Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'.

Noot voor lezers die al een tijdje deze blog volgen: dit was vroeger de hoofdblog waar bijna alles op kwam. Indien je zoekt naar content (zoals gedichten en kortverhalen) die je nu niet meer kan vinden, neem dan via de linkerbalk een kijkje op de andere afdelingen. Daar kan je vast vinden wat je zoekt!

dinsdag 4 april 2017

Cobra

Volgens de boeddhisten zijn geluk en pijn twee uiteinden van dezelfde slang. Grijp je naar de kop van de slang, bijt ze in je hand; pak je de staart vast, dan draait de slang zich om en bijt ze vooralsnog in je hand. De publieke perceptie van boeddhisten als olijkaards in saffranen gewaden is altijd wat misplaatst geweest. They don't fuck around als het aankomt op donkere waarheden. Ik bekeerde me toen ik 16 was en volop in de ban was van filosofische en religieuze werken, dermate dat ik wijsbegeerte ernstig begon te overwegen als studierichting na m'n middelbaar. Ik ben blij dat ik die richting niet ingeslagen ben en het denkwerk over het zijn, het worden en de wereld altijd als een noodzakelijke hobby heb gehouden terwijl ik van de bouwwerf taal mijn carrière gemaakt heb.

M'n werkdag zit er net op. Het was een mooie dag om van thuis uit te werken aan het balkon, waar het zonlicht genadig binnenviel maar nog genoeg schaduwen had meegekregen van de bomen in volle bloei om de woonkamer geen sauna te maken. Nu ben ik op straat, onderweg naar één van de lokale supermarkten, waar ik deze middag sausjes was vergeten kopen. En die saus is hard nodig, want vanavond komt een bescheiden minibusje vrienden om de retrospectieve, laatste aflevering te bekijken van De Mol. Dat betekent tafelen, dit keer braadkip met een wijntje en een frietje. Ik heb twee zakken diepvriesfrietjes ingekocht, alumettes dan nog, want ik hou niet van dikke frieten met een grove snit. Die doen me altijd denken aan de slappe frieten die in Engeland chips genoemd worden. Bij m'n eerste kennismaking daarmee, toen ik een jaar of 9 was, was ik diep teleurgesteld.

Al zit er dus een Boeddha op m'n schouder, een erg goede boeddhist ben ik niet. Ik mediteer te weinig en ik ben nog altijd veel te veel gehecht aan dingen, aan mensen, aan concepten. Gisterenavond zag ik Chiara nog eens terug en we konden uitgebreid weeklagen over ons respectievelijk hobbelig parcours door de liefde van de laatste maanden. Ze had nadat we uiteen waren, blijkbaar al vrij snel een schilder aan de haak geslagen, maar die was toch niet je dat gebleken. "Je moet stoppen met artiesten daten," adviseerde ik haar, "niets dan heibel met dat soort mensen." Het is een beetje waar. Ik ben zelf ook niet de gemakkelijkste, maar ik kan wel zeggen dat Siddhartha Gautama er vanaf m'n 16de veel negatieve aspecten van m'n persoon heeft onder gekregen. Zoals mijn ongelooflijke woede. Ik kom uit een woedend geslacht, één lange rij van matriarchen met een temperament om u tegen te zeggen. Ik denk dat ik de minst woedende ben. Gewelddadig ben ik in elk geval al niet, maar dat is nu ook niet bepaald iets waar je moet voor gefeliciteerd worden.

Ik wandel langs een woonblok waar iets gefrituurd wordt en er een wat haveloze familie op de stoep uitgestort staat, met een dikke man die luid iets aan het uitleggen is over schilderwerken bij hem thuis en er een dikke vrouw met een cherubijnengezicht een handtashondje vasthoudt. Het type dat je associeert met Paris Hilton en roze badjassen. Bij de supermarkt zelf is het relatief rustig. Een koppel patsers in een pick-uptruck die er monsterlijk gezwollen uit ziet, laat me met enig misbaar oversteken. Ze hebben vast al geklaagd over het circulatieplan dat vandaag in Gent in voege gegaan is. N-VA'ers hadden de zure bek vol over "oppressie", alsof het Gentse stadsbestuur persoonlijk met matrakken en traangas de Gentse burger was komen belagen. Voor een partij die zo ongevoelig is voor het leed van anderen, is geen ongemak hen te klein om er niet hevig schreeuwend voor ter aarde te storten en te trappelen met de vuisten en voeten.

Wat is nog echt leed, hé, dan? Echt leed is misschien de schaamte die ik nog wat voel voor m'n eigen pathetiek van gisteren, die er mee voor zorgde dat ik de deur moest openen voor Chiara in een aftandse pyjama en dat m'n haar er uit zag alsof het mee was geweest met Napoleon naar Rusland. Echt leed is vaak ook stil leed, de pijn die sommige mensen elke dag meedragen in hun magen en harten en zichzelf voelen wegkwijnen in de leegte. Of de hongersnoden, epidemieën, brutaliteiten en natuurrampen die hier op dit zakdoekje Gent een universum ver lijken.

