Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'.

Noot voor lezers die al een tijdje deze blog volgen: dit was vroeger de hoofdblog waar bijna alles op kwam. Indien je zoekt naar content (zoals gedichten en kortverhalen) die je nu niet meer kan vinden, neem dan via de linkerbalk een kijkje op de andere afdelingen. Daar kan je vast vinden wat je zoekt!

zondag 29 januari 2017

Met skeletale handen piano spelen

Het cliché wil dat als een Westerse man ziek is, dat hij in z'n pyjama ligt te kreunen alsof de wereld vergaat. Misschien omdat ziek zijn de enige sociale gelegenheid is waarbij hij zich 'mag' laten gaan ("de dokter zegt het!"). Er is ook ergens een onderzoek geweest waaruit zou blijken dat mannen effectief meer lijden van huis-tuin-en-keukenvirussen. Ik weet het niet. Ik probeer er alleszins niet te veel over te mopperen en binnen een paar dagen is deze ijldraaimolen hopelijk ten einde gekomen.

Ik lig in de zetel onder een dekentje en ik zap langs de ochtendtelevisie-kanalen. Bijna alles is bagger, als er al uitzendingen zijn. Zelfs de kanalen voor kinderen tonen cartoons van minderwaardig allooi. Even beeld ik me in dat werkloos ben en dat ik daarom maar op de bank tv lig te kijken, en dat is een zeer deprimerende gedachte. Elena nam onlangs zelf ontslag omdat ze het niet meer uithield op haar nieuwe job en was onthutst over hoe snel ze zich nutteloos voelde door werkloos te zijn. Ziek zijn wekt een soortgelijk gevoel op. Ja, je hoeft niet te gaan werken, maar er is ook weinig anders wat je kàn doen. De meeste mensen die je kent zijn aan het werk en de straat is het terrein van gepensioneerden, huisouders en andere mensen die we geneigd zijn te negeren in het publieke debat. Wie werkt, die telt mee.

Een ziekte goed te pakken hebben betekent precies alsof er een tijdelijke lobotomie heeft plaatsgevonden. Mijn hogere functies willen niet goed meer mee. M'n gedachten slingeren van nutteloos absurdisme naar obsessieve details die er eigenlijk niet toe doen. Het is blijkbaar vandaag Gedichtendag. Op sociale media regent het onnozele rijmpjes en andere huisvlijt. Als je er iets op zegt, ben je onmiddellijk een elitaire brompot. Maar zijn er ook mensen die op werelddansdag de ether bevuilen met hun amateurfilmpjes van de zatte nonkeldans in hun living, en hun met alcoholstift bekliederde smikkels op de werelddag van de bodypainting? Er zijn weinig kunstvormen zo vaak belachelijk gemaakt en zo vaak toegeëigend onder het mom van "ik doe maar wat" als poëzie.

Ik rol op m'n rug en zet de tv uit. Toen ik ziek was als kind, lag ik te staren naar het houten plafond in de woonkamer en probeerde ik patronen en figuren te ontwaren in de nerven. Soms zag ik golven of landschappen. Of dieren. Maar meestal gewoon abstracte vlekken en weinig interessante patronen. Ik proef nog steeds de smaak van het appelsap dat altijd binnen handbereik was als ik ziek was, samen met het potje yoghurt. De yoghurt is niet verdwenen, het appelsap is vervangen door Fristi, dat zoetige insectendrankje.

Wat ook hoort bij ziek zijn, is de verdunde grens tussen reële perceptie en droom. Zieke dromen vloeien minder goed. Waar een gezonde droom een patroon volgt van straten, rivieren of desnoods gangen en daden, is een zieke droom een droom die zijn verhoudingen niet juist krijgt, die steeds probeert te kalibreren op een achtergrond die voortdurend wegzakt. Zieke dromen zijn vaker monochroom, ook. De noodverlichting van de ziel, knikt de psychoanalyticus in mij alvorens zijn pijp de reinigen. Gisterennacht droomde ik over een trouwerij in een hotel, een date met een onbekende blondine die uit een koelkast kwam, en gedrogeerd ontwaken op een tram in Brussel waar Jan Van Rompaey op zat. "Je bent aan het ijlen!" zei Sofia nadat ik een aantal onkarakteristieke spelfouten gemaakt had op Messenger toen ik haar dat vertelde. Niet de inhoud leek haar ziek, wel de vorm. Zo herkennen mensen dat die me een beetje kennen.

