Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'.

Noot voor lezers die al een tijdje deze blog volgen: dit was vroeger de hoofdblog waar bijna alles op kwam. Indien je zoekt naar content (zoals gedichten en kortverhalen) die je nu niet meer kan vinden, neem dan via de linkerbalk een kijkje op de andere afdelingen. Daar kan je vast vinden wat je zoekt!

dinsdag 22 november 2016

Onder de jeuk

Beginnen op een nieuwe job is een beetje als de eerste dagen op een nieuwe school zijn. De dingen zijn er altijd weer wat anders dan op een andere school, de kinderen zien er vreemd uit, iedereen lijkt er gewoon aan tal van onuitgesproken regels en gewoontes, en daar tegenover sta jij daar maar wat te dremmelen. Sinds gisteren mag ik mezelf tot het legioen mensen rekenen dat zichzelf consultant mag noemen. Het is een klasse mensen waar ik altijd met een mengeling van scepsis en afgunst naar gekeken heb. Scepsis omdat er tussen die hoop professionele verstrekkers van professioneel advies een hoop windbuilen zitten die als huurlingen meer lijken te dienen om de legitimiteit van een manager te versterken dan om werkelijk positieve veranderingen te brengen. Afgunst, omdat ik zelf ook niets liever doe dan mijn kennis delen en verder mijn kennis vergroten door overal eens m’n neus tussen de deur te steken.

En hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je niet weet, zei Socrates. Ook nu. Ik word bedolven onder nieuwe afkortingen, lokaal jargon, productiviteitstoepassingen en nieuwe vista’s. De meest in het oog springende van die vista’s is een royaal uitzicht op een stuk Ringvaart waar de Schelde die even kust. De hele dag door passeren er vrachtschepen, diep in het water, soms met de auto van de kapitein op het dek. Er is ook het autoverkeer dat zich sierlijk om ronde punten, over en onder bruggen beweegt, zoals het dat ook deed in de kronkelende straten en bruggen van de steden die ik bouwde in de zandbak. Ik maakte toen ook op tandenstokertjes verkeersborden en stoplichten van papier.

Ondanks de onwennigheid, en een zeker gemis dat ik voel tegenover de collega’s van mijn vorige baan, ben ik blij dat het nieuwe werk een grote afleiding vormt voor wat er buiten mijn bubbel omgaat. De laatste twee weken ben ik wat weggebleven van het nieuws, ook al is er geen ontkomen aan. Als opinies een vorm van neerslag waren, zaten we al twee weken in een ongeziene stortvloed. Maar hier hebben we het (nog) niet over politiek. Daarvoor kennen we elkaar nog niet goed genoeg. Ik probeer wel al een eerste poging tot humor, door te bekennen dat het in m’n hoofd vreemd klinkt dat ik deze avond naar de supermarkt moet enkel om mayonaise en toiletpapier, alsof die twee dingen samen een onbedoeld perverse combinatie vormen. “Dat zou wel vies zijn, mayonaise met wc-papier eten,” zegt een collega. Ik moet lachen. Het is zo één van die vele dingen die je kan bedenken die niet verboden zijn, ethisch verkeerd of een duidelijk teken van waanzin, maar er gaat iets burlesk-unheimisch van uit. Hoe werkt de geest immers van een man die wc-papier eet met mayonaise?

Om die boodschappen mag ik straks met een nieuwe wagen. Ik ben een klein beetje nerveus. Een nieuwe auto is ook altijd wennen aan zo veel kleine dingen, zoals remafstand, draaicirkel, geluiden en geuren. En ik word er ook weer deel me van het leger problematische mensen dat alle dagen steeds uitgerekter files veroorzaakt. Maar hoe kan het anders? Vrienden en kennissen die de trein nemen, zijn de wanhoop nabij door de Poolse landdagen die het spoor steeds lijkt te kunnen organiseren. Ik herinner me de dagen dat ik me stond op te winden op een vettig Brussels perron of vlekken voor m’n ogen zag dansen als ik geconfronteerd werd met de zoveelste uiting van onbeleefdheid in de treinwagon. In een auto hoef je tenminste geen ongewenst gezelschap te tolereren. #1stworldproblems, absoluut.

