Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

maandag 30 december 2013

Sluitertijd

Het jaar heeft zich bijna gesloten op het moment dat ik door de venster staar van een frituur terwijl ik wacht op m'n bestelling. De Overpoortstraat is zo goed als leeg. Er zijn enkele kebabzaken open, en ook in de meeste nachtwinkels brandt er licht, maar alle cafés zijn gesloten. Het is duidelijk weer aan de hardwerkende Turken, Pakistanen en Indiërs van dit in fel kunstlicht badend stukje Gent om de lokale economie draaiende te houden. Er passeert een fietser. Buiten een kleine die door de frituur drentelt, zijn de jonge Turkse friturist en ik de enige aanwezigen in de zaak, met het gouden licht dat eigen is aan de moderne friettempel, en een tv die een melancholische pophit speelt uit Istanboel waarin een geblondeerde vrouw met bijzonder mooie benen er even in slaagt om me weg te zuigen van het venster, dat fungeert als m'n projectiescherm voor de loze gedachten die een mens heeft als hij staat te wachten op een middenpakje (waarom zeggen zo veel mensen een "middelmatig" pak alsof er ook hoogwaardige en minderwaardige frietjes te bestellen vallen?) en wat kippenbouten.

Half bewust heb ik de meeste jaaroverzichten van 2013 gemeden. Het persoonlijke jaaroverzicht heb ik al in m'n hoofd gemaakt, en de balans daarvan valt keurig positief uit. Ik vraag me af wat nieuwsredacties doen als er op 31 december nog een ophefmakend nieuwsfeit plaatsvindt, lang nadat we de voorgekauwde schotel aan sporttriomfen, dictators, filmsterren, menselijk leed en ontdekkingen in de ruimte al achter de kiezen hebben. Het zou een goede dag zijn voor geniepige criminelen of corrupte politici om hun slag in het donker te slaan. En donker, dat is het hier nu wel. De eindejaarsduisternis heeft altijd een bijzondere kwaliteit. Het leven is even op pauze gezet, de vetpijpen zijn gesmeerd en de feesttafels kloppen overuren, en ook de hemel lijkt zich dan langzaam uit te rafelen als een blauwe Picasso waar de zon een hypothese is. Het is een regenachtige duisternis die ik kan smaken. De belofte van een einde is soms mooier dan het einde zelf. Vandaar dat ik ook even kan stil zitten voor de romantiek van een vervallen voorgevel, of inhou bij een huis dat nog niet volledig gesloopt is.

De friturist is bijzonder sociaal en familiair. Hij zegt iets over een systeem dat hij ontwikkeld heeft om het overzicht van zijn bestellingen bij te houden, want "dat moet, aja", en zegt dat hij niet moe is omdat "dat niet mag, moe zijn". Het klinkt woordelijk veel triester dan hij het zegt en dan hij het waarschijnlijk bedoelt. Anno 2013 is dit ook België: frituren die gerund worden door Chinezen, Turken en Marokkanen en niemand die daar nog veel heisa rond maakt. Als het gaat over eten, kan je Belgen bezwaarlijk racistisch noemen. Italiaanse wijn kan met een lekkere couscous gedronken worden, Indonesisch gaan eten doen we met plezier, en avontuurlijker culineerders zingen de lof van Ethiopische maaltijden waar je nadien het bord mee opeet. Een stand-up comedian van laag allooi zou hier nog een grap uit kunnen puren, en ik bedenk me dat er een goede reden is waarom ik geen komiek ben. Intussen is de kleine met een zak hamburgers de frituur uit gerend, wat me alleen achterlaat met de frituurder en de tv, waar een verweesde man geïnterviewd wordt door een vrouw die wel twee meter lang lijkt.

Een combi rijdt door de straat. De sirenes loeien niet. Een vriend van me die bij de mannen en vrouwen in het blauw zit, vertelde me dat hij een wereld ziet die voor mensen als ik verborgen blijft. Tot de middenklasse behoren is dan wel niet meer zo evident in tijden waarin politici een erectie krijgen van de zoveelste knieval voor de haute finance, en over mensen die in stront zitten vooral luid roepen hoe hard ze stinken, maar het blijft een veilige zone. Tegelijk klinkt er ook een verwijt in door, want wat weet ik dan van wat er schuilgaat achter de voorgevels van de ruigere buurten van mijn thuisstad? Ik doe mijn best. Soms ga ik 's nachts op wandel door gure straatjes aan de Brugse Poort, of dwaal ik rond langs troosteloze waterkaaien, meestal met een stuk in m'n kraag om de angst op afstand te houden. In feite is dat maar het aanstellerige toerisme van iemand die op bezoek komt in een wereld die voor hangjongeren, daklozen en krabbers nog meer is dan realiteit. We hebben mooi orakelen over de verruwing van de zeden en de onbetamelijkheid van geweld als het gepleegd wordt door mannen in trieste leren jasjes als we er niet meer aan doen dan symptoombestrijding. Ten andere: ook dat is weer een luxepositie, want ik leef daar niet en ik kom nauwelijks in aanraking met de vuist van de straat.