Met tegenzin kom ik uit de zetel en ga ik naar het toilet. Het is pijnlijk dat iemand als ik, die zo vaak schaamteloos scatologische lol trap, al zo vaak last heb gehad van spijsverteringsproblemen. God straft onmiddellijk. Maar waar is de straf voor de echte slechteriken van deze wereld, waarvan er elke dag weer bij lijken te komen? Nu denk ik vooral aan de ruggengraatloze likmevestjes in Amerika en Europa die toekijken en nietsdoen hoe een kabinet fascisten, vrouwenhaters, casinokapitalisten en racisten driest aan het inhakken is op de fundamenten van één van de oudste democratieën ter wereld. Was ik creatiever, ik dacht aan betere vergelijkingen tussen mensen waarvan ik vergeefs beter gehoopt had en wat nu als uit een verroeste kraan de toiletpot in stroomt.

Als ik terug in de keuken ben, tank ik een glas water. Buiten is het een heldere winterdag. Een beetje vuil, een klein beetje droog, maar voorts koud als op een normale januaridag. Normaal. Dat woord. "Allemaal normaal doen," zei Mark Rutte, die zijn beste Wilders probeerde om de Nederlandse kiezer te bekoren. In zekere zin had hij gelijk met zijn beschamende lapdance voor de gemiddelde racist: het reactionaire gedachtegoed is normaal geworden. Later, als ik ooit kinderen zal hebben om iets aan te vertellen, en ze vragen me waar ik was en wat ik deed toen de skeletale handen van het nazisme 's werelds piano begonnen te spelen, zal ik moeten antwoorden: ik was zieke man, toen... ik was een man vol boosheid. Ik had een darmaandoening.

maandag 23 januari 2017

Kaap Goede Voornemens

Deze middag

Vanuit de refter weerklinkt een kakofonie aan stemmen. Geen één is individueel verstaanbaar. Ik probeer ze te verbannen naar de achtergrond door oortjes in te doen en muziek op te leggen via YouTube. Ik had ook tussen het lawaai kunnen zitten en eten met collega's, maar soms laat ik die kom soep aan mij voorbijgaan. Ik ben ook al niet iemand die na de collegiale lunch nog blijft zitten om na te kaarten. Dat kan als asociaal opgevat worden, maar ik zie er een manier in om mijn energie te bewaken. Temidden een carrousel zitten aan indrukken, voetstappen, verkeer beneden over de snelweg en het gerinkel van lepels en potten gaat na een tijdje uitputten. Perceptief zijn is geen vrijwillige daad.

Terwijl ik probeer om m'n gedachten te ordenen in de richting van een voorstel voor een paar professionele blogs voor een big shot in de IT-wereld, drijven diezelfde gedachten af naar het voorbije weekend. Tijdens de eedaflegging van He Who Shall Not Be Named kreeg in de marge een Amerikaans nazistisch kopstuk een vuist in z'n gezicht. Moet je zoiets toejuichen of afkeuren? Een zinloos debat. Niets lijkt te helpen tegen dat soort kakkerlakken. Geweld en afkeuring doen hen dieper in de slachtofferrol kruipen, beleefdheid legitimeert hun bagger. Een inhoudelijk debat moet je met nazi's al helemaal niet aangaan. Dat is de klassieke fout van modeldemocraten die denken dat je iemand van idee kan doen veranderen door betere of sterker beargumenteerde ideeën boven te halen.

Eergisterennacht

Midden in de nacht ben ik plots klaarwakker en is m'n hoofdkussen nat. Het is te warm in de kamer. Er ligt iemand naast me en één seconde lang heb ik geen idee hoe ze er gekomen is, wie ze is en of ik zelfs echt wel wakker ben. Dan komt de chronologie weer terug. Ja, ik ken haar, en ja, ik weet hoe we hier beland zijn. Geruisloos glijd ik uit bed om een glas water te gaan drinken, want m'n mond is droog. Op het aanrecht en de tafel staan nog de restanten van het avondmaal en het drinken nadien, willekeurig verspreid daar waar we zaten of stonden. Ik zie mezelf terug staan, enkele uren voordien, achter mijn aanrecht, terwijl zij parmantig als een kat balanceert op de rand van de zetel en mijn echte kat hongerig is naar haar aandacht.