De relativiteit van verkeersellende komt weer keihard binnen als ik tijdens een pauze dan toch even verwijl bij een publicatie die de schokkende moord op de zwarte jongen Emmett Till in 1955 ophaalt. De witte daders werden allemaal vrijgesproken door een witte jury. Al maanden gaan er stemmen op dat racisme door veel media te vaak genuanceerd wordt waar het niet nodig is, of dat men hardnekkig weigert om rechts-radicale lastercampagnes, leugens en zelfs terreur als dusdanig te benoemen. En ook dat we te veel proberen te begrijpen wat racisten drijft, terwijl diezelfde mensen helemaal geen moeite doen om “ons” te begrijpen – “ons”, de progressieven, de misdienaars van een Linkse Kerk die enkel bestaat in de samenzweringstheorieën van reactionaire geesten.

Waar ik al maanden, zo niet jaren mee worstel, is om te verstaan hoe iemand zich bekent tot irrationele haat en wreedheid. Natuurlijk laat de ene persoon zich al makkelijker opruien dan de andere. En ik heb ook reportages gezien van ex-racisten die vertellen dat ze zich voor hun opname bij een groep gelijkgezinden verloren voelden, niet gerespecteerd. Hetzelfde verhaal dat je bij sommige jihadi’s hoort, quoi. Maar die haat moet ook iets activeren in het beloningscentrum, denk ik dan. De Ander wordt dan een soort bliksemafleider, een jeukende wonde die je, door eraan te krabben, enkel lelijker wordt, maar God wat voelt dat krabben in eerste instantie goed. Dat denk ik terwijl ik sta te roken onder een overhang, en ineens gaat het licht aan. Ik rook terwijl ik weet dat het slecht voor mij is. Ik ben er ook vrij zeker van dat ondanks alle prietpraat over integratie, dierenrechten en dies meer, de meeste racisten diep vanbinnen heel goed weten wat ze zijn. Net zoals veel rokers zeggen dat het zo gezellig en rustgevend is.

Is dat het, dan? Een enorme fuck you naar de redelijkheid en de waarheid? Het klassieke nazisme appelleerde daar openlijk aan. Het ‘Fanatismus’ was bij Hitler een uitgesproken positief woord, een verhoogde uiting van passie en drang naar actie. Ik blaas een rookpluim uit naar boven. De rede en bovenal de redelijkheid, die zo vereerd werd door humanisten, filosofen uit de Verlichting en democratische ethici, heeft misschien te vaak de kracht onderschat van het irrationele en het zelfdestructieve in de mens. Ik heb dan wel de premium package van bijna alle sociale privileges, maar ook ik voel hoe een mondiaal systeem dat ons wordt voorgesteld als normaal, redelijk en neutraal, dat in de grond allesbehalve is. En misschien komt daar de jeuk vandaan die me soms zo immens tevreden doet voelen als ik een sigaret kan opsteken en een glas kan drinken. En misschien dat het daarom zo intens fijn voelde voor sommige mensen om te stemmen op Donald Trump of om vrouwen met dood en verkrachting te bedreigen op het internet. Het maakt roken niet minder dodelijk en het is al helemaal niet hetzelfde als voorbereidingen treffen voor genocide.

Als ik terug in de lift naar boven ben, staan we op een kluitje met een hoop andere werknemers. Ik weet niet wie van hen collega’s van me zijn. Wat zouden hun donkerste, meest irrationele kanten zijn? Het komt er op aan die kant niet te ontkennen of die kant voor te stellen als redelijk, maar om die te kanaliseren, veronderstel ik. Het is geen toeval dat sport dikwijls een uitweg is uit een pad dat leidt naar vernieling en dood, want ook sport doet beroep op die kant van het redeloze. De lift gaat open en ik herinner me plots een uitspraak die ik ergens las in een gesprek tussen twee boeddhistische monniken over masturbatie. De ene monnik bekent dat hij nog regelmatig aan zelfbevrediging doet en wil af van die gewoonte. De andere monnik zegt laconiek: “Als je jeuk hebt, moet je krabben. Maar het is beter om helemaal geen jeuk te hebben.” Dat een politieke partij daar eens aan zou werken.



maandag 31 oktober 2016

De brug maken

Bovenop de brug over de vaart heeft de omgeving om negen uur 's avonds op een oktoberavond iets mystieks. Het roept een oud gevoel op, dat ik me de eerste keer bewust herinner toen ik als kind 's avonds uit het autovenster keek en al die lichten zag branden in diverse kamers van het Universitair Ziekenhuis. Het besef dat er achter elk van die vensters, verlicht of niet, een volledig gerealiseerd leven school, met vriendschappen, herinneringen, verdriet, vreugde en verhalen, deed me duizelen. En tegelijk warm voelen. Ik heb dat gevoel nog altijd als ik kijk over rijen van flatgebouwen of woonblokken. Er spreekt ook melancholie uit, want ik zal nooit al die levens leren kennen, of écht beseffen wat het is om iemand anders te zijn. We kunnen enkel benaderen.