De kleine van daarnet staat aan de auto van z'n ouders te onderhandelen over wie welke burger eerst krijgt, in het Frans. Dat doet me er aan denken dat het dat was, wat ik zo surreëel vond aan lang in Nederland zijn toen ik jong was. In België loert Frans altijd van om de hoek, als een inwonende, slordige nonkel waarvan je weet dat hij er is, ook al zit hij niet in zijn vertrouwde zetel naar tv te kijken. Aanvankelijk voelde dat in Nederland als een vreemdsoortige bevrijding: een ééntalig land waar geen rekening hoefde gehouden te worden met sprekers van andere talen buiten m'n moedertaal. Allengs werd het echter een beklemming. Nonkel Frans is misschien een moeilijke man, maar hij woont in m'n huis en verruimt m'n blik. Separatisten doen graag lacherig over Belgisch nationalisme, alsof het enkel een puntzak frieten is met een voetbal, maar elke vorm van Westers nationalisme is even onnozel. Ook wie niet gelooft in de Vlaamse suprematie, neemt al die symboliek veel te ernstig. Als we belgicisme mogen reduceren tot Manneken Pis die saxofoon speelt, wat is dan Vlaams nationalisme? Vlaamse leeuw in eigen nat en met opgetrokken kniekousen in de modder van een ondergelopen zelfbouwkelder staan? Kankeren over nepotisme maar er zelf van profiteren? Ik ben het weer te ernstig aan het nemen.

M'n bestelling is klaar en we wisselen eindejaarswensen uit op een toon alsof we elkaar al jaren kennen. Ik moet nog even naar de nachtwinkel. De wind in de straat is luw, en de weinige voorbijgangers lijken verbaasd over hun eigen aanwezigheid, alsof ze hier helemaal niet hoorden te zijn. De woest-donkere wolken kondigen mogelijk regen aan. Twee dagen geleden zag ik die wolken ook al aan zee, op de breed uitwaaierende dijken van Oostende, waar het zwart zag van het volk, en ik m'n ogen de kost gunde van het proeven van hypermoderne tavernes naast oubollige Chinese restaurants met drakenmotieven uit de jaren '70, stinkende viskramen en opgezwollen dagjesmensen met windhonden. Ook daar weer die voortdurende mix van talen. De restauranthouders aan de kust doen het natuurlijk niet uit belgicisme, hun menu's aanbieden in twee, drie of vier talen, maar omdat er centen mee te verdienen vallen, maar volledig rationeel is het allemaal niet. Anders waren er meer brave Vlamingen die de taal van Goethe zouden leren, maar tot nader order uit Berlijn haalt men er liever de neus voor op, want Duits is nog altijd vooral Hitler, bompamuziek en slechte porno met een snor.

De man van de nachtwinkel neemt gelaten mijn bestelling op. Hij is al jaren de meest gereserveerde uitbater van de atolketen van nachtwinkels in de Overpoort, wat me altijd doet vermoeden dat hij achter zijn kraaltjesgordijn een zorgvuldig afgeschermd privéleven leidt, waar hij bedachtzaam zijn shisha rookt en koelbloedig orders doortelefoneert naar zijn Indische handlangers om deze of gene koerier om het leven te brengen. Een mens mag al eens fantaseren. Met een respectvolle groet neem ik afscheid en ga ik definitief naar huis, waar me een glorievolle maaltijd opwacht met radio en literatuur. Nog steeds is het jaar bijna ten einde, tastbaar als arduin, en maken overal te lande mensen zich op om morgen vuurwerk af te schieten. Ik zal dat met berusting ondergaan, en in stilte m'n vespers opzeggen voor een leven en een land waar ik het ondanks alles toch mee kan vinden.

maandag 9 december 2013

Advent

Heidenen hadden hun rituelen om het licht terug in de wereld te krijgen, en de Kerk paste die vlotjes in in hun eigen liturgische kalender. In het diepst van de winter werden vuren aangestoken, werd het vetste kalf geslacht en zaten mensen dicht bij elkaar als remedie tegen de kou en duisternis. Vandaag hebben we elektrische verlichting, maar het heeft niets veranderd aan de existentiële duisternis die laag over ons hangt tijdens december, waar het licht zelf voor terugwijkt, en wat groot en kil is, nog groter en killer lijkt dan anders. Lang heb ik de winter gezien als mijn seizoen, omdat het ook dwingt tot introspectie en afstand, de dingen minder luid lijken en omdat ik graag wandel door verse sneeuw. Je haar en je jas vol sneeuw zijn duizend keer te verkiezen boven afgewaterd thuiskomen uit een herfststorm.

