Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 8 oktober 2019

Het dorp in de doodskist

Er zijn dingen veranderd. Maandag had ik bijna de hele dag het nare gevoel dat ik op het punt stond om te braken, maar ik braakte niet. Vroeger zou ik de truc geklaard hebben met een discrete vinger in de keel (schrap dat maar: het voelde even walgelijk als het uiteindelijke resultaat en discreet overgeven is iets als elegant in je broek pissen). Nu probeer ik dat vreemde lichaam eerder te dulden voor wat het doet. Of beter, voor wat het niet altijd juist lijkt te doen.

Twee jaar geleden liet ik vaak de afwas een paar dagen staan om ‘m pas te doen als het echt niet anders meer kon. Nu vul ik elke avond netjes de vaatwasser en zet die aan enkel als die vol zit. Is dat de geroemde “be the change you want to see”?

Er is ook zo veel niet veranderd. Gisteren spartelde ik manhaftig de dag door, maar net als het jaar voordien en de jaren dààrvoor zitten alle cenakels van de macht weer vol hufterige überlullen voor wie fatsoen vast een “interessant concept” is. Intussen stevenen we onveranderd af op de afgrond. Nu die dichter bij is dan ooit, lijkt die een stuk minder romantisch dan toen ik als kind fantaseerde over Mad Max-achtige stadsruïnes en motorbendes met lederen jassen.

Ik zit nu in de zithoek met overal gaten in de huid, het resultaat van zomermuggen en een genezing die vertraagt met ouder worden. Op een dag ben ik één en al litteken, en niet de coole soort die naadloos overgaat in een uitdagende grijns en een permanente western-stoppelbaard. Op een dag zal ik onder de grond zitten of uitgestrooid over de golven, met nog zo veel dat ik had willen doen, of beter gezegd, dat ik beter had willen doen. Zoals, bijvoorbeeld nooit beginnen met roken.

Maar ik laat niet al te veel spijt toe in dit huis. Op z’n minst sta ik niet aan de verkeerde kan van de geschiedenis.

Ja, er zijn dingen veranderd. Ik ga op avondwandeling naar het kerkpleintje dat elk half jaar heraangelegd lijkt te worden maar waarrond de kasseistraat nooit rechtgetrokken wordt. Ik rij rustiger dan jaren geleden, waar ik elke drie à vier maand nog een boete in de bus kreeg voor overdreven snelheid. Het autoverkeer is niet langer een race meer om zo snel mogelijk van punt A naar B te raken, maar iets wat ik per kilometer in me opneem met gristelijke vastheid. Aan de randen van de snelwegen die ik toen en nu nam verrijzen nieuwe bedrijfsterreinen en worden op- en afritten vermaakt terwijl snelwegrestaurants almaar moderner worden.

Ik sprak onlangs met een vriendin die zich tegelijk thuis en ontheemd voelde toen ze zich terug bevond in de cité waar ze opgegroeid was, waar zo veel hetzelfde gebleven bleek. Ik ken dat gevoel eigenlijk niet. De ontheemding is deel van het thuisgevoel hier, samen met achtergebleven geuren van toen zoals bessensap, potgrond en gewassen die lagen te rotten in de hondsdagen van de nazomer. Het dorp waar ik opgroeide lijkt nu meer op de wijk waar ik woon dan op het dorp dat het was toen ik klein was. De slager is op pensioen, het schooltje verbouwd en zelfs de huizen waar ik woonde hullen zich in ander onkruid dan toen. De kerk is er nog, maar de laatste keer dat ik in het dorp was, was die op slot, net zoals de huizen van gewone, gezond achterdochtige Vlamingen.

Mijn tred is verdacht licht deze avond. Ik kom niemand tegen buiten een eenzame fietser en wat late autobestuurders. In de dreef die ik bewandel, ging ik enkele jaren geleden vaak joggen, tot de aloude schouderontsteking vanbinnen het oude vuur weer oppookte van de constante pijn. Daarbij vraag ik me niet voor de eerste keer af waarom bijna alle pijn in mijn lichaam aan de rechterkant zit. Ook mijn rechteroor doet pijn en jeukt vanbinnen. Mijn rechtervoet knelt in de schoen en mijn rechteroog ziet minder goed dan mijn linkeroog. Van je te vaak afvragen waarom iets is wat het is, of waarom het veeleer niet is, kan je volslagen gek worden.