Mijn adem blaast voorzichtige wolken. Recht voor me uit is de vaart donker water, alsof het olie is. Er hangt een herfstmist boven de einder, die zo nu en dan ook uit de struiken en bomen komt die ik langs de vaart kan zien. Er is weinig verkeer op dit uur. Misschien vreest de toevallige passant dat ik een potentiële zelfmoordenaar ben. Toegegeven, hier staan in een lange zwarte jas, bewegingloos uitstarend over de duisternis, het komt allemaal nogal sinister over. Maar het zal alleszins niet meer sinister zijn dan deze wereld zelf al is. Ja, dat is bathos. Het is ook gewoon de waarheid. Nieuwe belastingen die we niet verdienen; Donald Trump, wiens opgezwollen-slappe smoel ik intussen niet meer kan zien; CETA en de politieke recuperatie; Boekenbeurs 2016 die dreigend dichterbij komt als de jaarlijkse confrontatie met mijn gebrek aan realisaties; en zo veel meer.

Ik draai mij om en kijk over een rij kleine huisjes aan de waterkant het Bouüaertpark in. Ik begrijp niet waarom dat met een 'ü' moet geschreven worden in plaats van een 'w', maar dat is een erg milde irritatie vergeleken bij al die andere dingen die scheef lopen. Bij de huisjes laat er iemand z'n hond uit. Uit diverse schoorsteentjes komt er rook, of ontsnapt er langs metalen buizen stoom uit de keuken. Het Gallische dorp van Asterix aan de Gentse buitenrand, quoi. Thuis wacht er echter geen toverdrank op me, tenzij Cola Zero van de Aldi als zulks mag gelden. Het zal me alleszins bijstaan bij mijn noest schrijfwerk.

Gisteren zag ik in mijn eigen straat, waar ik ook binnen kan kijken dankzij mijn hoge positie op de brug, een troep kinderen verkleed rondlopen, op jacht naar snoep. Tien jaar geleden was er nog protest van zowel cultuurpausen als kribbige conservatieven dat we een Amerikaanse traditie aan het proberen enten waren op een context waar ze niet in thuis hoort, nu hoor ik er niets meer over. Is dit niet allemaal deel van een langzame convergentie van de Westerse cultuur? Drie eeuwen geleden was er niet zoiets als "het Westen". Dat is uitgevonden door de inspanningen van aan de ene kant kosmopolitische intellectuelen, en aan de andere kant reactionairen die het als een wapen ontdekten om hun racisme te legitimeren.

Een auto passeert traag, de chauffeur werpt een fronsende blik op mijn rokende gestalte. Zolang ik rook, zal ik wel niet springen, lijkt hij te denken, vooraleer met extra kracht op te trekken, naar het centrum toe. De eilanden van licht zijn talrijk in de buurt, maar samen allemaal kleiner dan de duisternis en de mist. Ik inhaleer de rust die ze brengen en ik hoop dat ze dit jaar niet gaan overhellen naar een depressie. Het is al een hele poos geleden dat ik depressief was. Eén van de redenen dat ik hier sta is om te testen hoe ik me nu voel, met de sneller vallende avonden, de soms onbehoorlijke stilte en de komst van de kou, die alles altijd wijder uit elkaar lijkt te doen wijken. Het valt mee. Misschien is het ook een vorm van vaccinatie: een beetje donkerte inademen om het ergste scenario te vermijden.

Ik begin terug naar beneden te stappen, langs het kleine bosje dat mijn straat scheidt van de baan die naar de brug leidt. Als ik thuis op mijn balkon sta, zie ik soms dieren rondscharrelen in dat bosje. Onder andere een poes die door één van mijn buren als vermist werd opgegeven, maar omdat ik het dier altijd zie als het rond middernacht of zelfs later is, kan ik moeilijk gaan aanbellen. Ik heb het wel al laten weten dat ik de kat gezien heb. Zouden ze hem erg missen? Of aanvaard hebben dat hij nu in de buurt rondkuiert en moet leven van zijn eigen vangsten? Het leken me aardige mensen. Dat wil ik toch alleszins graag geloven, want soms is dat moeilijk, als je overal geconfronteerd wordt met zo veel haat, egoïsme en domheid.