En toch. Elk jaar groei ik iets meer uit m'n oude kleren en etsen andere gewoontes zich een weg in het handelen. De winter lonkt ook altijd naar depressie, naar alleen zitten aan ijskoude bushaltes, of vanachter een sjaal toekijken hoe zich talloze komedies afspelen zonder lachband. Jelka zei me dat zelfs muziek die me blij maakt, altijd een grondlaag heeft aan tragiek. Ze had gelijk. Ik kan mezelf dan wel niet dwingen om niet een eindje te verdwalen in de geletterde nevel van emoties waar sombere strijkers de boventoon voeren, maar wat ik wel kan doen, is een warmer vuur opzoeken om bij te gaan zitten. Ik moet de heiden terug kunnen vinden die zich schuil houdt in m'n botten.

Er zijn momenten dat ik moet lachen om m'n geürbaniseerde tristesse, want wat is er nog meer bourgeois dan een schrijver met een vaste baan, een bedrijfswagen en veel vrienden, die in de gestolen uren zuchtend praat over de stille tragiek van kleine dingen en zich laat meedrijven op de baren van de eigen neuroses? Het zou wraakroepend zijn als het niet zo typisch was. Om dezelfde reden heb ik ook altijd moeten lachen om de albumtitel 'Some people have real problems' van Sia. Tenslotte is de winter, met zijn bontmantel aan melancholie en zijn lange koude vingers, ook maar iets dat voorbijgaat eens de as van de aarde zich weer gedraaid heeft.

Voor het eerst in jaren kijk ik uit naar de feestdagen. Te lang waren dat dagen van verplichting, van in te warme kamers in te stijve hemden conversatie te maken met ongeïnteresseerde familieleden, of van het moeten beluisteren van kerstmuzak en voor de zoveelste keer ergens te gourmetten. Wat paste daar anders bij dan ironische afstand? En dan zwijg ik nog over al die gulzige Oudejaarsvieringen waar, als ik me geen stuk in de bodem van mijn gezond verstand zoop, ik me op z'n minst een verloren gezwommen vis voelde tussen mensen die eigenlijk ook allemaal beseften dat ze geen idee hadden hoe ze zich moesten gedragen. Al die dingen heb ik de deur uit geveegd. De feestdagen worden leuk.

Kiezen is verliezen, gaat een volkswijsheid die de banvloek is van de en-en-generatie, maar verliezen kan een zegen zijn. Commentaren op mediasites lees ik nauwelijks nog, op Twitter hoef ik niet zo nodig de plezantste en meest ironische commentaar te posten, en sommige cafés bezoek ik niet meer. In de plaats daarvan besteed ik m'n kostbare tijd aan wat me opbouwt, niet aan wat me enkel doet rondtollen zonder richting. En we gaan vooruit, niet langer vanuit een positie van ingebeeld gebrek, maar vanuit de sterkte dat ik een dikke gelukzak ben. Laat dat dan maar mijn adventskaars zijn die ik brand tegen de duisternis.

In de les Noors lazen we ooit advies dat rechtstreeks van de oppergod Odin zou zijn overgeleverd aan zijn volk. Het ried mensen aan om te kijken voorbij materiële welstand en zich intellectueel te ontplooien, riep op tot gastvrijheid en ook tot het bewaren van vertrouwen en het matig consumeren van alcohol. Ook goede adviezen blijken dus nog niet danig veel veranderd buiten anderhalf millennium geleden. Mensen blijven mensen, en ik blijf ik. Maar de benaderingen veranderen. De winter is niet langer mijn seizoen van kaalheid en doods wit en schoonheid zo blank als de binnenmuren van een museum. De precessie heeft me een herfstman gemaakt, uitbundig en romantisch. En daarom zit ik toch met wat tristesse. Want de herfst, die is nu onvermijdelijk voorbij.