Eergisteren zat ik bij Ronald in zijn sjofele zetel, onder toeziend oog van zijn kat, en bekeken we een documentaire van en met Godfried Bomans uit de jaren zeuventig (dat zal hij wellicht precies zo uitgesproken hebben). Het was nog lang voordat België een federaal koninkrijk was, maar de voorafspiegeling van vele flamitudes zaten er al stevig ingebakken, waardoor ze met terugwerkende kracht vanuit het verleden des te veelzeggender werden. Zoals het Nederlandse onbegrip voor de Vlaamse taalstrijd. Of dat de Vlaamse intellectueel al bij al vrij belezen was en is, misschien vanuit een minderwaardigheidsgevoel. 

Eén van de aanmerkelijkste veranderingen was het tempo. Bomans’ reportage, uit 1971, was trage televisie waar af en toe stiltes in vielen, waar mensen rustig zaten te paffen en tijdens het gesprek zelf nog leken na te denken. Het is een cliché, maar nu kan je soms je eigen gedachten niet meer horen door het kabaal dat van alle schermen spat. Ik ben er mee schuldig aan, al is dat ook weer verminderd, net zoals m’n rotvaart met de wagen. Ik heb een betonstop in mijn meningen afgekondigd.

Ik ben weer op de terugweg, deze keer via een wijk waarvan verschillende huizen mogelijk figureren op uglybelgianhouses.be. De afschuwelijkste lintbebouwingen ’s Vlaanderens zijn één voor één aan het verdwijnen, maar van die protserige burgermanshuizen zijn we nog lang niet af. Vooruit dan maar: ik ben zelf ook zo’n huis. Alleen ben ik bang dat de nog protseriger huizen er omheen zullen gebouwd worden, zoals de betonnen sarcofaag die om de betonnen sarcofaag werd gebouwd van Tsjernobyl. Op het einde zit iedereen in het donker, in de domp, met nog slechts het gekeel en geraaskal van hufterige überlullen.

dinsdag 9 juli 2019

Antropolieten


Hoe het gaat? Redelijk goed. Alleen weet ik soms niet meer waar mijn hoofd werkelijk is. Het lijkt alsof jaar na jaar de kloof tussen de binnen- en de buitenwereld aan het toenemen is, niet enkel door het verbrokkelen van iets als een basisconsensus over dit universum, maar ook door de langzame implosie van de wil. De wil om buiten te komen en het onbekende tegemoet te gaan. De wil om nog veel aan het papier toe te vertrouwen. De wil om met mentale ijzerdraad alle disparate deeltjes van die zwerm die zich ‘zelf’ noemt, samen te binden.

En ik besef dat ik hier al eerder ben geweest, niet gek lang voor ik in 2013 crashte en geen idee had vanuit welke dieptes ik zat te roepen. Is dat nu wel beseffen dan zo veel beter. Ik zei laatst nog tegen een vriendin dat ik liever in een rolstoel zou zitten dan dement zou zijn, tot ik mezelf verbeterde en zei dat het enige wat je had aan met je volle mentale kracht in een rolstoel zitten, haarscherp inzien hoe moeilijk je situatie is.

Hoe het gaat? Ik mag niet klagen. Ik kan een olijk lijstje opmaken van de dingen die lopen zoals ze horen, zoals werk en huisdier en mezelf voeden en mijn nagels knippen. Maar waar zijn de avonden heen dat ik lang kon baden in het gezelschap van vrienden die nog niet gebonden waren aan jonge gezinnen of zich opmaakten voor de volgende citytrip, de volgende mijlpaal in hun carrière? Zijn we allemaal beginnen vertragen in een pak instant-behangerspap of hoe zit dat hier? Het is niet alsof ik veel beter ben, trouwens. Ik kijk er ook op café dikwijls al naar uit naar huis te kunnen gaan – en om wat te doen eigenlijk? Op Netflix te zitten, een bad te nemen en naar porno te kijken.

