niet al kommer en kwel op de bus. En, zo schreef Tim Van der Mensbrugghe ooit, het is een goed teken als oude mensen buiten durven komen. Ze zijn de kanarie in de koolmijn van het angstgevoel. Intussen zie ik m'n silhouet weerspiegeld in het busraam. Met enig afgrijzen merk ik, zoals ik de laatste jaren vaker merk, dat de contouren van mijn grootvader beginnen op te rijzen in mijn gelaat. Nu hij al 15 jaar dood is, begint hij aan zijn terugkeer. Van zijn generatie was hij één van de meer geslaagde Voloshins. Het weerhield er hem echter niet van om zich in een prematuur graf te eten en eigenhandig een sigarettenmerk of twee in de positieve cijfers te houden.

Maar ben ik zo veel beter? Ik ben niet obees als hem maar ik zou toch 10 kilo minder mogen wegen en Noah Voloshin was ook niet als oliebol geboren. En die sigaretten, tja. Ik had al die karakteristiek gelige Voloshin-tanden nog voor ik m'n eerste sigaret had gerookt, ook al op die typisch late Voloshiniaanse manier - ik was 24. Want de Voloshins zijn laatkomers. Überpatriarch Alexei Voloshin werd pas vader op zijn 36ste. Eén van mijn ooms heeft de legendarische reputatie overal drie uur te laat te komen. De ironie wil dat de man bij de spoorwegen werkt. Intussen is de tijd van het oudje naast me om af te stappen gekomen, en ze glimlacht nog even voor ze de bus verlaat. Onze ogen treffen elkaar en een moment lang kan ik in haar oude, gevlekte gezicht moeiteloos zien dat ze ooit nog een jonge vrouw geweest is die fier rechtop stond. Bejaarden worden wegge-anderd dat het een lieve deugd is (behalve als ze rijk zijn), maar op haar gezicht staat mijn toekomstig lot al gebeiteld. Grootmoeder heeft de laatste jaren van haar leven zelfs als de Ander voor zichzelf doorgebracht, afglijdend in de dementie. In al die tijd heb ik haar geen enkele keer bezocht, hoewel ze op tien minuten afstand in haar home zat. Dat is bijzonder hard, maar er is ook altijd erg weinig liefde van haar kant geweest en ze kon niet geweten hebben dat ze haar zaden van waanzin zou doorgeven aan haar oudste kleinzoon.

Soms lijken mijn familieleden parallelle universa van mezelf, of waarschuwingsborden. Omdat ik wist hoe destructief bipolaire persoonlijkheidsstoornissen konden huishouden - grootmoeder sprong ooit uit het venster van een instelling met ware doodsverachting, ware het niet dat ze zich op het gelijkvloers bevond - heb ik, met behulp van medicatie, de grendel secuur dicht. Ik ken de tekenen van de hypomanie en de dysthymie. Omdat grootvader en een tante compulsieve hoarders waren, gooi ik vrij snel dingen die ik niet meer gebruik weg. Ik herinner me nog al die mappen, papieren en brieven die stonden te vergelen in grootvaders doorrookte archiefkasten, en zijn garage die vol brol stond zodat zijn Lada (!) er niet meer in kon. Of één van de weinige grappige momenten, toen grootmoeder mij vertelde dat ze bedolven was geraakt onder de brol die mijn tante in elke kamer van het huis was beginnen volstouwen. Die tante is nog zo'n negatieve mijlpaal: een eeuwig meisje van 50 die op wandelsnelheid door Gent fietst in fluohesjes en plaasteren poppen maakt. Haar lieven heetten allemaal Frans en de laatste stierf in zijn slaap. Hij had een aansteker met een klapmes ingebouwd. Het begint langzaam duidelijk te worden waarom mensen me soms moeilijk kunnen geloven.