Een bus stopt aan de overkant van de straat en er stapt een vrouw op met een kinderwagen. Waar moet die nu nog heen na negen uur 's avonds, op een zondag dan nog? Misschien vraagt zij zich hetzelfde af over mij: "wat doet die eenzame wandelaar daar nog?". Momenteel zijn neus optrekken. Zich een beetje beklagen dat hij de brug morgen niet maakt naar Allerheiligen. Uit de mist rijzen geen spoken op, terwijl ik m'n appartement nader, buiten die van eigen makelij. De straatlichten tonen de grillige, door een lichte bries voortgestuwde patronen in de mist. Laten we afspreken om daar geen metaforen in te zien. Straks moet er immers weer geschreven worden.

maandag 10 oktober 2016

Ademruimte

Ik ben aanwezig op een trouwfeest. Stilaan ben ik een veteraan geworden in aanwezig zijn op trouwfeesten. Ik ben er tevens vroeg aan begonnen. Omdat mijn ouders allebei de oudste kinderen waren in kroostrijke gezinnen en er flink wat jaren afstand waren tot hun jongere verwanten, heb ik die allemaal weten trouwen toen ik klein was. Dan kwamen de trouwerijen van families van toenmalige lieven en toen kwamen mijn eigen vrienden. Intussen is een jaar zonder een huwelijksfeest een uitzondering geworden. Maar voor het eerst is het niet een mild amusement over de condition humaine dat de fond vormt van mijn deelname - eerder een soort melancholie.

Hoewel het m'n longen opvult met smog, ben ik dankbaar dat ik buiten kan gaan roken, weg van de warmte, de drukte, al die mensen die ik niet ken en al de mensen die ik wel ken. De sigaret is mijn ultieme schietstoel. Ik sta te staren in het niets van enkele West-Vlaamse velden. Er hangt een lichte geur van bemesting. Ik zie er goed uit in mijn nieuw pak, bijpassende schoenen en dikgeknoopte das, om maar te zwijgen van mijn keurig bijgetrimde baard en m'n bestudeerd nonchalante haar (dat ik nagelaten had te laten knippen omdat ik me overslapen had tijdens een middagdut). Maar dat doet er allemaal niet toe. Voor het eerst vraag ik me op een trouwfeest af wat mijn relationele toekomst nog zal inhouden.

Er staat aan de andere kant van de ingang een meisje te roken. Zij praat niet met mij en ik niet met haar en daar ben ik een beetje dankbaar om. Soms moeten mensen alleen kunnen zijn met hun bewolkte gemoed en hun slenterende gedachten. Eerder op de avond ben ik iets gaan eten en drinken met een vriendin en legde ik haar de vraag voor of er iets mankeert aan me, dat ik nog nooit een relatie langer heb gehad dan twee jaar, een dubieus record dat 11 jaar is. Buiten mijn gevoel voor scatologische humor kon ze niet onmiddellijk iets vinden, en misschien is het inderdaad allemaal toeval. Ik heb in mijn portfolio van vrienden nog mensen die om een onverklaarbare reden al lang single zijn, hoewel er objectief niets aan hen mankeert. Het is overigens ook niet dat een relatie een verplichting is. Ik ben als single even gelukkig geweest als in relaties.

Als God bestaat is hij volop een ironicus. Tijdens mijn middelbare schoolcarrière verveelde ik mijn vrienden met mijn jeremiades over waarom ik nu toch eens geen liefje kon hebben, 15 jaar later heb ik meer partners gehad dan zij ooit hebben gehad als ik hen allemaal samentel. Ik ben er niet trots op en ik voel er geen schaamte over. Het is wat het is. Maar de laatste jaren droom ik af en toe weg over thuis komen bij iemand die er gewoon is, een soort bodem hebben en een bodem zijn en elkaar allebei vloerverwarming kunnen geven. Ik ga terug naar binnen. De DJ is een rasechte trouwfeesten-DJ die probeert zo veel mogelijk generaties tegelijk te bedienen. Op de dansfloor swingt een koppel dat iets jonger is dan mij dat het geen naam heeft. Ze zijn allebei mooie mensen, duidelijk dol op elkaar, en ik moet glimlachen.