Buiten is het een ijskoude, heldere nacht, zie ik door de balkondeuren en de kale bomen daar voorbij. Ik denk aan de nachtmerrie waaruit ik ontwaakte, waar een oude vriendschap in voorkwam met iemand die ik al meer dan 10 jaar niet heb gezien, een bisschop en een afwijzing. Hoe kunnen we verwachten anderen werkelijk te begrijpen als onze eigen dromen al oefeningen zijn in nonsens? Men is nog altijd niet zeker waarom we precies dromen. Ik hou het erop dat het een soort screensaver is van het brein, die willekeurige dingen plukt uit je hoofd en ze aan elkaar plakt tot een 'historoïde', een verhaal dat niet echt een verhaal is. Maar hoe verklaar je dan terugkerende dromen?

Gisterenavond

Het appartement is kraaknet, de wasmachine draait haar toerental en de kat ligt verzonken op het donsdeken van het bed met zijn kopje op zijn voorpootjes. Drie uur geleden lag hij in dezelfde houding op mijn borst, met zijn voorpoten gespreid langs mijn hals, alsof hij me aan het knuffelen was. Ik viel er zelf haast van in slaap, ware het niet dat ik het gezelschap had van de moeder, die in haar oneindige goedertierenheid eten voor mij aan het maken was.

Van die maaltijd blijven enkel wat remains of the day over in de koelkast. Het doet me denken aan de laatste pagina's die ik zonet heb gelezen in 'Roadside Picnic' van de gebroers Stroegatski, een sf-klassieker die de inspiratiebron was voor de Tarkovski-film 'Stalker' (die ik nog niet gezien heb). Aliens stoppen kort op onze wereld op doorreis en laten allerlei rommel achter die voor mensen frustrerend onbegrijpelijk blijft, soms wonderlijk en vaak gevaarlijk. Het past in de theorie dat communicatie met buitenaardse intelligentie wellicht onmogelijk is door het gebrek aan een gedeelde context. Misschien is zelfs dat niet voldoende. Ik breek me er de kop niet over.

Deze middag

Verderop aan een ander bureau zit iemand gulzig een peer te consumeren. Ik haat die soppige smakgeluiden en verwonder me er steeds over waarom andere mensen dit zonder problemen kunnen verdragen. Maar misschien heb ik ook van die gewoontes die andere mensen de gordijnen in jagen, zoals luid spreken of het geklop van mijn schoenen als ik ergens door ploeg op een plankenvloer of vast tapijt. Een laag muziek wordt over mijn ergernis heen geschilderd in weelderige, diepe tonen. Een collega loopt langs en zwaait. Geen small talk, vandaag.

Ik ken veel mensen die een hekel hebben aan small talk omdat er niets mee gezegd wordt. Toch is dat niet helemaal juist. Het is gewoon een nogal omslachtige manier om te erkennen dat we geen vijandelijke bedoelingen hebben tegenover elkaar. Niet elk gesprek kan peilen naar de dieptes van de menselijke ervaring. Maar toegegeven, de zone van de koetjes en de kalfjes, dat is voor mij ook hoogstens een voorportaal voor het echte werk. Op het werk wil dat wel eens tegenvallen, en daarom smokkel ik graag het absurde binnen in het alledaagse, als een Trojaans paard. Mijn baas doet dat ook graag. Toen onlangs bekend werd dat we weer een jaar mochten werken op een groot account, zei ik tegen m'n baas, "Ach ja, in de woorden van Johnny Logan, what's another year?", waarop hij vroeg "Johnny Logan, was dat niet die filosoof?". "Ja, van de school van de fenomenologie," antwoordde ik.

Eergisterenavond

Soms knijpt ze haar ogen beurtelings samen, alsof ze niet helemaal zeker is of ik ernstig ben als ik iets zeg. Het houdt de conversatie soepel. Dat, en een bescheiden hoeveelheid vodka in zo'n overgroot IKEA-wijnglas, wat me mogelijk een basic bitch maakt omdat iedereen wel zulke glazen bezit of wil bezitten, maar als tegenbewijs kan ik zeggen dat ik een Pruisische helm in mijn vitrinekast heb. We spreken over gezondheid, oude kwetsuren, katten en de levens van familie.

In de hoek van de keuken staat de radio zacht op een showcase van The xx, een band waarvan het mij enige tijd kostte om die goed te vinden. Dat kwam pas een hele tijd na de initiële hype, die hen afschilderde als "in de stijl van Burial". Waar zit die trouwens, de laatste tijd? Het is alweer enkele jaren geleden dat hij zijn magisch-donkere sound nog eens losliet op de wereld. We onderbreken een gesprek door de kat die zich tussen onze voeten in heeft gewurmd. "Wist je dat als een kat met zijn neus jouw neus aanraakt, dat dat betekent dat hij je echt leuk vindt?" vraagt ze. Ik glimlach. Mijn kater doet dat soms. Zelf mag ik dat niet doen bij hem, misschien omdat m'n hoofd te bedreigend is in zijn ogen.