dinsdag 26 november 2013

Herfstwalkure

Het geluid van slenteren door pakken gevallen bladeren is hetzelfde als de golfslag van een ondiepe zee. Het stemt nostalgisch, zou een goedkope tekstenboer schrijven, maar in feite stemt alles nostalgisch voor mensen die vaak graafwerken uitvoeren in het geheugen, of de precieze aard proberen te achterhalen van voorbije indrukken. We grijpen vaak terug op de kindertijd, een tijd van onbekommerdheid over identiteitskaarten met chip, autoverzekeringen, een kapotte wc of agressie in het verkeer, of voor sommigen een tijd van gebrek en lange schaduwen op de muur die meestal niet goedaardig waren. Ik kijk naar m’n voeten die verborgen gaan in de bonte bladeren en slenter met genoegen verder. M’n neus heeft het koud op een aangename manier, alsof ik een briesend paard ben in een weide ’s ochtends. Ik kijk dan omhoog, naar de kalende kruinen van de bomen op hun lage heuvels, en het netwerk aan armen waarmee ze de grijze hemel doorkruisen. Er komt straks vast nog regen, zoals zo vaak. Nieuwe gedachten daaromtrent zijn er niet, alleen het nu telt, als onderdeel van de steeds terugkrullende spiralen van de tijd. Seizoenen zijn gelijkaardig, maar niet gelijk, jaarringen zijn rond maar zien er nooit hetzelfde uit. Ik trek m’n neus op en wandel verder.

De veelkleurigheid van herfstbladeren heeft al veel mensen geïnspireerd tot sentiment. Ik ben een erfvijand van sentimentaliteit. Milan Kundera had volledig gelijk toen hij schreef dat sentiment een voorbode is van totalitarisme. Het is de dood van de oprechte emotie, maar ook met oprechte emoties scoor je niet, omdat dat in principe niet de bedoeling is. Diep gevoel kan resoneren bij anderen, maar kan niet vermarkt worden, tenzij er iemand is die denkt dat een handel in dode vlinders in glazen kastjes hetzelfde is als een vlindertuin aanleggen. Misschien was dat wel een sentimentele vergelijking, denk ik, als ik even verderop een hond tegenkom die door wat losse bladeren aan het wroeten is. Hij merkt me nauwelijks op. Hij ziet er verdomde vrolijk uit, dat ook. Het doet me denken aan die anekdote over een Japanse zenmeester die ooit de vraag kreeg of honden een Boeddha-natuur hadden, waarop hij “woef” zou geantwoord hebben. Dieren zijn wat ze zijn en je zal hen niets anders wijsmaken, ook al hebben we krampachtig geprobeerd om apen te doen praten en om te ontcijferen wat dolfijnen tegen elkaar te vertellen hebben. Ik leg m’n sjaal terug goed en verberg m’n mond.

Religieuze denkers worden soms spontaan dankbaar voor het bestaan, als ze de uitbundige pracht zien van de natuur, of zoals mij nu doelloos in een herfstpark kunnen rondslenteren. Voor cynici en ploeteraars betekent die religieuze verwondering niets, maar mij zegt het wel wat. Ik heb het natuurlijk simpel, bedenkt ik me met een grimas, om dankbaar te zijn, aangezien ik toevallig terechtkwam in een wereld waarin m’n vader m’n moeder niet dagelijks een pak rammel gaf, ik niet belandde in een rolstoel en ik ook toevallig niet een huidskleur had die men onmiddellijk associeert met criminaliteit. Aan dat soort relativeren zou een mens nog dood kunnen gaan, en als Oblomov de hele dag verlamd doorbrengen door de morele verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt om tenminste iets te doen, maar ik denk dan dat de eerst stap al begint bij dankbaarheid. Dat is nog zo’n ding uit m’n jeugd. Ik raap een gave kastanje op, weeg ze en gooi ze op. Bedanken, verontschuldigen en complimenteren: drie essentiële kwaliteiten waarvan er te weinig is in deze wereld, gaf moeder me mee. Ze had gelijk. Ik mag dan wel iemand zijn die zich ergert aan lomperiken die hun nagels knippen op de trein of die midden op een drukke trap van een station stil blijven staan, maar ik zal die drie lessen nooit vergeten.

De hond en zijn baasje zijn inmiddels een andere richting uit geslagen. Ik staar hen na. De morele plicht tot kritische diepte betekent ook dat er genoeg zachtheid moet zijn. Ik ga op m’n hurken zitten. Dit, bijvoorbeeld, denk ik, deze zee aan bruin, goud, rood en groen. En ik ben dankbaar. Waar ik in het leven vooruitgekomen ben, heb ik dat vaak te danken gehad aan die ene uitgestoken hand die me een ladder op trok. Dat was als kind misschien die ene aangetrouwde oom met die enorme boekenkast waarin in vrijelijk mocht grasduinen (en later wil ik ook zo’n oom zijn), of als angstige en boze tiener was het Joeri die met zijn vanzelfsprekende vriendschap een rots vormde waar ik de fundamenten kon leggen voor de kerk van mijn definitieve persoonlijkheid. Zware woorden, maar in de kelders van mijn gedachten ben ik dan ook een zwaar man. Ik ga liggen in de bladeren en leg m’n armen keurig naast me. Daarbij denk ik ook aan Jelka en hoe ik wenste dat ze hier nu misschien naast me lag, maar dat de gedachte alleen al voedzaam is. Men zegt dat ook de Griekse redenaar Isocrates zich nog weken in leven hield met de geur van brood toen hij zichzelf doodhongerde. Het zijn van die feiten die niet te achterhalen zijn, maar wat is er aangenaam aan feiten als je een verhaal aan het bakken bent uit herfstlucht?