Hoe het gaat? Wel, ik breng mensen vaak aan het lachen. Vandaag ontdekte ik dat sommige Middeleeuwers diarree “dappere kak” noemden. Mijn woordtrouvailles zijn talrijker dan ooit en meer dan ooit haat ik sentimentele woordenbrij van taalvervuilers die niet verder komen dan clichés als “rijmen en dichten zonder uw gat op te lichten”, hun kwisploegje “kwistet” noemden of – het ergste van allemaal – de nood voelen om hun eigen genialiteit uit te leggen. Als je je genie moet uitleggen, ben je wellicht geen genie maar een pretentieuze flapdrol.

Hoe het gaat? Het spleen is goed en wel in leven, welig tierend in de verzen en volzinnen van mijn binnenwereld, die allengs meer gaan lijken is op een groencontainer dan op een biomassacentrale.

Onlangs stuurde mijn moeder mij een mail om me te zeggen dat ze mijn gedurige stroom humor over scatologische onderwerpen en nazi’s eigenlijk niet meer grappig vindt. Ik vraag me af wat daar het minst geloofwaardige aan is. Dat je eigen moeder je daarover mailt, of dat er ooit een dag komt dat je niet meer kan lachen met nazi’s.

Hoe het gaat? Sinds ik veel minder drink, zie ik er beter uit en heb ik meer energie. Als ik dan toch nog eens de tuit aan de lippen zet, verstuur ik ’s nachts tragische berichten of hou ik mezelf vast om door een kletterend stormweer te komen dat me altijd weer langs dezelfde jachtpaden stuurt. Als een gedoemd subatomair deeltje of een rondvliegend stuk steen in het zonnestelsel. Ziedaar de versteende mens, te traag wordend, zelfs verkrampt in zijn kramp.

Of het wel gaat? Vraag dat eens aan mijn onvermogen om die vraag ten gronde te beantwoorden. Vraag het eens aan die treurige vista’s die elke ochtend lager bij de grond lijken te hangen.

Soms zou ik ergens iemand willen aanklampen en die dooreen rammelen, vragen of die wel helemaal beseft wat voor een waanzin elke dag over ons uitgekieperd wordt. De leugens, de propaganda, de nette mensen die dat proberen te duiden maar even onmachtig zijn als een kunstcriticus die een doodgereden koe moet analyseren. Maar ook ik blijf rustig in mijn rijvak. Liever dat dan de witte jassen of de blauwe zwaailichten.

Soms lijkt het alsof mijn schedel te klein is voor al die gedachten en gevoelens die er voortdurend doorheen stromen, alsof mijn hoofd een trechter is met een veel te nauwe pisbuis. Elk moment en elke dag vervliegt er inspiratie en de 1% die ik ervan kan omzetten in letters, woorden en zinnen is al goud waard. Misschien nog niet de helft daarvan vind ik écht goud waard. Mogelijk is het niet terecht om dat te zeggen in een wereld waar veel mensen maar wat taal in het rond braken zonder enig gevoel voor kwaliteit. Maar maakt dat mijn rekening?

Het is niet omdat de overweldigende meerderheid van de mensheid niet kan dansen, dat goede dansers niet moeten blijven streven naar excellentie. En daar zit die zieke kern: moeten. In theorie moet ik niets buiten belastingen en huur betalen. Weinig mensen zouden het me kwalijk nemen als ik de pen zou opbergen en me zou wijden aan het loutere dagelijkse leven. Misschien vind ik dat nog het ergste.

zondag 30 december 2018

Zonneschijn en kittens

O, dat 2018 een beter jaar was dan 2017! Dat is niet echt een grote prestatie, aangezien 2017 in mijn intussen 35-jarige bestaan een absoluut dieptepunt was, waar het enige dat er nog aan ontbrak mijn eigen overlijden was. Maar toch, laten we proberen om positief te blijven over 2018. Minder muziekgoden overleden, Trump drukte niet op de grote rode knop en de Malediven bleven ook in 2018 nog boven de zeespiegel. Welke huyzentruytiaanse lessen heb ik zelf geleerd?

Vrienden zijn misschien meer bereid om je te steunen dan je denkt

Op een dieptepunt belde ik op een nacht in de nazomer mijn beste vriendin op. Ik had zonet meer dan een uur onbedaarlijk zitten wenen – ik was volledig op, kapotgeslagen door maanden van aanhoudende financiële rampen, een nieuw ontslag en de naschokken van een onmogelijke liefde. Ik voelde me zo groot als een pinda, iemand die hopeloos gestrand was ergens halverwege het leven met zo goed als geen enkele aanwijsbare prestatie en een stapel onvervulde, gefrustreerde ambities.