Gisterennacht

Ik had me nog zo voorgenomen om vroeg te gaan slapen, maar dat plan is alweer een scheepswrak tegen de Klippen der Hardnekkigheid, ergens ter hoogte van de Kaap Goede Voornemens. Het is niet erg. Morgen is geen drukke dag en heb ik voornamelijk voorbereidend werk te verrichten. Ik maak afspraken om banden aan te halen met vrienden en vriendinnen. Het stille internet kan een zegen zijn voor sociale introverten. Intussen laat ik alle indrukken van het weekend bezinken.

Buiten staan de sterren weer kraakhelder op een maanloze achtergrond. Ik denk aan alle gevoerde gesprekken van vrijdag tot nu, van de onzin tot de ernst, en hoe we vermeden hebben om te spreken over de stortvloed van leugens die de politieke kaste steeds gretiger over de wereld laat vloeien. Het maakt ware conversaties zonder agenda des te aangenamer, als een warm deken waarin we ons kunnen wikkelen met een dampende kop koffie. Ik had ooit een discussie met een bevriende dichter over het gebrek aan een soort geïntegreerde, synthetische identiteit in woorden en daden bij de moderne mens in het Westen. Hij vond dat juist fantastisch, dat constante, teugelloze spel. Ik begrijp zijn standpunt, maar meer dan ooit ben ik het oneens met hem.

dinsdag 17 januari 2017

In de ban van de binnenring

Mijn auto laat me weten dat ik de ruitenwisservloeistof dien aan te vullen. Ik weet het. Er ligt een bidon in mijn kofferbak, maar het kinderslot erop is verdomd lastig om open te krijgen, en de laatste keer dat ik het probeerde, eindigde erin dat ik per ongeluk m'n sleutels in de kofferbak achterliet en twee uur in de kou moest wachten op een vriend die reservesleutels kwam brengen vanuit Zellik. Het vuil op de voorruit valt nog mee en het is bovendien een heldere winterdag. Blue Monday, zeggen ze. Daar heb ik iets op gevonden. Ik begin namelijk pas vandaag met m'n voornemens, zodat teleurstelling haast onmogelijk is. Ik rol de parking van het werk af, en voeg me naadloos in op de druk aangezwollen R4, zowat de eerste snelweg waarvan ik als kind de naam leerde kennen. De R0, de beruchte Ring rond Brussel, las ik als kind overigens steevast als 'Ro', wat toevallig ook de naam was van een land dat ik had bedacht op de eindeloze, bijeen gefantaseerde landkaarten die ik zat te tekenen op al even eindeloze vellen printerpapier van de oude matrixprinter van m'n vader. Dan beeldde ik me in dat wat ik gefantaseerd had, ergens echt bestond, voorbij de struiken in de berm en de geluidsmuren aan de vangrails.

Ik rij niet rechtstreeks naar huis. Het eten voor huiskater Tyr is bijna op, en aangezien normaal katteneten zorgt voor problemen met zijn nieren, moet ik naar een speciaalzaak. Op de radio is er popnieuws. Naar het schijnt heeft Justin Bieber recent The Weeknd afgebrand in een interview omdat die nu zou daten met zijn ex, Selena Gomez. Waarom geven mensen hierom? Popsterren, topsporters en acteurs zijn onze Griekse goden, uitvergrotingen van menselijk kunnen en menselijk falen, een soort lingua franca waar we willens nillens allemaal aan deelnemen. Zelfs mensen die er zich op beroemen van er niets van te kennen, nemen op die manier toch positie in. Ik heb er doorgaans geen oordeel over en ook niet de energie om diep na te denken over waar de Kardashians mee bezig zijn of dat Fifth Harmony op splitten staat. Er zijn belangrijker dingen, maar daar heb ik al even weinig controle over.

Vloeiend, alsof ik niks anders gewoon ben, neem ik de afslag aan de Blaarmeersen en schuif ik geduldig aan in een mini-file tussenin de Watersportbaan en de Ringvaart. Gent is dan wel niet het Venetië van het noorden, het water is er alomtegenwoordig. De boordcomputer geeft aan dat ik me bevind op negen meter hoogte. Op zich is dat weinig bemerkenswaard, maar het doet me eraan denken dat toen ik enkele weken geleden naar Den Haag moest, diezelfde computer vertelde dat ik zat op min acht meter. Dat brengt het kunstmatige van onze westerse wereld plots heel dichtbij. Het besef dat als de mens er niet zou zijn, dat waar ik toen was, deel zou zijn van de Noordzee. Ik rij de baan op langs de Ringvaart, en meen nog een vleugje te bespeuren van de passagier die ik gisteren thuis afzette.