In de supermarkt is het circulatieplan ongewijzigd. Ik ontdek er steeds buurtbewoners die ik nog niet eerder gezien heb. De cassières werken er soms een beetje op m'n zenuwen. Er is er ene die het begrip "binnenstem" niet kent en een andere die weliswaar lief is, maar ontzettend traag. Ze moeten ook telkens opnieuw zoeken naar de vodka die ik vraag, terwijl die al altijd op dezelfde plaats heeft gestaan en ze maar drie merken verkopen. Maar goed, het is allemaal op wandelafstand dat ik hier om een bokaal mayonaise kan gaan, jonge kaas kan kopen en en passant nog een doosje Ricola ("de schwitzerse kroidenbonbon") kan mee grissen. Deze dichter hoeft niet te zeuren. En de zon schijnt nog steeds! Half Gent zal vanavond weer uitrukken om de terrasjes en de pleinen te bemannen, als een horde psychoten die 10 jaar heeft moeten leven in kou en ontbering.

Soms trekt de gedachte me aan om ergens in een klooster in de Himalaya's te gaan wonen en me te onttrekken van elk verlangen. In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, is het uitdoven van verlangen niet het uitdoven van de mens zelf, maar het verdampen van het ego. Ik heb dan ook wel eens hevig gefronst als sommige beroemdheden boeddhisme probeerden te beleven als een vorm van zelfactualisatie of er een hele hoop mystieke onzin bij betrokken. Maar ach, leven en laten leven, zolang de patchouligeuren maar op afstand blijven. Gezwind stap ik onder de lentezon terug naar huis. De zomer is geen verre gedachte meer. Normaal zou ik nu uitkijken naar mijn verjaardag, maar de dag voordien trouwt Natasja en ik ga op haar feest als Pablo Discobar een uurtje plaatjes draaien. Ik zal dus voor het eerst in mijn leven een trouwfeesten-dj zijn, iets waar ik al geweldig veel zin in heb.

Links, over de brug en voorbij het loof dat zo sympathiek zijn schaduwen leent aan het appartement waar ik woon, worden tenten en trucks opgezet voor de Zomerliefkermis. Die wordt georganiseerd in volle lente, vraag me niet waarom, en doet me er aan denken dat ik nooit een zomerlief gehad heb. Op de leeftijd waar ik daar aan toe was, ging ik gewoon niet op vakantie, en het lokale aanbod op het dorp waar ik woonde was nu ook niet bepaald succulent te noemen. De zomer, dat was voor mij zo vaak te warm, te leeg, te veel 'Summertime Sadness', zoals Lana Del Rey mooi wist te destilleren met haar geaffecteerde Southern drawl. Misschien wordt deze zomer anders. Misschien heeft de slang zich nog lang niet omgedraaid om me in m'n hand te bijten.

vrijdag 24 maart 2017

Minder dan beesten

Omdat ik 's avonds meestal alleen eet, zet ik vaak de tv aan. Dan kan ik naar iets kijken terwijl ik kauw en zit ik ook niet te schrokken om de maaltijd maar snel achter de kiezen te hebben. M'n timing is niet altijd goed om het journaal mee te pikken en soms mijd ik het met opzet om niet weer meegesleurd te worden in die draaikolk van deprimerende waanzin die we elke dag te slikken krijgen. Vaak weet ik gewoon ook al wat er gaat gezegd worden omdat ik al een krant gelezen heb of op sociale media al de nodige duiding heb geconsumeerd. Vandaag ben ik wel precies op tijd.

Ik bewonder nieuwsankers. Elke dag die professionele ernst (met af en toe dat kleine glimlachje als het iets leukigs betreft over kinderen, bejaarden of mensen met een handicap), elke dag dat foutloze taalgebruik, elke dag proberen om toch zo veel mogelijk bevattelijke informatie mee te geven aan de kijker. Het journaal is niet neutraal maar dat hoeft ook niet. Feiten zijn nooit neutraal. Terwijl ik m'n spiegelei zit te snijden en op een boterham hijs, denk ik aan wat ik nog hoor te doen later op de avond. In mijn geval is dat: verder timmeren aan het vrijgezellenuitje van Natasja. Sommige mensen zouden me gek verklaren dat ik een vrijgezellen organiseer van een ex, maar ze is al veel langer een goede vriendin (8 jaar) dan dat ze ooit m'n lief geweest is (1,5 jaar, met blutsen en builen). Het kostte nog eens 1,5 jaar om uit de as onze vriendschap tevoorschijn te toveren, maar wat een vriendschap. Ik heb haar gered van booswichten en zij mij van de dood, om het pathetisch te zeggen.