Dat ene telefoontje hielp. De dagen nadien open zijn tegenover mijn beste vrienden, waarvan er velen geen idee hadden dat het zo slecht met me ging, die hielpen ook. Vrienden of vriendinnen, het maakte niet uit. Ze waren er voor mij en waren zelfs blij dat ik de stap naar hen had gezet om te praten en eerlijk te zijn over wat er in mij omging. Dit leidde tot gesprekken die onderling vertrouwen verder versterkten, elk op zijn eigen manier. De ene vriend hield meer van een wijdlopende babbel met een glas erbij, voor een andere vriendin was zuiver troost bieden belangrijk.

Op 35 ben je allesbehalve uitgeteld in de datingmarkt

Ik ben niet graag 35. Het voelt zo definitief middle-aged aan. Mijn lichaam geneest ook trager, heeft vaker pijn, hevig feesten boeit me niet meer zo, en ik ben definitief tot de conclusie gekomen dat de jaren dat ik er fysiek het beste uitzag, achter mij liggen. Maar wat ik op die vlakken heb ingeboet, heb ik gewonnen op andere vlakken, bijvoorbeeld dat ik me veel minder aantrek over wat mensen van me denken.

Bovendien is er nog altijd belangstelling in mij, paradoxaal genoeg zelfs veel meer dan toen ik op het perfecte kruispunt zat van jeugdige frisheid en volwassen patina. Horrordates heb ik niet meer, de ‘slechtste’ date waar ik op ben geweest was er nog altijd één met waardevolle gesprekken en bezoeken aan plaatsen waar ik anders nooit zou komen. Er is minder bullshit en meer mensen die een beter beeld hebben van wat ze willen, en op dat vlak kan ik 35 zijn enkel maar toejuichen, want hetzelfde geldt voor mij.

Als student maakte ik de juiste beslissing om te investeren in mensen in plaats van resultaten


Ik had elk academiejaar tweede zit (ik slaagde wel telkens in die tweede zit). In de jaren nadien vroeg ik me soms af of ik niet beter mijn best had moeten doen, want ik heb zowel vrienden als familie die in academia zitten en bezig zijn met enorm interessante onderwerpen. Die vrienden academici zeggen soms terloops dat ik zeker het denkvermogen had om in die wereld potten te breken, maar heb ik dat ooit echt gewild? Ik zie ook veel schaduwzijden aan hun bestaan.

Mijn periode aan de universiteit was er voornamelijk één van steeds uitbreidende horizonten. En de laatste jaren zijn die horizonten ook beginnen teruggeven. Een privéjob hier, een doorverwijzing naar een goede contactpersoon daar – mijn sociale investeringen (die ik zo koud niet beschouw!) zijn veel belangrijker gebleken om me vooruit te helpen dan mijn scores op examens of de boeken die ik moest lezen. En zelfs die boeken zijn geschenken die blijven geven. Ze staan nog steeds in mijn boekenkast, soms herlees ik er één, soms ontdek ik er één dat ik toen niet gelezen had uit tijdgebrek.

Soms moet je durven vragen en durven falen

Wie tegenwoordig wil dat ik een pagina ga liken op Facebook, vraag ik zelf eerst om de mijne te liken. Zie ik een sociale media-initiatief dat me interesseert, dan meld ik me aan. Niet om een tafelspringer te zijn, maar omdat de realiteit van bouwen aan een netwerk en een aanwezigheid er één is van geven en nemen. Jarenlang heb ik te veel in het ijle gegeven, en ik geef nog steeds veel meer dan ik krijg, maar die balans is zich aan het herstellen.

Dat heeft te maken met moed. En dit geldt niet enkel voor het proberen verspreiden van mijn teksten en ander geschrijf. Het is ook durven in die DM te sliden, durven om eerst te kussen, durven ook om nee te zeggen op iets waar je eerst denkt dat je eigenlijk niet onderuit kan. En soms ga je grandioos op je bek. Pas in 2018 heb ik het falen volledig leren omarmen als een mogelijke uitkomst van een risico.