Harvey Pekar zei: "Ordinary life is pretty complex stuff". Reken maar van wel. Verschillende vrouwen hebben al hun schoenen uitgedaan, niet in het minst de bruid, een vrouw die ik buiten deze dag enkel op Kerstavond in een jurk heb gezien. Voor mijn part had ze in een Liberace-pak mogen trouwen. Aan de andere kant sta ik ook een gast te side-eyen die sneakers en een jeans draagt. Natasja, de zus van de bruid, sommeert me op de dansvloer. Het is alleszins beter dan stilstaan en tobben over wat voorbij is en wat ooit nog kan komen. Maar toch, nog terwijl ik door enthousiasme te veinzen voor 'It's Raining Men' een beetje écht zo enthousiast wordt, zoals Samson het zou zeggen, denk ik ook dat ik geen eeuwen meer heb om een bedding te vinden van simpel contentement. Die Horizont tritt näher und dan beißen wir ins Gras. Ik hou ritme, kijk over de bewegende hoofden en lichamen heen de zaal in. De niet-dansers slaan de dansenden gade vanop de achterste rijen van de zaal. Dronken oudere mannen zijn in staat van opperste hilariteit.

Na het dansintermezzo ga ik naar de bar om bier en daarna met dat bier weer naar buiten om de nicotineshot. Ik denk aan die vieze waarschuwingen op de pakjes dat roken de kwaliteit van mijn zaad aantast. Wie weet bespaar ik een ander levend wezen heel wat onheil door het in de eerste plaats nooit op de wereld te helpen zetten. Wie weet wordt mijn potentiële zoon of dochter de volgende Aung San Suu Kyi. Ik vind die onzekerheid niet erg, want die geeft ademruimte. Een ironisch woord voor een roker, veronderstel ik. Maar ondanks mijn voortdurende zorgen over waar het met me heen moet, zorgen die ik al had toen ik 12 was, die ik had toen ik 19 was en die op m'n 27 ook bij mij waren, moet ik constateren dat ze niet wezenlijk zijn toegenomen in intensiteit. Een uitdaging die geslecht wordt, is zo vergeten, en dan is het op naar een volgend doel.

Vrienden komen naar buiten en iemand vraagt wat ik hier zo somber in het donker sta te doen met een pint bier en een sigaret. Ik ben niet langer somber. Of toch niet zo erg als voorheen. Binnen is de Macarena ingezet. Die beker laat ik wel met plezier aan me voorbijgaan.

maandag 26 september 2016

Lawaai

Eén van de gelukkigste momenten in mijn leven vond plaats in de late zomer van 2014. Ik zat op een bergflank ergens pal in het midden van Noorwegen uit de rusten tijdens een wandeltocht naar boven. Plots realiseerde ik me dat ik niets hoorde buiten de wind die heel in de verte tussen de nog hogere bergtoppen door blies, waardoor het effect ontstond van een verre waterval of autostrade. Dat was alles. Geen auto's, geen mensen, geen dieren, geen machines. Ik wist waarom ik me altijd zo aangetrokken had gevoeld tot lege uitgestrektheid. Niets is er verkrampt, niets roept er of dringt binnen in de persoonlijke ruimte. Je bent er zelf ook maar een vlekje tegen de onmetelijkheid, en dat brengt een weldadige geruststelling met zich mee. Een miniatuurversie van het 'Pale Blue Dot'-gevoel dat Carl Sagan wist te verwoorden, zeg maar.

Zet tegenover dat moment de loeiharde realiteit. Momenteel is dat slapeloos liggen tijdens een veel te late zomernacht terwijl de buur van schuinonder onnozele geluiden zit te maken terwijl hij gamet. Hij woont bij zijn moeder en is vermoedelijk werkloos. Elke avond laat hij nu en dan langgerekte, overdreven kreten horen van frustratie of een veel te luid, fake gelach dat hij imiteert uit één of andere tekenfilm. Het is nog erger als zijn vrienden komen, twee andere lowlifes die dan met hem in het tuintje gaan zitten en op hun telefoon of tablet alle drie gamen, nauwelijks met elkaar spreken maar alle drie spreken in dezelfde kreten- en kreunentaal. Ook hun kromme gamers-Engels met een vet Gents accent blijf ik niet bespaard. Ik draai me op m'n zij. Chiara slaapt. Vreemd hoe mensen 's nachts vaak kleiner en smaller lijken, of is dat door de liggende houding?

De laatste 10 jaar zit ik soms met één wenkbrauw sceptisch opgetrokken stukjes te lezen over hooggevoeligheid. Omdat hooggevoeligheid moeilijk objectief vast te stellen valt, is het samen met asperger, ADHD en introversie zo'n cluster die mensen niet zelden op een nogal exhibitionistische manier claimen, soms als zelfgekozen label om te verklaren waarom ze eigenlijk onaangepaste lui zijn die ergens geremd zijn in hun ontwikkeling. Het is net het trapje onder pronken met pathologieën. Maar de twijfelachtigheid van het hooggevoelige daargelaten, kan ik niet anders dan toegeven dat ik altijd veel gevoeliger ben geweest voor geluid en lawaai dan andere mensen.