Het was toen een nachtrit door een Brussel waar alle tunnels waren afgesloten, nadat we de auto opgevist hadden uit een parkeergarage waar we enkel nog in binnen raakten via de toegang voor auto's. Ze zat moe en volstrekt kalm naast me, en leek niet bijzonder geschokt door het feit dat ik me bijna rechtdoor over een rond punt had geslingerd. Het was een avond geweest van diepe gesprekken, jazz en het over-en-weer van stekelige grappen die alle kanten uit schoten. Een avond die je doet beseffen hoe goed het kan zijn om tegelijk de open horizon te zien van het ideale gesprek zoals Jürgen Habermas dat aanprees, en tegelijk intiem genoeg om niet onpersoonlijk te zijn. Ik glimlach, al ben ik niet zeker of dat komt door de bespottelijke reclame die ik nu hoor op de radio, die staat op een lokale zender waar ook parfumerieën, horlogewinkels en foute discotheken hun reclamespots hebben. Reclames waarin 'Destelbergen' wordt uitgesproken op z'n Engels en er nog slogans voorkomen in rijmvorm alsof 1990 nooit is gestopt.

Intussen heb ik een parkeerplaats gevonden en ben ik al in de dierenwinkel, die altijd ruikt naar vogelstront en zaagsel. Ik denk een miljoen gedachten die ik nooit meer zal onthouden en zie een tiental klanten in de winkel die ik ook terstond zal vergeten, en zij mij, buiten het oude besje dat voor meer dan €200 producten inkoopt en daardoor de hele rij aan de kassa ophoudt. Gelukkig betaalt ze niet met cash. Daarna ga ik naar de aanpalende supermarkt, die me altijd in de war brengt, omdat het een Delhaize is die niet de lay-out heeft van andere Delhaizes waar ik al vaak ben geweest. Het melancholischere deel van mij denkt dat het misschien ook zo gaat met mensen. Je vindt dezelfde items, soms dezelfde eigenschappen, maar op een manier gesorteerd die je niet gewoon bent, en dat brengt je een beetje in de war. Ik zei het gisteren nog tegen haar, dat je met iemand nieuw altijd ergens van nul begint, ongeacht wat je ervaring is. Koekendozenwijsheid, natuurlijk. Maar je kan niet altijd de meest originele persoon in de kamer zijn.

Als ik terug buiten ben, kruis ik een man die een baard heeft en geen snor. Beseft hij dat dat anno 2017 fout is? Dat hij eruit ziet als een soort cosplayer van Ivan Sonck? Of zal hem dat worst wezen en is hij de hipste persoon die hij zelf kent? Ik sorteer keurig al m'n inkopen in de herbruikbare zak van Delhaize en ik besef dat ik honger heb en dat het donker is. Dat ik misschien later deze avond nog een tekst zal schrijven. Ook, dat ik zo rond m'n 20, jaloers was op muzikanten, voor wie de beheersing van een instrument blijkbaar genoeg was om vrouwenharten sneller te doen slaan, terwijl je daar als schrijver lekker voor lul staat met je teksten. "Dat is omdat iedereen kan schrijven," zei ze gisteren, en ze had een heel goed punt. Als iets een gemeenschappelijk gegeven wordt, valt uitmuntendheid erin niet meer op. Wie heeft bewondering voor iemand die goed kan parkeren of een kei is in een spaghetti bolognese bereiden? Maar uiteindelijk maakt me dat zo veel niet uit. Ik schrijf voornamelijk omdat ik niet anders kan. Die drang zit er al zo lang dat het vastgeklonken zit aan hoe ik mezelf zie.

In de final stretch naar huis gebeurt er weinig dat ophefmakend is, buiten een loeiende ambulance die me inhaalt. Typisch voor de Gentse binnenring, waar ik zeven jaar lang gewoond heb, in interessante en in slechte tijden. Telkens als ik passeer aan m'n oude appartement, kijk ik even naar boven, gewoon om te zien hoe het is met m'n vroegere appartementje. Ik krijg steeds de indruk dat er mensen zijn komen wonen die er goed zorg voor dragen, en dat stemt me mild. Nu echter ben ik al op de Brugsesteenweg en zit ik vrolijk mee te zingen met één of andere recente hit. Zoals ik al zei, willens nillens ken ik mijn pantheon van sterren. En de gedachte overvalt me als één of andere struikrover dat ik me gewoon ok voel. Dat alles wat nu fout loopt in de wereld - en dat is heel veel - eventjes op afstand is, dat de afwas die ik straks ga doen en de kattenbak die ik straks ga verversen met heet water en bleekwater, dat dat iets zal uitmaken, ook al is het maar voor dat miniscule eilandje dat mijn thuis is. Soms, los van grote idealen, los van epische vriendschappen en los van seks en relaties, kunnen de dingen gewoon ok zijn.