Het is de dag na de herdenking van de aanslagen in Brussel en Zaventem en de dag na een nieuwe aanslag in Londen. En vandaag reed een dronken onnozelaar de Meir op, wat direct Bart De Wever noopte om op tv te komen nog voor alle feiten gekend waren. Als er paniek moet gezaaid worden, is hij er als de kippen bij, de doemprofeet van 't Schoon Verdiep. De keerzijde van zijn boodschap is natuurlijk “maar bij mij zijt ge veilig”. Wel, ik voel me bij hem en zijn partij van met doorslaande stem tweetende, ongeleide projectielen alles behalve veilig. Geef me dan maar de perkamenten kalmte van een Herman Van Rompuy, ook al ben ik het met die man ook over veel dingen oneens. Terwijl ik de eerste boterham naar binnen werk, voel ik wat stress weg ebben over de werkdag, en voel ik me een klein beetje schuldig omdat ik de indruk had dat ik zat te zeuren tegen Sofia vandaag. Tenslotte zit ze ook niet te wachten op mijn suggesties om voor haar kat een "muts van gehakt" te breien.

Een nieuw item wordt aangesneden: dierenmishandeling in een abattoir ergens in het land van Freddy De Vadder en accenten die we blijkbaar lollig moeten vinden. Nu valt er alles behalve te lachen. De beelden van doodsbange, zieltogende varkens komen keihard binnen. Je weet dat dit intelligente dieren zijn, die niet kunnen bevatten wat er gebeurt en totaal machteloos overgeleverd zijn aan het brute sadisme van de slagersknechten. Ik moet bijna huilen als ik die beesten zie afgeranseld worden of bloedend op de vloer zie liggen, nog ademend. Ik neem me voor het gehalte vegetarisch eten in mijn voeding op te drijven. Er is niets dat de wreedheid rechtvaardigt waarmee die dieren behandeld worden als, nu ja, minder dan beesten. Er is niets dat wreedheid rechtvaardigt tout court.

Het is allemaal weer zo veel om te behappen. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk omdat m'n spiegelei met brood me opeens niet meer smaakt. Figuurlijk omdat ik de dingen zo moe ben. De homo hystericus is weer volop op pad, los van dat met die varkens, en schreeuwt als een peuter met een megafoon de wereld bij elkaar. Ik verdenk er rechts van gewoon geil te worden als er weer eens een aanslag plaatsvindt. Alle registers kunnen dan nog eens open. En nog hebben progressieven niet geleerd dat je dan niet in discussie moet gaan of vechten met hun fantoomargumenten. “Is het dat die rechtse zakken de werkelijkheid niet kunnen of niet willen verstaan?” was de teneur van een gesprek dat ik onlangs had met Roman. Ik weet het ook niet altijd goed. Af en toe word ik lastig gevallen door fascistische complotdenkers op Twitter. Onlangs nog één die vond dat we "Europa moesten heroveren". Op wie? Op de 95% witte meerderheid?

Een aangenaam avondzonnetje valt door het balkonvenster naar binnen. Om eerlijk te zijn: ik ben nooit bang geweest van terrorisme. Niet dat ik zo'n stoere kerel ben zonder angsten. Ik herinner me zelfs dat ik rond m'n 20ste wel schrik had voor het fenomeen van de “dolle schutter”, waanzinnigen die voor een flinterdunne aanleiding zomaar wat mensen aan gort gingen schieten. Nu ik ouder ben en hopelijk iets wijzer, weet ik ook dat dat een vorm is van terreur, die als dusdanig nooit benoemd wordt omdat de daders witte jongens zijn. Ik ruim secuur m'n avondmaal op. De afwas is voor na een momentje vertering met een sigaret en een glaasje bruiswater - ik drink namelijk niet of nauwelijks bij het eten, ik heb ooit ergens gehoord dat dat slecht zou zijn voor je voedselopname. Joost weet of dat waar is.

Maar nee, voor bommen, auto's als wapens, machetes, enveloppes met antrax en jihadi's heb ik nooit schrik gehad. Misschien is dat de luxe van iemand voor wie dit soort terrorisme nooit dichtbij heeft geleken. Zelfs niet echt toen het in Brussel gebeurde. Niet dat ik naïef ben. Maar ik heb de motieven van jihadi's altijd tamelijk goed verstaan, net zoals die van andere terroristen die beter georganiseerd zijn dan eenzame complotdenkers. Ze willen dat we bang zijn. Ze willen het slechtste in ons naar boven halen, om retroactief hun eigen excuses bevestigd te zien voor hun haatmisdrijven. Alsof ik dat fysiek wil tegengaan, stap ik m'n balkonnetje op. Tyr, de Garfield van Mariakerke, volgt gezwind. Hij heeft daarnet de hele tijd onder een hoek gelegen dat hij maximaal het zonlicht kon vangen, genietend kijkend als een vetgemeste despoot. In his house at Mariakerke, dead Tyr waits dreaming.

Buiten het bedenken van uitdagingen voor de aanstaande vrijgezel (vrijgezellin?) heb ik deze avond weinig te doen. Chiara heeft afgezegd, Kim had geen tijd en met andere vrienden en vriendinnen liggen afspraken in de nabije toekomst in het verschiet. Er zal veel bijgepraat worden. Zo gaat dat als je elkaar niet meer zo vaak ziet zoals tijdens dagen waarin je niet het betere deel van de dag moest doorbrengen met meedraaien in de kapitalistische wereldorde. Het loof aan de bomen is al aardig beginnen aangroeien. De lente is een ambigu seizoen. Zelden is er voor mij iets goeds begonnen in die periode, behalve m'n eigen leven, en het valt nog te bezien wat Anubis daarvan gaat denken eens ik terecht kom in het ondermaanse. De lente is wel steevast een productief seizoen geweest op schrijfvlak. Ik sluit er dingen in af, zoals recent een dichtbundel, en ik krijg de kolder in de kop van de nieuwe ideeën. Gisteren nog ben ik eindelijk begonnen aan een nieuw boek waar het idee al twee jaar voor lag te rijpen in de eikenhouten vaten van m'n hoofd.