Ik kan me thuis voelen in de vreemdste gezelschappen

Bijna alle literaire optredens in 2018 stonden in het teken van Droef, een zelfverklaard ‘podium voor pessimisme’ in Gent. Edities van Droef staan garant voor een toets anarchie, artistieke bevreemding en contacten met mensen die ik buiten die context wellicht nooit had leren kennen. Ik ben ten slotte een zoon van de lagere middenklasse en de petite bourgeoisie. Ik draag graag een das en heb de meeste dingen het liefst als ze een zekere mate van voorspelbaarheid bezitten.

Maar Droef is niets van dat alles. En toch voelde ik me op die evenementen, of ik er nu was als artiest, presentator als toeschouwer, nooit minder dan 100% welkom, gewoon als ikzelf. Tussen rauwe volksmensen en excentriekelingen, tussen veteranen van vele cafétogen en jonge cynici. Ik zat daar soms en dacht: “dit zijn mijn mensen, ondanks alles”.

Koken kan zo leuk zijn

In mijn vriendenkring heerst een hardnekkig en niet onterecht vooroordeel dat ik een grote hang heb naar junkfood. In mijn studententijd en de jaren erna stond ik op speed dial voor vrienden die frietjes wilden gaan eten, en hoewel ik toch vaak zelf kookte, bleven die maaltijden erg vaak beperkt tot typische basiskost als erwtjes en worteltjes met een kotelet, of fishsticks met spinazie. 2018 was het jaar waarin ik definitief en doelbewust nieuwe dingen leerde. Sausjes maken, beetje experimenteren, één dag per week vegetarisch eten, vettige tussendoortjes minderen, en zo verder.

Een ranke, atletische god ben ik er niet van geworden, maar ik heb nu wel meer deugd van het kookproces en kook nu ook graag voor anderen. Een amateurchef zal ik nooit worden, maar ik weet dat ik nu een maaltijd op tafel kan toveren die gasten lekker vinden en niet direct afzakt naar de vettige afslag. O, en soep! Als kind had ik een hekel aan soep. Als volwassen man hou ik juist van de textuur, de smaak en de verrassing van diverse soepgroenten en vind ik de balletjes die ik eens zo leuk vond als kind vaak het meest smakeloze element in de soep.

Oude levenslessen blijven overeind

M’n moeder placht te zeggen dat je in het leven drie dingen moet leren zeggen, en vaak: “dank je”, “het spijt me” en “dat heb je goed gedaan”. Uiteraard oprecht. Ook in 2018 blijft een beetje beleefdheid en hoffelijkheid een uitstekend glijmiddel om banden aan te halen en de mens uit de alledaagse banaliteit tevoorschijn te toveren.

De eerste twee uitspraken zijn manieren waarop je je nederig leert opstellen – je kan niet alles alleen, je maakt soms fouten, je kwetst soms mensen ook als je het zelf niet wil. Het laatste is dan weer een beetje zonlicht geven aan iemand anders. Complimenten zijn vaak kruiperig of worden gezegd in de hoop er één terug te krijgen, maar het fijnste compliment is er altijd één uit de grond van je hart, zonder vooringenomenheid. Mensen appreciëren dat, ook al reageren ze er soms onhandig op.

2018 uitzwaaien

Voor iedereen hoop ik dat 2019 een echt boerenjaar wordt. De voorbije jaren is er in de wereld alweer veel groot en klein leed geweest. De Westerse democratieën zijn aan het barsten, de klimaatverandering marcheert apocalyptisch vooruit en mensen doen elkaar nog altijd pijn. Maar individueel proberen velen te doen wat ze kunnen om minder miserie en meer geluk te maken in de wereld of in hun directe omgeving, en ik hoop dat ze dat zullen blijven doen.

Neem het maar gerust van me aan: ook vanuit een peilloze diepte kan je terug opstijgen. Ook in een situatie die hopeloos lijkt, kan je een hand vinden die je terug omhoog wil trekken. Ik wil iedereen moed toewensen en eerlijkheid, een rechte rug om het niet te begeven onder de leugens die elke dag over ons uitgestort worden, en een helder hoofd om het bos door de bomen te zien. Laat 2019 maar komen.

woensdag 12 december 2018

Nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil

Het bekendste citaat van de Nederlandse poëziegigant Lucebert is "alles van waarde is weerloos", maar het citaat in de titel, uit het gedicht 'Stand van zaken' zou daar in een ideale wereld mee mogen wedijveren. Het is de ideale pendant voor "alles van waarde".