zondag 1 januari 2017

Tien jaar hoop

Ik steek een sigaret op. Niet mijn eerste van de dag, en zeker ook niet mijn laatste. De kat is nerveus omdat de meubels in het appartement verplaatst zijn. De reden daarvoor is dat er vanavond volk komt om te oudejaren. Het drukt me met de neus op de feiten dat, inderdaad, 2016 weldra voorbij zal zijn, ondanks alle jaaroverzichten die ik heb proberen te ontlopen. Wat stond er weer meer in dan een droevige roll-call van dode artiesten, terreur en de lelijke tronies van rechtse beunhazen? “Maar er is een kleine panda geboren in de zoo!” Met alle respect voor die doodlopende straat van Moeder Natuur: fuck die panda’s. Eén beer weegt toch niet op tegen de afgrijselijke beerput (pun unintended) waar de mensheid toch elk jaar weer angstvallig dicht rond aan het cirkelen is?

Vanuit de living knalt de Tijdloze van Studio Brussel uit de boxen, elk jaar goed voor een potje haatluisteren. Straks zal ik op de tonen van één of andere dode rockgod de toiletpot nog schoonmaken en de borden op tafel plaatsen. Ik ontvang graag gasten. Het leidt me af van de onvermijdelijke eindejaarsmelancholie. Nee, voor mij is het glas zelden halfvol. Het is niet dat ik het positieve niet zie of niet wil zien, maar elk jaar zie ik ook weer een parade aan gemiste kansen om het beter te doen, voor zowel de mensheid als ikzelf. Ik heb alweer een “hele wc-rol” bijeen geschreven, zoals een voormalige vriend zich ooit grappend liet ontvallen over mijn productiviteit als schrijver, alweer wat zieltjes gewonnen die mijn exploten willen lezen, maar de vooruitgang is te traag. Geduld is al niet mijn sterkste kant.

Ik tik de askegel af en kijk in de asbak, die er ronduit smerig uitziet. Zie ik er vanbinnen ook zo uit? En hoe staat het met die ziel van me? Ben ik een goed persoon? Ik kan dat moeilijk bevestigen. Tenslotte, zoals Ulrich het zegt in ‘De man zonder eigenschappen’, “Dat gelooft iedereen makkelijk over zichzelf, dat hij niets slecht zou doen, omdat hij toch een goed mens is.” En rechtvaardigingen zijn altijd snel te vinden om het geweten te sussen. Wat zou Mitt Romney hebben verteld tegen zichzelf toen hij ging eten met Donald Trump, nadat hij hem maandenlang als gevaarlijk en ongekwalificeerd had beschouwd voor het presidentschap (en nadat hij vier jaar voordien Trumps steun tijdens zijn eigen campagne met open armen had ontvangen)? De beulen van IS zijn tenminste rechtlijnig, ook al loopt hun rechte lijn dwars door alles wat humaan is.

Daarnet ben ik de traiteurmaaltijden voor deze avond gaan oppikken bij een vriendin. De straten van Gent zaten verstopt met rond tuffende bejaarden, invoegende en afslaande gezinnen in dikke gezinswagens, stilstaande bestelwagens met vier pinkers en overstekende fietsers met een doodswens. Dat ik deel was van het probleem weerhield me er niet van “kom, nog tràger, pépé,” te foeteren op de zoveelste zeventiger die even traag reed als de lijkwagen waarin hij binnen een decennium in zal liggen. Maar hoe zielig is dat eigenlijk? Op kosmische schaal zal ik hem snel in het graf volgen, en als ik ongeluk heb, misschien zelfs eerder.