Ik ga terug naar binnen en leg de tv het zwijgen op. Het weerbericht is voorbij (we krijgen een vrij zonnig weekend en Frank Deboosere is nog altijd betrouwbaar onhip) en ik heb m'n dagelijkse dosis kabel nu wel gehad. Morgen ga ik proberen wokken, volledig vegetarisch. En als dat niet lukt, dan bestel ik wel ergens een kebab. De islamisering zet zich immers onvermijdelijk voort.


dinsdag 7 maart 2017

Sylph

Er is koud buffet op de eerste trainingsdag, die ik rijkelijk laat aanvat na al meer dan drie maanden loondienst bij mijn huidige werkgever. Het buffet mag er zijn. Ik sleep mezelf over de inwendige drempel om wat te socialiseren met de andere nieuwelingen, die variëren van verse schoolverlaters tot mensen met lange carrières voor andere broodheren en -dames. Over brood gesproken: het is verse baguette, de raketsla verbergt blinkende zalm, en de opgevulde halve eitjes met een onbestemde zoutige mix zijn snel op. Aan de tafels vormen zich toevallige clusters mensen. Bij de minst onaantrekkelijke vrouw vormt zich de grootste cluster. "Nerds," denk ik dan, "en ook, hoe voorspelbaar sommige mannen zijn." Dat is tamelijk klote aangezien ik zelf een man ben. Ik zou liegen dat ik er een programma voor zou kunnen krijgen op Fox News als ik niet zou toegeven dat ik zelf nooit heb deelgenomen aan een stormloop om de gunst van een leuke vrouw, maar al snel worden dat soort lentecompetities me beu omdat ik er het absurde van in zie. Het licht zielige, dat ook.

En eerlijk: ik voel me vandaag een beetje zielig, eigenlijk. Ik moest om zes uur op om het grootste stuk file op de Antwerpse Ring te vermijden, en ik had gehoopt nog een uiltje te knappen op de parking van het werk, maar één of andere idioot vond het nodig op m'n venster te kloppen, misschien om zich te vergewissen van het feit of er onder die jas en dat deken geen dode lag. Kon die zich niet gewoon met z'n eigen zaken bemoeien? Het is niet de oorzaak dat ik me zielig voel. Die oorzaak komt van overal en nergens een beetje. Een off-day. Een maandag. Een hemel die opgevuld is met grijze regenwolken en nu en dan een onregelmatige bui loslaat. Het vooruitzicht dat ik nog zo ver te gaan heb voor ik een aantal doelen zal bereiken. Ik ben die inwendige stem soms zo moe. Die prikkeldraden die door m'n lymfe- en andere systemen lopen en weer kunnen opspelen bij gevallen van twijfel en emotionele nood. Dan voel ik niets anders dan dat er in m'n borst een stuk bloedend koraal zit dat ik niet uitgespuwd krijg. Ik heb tenminste al vrede genomen met het feit dat in dit leven nooit iets zal zijn dat tegelijk waardevol en eenvoudig is.

Ik probeer niet vanzelf paternalistisch over te komen op de schoolverlaters, die allemaal nog hard hun best lijken te doen om hun mentale korte broek te verbergen. Tien jaar geleden was ik zelf ook zo. Ik stond me toen dood te vervelen tijdens de rondleiding door de fabrieken van Dunning & Kruger, waar de assemblageprocessen me tien keer boeiender leken dan het bureauwerk waarvoor ik aangenomen was, in een omgeving vol gemankeerde bijrolacteurs uit 'In de gloria'. Intussen moet ik aan IT'ers uitleggen wat een communicatieconsultant in godsnaam doet. De zweem van verdenking is nooit veraf, want communicatie is in de ogen van door enen en nullen gestaalde mensen vaak niets meer dan lulkoek. Maar, lieve vrienden, iedereen is gevoelig voor gelul. De vraag is wat je er mee wil bereiken. 'You want to see it too', heet één van de nummers op de laatste plaat van Biosphere, een spookachtige, ijle trip in een bijna uitgewist verleden van Poolse plattelandsdorpen. In die titel lees ik altijd de wil om in iets te geloven, iets ook te willen zien, iets dat een band schept met iemand anders.