Ik merk het te voet, met de auto, in supermarkten, aan bushaltes, op café. Een vriend van me is enkele jaren geleden verhuisd naar het platteland en zegt dat hij niet meer in Gent kan komen zonder zich direct overweldigd te voelen door al die drukte en er zo snel mogelijk weer uit wil. Hij is nochtans opgegroeid in Gent, dus van rurale geborneerdheid kan je hem niet beschuldigen. 

Drukte en ook geweld zijn niet altijd negatief, overigens. Denk spontane feestjes. Denk een uitbarsting van euforie na een gewonnen sportwedstrijd. Of de warmte van de menigte op kille dagen, met verkleumde handen om een kop warme chocolademelk, koffie of glühwein. Naar diezelfde glühwein ben ik overigens momenteel op zoek. Ik ben te vroeg voor een eetafspraak, dus ben ik de kerstmarkt in gedoken.

Als ik weer maar eens over de hoofden loop of als een jager door de kleine kieren en gaten sluip van die amorfe, traag deinende mensenmassa in de binnenstad, dan kan ik er niet aan doen om op die concrete drukte de abstracte drukte te projecteren. Ik ben niet de enige die zich tegenwoordig wat afzijdig probeert te houden van wat er zich afspeelt op de nationale en de internationale politieke bühne. 

Misschien dat de mensen die hier langs de kraampjes handtassen, gebak en kitsch wandelen er ook zo over denken. Er zitten veel toeristen tussen. Misschien hopen die in Gent tijdelijk te ontsnappen aan hun lokale 'war on truth' in Hongarije, Italië, Oostenrijk en die ultieme koortsdroom van waandenkers en cynici, de Brexit.

Opnieuw 'Stand van zaken': "grote tirannen hebben zich geborgen in kleine kamers / optrekjes slechts met vaal behang en leidingen lek / wel telefoons beschikbaar er zijn wel duizend telefoons / alleen verbonden met zonderlingen op alle lijnen kraakt / hun gekrakeel zij trekken gezichten uit krakende kasten / ook kunnen zij gezichten snijden uit ledematen / en elk nieuw gezicht is met de tomeloze tiran verbonden."

Het is moeilijk om in Luceberts worden niet de beerput te zien van sociale media, waar de platvloerse leugen de orde van de dag is. De bedoeling is om de adepten van de leugen zodanig op te hitsen dat alle rationaliteit verkruimelt. Je kan nog geen nieuwe link aanklikken of een antwoordvenster openen of er komt weer een strijdwagen voorbij van een volksmenner, getrokken door een vijfspan van nuttige idioten met lege ogen en het schuim op de lippen. Intussen heb ik een glühwein weten te bemachtigen en blijf ik nog even drentelen achter het plastic zeil van de kleine kiosk, met tong en lippen voorzichtig tastend of de glühwein niet te heet is.

Je probeert het goede te doen, met mate. Minder vlees consumeren, letten op biolabels, aandachtig zijn voor scheve sociale machtsverhoudingen. Maar wat baten die inspanningen als de mensen met macht onverdroten en met grof geweld het tegenovergestelde voorbeeld blijven geven. 

75.000 mensen die marcheerden in Brussel voor meer klimaatinspanningen kregen de middenvinger van een minister die in een privéjet naar Polen ging en daar als één van de enige twee Europese landen een intentieverdrag voor strengere milieunormen niet ondertekende. Maar naar och God een paar duizend racisten en crapuul "moeten we eens luisteren", dixerunt hun politieke peetvaders en een hoop laffe centristen in de media.

De glühwein is perfect op temperatuur en kruidig genoeg. Ik posteer me op een bankje op de Kraanlei. In de etalages zie ik leuk design dat ik me nooit zal kunnen veroorloven. Niet dat dat zou moeten. Met voldoende geld om na de huur, nutsvoorzieningen, afbetalingen en voeding een klein beetje over te hebben, zou ik al lang tevreden zijn. Maar dat is niet zo. 