Op de radio gaat de Tijdloze onverdroten door. Ik heb een milde vorm van Witzelsucht waardoor ik teksten die ik goed ken, altijd omvorm naar vieze of absurde versies. Het is goedkoop vertier voor donkere harten. “What if I said you’re not like the otters,” brul ik mee met de Foo Fighters, en ik beeld me in hoe Dave Grohl dat met veel passie brult naar zijn hond. Zo’n geweldig nummer vind ik dat eigenlijk niet, maar het staat me ook niet tegen. Is dat het zwaktebod dat we ook moeten beginnen zien als positief, dat iets ons niet actief ergert of tegenwerkt? Ik ga er even bij zitten in de zetel en de kat springt op mijn schoot. Voor hem moet het een vrij saai jaar geweest zijn. Hij is mee met me verhuisd, maar moet zich tevreden stellen met een kleiner territorium dan voorheen, en aan de vooravond van zijn tiende levensjaar is hij dikker dan ooit.

Ik aai zijn kopje en krab hem achter zijn oortjes. Hij is half ambetant van de muziek die te luid staat, maar dan moet hij zelf maar de radio stiller zetten. De verzorgingsstaat die ten huize Voloshin heerst voor Zijne Donzigheid kent ook zijn grenzen. En wat heeft hij ooit voor mij gedaan? Ach, mijn hart zou breken als zijn tijd om te gaan gekomen is. Tien jaar is langer dan de gemiddelde vriendschap in mijn leven – slechts vier vrienden gaan al langer mee dan dat. Op die tien jaar heb ik gegeten, gelezen, geschreven, gedronken en bemind. En elk jaar dat afgelegd werd, dacht ik “volgend jaar wordt eens echt mijn jaar”. Nu denk ik dat niet. Misschien dat het daarom wel zal lukken, hoop ik, tegen de hoop in. Ik heb nog altijd veel te geven, maar ik wil niet dat het vergeefs is.

woensdag 14 december 2016

Out of context

Voor hoe weinig ik er geweest ben in vergelijking met mijn thuisbasis Gent en mijn zanderige adoptiebakstenen aan de Noordzee, laat staan de verkavelde heuvels van Merelbekistan waar ik opgroeide, heb ik al buitenmatig veel geschreven over Brussel. Dat is omdat Brussel prikkelt. Indien niet goedschiks, dan wel kwaadschiks. Het is een stad met een miljoen gezichten, letterlijk. Lange stukken kil en doods beton hangen loom over de boulevards waar aan het ene eind een upscale hotelketen met kristallen belettering en snoeverige broekhoesten achter de balie arrogant uitkijkt over het verkeer, en het andere eind een soort neon anus is van telefoonwinkeltjes en vervallen voorgevels met dichtgetraliede vensters. Ik verlies er ook constant de weg. Zelfs een GPS heeft moeite met onze labyrintische hoofdstad.

Ik bevind me in een café dat er vanbinnen uitziet alsof het interieur is blijven stilstaan in de vroege jaren '90. De playlist is een afwisseling van muziek die zo had gekund in de drollige sketches van Benny Hill, over klassieke rock en dan weer een hypermodern dansnummer. Het cliënteel zijn oudere Brusselaars en hippe jonge bobo's. We spreken over de kooien waar mensen in vast zitten, steeds rondjes draaiend tot ze er gek van worden, als een metafoor voor de mensen die door ons systeem worden belaagd maar niet lijken te kunnen denken buiten die kooi. Of is dat hoogmoed? Want misschien zien wij onze tralies ook niet. In een extreem geval is dat het 'out of context'-probleem in de kennisleer, bijvoorbeeld bij een hypothetisch contact met een buitenaardse beschaving. Omdat we geen context delen, kunnen we niet komen tot communicatie. Vandaar dat het SETI-project altijd opteerde voor het weergeven van vrij makkelijk te decoderen universalia: atoomgetallen, radiofrequenties. Die zijn overal in het universum dezelfde.

Hoe ouder je wordt, hoe meer er blijft kleven aan je gemoed. Je kan je ook ontdoen van bagatellen - ik haal er de schouders bij op dat ik gewoon niet heel goed ben in de weg vinden. Vreemd genoeg komen daardoor soms dingen bovendrijven die lang vergeten leken, zoals daarnet op een pleintje, dat ik plots herkende toen ik er bij daglicht 9 jaar geleden had gestaan, twijfelend met vrienden over welk restaurant we zouden kiezen. Ik had me toen geërgerd aan de besluiteloosheid van die vrienden. Het was tenslotte maar eten. En ik vond dat we ons gedroegen als een bende futloze toeristen in onze eigen hoofdstad. Toegegeven, in die tijd was Brussel voor mij ook niet veel meer dan de Grote Markt, treinstations, het Atomium en Manneken Pis. Als ik nu aan Brussel denk, denk ik aan heel andere dingen. Zoals het Warandepark waar ik ooit een andere wereld binnengestapt leek met een bevriende dichter, om een nachtelijk optreden bij te wonen onder fantasierijke lampions. De hele omgeving had toen gebaad in een halfdronken gloed, alsof we hallucinogene pollen hadden opgenomen van de bomen en planten. Ik denk ook terug aan anekdotes uitwisselen in een merkwaardig Nederfrans met collega's van vroeger.