We zijn aan het einde van de rit. Enkel nog een paar jonge Turken en een dik meisje moeten er samen met mij af. Mijn grootvader, die hier een kilometer verderop onder de zoden ligt, wordt straks herenigd met zijn vrouw. Zij als as, hij als compost. Soms zeggen mensen dat hij zo veel at en zo laat opbleef om allerlei brieven en kruimige poëzie te schrijven als een manier om weg te vluchten voor de realiteit. Ik weet het niet. Zijn verbod op grote schoonmaken, waardoor hun toilet altijd extreem stonk naar urine en er een soort kleur is die ik in mijn hoofd urine-oranje noem, leek me eerder een schild dan een vlucht. Hij wist vast erg goed wat de lange-termijngevolgen waren van zijn gedrag. Net zoals ik. Hij was in zekere zin een idealist, net als ik, al was hij een geel-zwarte (met een replica van de IJzertoren op zijn overwoekerde vensterbank) en ik een groen-rode. Maar elke dag dat ik niet in een andere genetische drol trap die het geslacht Voloshin voor mij heeft voorbereid, is een overwinning. M'n moeder zei ooit, monter en opgelucht, dat ze blij was dat ik de 30 gehaald had, een wezenlijke prestatie voor mannen in haar tak van de familie. Een lugubere verwezenlijking, dat wel, maar soms moet je blij zijn met wat je hebt. Dus morgen ga ik de confrontatie aan met al die verwrongen evenknieën, die nonkels, tantes, gescleroseerde oudjes en wanstaltige Anderen, allemaal fruit van dezelfde boom. Het enige wat ik hoop is dat ik niet, zoals bij Lucebert, gekwetst in het dorre gras eindig. Mag dat?

donderdag 26 mei 2016

Heimelijk

Toen ik een jaar of zes was zijn m'n ouders op een keer vergeten om me naar bed te sturen. Mijn moeder had een bloemenwinkel en was die avond naar de groothandel gegaan om inkopen. Vader stond haar nadien te helpen bij het maken van bloemstukken in de werkplaats achter de winkel. In de woonkamer zat ik te kleuren terwijl ik luisterde naar een cassettetape van Lecturama, waar sprookjes voorgelezen werden en er telkens een belletje rinkelde als je de bladzijde van het bijgeleverde boek hoorde om te slaan. De tapes zelf zaten dan weer opgeborgen in een koffer die de vorm had van een gigantisch boek. Terwijl de tape afliep en het licht buiten dimde, hoorde ik mijn ouders vlijtig verder werken in de werkplaats met hun eigen muziek erbij. Ik voelde me in alle stilte en vergetelheid een heimelijke overwinnaar omdat ik al minstens een uur te lang op was.

Je herinneringen kies je niet altijd, zeker niet van een tijd waar je nog niet werd geacht dingen vanbuiten te leren volgens een bepaald stramien of omdat er cijfers aan vast hingen (niet dat zo'n stramien ooit motiverend werkte voor mij). Maar waarom is het die herinnering die kristalhelder kan opgeroepen worden en niet wat ik de dag erna of de dag ervoor deed? Is het eigenlijk niet eerder zorgwekkend dat we zelden zonder externe hulpmiddelen ons leven maar heel vaag chronologisch kunnen navertellen? Nee, want daar dient ons geheugen in feite niet voor. Herinneringen zijn boodschappen die moeten dienen als waarschuwingen of gidsen en hangen samen met emoties. In dit geval mijn eerste bewuste herinnering aan de heimelijkheid.

De heimelijkheid en ik hebben een lange geschiedenis. Zo wandelde ik 's nachts graag binnen en buiten in diverse cafés en had er gesprekken met volslagen onbekenden. Of als tiener lag ik in 't geniep te lezen in bed met enkel nachtstilte en een lampje dat op dimstand stond. Nu nog steeds heb ik de onverkwikkelijke neigingen de uren rond middernacht te stelen als iets dat enkel van mij is en bij mij hoort. In die tijdnissen bestaat er geen plicht, geen afwas die moet gedaan worden, geen rapporten die op tijd moeten ingeleverd worden. Er bestaat in die uren ook geen modebesef. Zelfs de kater mag er niet bij zijn: die moet dan in zijn mandje gaan liggen of desnoods op mijn bed wachten tot ik zelf kom slapen. Zou hij ook van die herinnerde gevoelens hebben?