"Zal ik jullie vertellen over de bijzondere lamlendigheid van pijn die geen oorzaak kent, jongens?" vraag ik niet. Eveneens spreek ik niet over hoe ik gisteren tot bijna volmaakte rust kwam in bad, in een universum vol schuimkastelen, lezend en starend naar het plafond. In de plaats daarvan doe ik m'n jas aan en omgord ik me met twee tassen alsof ik ergens post ga bezorgen, alvorens het gebouw te verlaten. Op de namiddagtraining zal ik er immers niet bij zijn, want ik heb werk te doen voor klanten. Het is relatief rustig in Berchem, dat in niets lijkt op zijn naamgenoot in het Brusselse, dat ik, nu ik eraan denk, enkel nog maar in het donker gezien heb. Evenmin lijkt Sint-Gillis-Waas op Sint-Gillis en naar verluidt lijken beide Mariakerkes ook niet op elkaar. Als kleine jongen dacht ik dat Nazareth van over de Schelde hetzelfde dorp was als waar Jezus was opgegroeid. Ik verwarde ook onophoudelijk de Israëli's en de Palestijnen, want tijdens de lessen godsdienst sprak men erover hoe de Israëlieten uit Palestina kwamen. Duiding van Ernstige Programma's en Serieuze Krantenrubrieken was er nog niet in de tijd, toen ik me al een hele man voelde omdat ik wist dat Oezbekistan een land was en waar het lag.

In 'The Fall of Hyperion' zegt pater Duré, die gedoemd is om telkens opnieuw tot leven gewekt te worden door een parasiet die aan zijn lichaam kleeft, dat pijn geen invloed meer heeft op hem, dat pijn een oude bondgenoot geworden is. Zo zou ik het nooit zeggen, maar het is wel waar dat ik de melancholie beter heb leren verdragen. Met ervaring, met medicijnen. Ook door anderen te vinden die in dezelfde regenbui staan. Ik vouw graag paraplu's voor hen, niet uit een misplaatste nood om nodig te zijn, maar omdat ik niet wil dat anderen de pijn moeten hebben die ik zelf zo goed ken. Of is dat lulkoek die ik mezelf gretig voeder? Eentje voor de papa. Eentje voor de mama. Eentje voor het zielenheil. En eentje voor de vrachtwagens die in een regenbui op de E17 elkaar proberen inhalen, want wat drijft die fuckers in godsnaam weer om het leven van zichzelf en anderen in gevaar te brengen? Ik word er zo goed als door verblind terwijl ik er langs moet. Op de radio vind ik geen zender die me aanstaat. Er wordt te veel gebabbeld op de ene, op de andere spelen ze Bruno Mars, de dwergversie van Lenny Kravitz, die zelf al een soort Prince van den Aldi was; en op een derde zender is er een nummer dat ik al te vaak gehoord heb de laatste tijd. Dan maar volledig stumm.

Vanavond ontvang ik vrienden en hoewel ik me daar nu niet kan op instellen, weet ik dat dat bezoek deugd zal doen. Natasha gaat een Thaïse eetsoep koken en Tomas brengt panna cotta mee. Ik zorg voor bestek, borden, glazen en de televisie. En de aperitief, want mijn schatkamers liggen altijd vol. Het hangt me al boven het hoofd dat ik morgen voor de trainingsweek blijkbaar stapschoenen ga moeten aantrekken. Ik hoop vurig dat het niet zal komen tot liedjes zingen of scoutsactiviteiten voor volwassenen. Tot hier toe ben ik redelijk onder de indruk van m'n werkgever, maar ik ben beducht voor creativiteit als ze van HR-mensen moet komen, door eerdere ervaringen met verplichte lachsessies en barbecues waar we allemaal een roze item dienden mee te brengen. In de onbedoelde komedie van dat alles zit een diepe tragiek verscholen, als een soort onderzeese spiegel van wat voort koerst boven het wateroppervlak. En daar nog onder is er geen licht meer. De afotische zone, noemen ze dat, het deel van de oceaan dat nooit bereikt wordt door de zon. Dat zijn afgronden waar een mens niet wil in tuimelen. Dan allicht nog liever het grienende lenteweer, dat tenminste de belofte aankondigt aan warmere tijden, verpozingen en vluchtroutes. We zijn bijna uit deze grillige, kwaadaardige winter. Laten we dan maar stevig elkaars hand vasthouden voor de laatste kilometers.

dinsdag 28 februari 2017

In de vorm van een vogel



Ik zie nieuwe horizonten opduiken. Ze zijn nog redelijk veraf, maar ze zijn er. Uiteraard dat het in mijn hoofd zit. Ik heb parkeerplaats gevonden aan de rand van de echte Gentse binnenstad. Eerst ging ik de bus nemen, maar toen ik er aankwam, bleek ik m’n telefoon vergeten te hebben en dan ben ik toch bezweken voor de sirenenzang van koning auto. Ergens in de stad schreeuwt een op biodiesel levend gehouden vampier het uit met een kracht van enkele megawatteeuwen, nu er weer iemand een kap heeft geslagen in zijn fylacterion. Vandaag laat ik het niet aan m’n hart komen, evenals de eeuwige toeristen die ik moet omzeilen op de Sint-Michielsbrug, met hun onnozele selfiesticks en hun “grappige” poses voor ons UNESCO-werelderfgoed. Het is niet dat ik het respectloos vind – wat geeft zo’n 700 jaar oude waterkant er tenslotte om – het is dat ik het belachelijk vind. Net zoals mensen die doen alsof ze leunen tegen de Toren van Pisa of vanuit perspectief de Eiffeltoren tussen duim en wijsvinger nemen. Maar originaliteit is een Romantisch idee – letterlijk, het is nog maar een goede 250 jaar oud.