De gamer is gaan slapen maar nu is het de beurt aan de kat om kabaal te maken. Met zijn volle gewicht veegt hij snel met beide voorpoten over de deur van de kamer waar hij opgesloten zit, omdat hij zich daarnet niet wist te gedragen. In bed bij ons met zijn klauwen whack-a-mole spelen met onze vormen onder het laken is voor hem misschien gewoon spelen, maar hij beseft niet dat hij bijna dubbel zo groot en zo sterk is als een normale huiskat en dat dat echt pijn doet. Uit vrees dat hij misschien gaat urineren in mijn bureaustoel of dat hij gewoon dorst heeft, kom ik uit bed en laat ik hem even buiten. Hij knort en miauwt stil, verontwaardigd.

Als kind en tiener woonde ik op het platteland. Daar was nauwelijks lawaai. De enige instantie die het niet na liet door het huis te bulderen, was de vader, die ergens een carrière moest mislopen hebben als kodo-drummer of operazanger. Dat veranderde allemaal toen ik op kot ging. Vraag me niet hoe het komt, maar tussen 2002 en 2016 zijn er maar vijf jaar geweest waar ik niet elke dag met buitensporig lawaai ben geconfronteerd. De hoofdschuldigen waren doorgaans verbouwingen. Verbouwers die om halfacht 's ochtends al begonnen te kloppen en boren aan de andere kant van de muur van mijn kot. Of in de liftschacht van de studentenhome waar ik drie jaar woonde (mijn kot was net niet naast de liftschacht), twee jaar aan een stuk. Of die keer dat ze een gebouw aan het afsmijten waren vlak achter de muur van mijn werkplek en ze zo tekeer gingen dat er zelfs barsten in die muur kwamen.

De slaap besluipt me eindelijk, maar ik word vaak wakker en nu lijkt het de beurt aan Chiara om beurtelings wakker te worden door Tyrs streken en door het gesnurk van zijn baasje. Ik heb naar dat gesnurk eens laten kijken, vorig jaar. Toen bleek dat mijn huig te lang is. Ze kunnen die operatief inkorten, maar het risico bestaat dat ik dan misschien geen R meer zal kunnen uitspreken zonder te moeten overschakelen op mijn versie van de tongpunt-R, die me steeds doet klinken alsof ik hier nog maar zeven jaar woon en bijklus in een nachtwinkel of een pitabar. Ik weet niet hoe andere mensen dat constante lawaai doorstaan. Hoe bijvoorbeeld op de bus iemand niet de reflex heeft zijn of haar telefoongeluiden uit te zetten bij het versturen van berichten. Hoe collega's stoïcijns lijken te aanvaarden dat er de laatste weken boven onze hoofden uren aan een stuk wordt geboord aan kasten en werklui luidruchtig planken aan- en afslepen en geen notie lijken te hebben van een binnenstem. Is dat deel van een soort misplaatste trots? "Zie mij lijdzaam dit alles ondergaan, ik kan hier tegen." Maar het is toch niet omdat je het kan, dat je het ook moet?

Ik word wakker uit een ongedefinieerde nachtmerrie. Mijn hoofdkussen is bezweet en er komt al licht door het slaapkamervenster. Het is bijna zes uur 's ochtends. Tyr ligt ons te beloeren vanuit de gang en als hij ziet dat mijn ogen open zijn, begint hij direct te zagen om eten. En zeggen dat hij gisterenavond zo lief was. Maar zo zijn dieren nu eenmaal. Ik herinner me dat het enige wat m'n nachtrust soms kon verstoren in het ouderlijke huis, een in de verte loeiende koe was die moest kalven of die gewoon ziek was. Net zoals een wenende baby kan je daar niets aan doen, maar wenende baby's ergeren me veel zwaarder. Misschien is dat karma voor het feit dat ik zelf een huilbaby geweest ben. En ook: levende organismen die lawaai maken uit instinct, het heeft nog minder zin om je daaraan te ergeren dan je te storen aan een ploert die tegen iedereen staat te roepen of iemand die naast je de hele tijd in zichzelf zit te praten. Maar tegelijk is het ook iets als zeggen tegen iemand die depressief is, dat die gewoon wat meer moet lachen.