Ik ben vaak bezig met nagaan waar gewoontes en gedragskenmerken vandaan komen bij anderen en bij mezelf. Ik wil ze terug kunnen traceren als een soort lichtend pad, al is de echte keten van oorzaak en gevolg veeleer een constructie van giswerk dan een stalen feit. Want waarom precies geniet ik van heimelijkheid, buiten een erg milde vorm van iets uitspoken wat niet 100% hoort? Voor een stuk omdat het een verdwijntruc is. Ik ben een zeer aanwezig persoon en dan nog het meest van al in mezelf. Vrienden en familie zullen dat soms tot hun jolijt en soms tot hun chagrijn kunnen bevestigen. Heimelijkheid ontslaat me paradoxaal van mijn eigen aanwezigheid. 's Nachts kan ik dan even naar het balkon en zonder specifieke dingen te denken kijk ik naar de bomen aan de overkant van de straat, dan links en rechts, in de wetenschap dat er geen auto zal komen en dat ik mogelijk de enige persoon ben die nog op is in de buurt.

In m'n heimelijk uitgegraven holtes en grotten kan de druk eraf. Er is veel dat ik met alle oprechtheid juist wil doen. De rekeningen moeten een beetje kloppen en daar waar ik tekort schiet, voel ik m'n tanden al knarsen. Zoals piekeren over hoe lang het geleden is dat ik bepaalde oude vrienden nog zag en dat we elkaar stilletjes losgelaten hebben zonder dat er een echte oorzaak voor was. Of dat ik vorige week te laat was op het werk en dat gênant vond. Of ik vraag me af of het wel oké is om zo veel te willen van het leven wat ik misschien nooit ga kunnen krijgen. Die pirouettes van het verstand houden dan even op met draaien. Dan ben ik heerlijk alleen terwijl het leven, het werk, de slaap en weet ik wat nog onverbiddelijk verdergaan in een gigantische werkplaats. Soms ruik ik nog de geur van bloemstengels en zie ik mezelf nog steeds die jongen inkleuren die met zijn brommertje tot op de maan was geraakt.

dinsdag 17 mei 2016

Enkele losse bedenkingen bij 'Komen eten'

Zo nu en dan, op gestolen momenten, of ogenblikken als vandaag dat ik ziek in de zetel hang, blijf ik tijdens het zappen enkele minuten bij 'Komen eten' hangen. Een vriend die meer houdt van uitlach-tv dan ikzelf zei ooit dat de perfecte 'Komen eten'-constellatie een patser, een bimbo, een dommekloot en een homo was. Mij verbaast vooral waar ze die paljassen van blijven halen. Eerst wordt Kevin neergezet, een wandelende tak die probeert zijn West-Vlaamse wortels tussen de bieten te verbergen. Hij schiet uit de startblokken door zijn singleschap van de daken te schreeuwen en is direct al onder de indruk van Nina. Nina zouden ze bij ons in de streek vroeger "goed van poten en oren voorzien" noemen. De voice-over druipt van de zwaar beladen ironie. Dat is het tweede aspect dat me voor een raadsel stelt. De deelnemers weten allemaal dat de presentator hen gaat belachelijk maken. Is de hang naar "eens op tv komen" zo groot dat ze er zich voor het oog van Vlaanderen de belegen grappen en makkelijke binnenkoppertjes van de presentatie willen laten welgevallen?

Mijn eigen eetlust is vooralsnog niet aangescherpt als de derde deelnemer verschijnt, een Scandinavische vrouw van middelbare leeftijd die door het programma al direct als een soort MILF weggezet wordt. Tot dusver nog geen bimbo's, patsers of echte dommekloten te bespeuren. De vierde deelnemer, Frank, blijkt dan wel homo te zijn, maar hij draagt het soort treurpolo's die Ronny's in de jaren '90 droegen als ze naar scoutsfuifjes gingen. De vier deelnemers gaan voor hun versie van het ongedwongen gesprek, waar cliché op cliché gestapeld wordt als stevig in elkaar klikkende Duplo-blokken. Ik ben nog maar vijf minuten aan het kijken en het wordt me nu al droef te moede.

Een derde mysterie dient zich aan: als deelnemer weet je ook dat de andere deelnemers je vaker wel dan niet te zitten uitschijten als ze alleen zijn met de camera, terwijl ze een halfuur eerder nog vriendelijk zaten te lullen in je zetel. Ik bedoel: waarom zou ik drie onbekenden willen uitnodigen die nadien in mijn eigen huis mijn kookkunsten mogen beledigen? In mijn achterhoofd hoor ik nog zo'n relict van de jaren '90, de fameuze Man van Melle, semelen dat het niet voor hem is, "maar voor mijn eenzaamheid".