Opgepast massa, ik ben onder u. Ik kom voorbij een winkelvenster en check even m’n jas, die de sporen draagt van gisterenavond. Hij hangt vol kleine rosse kattenharen, en het is niet zichtbaar in de spiegel, maar hij ruikt naar Sofia. Dezelfde geur hing in m’n appartement toen ik gisteren om halfeen ’s nachts thuis kwam nadat ik haar thuis had afgeleverd, sneller dan een FedEx, minder risicovol dan een Uber. Hoewel. Er was op de weg naar haar wel die alcoholcontrole honderd meter voorbij m’n voordeur, maar de flikken van dienst waren mollige, vriendelijke lui die me rustig door het hele proces gidsten. Geen gesnauw of gegrom, gewoon agenten die hun job voor de burger serieus namen. Waren ze maar overal zo, nietwaar. Het hielp ook dat de ademtest uitwees dat ik mocht doorrijden, hoewel ik een halfuur voordien nog een glas wijn gedronken had. Foute instrumentatie, mijn onontdekte superkracht, of de aanwezigheid van een beschermengel, wie zal het zeggen?

Het is een paradoxaal zonnige en milde winterdag, vandaag. Aporie: een toestand waarin je niet goed weet wat je voelt, een twijfel, misschien zelfs dat niet, maar je kan enkel zeker zijn dat er iets is dat je voelt. Het is niet goed, het is niet slecht, het is er, als de omtrekken van iemand die langzaam uit de mist komt tijdens een playbackshow. Wordt het de zoveelste Elvis of wordt het helaas Pierke Pierlala? Wat ik wel weet: hoe zwaarder de jaren doorwegen, hoe lichter ze lijken te worden. Ik zit praktisch op het middelpunt van mijn leven, maar het prettige is dat de inzichten blijven groeien, dat ik nooit stilgestaan heb in het bijslijpen van mijn denken en handelen. De uitkomsten daarvan zijn niet altijd perfect. Mijn ogen en neus worden bijvoorbeeld automatisch naar dat hamburgerhuisje getrokken in een zijstraat van de Veldstraat, waar ze zulke lekkere ketchup hebben. Sommige mensen kunnen dat goed, de verleiding weerstaan van vettige troep en het vlugge genot. Ik ben daar nooit goed in geweest.

Ik ben op zoek naar een cadeau voor Jelka, die vandaag haar kwarteeuw viert. Daarvoor moet ik over de onregelmatige kasseien laveren tussen de talrijke shoppers en voorbij de eindeloze vensters van kledingwinkels. Het stelt de jongen in mij teleur dat de proportie van kledingzaken in de Veldstraat de laatste 20 jaar enkel is toegenomen. Vroeger waren er in de omtrek nog elektronica-zaken, verschillende muziekwinkels, speelgoedzaken en natuurlijk de befaamde pijpenwinkel van Caron. Kledij interesseert me wel, maar in hoofdzaak wie ze draagt, niet zozeer staan kijken naar een etalagepop met de hipste seizoensoutfit aan, laat staan in zo’n überwarme kledingwinkel met het zweet des aanschijns lusteloos kijken tussen de rekken en me afvragen wat mijn maat van broeken ook alweer was.

Nieuwe horizonten impliceren dat er ook oude waren. Ik ben intussen de haast apostolische tien ex-lieven rijk, een vangst van een bijna 17-jarige carrière in de liefde, en een lijn kan je er niet in trekken. Eerst was ik leerling, dan mentor, dan gelijke. Nu eens was ze attent en kwetsbaar, dan weer onafhankelijk en ambitieus. Het veranderde me altijd weer een tik, duwde me op een nieuwe baan, dompelde me onder in nieuwe smaken. Ik dacht lang dat al die ervaringen me tegelijk ook afgestompter gemaakt hadden of cynischer, maar dat klopt niet. Ondanks alle teleurstellingen heb ik ook de waarde ingezien van open blijven, toch blijven inzetten op een vorm van kwetsbaarheid zonder te vervallen in een suikerzoet idealisme.  Daar denk ik aan terwijl ik mezelf bevind in de boekenafdeling des Fnacs en rondwaar tussen de populaire lectuur, de obscure poëzie en het aanbod aan Engels- en Franstalige literatuur. Spaans en Italiaans hebben ook elk hun rek gekregen. Duits is helaas weer nergens te bespeuren. Het is allicht geen toeval dat ik me nu magnetisch naar de filosofie-afdeling getrokken voel. Ik vind al snel een boekje van Michel de Montaigne, die rustige Franse humanist die me indertijd deed beseffen dat wijsheden van alle tijden zijn en dat de denkers van de Verlichting niet allemaal kurken wetenschappelijke vooruitgangsdenkers waren.