Chiara is al op en in de badkamer als ook mijn wekker afloopt. Ik hoor haar niet. Het lijkt eerst alsof ze al weg is, maar ze is gewoon zo geruisloos. Vreemd voor iemand die anders met de chaos mee lijkt te bewegen, alsof ze vaak verschillende richtingen wordt uit getrokken door leylijnen die niemand kan voelen behalve zijzelf. Ze geven tenminste geen kik. Er zit wat muziek in m'n hoofd. Dat mag. Om mijn ego te strelen vertel ik mezelf soms dat lelijke, dissonante of ongepaste geluiden zo hard binnenkomen omdat ik eigenlijk hou van geluid - als het mooi is, dragend, diep, melodieus of elegant. Ik sta op en frons. Straks weer de bus nemen, beschermd door die gekke oorbeschermers die geluid dempen tot een zeer draaglijk niveau. Dan weer hopen dat er in het kantoorgebouw geen metalen materiaal door de gangen wordt geslapen. En hopen dat er soms ook andere mensen zijn die deze overdaad aan lawaai en kabaal ook zo hartsgrondig beu zijn, dat zij dat net als ik ook niet normaal vinden dat onze zintuigen zo overbelast worden. Komt er dan een Stille Revolutie? Het zal vast niet.

dinsdag 30 augustus 2016

De engel met gebroken vleugels

Telkens als ik begin aan mijn looptocht voel ik me precies als een dier dat ergens uitgezet wordt uit een fuik en dan door een plastic tube door een bos moet rennen, terwijl er ergens een goddelijke observant met een klokje in de hand mijn tijd opneemt. Ik ren zonder muziek, zonder apps. Ik probeer enkel te tellen, in reeksen van acht, om hetzelfde ritme te kunnen aanhouden. Al de rest zou enkel afleiding zijn. "Vergelijken heeft geen zin als je loopt," zei iemand ooit tegen me, "Iedereen loopt zijn eigen race." Daarom ga ik graag lopen. Of beter: ik hou van het gevoel gelopen te hebben. Nu het is een beetje afzien. Het eerste deel van de looptocht gaat noordwaarts langs wat ik schertsend onlangs de Mariakerkse Rivièra noemde.

Door de concentratie op adem, ritme en afstand komen en gaan gedachten zonder veel samenhang, alsof het een meditatiesessie is op wielen. Bijvoorbeeld: dat op dagen van vermoeidheid een oude ring van pijn opgloeit rond mijn linkerenkel, die ik 12 jaar geleden lelijk verzwikte ergens diep in de bossen van Vlaams-Brabant. Sinds dit jaar heb ik hetzelfde met het rechterschoudergewricht, dat bijna heel 2015 ontstoken was. En ik denk: met dit soort artefacten van pijn moet ik eens iets doen in een verhaal, tot ik me bedenk dat Donna Tartt iets vergelijkbaar schreef over een kwetsuur die tijdens een grimmige winter opgelopen was. Origineel zijn is moeilijk, maar moet dat dan? Ik ben alweer 64 tellen verder en rond de kaap van wat ongeveer twee kilometer is, onder een brug door. Ik word ingehaald door een lopend koppel, zij aan zij in lycra. Als wandelaar ben ik het die meestal mensen inhaal maar als loper is het omgekeerd en soms knaagt dat een klein beetje. Duikt bij deze rat dan toch weer wat competitiedrang op?

Ach, een beetje competitiegeest is gezond. Zeker in de letteren. Als mensen mij vragen waarom ik lees, geef ik doorgaans de voor de hand liggende redenen: omdat het verrijkend is, omdat een schrijver zelf ook hoort te lezen en te weten wat anderen zoal uit hun pen hebben gewrongen, of omdat het inspirerend kan werken. Een reden die ik meestal niet vermeld is dat ik graag ook de ingebeelde competitie aanga met een andere schrijver. Soms is het appelen met peren vergelijken: ik sta qua thematiek, stijl en verhaalstof veel te ver af van een Paul Auster om een vergelijking zinnig te maken. Dan drijf ik gewoon even mee door de stroom waar zo'n schrijver me doorvoert en probeer ik onderweg te genieten van het landschap. Soms moet ik concluderen dat ik te maken heb met een slechtschrijver of een matige schrijver met een slechte dag. Dan voel ik me nadien een beetje gebruikt, alsof iemand me een restaurantbezoek beloofd had maar we een fletse pannenkoek zijn gaan eten in een tearoom die ruikt naar bejaarden en steunkousen. Intussen zit ik op drie kilometer, met als ijkpunt het politiekantoor aan de Rooigemlaan, een gebouw dat er niet meer jaren '70 had kunnen uitzien als het gewild had.