Er is haast geen geluid. De vogels zijn goeddeels weggetrokken, en het is nog te vroeg voor scholieren en forenzen om door het park de weg af te snijden naar huis. Soms beklaag ik dat het leven voelt als een klimmuur die ingesmeerd is met bruine zeep, en waar alles wat je kan doen, je uit alle macht vastklampen is om niet naar beneden te glijden. Maar dan is er die uitgestoken hand, zoals ik daarnet zei. Die ene persoon die het verschil kan maken. Al moet je dan de rest van de weg zelf nog afleggen, dat cruciale gebaar betekent een wereld van verschil. Ik kan alleen maar hopen dat ik zelf ook beschik over zulke handen. Wergtuigelijk til ik ze even op om ze in het onlicht van de najaarshemel gade te slaan. Ik heb stevige handen met sterke vingers, niet vlezig, noch skeletaal, niet eeltig, noch zacht. De gemiddelde mannenhand. Ze zeggen dat, door het verschil te meten tussen je ringvinger en je middelvinger, dat je kan zien hoe het staat met je testosteron en hoe groter je ringvinger is dan je middelvinger, hoe meer je een typische man zou zijn. Handlezen voor gevorderden en onzekeren, denk ik dan. Categorieën zijn vooral nuttig voor wie ze opstelt. Mijn wereld is ondeelbaar. Ik laat m’n handen zakken en sluit nog enkele tellen de ogen. Een eerste druppel water valt, en ik zucht. De adem die uitgeblazen wordt, is onachterhaalbaar, maar het is er opnieuw één van dankbaarheid. Dood door sentiment is weer even uitgesteld, en ik sta op.

woensdag 30 oktober 2013

Tuinmeubelmensen

's Ochtends beweeg ik op automatische piloot door m'n appartement alsof ik banen trek onder water in een claustrofobisch zwembad. Ik klamp me vast aan een script. Brooddoos uit de koelkast halen, in m'n pak glijden (geen das vandaag), sigaret roken. Het programma wordt verstoord door iemand anders die nog in bed ligt, en alleen al door haar aanwezigheid tegelijk mijn ontwaakproces versnelt en de slaapdronkenschap versterkt. Kon ik maar terug bij haar en in haar armen gaan liggen - of zij in de mijne, hier hoeft niet per se een punt gemaakt te worden. Nog even een kus tot afscheid. En een tweede. En waarom ook niet een derde. De kat zit al geduldig naast het bed, klaar om mijn plaats in te nemen en handig gebruik te maken van de nestwarmte die ik achterlaat.

Ik ben een boemerang in slow motion. De opgaande beweging begint met de trein, en de neergaande beweging van de dag eindigt er ook mee. Ik besef dat ik er al vaak woorden aan verspild heb, en weinig te zeggen heb over de eigenlijke werkdag, die zich tenslotte toch vijf dagen op zeven herhaalt en meer tijd inneemt dan het pendelen. Dat komt omdat er niet bijzonder veel te zeggen valt over teksten schrijven over banksoftware. M'n collega's zijn aangename mensen die niet gauw op de zenuwen werken (behalve als mijn overbuur na z'n dagelijkse fitness een halfuur doet over een enorm bord groenten en brood). Een andere reden is dat het allemaal nogal technisch is, maar laat me daar even een pauze voor inlassen, omdat ik goesting heb om de motorkap open te klappen van mijn pen.

Intussen ben ik genoeg bekend met het metier. Net als in m'n werkdagen volg ik een paradigma bij het schrijven van dit soort literaire broodjes paté. Het is meestal een s-curve als een ruggengraat: een begin om de lezer vast te houden (ontwaken en noodgedwongen een geliefde moeten laten verderslapen terwijl de kat loert), het dalen en opstijgen van redeneringen die aan elkaar geschakeld worden via metaforen en ander stilistisch ongein (hallo), om uiteindelijk als op een zweeppunt uit te komen bij de conclusie die ik wil meedelen (meestal een emotie, ijsgekoeld geserveerd). Vandaag zijn de conclusies echter uitverkocht omdat ik ook wat persoonlijke waar te slijten heb.