Nina serveert duidelijk geen al te goeie aperitief. Te zoet, te grote stukken fruit, geserveerd volgens de foute etiquette. Ik krijg er compassie mee en een opstoot van weemoed naar de tijd waarin het eten was wat de pot schafte. Mijn broers en ik moesten soms logeren bij onze grootouders, mensen die een serre bestierden en als hobby veeboerden, honing maakten en duiven hadden. Nu is dat allemaal hippe shit, maar mijn grootvader was zowat de minst geschikte gastheer voor wufte hippies. Aan tafel werd gezwegen, buiten de occasionele, schaamteloze scheet van mijn grootmoeder. En als één van mijn broertjes iets niet lustte, gromde grootvader gewoon "gien prêten van thuis hiere".

Kevins enthousiasme over Nina als potentiële nieuwe Mevrouw Kevin is intussen afgekoeld als blijkt dat Nina tegen haar 25 al een boreling aan de tepel wil. Frank trekt in afwezigheid van de gastvrouw een stuk los uit het versierstuk op tafel, waar volgens hem "precies wrakhout" in drijft. Niets ontsnapt aan de kennersblikken van deze lieden. Misschien is dat de aantrekking: hoe bescheten ook, ze kunnen één week lang de expert over iets uithangen waar iederéén zichzelf eigenlijk deskundig over acht. Het verbale pak rammel en zelf bekritiseerd worden door hunnesgelijken nemen ze er dan maar bij.

Van de echte tafelconversatie zie je nooit veel bij 'Komen eten'. Ik vraag me af of ze buiten de camera's dan bijvoorbeeld driftig discussiëren of 'Captain America: Civil War' wel echt zo'n goeie actiefilm was, of hoe Franks beursaandelen geleden hebben onder de wanprestaties van Perrigo. Of misschien moeten ze er een ranzige racistische opmerking uitsnijden van Katrin, de Arische inwijkelinge met de houtnerven in het gezicht. Mijn fantasie is spannender dan de meer plausibele werkelijkheid: vier mensen die elkaar nog nooit eerder gezien hebben, dat zal zelfs in de beste omstandigheden en met de fijnste persoonlijkheden moeizame tv opleveren. En hier, met dit monster van het Vlaanderen-van-Jan-de-lul? Verheffend zal het niet zijn.

Alles is montage, maar wat me opvalt is dat deze mensen niet bepaald ruim bedeeld zijn in de metareflectie. Ik zeg niet dat het dommekloten zijn. Alleen zou ik me in hun plaats zo bewust zijn dat alles gefilmd wordt en dat iedereen op de loer ligt om je de ezelskap op te zetten, dat ik vanzelf zou terugvallen in een soort defensieve lethargie. "Zelfs dwazen worden wijs geacht als ze zwijgen, en helder als ze hun mond houden" (Spreuken, 17:28). Bij deze mensen lijkt eerder de uitdrukking te passen: "Give them enough rope and they'll hang themselves." Terwijl de deelnemers eten komt er nog een gedachte bij me op: hoe is dit nog niet geparodieerd door een goed Vlaams comedy-ensemble? Misschien omdat het al voorbij het rijk is van de zelfparodie, met die onnozel-smeuiige commentaarstemmen erbij.

Zou het ooit voorgevallen zijn dat een gastheer of gastvrouw onbezorgd mensen ontving in een eetkamer vol nazi-parafernalia? Of dat een deelnemer plots instortte en begon te snikken en snotteren? Het is beslist al allemaal oncomfortabel genoeg, maar het is een soort politiek correcte oncomfortabelheid. Niemand die plots een enorme boer laat. Niemand die plots begint te bidden voor het eten of die foto's toont van Nudistenkamp de Kapoentjes, Zomer 2014. Of zelfs maar pakweg een liberaal die keihard in de clinch gaat met een socialist.

Ik zet de televisie uit. Alweer een kwartier van m'n leven dat ik nooit ga terugkrijgen. Mijn buikgriep is er niet op verbeterd. Daar zouden de deelnemers vast kritiek op gehad hebben.