In de winkel speelt de Jonas Blue-cover van ‘Fast Car’. Het duurde jaren tot ik besefte wat voor een mooi en triest nummer het origineel van Tracy Chapman is. En dan nog een jaar voor ik er met de grijns van een kleuter in m’n hoofd altijd ‘Fat Car’ van maakte. You got a fat car. I want a ticket to Burger King. Rijdt een vette auto snel? Kan die goed optrekken? Hij zal de mensen alleszins niet verlossen van een armoedig bestaan met gebroken dromen. You got a fat car. I got a plan to get us a real good meal. Ik besef dat ik honger heb en ik schaf me naast Jelka’s cadeau nog twee poëziebundels aan, allebei van jonge Vlaamse dichters van het nu, allebei jonger dan ikzelf. Ik ben er niet wrokkig over dat zij hun weg naar een uitgever vonden en ik niet, want ze zijn beter dan mij. Het maakt me zelfs blij om dat te kunnen toegeven. Geklopt worden door mensen die beter zijn dan ikzelf, dat is eervol in het zand bijten. You got a fat car. But it’s way too fat to fly away.

Wanneer ik de Fnac verlaten heb, kijk ik even naar boven. De hemel zit potdicht en toch voel ik de zon. Is het het lichaam, dat instinctief reageert op de eerste tekenen van de lente, als een soort ingebouwde seismograaf die voelt hoe de as van de Aarde weer de richting uit wentelt van betere dagen? Of is het dat ik weet dat ik dit jaar dingen zal realiseren, zoals het afwerken van mijn eerste grote non-fictieproject? Of is het de klare wijn die gisteren werd geschonken in troebele glazen? “Hoed u voor een valse lente,” roept een dakloze me toe, “herinner u 2011!”. Ik weet het nog. In 2011 leken mooie dingen op til, maar toen verzandde een droom in een anemische woestijn, samen met de in bloed en brand gesmoorde Arabische Lente. Waarom subtiel zijn in m’n metaforen als het ook kan met pathos, nietwaar.

En er is dit: om een grens te markeren tussen voor en na, moet je ergens beginnen en dat niet te veel laten afhangen van externe zaken. Het is daarom dat ik nooit echt geloofd heb in het magische concept van closure, alsof dingen ooit eindigen met een diepzinnig gesprek, een paar tranen deppen en dan de hink-stap-sprong uitvoeren, recht in een nieuwe hoop miserie. Wat ik achter me heb gelaten, was telkens via een bewust proces van sorteren en mediteren. Daarom dat er haast geen haat in mijn hart zit, dat ik weet dat ik niets te eisen heb van het leven en dat het veel belangrijker is dan alle kennis van de wereld, om te proberen blijven geven om de levens van anderen iets meer de moeite te maken. Want, om de slogan van een koffiemerk te gappen, what else? Intussen gaat de voettocht weer over de Sint-Michielsbrug naar waar de auto wacht. New Horizons, zo heette ook de sonde die twee jaar geleden langs Pluto scheerde. Ik herinner me nog, toen de lancering plaats vond in 2006, dat ik hoopte dat ik de beelden nog zou zien van de sonde en dat er intussen niet één of andere wereldbrand zou uitgebroken zijn. Ik was toen 23 en ik kon me niets voorstellen bij wat of wie ik zou zijn op 32, toen de verbluffende beelden van de dwergplaneet binnen kwamen.

En nu giert New Horizons weer de duisternis in. Niet elke horizont is helder en schitterend, maar daar ben ik intussen ook op ingesteld. Ik kijk links en rechts over het water, de toeristen negerend. Terwijl ik kijk naar de waterkant die parallel loopt met de Veldstraat, komt er nog een andere herinnering binnen, nog langer geleden. In de verwoestend drukkende nazomer van 2001 was ik toen in de Veldstraat op zoek naar een attentie, en in de gadgetteria waar ik stond, speelde ‘One Hand in My Pocket’ van Alanis Morissette. De onbestemdheid van dat nummer maakte me zo triest dat ik ter plekke bijna tranen in mijn ogen kreeg. I’m lost but I’m hopeful. Het klonk in mijn oren als wanhoop, tegen beter weten in verder ploeteren omdat je niet anders kan. En nu, verbonden met mijn aporie, klinkt het eerder als een ode aan een schone lei. ‘Cause I got one hand in my pocket, and the other is flicking a cigarette. Op een brug over de Leie. Doe dat me maar eens na.

zondag 29 januari 2017

Met skeletale handen piano spelen

Het cliché wil dat als een Westerse man ziek is, dat hij in z'n pyjama ligt te kreunen alsof de wereld vergaat. Misschien omdat ziek zijn de enige sociale gelegenheid is waarbij hij zich 'mag' laten gaan ("de dokter zegt het!"). Er is ook ergens een onderzoek geweest waaruit zou blijken dat mannen effectief meer lijden van huis-tuin-en-keukenvirussen. Ik weet het niet. Ik probeer er alleszins niet te veel over te mopperen en binnen een paar dagen is deze ijldraaimolen hopelijk ten einde gekomen.