Ik heb geen zin te vaak terug te komen op de routineuze frustraties met de wereld en al die w-vragen die daarmee gepaard gaan, want niemand zal ze afdoende beantwoorden. Wie m'n teksten leest, staat trouwens toch al aan mijn kant, dus waarom zou ik moeite doen om godsbewijzen te leveren voor gelovigen? Toch moet me dit van het hart: ik begrijp helemaal niet hoe zo veel mensen net als ik dag in dag uit aanvaarden dat het verkeer in dit land een nachtmerrie is. Warme bedden zijn namelijk wel het verste van mijn lijf en leden als ik 's avonds in Brussel-Centraal ben. Bijna alle treinen hebben vertraging, ik moet twee keer wisselen van perron - geen geringe prestatie, aangezien Brussel-Centraal maar zes perrons telt - het is er veel te warm, het lawaai van krijsende treinremmen knalt overal van de plafonds en de pilaren, en er zijn ontzettend veel mensen die de weg blokkeren, rugzakken aan houden, te luid tegen elkaar staan te roepen of geen notie hebben van het feit dat ze een roltrap kunnen nemen in plaats van tegen het afdalende verkeer in de trap te nemen.

Je moet je dat niet aantrekken, zeggen sommige mensen. Ik verontschuldig me voor m'n lage irritatiedrempel. Maar moet ik dat in feite wel? Elke dag worden treinen afgeschaft, treinen die later zijn dan zes minuten worden niet in de statistieken opgenomen, en het debat aangaande het spoor wordt abstract gevoerd, alsof treinreizigers een lastig cijfer zijn. Voor de stevig betaalde middenpotentaatjes van de NMBS is dat allicht ook wel zo. Reizigers: vervelend. Personeel: bende zagen. Vakbonden: nooit content. Mensen met visie: naïeve dromers.

Dat laatste verwijt is een verwijt dat nog het meeste pijn doet van al. Het is de typische toevlucht voor mensen die liever de status quo niet veranderd zien. Ze beroemen zich op hun berusting. Het is altijd al zo geweest. De zaken zijn nu eenmaal zo. Het is mijn probleem niet. Je moet er zo gevoelig niet over zijn. Maar waar stonden we nu, als er geen mensen geweest waren die eens ferm tegen de stroom in wilden varen? Voor de goede verstaander heb ik het hier niet over mensen die anderen bevestigen in platte vooroordelen en zichzelf onterecht het etiket van rebel aanmeten. Dat is zo mogelijk nog ergerlijker. Er is niks gedurfd aan om vooroordelen op scherp te stellen.

Terug naar de pijn. Daar schrijven we weinig over, behalve in dagboekontboezemingen die alleen voor de schrijver ervan therapeutisch nut hebben, hoewel pijn universeel is. Ik kan toch niet de enige zijn die het benauwd krijgt van het geschraag van metalen wielen op metalen sporen? Wat het meeste pijn doet, ligt nu op m'n schoot in een opengeslagen Humo, en ik zal maar eerlijk zijn: de bijlage van de boekenbeurs. Tien relatief jonge auteurs uitgelicht, met profiel en stijlvolle foto. When do I get to sing 'My Way'? Misschien is het marketing en ben ik wel de banksoftware onder de schrijvers. Misschien ken ik te weinig Mensen Die Ertoe Doen of misschien ben ik niet marginaal genoeg. Misschien ben ik ook gewoon een prutser. Vast staat dat ik het mezelf niet makkelijk gemaakt heb door me te specialiseren in vier literaire takken waar de meeste uitgevers van knarsetanden. Ik schrijf kortverhalen, maar weinigen debuteren met bundelingen daarvan. Ik componeer poëzie, maar alleen Gerrit Komrij en Herman Van Rompuy hebben daar ooit geld mee verdiend. Ook heb ik 17 jaar gewerkt aan een vijfdelig sf-epos, in een literaire cultuur waar het veel goedkoper is om Angelsaksische schrijvers risicoloos te vertalen in plaats van een geschift risico te nemen. Tenslotte is er dit, deze gewelfde tranches de vie, die te groot bemeten zijn voor een krant of een tijdschrift, en dat tevens in een land waar de opinieerders elkaar al voor de voeten lopen.

Mag er er nog wat ergernis bij, nu ik hier toch sta in de zweetwalmen van Brussel-Centraal en ik noodgedwongen plaats moet ruimen voor een diplodocus met een aktentas die zich moet en zal langs me wurmen? Ik erger me aan wat ik Tuinmeubelmensen noem. Een onbestemd type middenklasser voor wie de hoogmis van het burgerbestaan eruit bestaat om tuinmeubelen te gaan kopen. Ik word omringd door dat soort mensen. Ze stoten me per ongeluk aan en ik zeg beleefd sorry, ze lopen elkaar voorbij in hun queeste naar wat Nietzsche het bruine geluk noemde, en als ze in m'n hoofd zouden kijken, zouden ze me allicht maar een zure intellectueel vinden. Waar haal ik het recht vandaan? Dat kan me aan m'n eeltige sluitspier roesten. Je moet je vijanden kiezen, en voor Tuinmeubelmensen zijn vijanden per definitie al iedereen die geen behagen schept in een bestaan dat afgeschermd wordt door keurig onderhouden hagen, en er een probleem mee heeft zichzelf voor te liegen. Door onszelf namelijk wijs te maken dat we allemaal gezellig middenklasse zijn, permitteren we ons aan de lopende band neerbuigendheid tegenover de onderklasse. Door onzelf voor te stellen als ruimdenkend, bubbelen de platste gemeenplaatsen eerst naar boven. Wie de goden willen verwoesten, die treffen ze eerst met tuinmeubelen, denk ik maar.