De kleinste financiële misstap of misstap algemeen betaalt de gemiddelde persoon direct in keiharde cash, omdat de eigen verantwoordelijkheid enkel geldt voor wie niet weg kan en geen keuze heeft. Intussen vieren de erven Frère allicht ergens feest, en zeker niet op een volkse kerstmarkt, met een miljardenerfenis waarop nul euro belasting betaald is. Ook dat is een vorm van geweld.

Verdrinken in die orgie van geweld, licht, lawaai en leugen is geen optie voor mij. Het zou gelijk staan aan capituleren. Ik steek een sigaret aan (een andere vorm van capitulatie) en neem nog een beredeneerde slok. Ware rust is een utopie, of komt met zijn eigen prijs. De vriend die verhuisde naar het platteland weet dat hij qua nutsvoorzieningen en voetafdruk noodgedwongen meer kost aan de maatschappij, ondanks zijn erg groene levensstijl. 

Maar dat is uiteindelijk niets meer dan de depressie van de kleine verschillen. Debatteren over je eigen moestuin versus isolatie van een stadswoning betekent niets als we allemaal langzaam gekielhaald worden door dezelfde monsterlijke olietanker.

Het bekertje gaat de vuilnisbak in, na eigenlijk niet noemenswaardig m'n handen verwarmd te hebben, en de sigarettenpeuk in het daaraan bevestigde gleufje. Tegen m'n zin en aard in ben ik beter geworden in geduld oefenen, omdat er simpelweg geen andere optie was waarmee ik mezelf niet blijvend pijn zou doen. 

Natuurlijk zou ik graag een statement willen maken, als in pakweg 'La casa de papel', door de ECB te beroven, of een soort 'Three billboards outside Ghent' te doen, waarop alle leugens en smeerlapperij van onze lokale brahmanen staat. Maar intussen moet ik ook overleven, en dan heb ik het nog niet eens zo slecht als de bedelaar die me daarnet om wat euro's kwam vragen, of wie moet wonen in vochtige, ziekmakende huizen. "De oogst beschouwt men als verloren / alle perziken liggen gekwetst in het dorre gras".

donderdag 22 november 2018

Een hele nacht niets dan dansen

Soms verlang ik terug naar de feestjes en fuiven waar ik naartoe ging toen ik begin 20 was, ongebonden en aan het begin van een ongelooflijk avontuur. Ik ging niet uit om meisjes te leren kennen of om dronken te worden – ik ging uit om sociaal te zijn, om te dansen, om me te kunnen overgeven aan heerlijke muziek, om samen met mijn vrienden slecht te dansen maar er geen fuck om geven omdat we toch allemaal vreemd waren. Vincent de goth-reus, Frank de robot, en ik als een rondhuppelende karate kid.

De laatste keer dat ik dat gevoel nog eens ervoer was 5 jaar geleden op Tomorrowland, toen mijn vrienden hadden samengelegd voor een duoticket voor één dag als verjaardagscadeau, wat nog altijd één van de beste verjaardagscadeaus is die ik ooit heb gekregen. Ik ging samen met het meesterbrein achter dit cadeau, mijn beste vriendin en bewaarengel Natasja.

Daar onder die tenten, in die weides, bij fluorescerende beesten en onder fakkels en lichten, op pontons waar de regen hard op kletterde, omringd door dansgraag volk van 18 tot 50, ontdekte ik het opnieuw. Die complete overgave aan muziek. Het transcendente gevoel van door iets groters opgenomen te worden, uit jezelf te stijgen, voelen dat je zeker 4 meter groot bent en een reus die alle tijdperken heeft beleefd. En dat zonder drugs.

Niet dat ik vies ben van roesmiddelen. Maar de echte roes zit in de muziek, het ritme, dat dwingende dat je doet bewegen als een derwisj in het diepste van je gedachten. Of beter: er zijn geen gedachten meer. Ze worden overrompeld door een andere, instinctieve taal die direct spreekt tot het bewustzijn. Dat is niet de hele tijd zo, maar komt met momenten, als satori in zenboeddhisme. 