Ik lig in de zetel onder een dekentje en ik zap langs de ochtendtelevisie-kanalen. Bijna alles is bagger, als er al uitzendingen zijn. Zelfs de kanalen voor kinderen tonen cartoons van minderwaardig allooi. Even beeld ik me in dat werkloos ben en dat ik daarom maar op de bank tv lig te kijken, en dat is een zeer deprimerende gedachte. Elena nam onlangs zelf ontslag omdat ze het niet meer uithield op haar nieuwe job en was onthutst over hoe snel ze zich nutteloos voelde door werkloos te zijn. Ziek zijn wekt een soortgelijk gevoel op. Ja, je hoeft niet te gaan werken, maar er is ook weinig anders wat je kàn doen. De meeste mensen die je kent zijn aan het werk en de straat is het terrein van gepensioneerden, huisouders en andere mensen die we geneigd zijn te negeren in het publieke debat. Wie werkt, die telt mee.

Een ziekte goed te pakken hebben betekent precies alsof er een tijdelijke lobotomie heeft plaatsgevonden. Mijn hogere functies willen niet goed meer mee. M'n gedachten slingeren van nutteloos absurdisme naar obsessieve details die er eigenlijk niet toe doen. Het is blijkbaar vandaag Gedichtendag. Op sociale media regent het onnozele rijmpjes en andere huisvlijt. Als je er iets op zegt, ben je onmiddellijk een elitaire brompot. Maar zijn er ook mensen die op werelddansdag de ether bevuilen met hun amateurfilmpjes van de zatte nonkeldans in hun living, en hun met alcoholstift bekliederde smikkels op de werelddag van de bodypainting? Er zijn weinig kunstvormen zo vaak belachelijk gemaakt en zo vaak toegeëigend onder het mom van "ik doe maar wat" als poëzie.

Ik rol op m'n rug en zet de tv uit. Toen ik ziek was als kind, lag ik te staren naar het houten plafond in de woonkamer en probeerde ik patronen en figuren te ontwaren in de nerven. Soms zag ik golven of landschappen. Of dieren. Maar meestal gewoon abstracte vlekken en weinig interessante patronen. Ik proef nog steeds de smaak van het appelsap dat altijd binnen handbereik was als ik ziek was, samen met het potje yoghurt. De yoghurt is niet verdwenen, het appelsap is vervangen door Fristi, dat zoetige insectendrankje.

Wat ook hoort bij ziek zijn, is de verdunde grens tussen reële perceptie en droom. Zieke dromen vloeien minder goed. Waar een gezonde droom een patroon volgt van straten, rivieren of desnoods gangen en daden, is een zieke droom een droom die zijn verhoudingen niet juist krijgt, die steeds probeert te kalibreren op een achtergrond die voortdurend wegzakt. Zieke dromen zijn vaker monochroom, ook. De noodverlichting van de ziel, knikt de psychoanalyticus in mij alvorens zijn pijp de reinigen. Gisterennacht droomde ik over een trouwerij in een hotel, een date met een onbekende blondine die uit een koelkast kwam, en gedrogeerd ontwaken op een tram in Brussel waar Jan Van Rompaey op zat. "Je bent aan het ijlen!" zei Sofia nadat ik een aantal onkarakteristieke spelfouten gemaakt had op Messenger toen ik haar dat vertelde. Niet de inhoud leek haar ziek, wel de vorm. Zo herkennen mensen dat die me een beetje kennen.

Met tegenzin kom ik uit de zetel en ga ik naar het toilet. Het is pijnlijk dat iemand als ik, die zo vaak schaamteloos scatologische lol trap, al zo vaak last heb gehad van spijsverteringsproblemen. God straft onmiddellijk. Maar waar is de straf voor de echte slechteriken van deze wereld, waarvan er elke dag weer bij lijken te komen? Nu denk ik vooral aan de ruggengraatloze likmevestjes in Amerika en Europa die toekijken en nietsdoen hoe een kabinet fascisten, vrouwenhaters, casinokapitalisten en racisten driest aan het inhakken is op de fundamenten van één van de oudste democratieën ter wereld. Was ik creatiever, ik dacht aan betere vergelijkingen tussen mensen waarvan ik vergeefs beter gehoopt had en wat nu als uit een verroeste kraan de toiletpot in stroomt.

Als ik terug in de keuken ben, tank ik een glas water. Buiten is het een heldere winterdag. Een beetje vuil, een klein beetje droog, maar voorts koud als op een normale januaridag. Normaal. Dat woord. "Allemaal normaal doen," zei Mark Rutte, die zijn beste Wilders probeerde om de Nederlandse kiezer te bekoren. In zekere zin had hij gelijk met zijn beschamende lapdance voor de gemiddelde racist: het reactionaire gedachtegoed is normaal geworden. Later, als ik ooit kinderen zal hebben om iets aan te vertellen, en ze vragen me waar ik was en wat ik deed toen de skeletale handen van het nazisme 's werelds piano begonnen te spelen, zal ik moeten antwoorden: ik was zieke man, toen... ik was een man vol boosheid. Ik had een darmaandoening.