Uiteindelijk arriveer ik meer dan een uur te laat thuis, nadat ik me nog een brood gekocht heb. Als vier Daltons leg ik m'n sneeen brood naast elkaar op de plank. Het is witbrood, omdat het al was wat nog beschikbaar was in de lokale superette. Jonge Gouda en salami, avondeten van kampioenen in de amateurboosheid. De ergernis met de NMBS ebt langzaam weg, maar ik wil wel het momentum kunnen houden van de kwaadheid, in m'n hoofd inetsen dat we veel te veel accepteren als de normale gang van zaken, terwijl dat helemaal niet zou moeten. Ze trekken ons allemaal een zak over ons hoofd, denk ik, terwijl ik sta te kauwen aan m'n aanrecht.

Ik sta er ook bij stil dat ik niet bijzonder veel geluk heb gehad in het leven voor de dingen die er voor mij toe deden. Geluk op cruciale momenten, dat wel, zoals geboren worden in België of net niet omvergereden worden door een vrachtwagen toen ik een jaar of negen was. Maar nooit een pak geld dat eens uit de hemel is komen neerdalen, of een literaire hotshot die me oppikt uit de caféscène. Een bevriend dichter zei me ooit dat je je eigen circuit moet creeren, maar daar heb je ook een dagjob aan. Er is ook altijd die gemoedelijke stem die zegt dat ik niet mag klagen, want ik heb dit en dat en dit. Het is makkelijk om onthechting te prediken van dingen die je zelf niet interesseren, zeg ik, of om succes te relativeren dat je zelf al bereikt hebt. Niet dat ik het ook niet doe. Bedachtzaam kneed ik mijn ballen. De kat staat er bij en kijkt er naar.

Een dik uur later is er werkelijk een zak over m'n hoofd getrokken, in de vorm van een filmzaal, waar ik zit met Roman en twee vrienden van hem. Eén van hen is zo vriendelijk geweest op voorhand te informeren of het stoort dat ze popcorn zal eten. Het druilerige humeur van voordien, met een afdronk van onbeantwoorde vragen over waarom ik straks geen bladzijden zal zitten signeren op de Boekenbeurs en waarom alles zo verdomde traag gaat, is weg. Ik ben volop meegespoeld met de magie van de film ('Gravity'). Ik zit op het puntje van mijn stoel, voel me in het ruimtepak zitten van de acteurs. Alles klopt. De regie, de dialogen, de geluidseffecten, de cinematografie en de speciale effecten. Ik besef dat ik het voorrecht heb te kijken naar een zeldzaam magistrale film. Tijdens het kijken bekruipt me zelf geen seconde het verlangen om te roken.

Als beïnkte linten draaien de woorden uit mijn oren. Dat is wat cultuur kan doen. Ik zie er dieper van, preciezer, weet alles wat ik doe en zeg omvat door iets dat groter is dan mezelf. Terwijl ik naar huis wandel, voel ik nog altijd de terreur, de hoop en de berusting van de film. Mijn tred sleept niet langer, hij veert. Ik kan het tot het einde van m'n dagen betreuren dat m'n gevoeligheid tot gevolg heeft dat de dingen vaker pijn doen dan bij sommige anderen, maar ik zou het niet willen inwisselen voor de hoogtes waar schilderkunst, muziek, film en andere creatieve uitingen me naar kunnen opstuwen. Luister, ik wéét dat er iets scheelt aan hoe de filters in m'n hoofd werken, maar ik ben tenminste in interessant gezelschap.