Ik heb het warm. Dat komt ervan, van al dat gebabbel en een glas alcohol. In principe heb ik een milde intolerantie tegenover alcohol, maar als ik volledig principieel leefde, dan zou ik een humorloze zak zijn. Het gesprek gaat over ethische keuzes maken. In hoeverre is dat eigenlijk nog mogelijk? Van individu tot individu misschien, maar in een wereld waar alles zo verbonden is dat bij alles wat je doet, een gevolg kan ontstaan dat er ergens iemand lijdt, of dat alles wat ons blij maakt, begon met iemand die ergens uitgebuit wordt, dat is een droeve gedachte. Er komt argeloos een man bij ons zitten, druk in de weer met zijn telefoon. Het gesprek staakt. Pas als hij opkijkt, merkt hij dat hij aan de verkeerde tafel is gaan zitten. Hij excuseert zich en zijn vrienden lachen hem een beetje uit. Ik denk aan straks, als ik terug naar de parkeergarage moet wandelen. Ik moet ergens een tippelzone zien te ontwijken en ik hoop dat er niets zal gebeurd zijn met m'n auto, want conform de Brusselse logica was ik niet zeker of ik op een plek stond waar ik echt wel mocht parkeren, met slechts half-aangegeven plaatsen in een configuratie die ik nooit eerder zag in een parkeergebouw.

Het is een bedrukkende dag geweest, zo'n dag die een voorsmaakje biedt van de winter die nog moet komen, met dagen waar de zon niet eens een lichtere vlek vormt achter de wolken, maar alles permanent lijkt bevangen in een Belgisch spookverdriet. Ik vertelde eerder dat ik hoopte verlichting mee te nemen deze avond, maar ik weet niet of dat gelukt is. Het zijn dagen die ook mijn eigen littekens nu en dan doen opgloeien, daar waar er ooit gepookt werd en gesneden werd. Maar al bij al leid ik alles behalve een beklagenswaardig bestaan en kan ik in vrede genieten van sfeer, muziek en conversatie. De wereld buiten de halvegare sneeuwbol die deze stad is, is andere koek - "zullen we het nooit leren?" had ik me afgevraagd, na de onvermijdelijke foto's te hebben gezien van Aleppo. In mijn geest zag ik er de foto's bij van afslachtingen in Rwanda, in Sabra en Chatilla, in Srebrenica, in Babi Yar. De menselijke wreedheid is even diep als het menselijke vermogen om te proberen om te begrijpen wat een ander voelt en wat er in andere mensen omgaat. Met alle macht klamp ik me daar aan vast als een leidraad om iets zinnigs uit te richten in de jaren die me gegeven zijn.

Even later ben ik onderweg naar de auto. Het is niet zo ver meer van middernacht en ik ben in de meeste straten alleen, buiten hier en daar een dakloze en een gast die een sigaretje bietst en me dan fluks een telefoon probeert te verkopen. De ondernemers van de nacht, wie drijft hen, wie zijn ze, waarom doen ze het? Hij merkt op dat ik eruit zie alsof ik met mijn gedachten "de loin" kwam en hij heeft gelijk. In mijn slipstroom komt mijn legioen herinneringen aan autoritten door de nachtelijke, oranjegeel belichte metropool, toen ik ooit eens een half uur lang niet voorbij de Basiliek van Koekelberg raakte omdat bijna alle straten afgesloten waren en de tunnels ook. Ik haal me ook de Kerstmarkt voor de geest, dat in glühwein gedrenkte feest voor commerçanten van de kitsch dat thans 'Winterpret' heet, of in suggestiever Frans, 'Plaisirs d'Hiver'. Vanavond is die vakkundig vermeden geweest, maar twee jaar geleden inspireerde dat boschiaanse schouwspel me nog tot een gedicht over het verpletterende veelvoud dat hier altijd aanwezig is. En ik was niet eens dronken, zoals een commentator bij het gedicht later beweerde op het internet.

Wonderbaarlijk genoeg kom ik in de garage aan zonder één omweg gemaakt te hebben. Alweer een bagatellistisch puntje verdiend. Ik verlaat Brussel even graag als ik er aankom. Thuis wacht er een waakvlam. Misschien telt dat ook een beetje als verlichting.