Het ligt soms verscholen in een brugstuk met warme synths, soms in een keiharde regen aan 4/4-beats, soms in de drop die alle haartjes op je armen al anticiperen als een dansende hond van Pavlov. Soms ook puur in het enthousiasme van de menigte die een collectieve waanzin beleeft. Iedereen heeft er zijn of haar eigen verhalen en gevoelens, maar op dat moment verwordt het collectief tot iets groters. Ik zou zelfs zeggen: iets beters dan de som van haar delen. 

Uiteraard ben ik ook nog uit geweest op zoek naar affectie en een snuifje liefde voor de nacht, maar dat is zelden het resultaat geweest van die escapades. Mijn flirten is niet van een fysieke soort. Ik moet kunnen praten. Fysiek ben ik in mezelf gedraaid, geen lichaam dat zich graag in banen om een ander lichaam probeert te draaien (het is anders als ze al mijn vriendin of partner is). Maar met partners heb ik ook fijne herinneringen. Zoals twee jaar geleden de Gentse Feesten, de hele avond met Sofia op stap. Hoe ze me waanzinnig maakte. Hoe veel dorst ik had naar haar. Jammer dat ze er zich nadien niet veel van herinnerde.

Is muziek niet één van de vreemdste menselijke uitvindingen? Het is niet echt een praktische technologie. Je vangt er geen extra mammoet mee of je dempt er geen verlangen mee aan een autoriteitsfiguur die zegt dat alles goed komt. Net als film is muziek één van de enige uitingen van creativiteit waar elementen simultaan gebeuren in plaats van sequentieel. 

Ik zei onlangs nog tegen een andere dichter dat ik enkel maar dichter ben geworden omdat ik geen muziek kan maken of niet kan schilderen. Maar het beste gedicht zal nooit kunnen tippen aan wat muziek kan doen met dit lichaam, dit vege omhulsel van 90kg droog aan de haak.

Daarbij heb ik ook steeds een voorliefde gehad voor diepe tonen. Ik zei ooit dat ik altijd al heb verlangd naar enormiteit: woeste bergen, uitgestrekte steppes of woestijnen, of het heelal zelf. Iets waar ik me klein in kan voelen in al mijn veelvuldigheid. Een bad op reuzenmaat, als het ware. Want ik ben veel, en soms vind ik dat vervelend. Ik voel veel, ik denk veel en zowel die gedachten als gevoelens gaan meestal diep. Ik ben een levend uithangbord voor de uitspraak “niets menselijks is me vreemd.” 

Er zal nog wel ‘ns zo’n feestje komen. Zoals die keer in 2012, toen Natasja en ik samen puur uit liefde voor het feesten een fuif hadden georganiseerd die baadde in de gloed van een nachtelijk binnenzwembad door het venster. Ik had de hele tijd zo’n onnozele glimlach dat er een man was maar niet kon geloven dat ik geen drugs op zak had. 

Daarom lijkt – buiten dementie – doof worden me het ergste wat er bestaat. Point in case: ik heb een vriend die blind is, en hij is DJ en fervent muziekliefhebber. Daarbij komt dat ik door mijn DNA behept ben met een erg goed gehoor. Tot m’n 21 kon ik zelfs vleermuizen horen, of elektronische fluittonen die voor anderen onhoorbaar waren.

Weet je – ik hoop dat tegen dat ik een bejaardenhuis binnenrol of -strompel (als ik die gezegende leeftijd bereik en als de wereld niet tot een brandende vuilnisbelt wordt herleid voor die dag komt), dat ik de eerste bejaarde zal zijn die met zijn kunstheup en astmapompje op zijn kamer staat te dansen. Dansen en herdenken hoe het was met de jongens van eertijds.

Hoe ik hield van de ‘vierkante-meter-feestjes’ met Jelka (we dansten spontaan in mijn woonkamer op één tegel), hoe ik met pijn in de benen en voeten de eerste trein naar huis nam met Sasha, of gewoon hoe ik me plots voelde uitdijen en opvlammen tegelijk, sereen en mooi maar oneindig begrepen in het al. Eindelijk één. Eindelijk verbonden met de kleinste zandkorrel en het monsterlijkste sterrenstelsel.
 
Zoals Dalì ooit grapte: ik heb nooit drugs nodig gehad. Ik ben mijn eigen drug.