Er komen titels en woorden in me op. 'De engel met gebroken vleugels', dat klinkt wel mooi. Maar wat kan ik ermee? De dagen dat ik in het wilde weg teksten zat te schrijven zonder te weten waarheen de reis ging, zijn voorbij. Een man die ik volg op Twitter betreurde ooit dat hij erg veel projecten opstart maar er zelden langer mee doorgaat dan een paar maanden, waarna het digitale stof neerdaalt en er weer een onbereikt doel aan zijn lijst wordt toegevoegd. Opnieuw: hoeft alles een doel te hebben? De reis is zelf het doel, preekt een boeddhist uit een kauwgomautomaat, maar is een reis een doel als je het zelf niet weet en is het doel dan niet simpelweg het inzicht? Ik hijg me een weg langs een heraangelegd stukje Groendreef aan het konteinde van de Brugse Poort. Gent doet zijn best om de stad te verfraaien en verliest daarbij de achtergestelde wijken niet uit het oog, wat er verder ook van aan is met die hele Optima-zaak. Siegfried Bracke denkt dat daardoor zijn tijd gekomen is, maar hij lijkt niet de beseffen dat hij de Grima Slangentong is van het verhaal. Het is niet omdat zijn rivaal nu misschien onherstelbare imagoschade geleden heeft, dat de prinses Grima plotseling niet meer weerzinwekkend zal vinden.

Ik ben al een fors eind over de helft en op de terugweg. Ik moet glimlachen door het zweet heen omdat ik weet dat ik het zal halen en m'n jaarrecord ga breken - zeven kilometer is weinig indrukwekkend in vergelijking met mensen die routineus halve marathons uit lopen of aan een verschroeiende 10km/u rond de Watersportbaan denderen, maar het kan me niet schelen. Ik kijk enkel over de schutting als ik nuttige tips kan krijgen van andere lopers. Dat brengt me ook weer terug bij de schrijverij. Nu en dan lees ik een boek of beland ik op een blog waar ik me niet alleen gretig te goed doe aan de woorden, zinnen en paragrafen, maar dingen zie waarvan ik denk "dit moet ik toch maar eens onthouden om zelf uit te proberen". Voor de duidelijkheid, ik steel geen ideeën van andere schrijvers, het gaat me veel vaker om bepaalde stijlprocédés, wendingen of woordkeuzes. Dat klinkt weinig romantisch en is het ook niet.

Lezen en vooral schrijven hebben veel minder te maken met goddelijke inspiratie, Weltschmerz en met een laag over de lippen hangende sigaret onder sloten koffie gitzwart proza uit te braken, maar hebben meer gemeen met wat een R&D-afdeling doet in een machinefabriek. In het lezen van een tekst zie ik vaak de blauwdruk of heb ik oog voor het buizenwerk dat de grondslag vormt van het idee dat gepresenteerd wordt. De besten kunnen dat bijzonder goed verbergen, of onthullen op cruciale momenten zodat je weet met wat voor genie je te maken hebt. Niet dat alles techniek is. Er is ook het nous, en datzelfde nous is nu met korte, diepe stoten uit mijn longen aan het puffen (terwijl het thuis al honderden taaie pagina's Ulrich bezighoudt in 'De man zonder eigenschappen'). Ik loop langs een lang hekken dat een wilde boomgaard afschermt. Overal liggen al bladeren en kleine takken. Ik denk eraan dat ook bomen ademen en 's nachts hun takken iets meer laten zakken - alles buigt voor de almacht van de aswenteling. De horizon is roze, oranje en ik sluit m'n ogen terwijl ik hem in mijn hoofd probeer na te schilderen met woorden.

Mensen romantiseren te veel en tegelijk te weinig. Te veel: flauwe citaten herkauwen van Oscar Wilde of doen alsof het leven prachtig is gewoon omdat je ergens een kleine hebt zien lachen aan de oevers van een meer. Te weinig: hoe techniek en bezieling soms kunnen samensmelten in kleine concerten van eenheid en je beseft dat, ook al loop je hier alleen je longen uit je lijf aan de Mariakerkse Rivièra, alles voortdurend leeft in dialoog met iets anders. Want dit lopen zal misschien ook ooit iemand anders aanzetten om in sportkleren te springen en de eerste stap te zetten, en wie weet zijn er nu andere schrijvers die pizzicato door m'n zinnen gaan om zich te ergeren of te verwonderen. Ik rond de laatste hoek terug naar m'n appartement en de fuik klapt weer dicht. De man met de chronometer drukt af.