Thuis wissel ik nog berichten uit met m'n lief. De linten van de mentale typmachine blijven volop draaien, volgeladen met indrukken die er uit moeten. Wat kan het me eigenlijk schelen dat ik niet met m'n kop op de achterflap van een hardcover sta? De boemerang wentelt terug richting bed. We wisselen nachtgroeten uit als digitale vogeltjes. De dingen kloppen terug allemaal. Laat de Tuinmeubelmensen maar proberen om me met m'n kritiek en gevoel af te serveren, of om te doen alsof kunst een hobby is voor mensen die het zichzelf graag moeilijk maken. Kunst is de redding. Het is troost, het is perspectief. Het is balsem en machinegeweer. Tenslotte is het daarom dat ik schrijf en zal blijven schrijven.

maandag 21 oktober 2013

Vuile vingers

Hier zit ik dan, voor een computerscherm met maar liefst negen verschillende vensters die tegelijk open staan. Muziek, drie tekstprojecten, wat werk, een rekenblad en een PDF. Internet, natuurlijk. En op m'n bureau ligt nog een gsm. Ik voel me vermoeid door het weekend dat nog aan m'n huid kleeft, en daar zal koffie niets aan veranderen. Het beeld is een grabbelton voor wie graag foetert op deze generatie, en ons ziet als lastigaards die zich niet meer kunnen concentreren en voor wie het allemaal zo hard moet gaan. Ik laat het niet aan m'n hart komen. Denken in generaties moet je sowieso al met een korrel zout doen, en bespiegelingen daaromtrent blijken bij nadere analyse ook niets meer dan slecht verpakt doemdenken.

Over nadere analyse gesproken, waarom is er daar zo weinig van? We verdrinken in een zee van opinies en mediapersoonlijkheden, drive-byjournalistiek en politiek gebalts van alfamannetjes. Di Rupo vindt het wiel opnieuw uit door institutionele logheid te prijzen als buffer voor de ergste gevolgen van de crisis, De Wever verkoopt negentiende-eeuwse ideeën over economie als "de kracht van verandering". Het passeert. Het wordt gerapporteerd.

Over rapportering gesproken, in de marge van het nieuws van de laatste tijd is gebleken dat de reactor van Fukushima maar straling blijft lekken en dat als er geen oplossing gevonden wordt, het hele noordelijk halfrond radioactief besmet kan raken. De zeesterfte is massaal. Zijn we intussen al zo halfdoodgeslagen door al die rampen en die alarmkreten dat we deze aan het missen zijn? Toen ik het las, in één van m'n negen vensters, bleef ik ook in m'n bureaustoel zitten en ging ik doodgemoedereerd nog een sigaret roken beneden. Cynisme van mijn generatie, zeker.

Over cynisme gesproken, het is blijkbaar ook weer tijd voor de jaarlijkse kermisoptocht van Foute Meningen als het over Zwarte Piet gaat. Nee, Zwarte Piet is niet zwart omdat hij door schoorstenen kruipt, want anders had hij geen kroeshaar en rode lippen. Ja, het kan dat sommige zwarte mensen geen probleem hebben met blanken in een narrenpak die een knecht spelen van een oude blanke man, maar als er veel zwarten zich aan storen, dan is het allicht racisme. Niet elke vorm van racisme zit in een paar kaplaarzen en duwt Joden in gasovens.

Over de nazi's gesproken, da's nog zoiets dat me stoort. Hitler is alomtegenwoordig. De curieuze obsessie van het Westen met een oorlog die bijna 70 jaar geleden eindigde, lijkt nooit op te houden. Hitler en trawanten zijn bijna mythische avatars van het kwaad geworden, waardoor elke vergelijking tussen hedendaagse politieke praktijken met de nazi's onmogelijk geworden is. Niet dat die vergelijkingen vaak niet onmachtig of overtrokken zijn. Maar hysterie verdient geld en aandacht, en stilte is ook al lang een vluchtoord geworden voor marketeers van de new age. Ik zou graag een ontlabeling en een deconstructie zien van al die begrippen, en niet langer voortdurend vuile vingers moeten ontdekken op concepten die nietszeggend geworden zijn.

Inderdaad, over die nietszeggendheid gesproken, wat moet ik anders doen dan nog eens m'n favoriete YouTube-playlist opzetten en zuchten als "de crisis" wordt gebruikt als het excuus voor de zoveelste maatregel die niemand helpt buiten wie de crisis hielp veroorzaken? Ik herinner me al van eind de jaren '80 dat het crisis was. Het is altijd al crisis geweest. We've always been at war with Eastasia. Het is hoe ook alles terrorisme is, de oorlog tegen drugs geen te veroveren gebied heeft en de strijd der seksen een verzinsel is van onnozelaars die best boeren bij de status quo.

Over die status quo gesproken: we komen zo langzaam tot de rondte van de cirkel, want wie zich boos maakt, moet zich ook afvragen of hij zelf geen bijdrage levert aan het probleem. Dat doe ik. Ik probeer ook m'n best te doen de dingen anders te doen, en hoef er ook geen schouderklopjes voor omdat ik het zie als m'n menselijke plicht; een plicht waar ik soms ruimschoots in te kort schiet. Je moet je slagvelden echter zorgvuldig kiezen. Je kan dat zien als een luxepositie, maar het is ook weer opnieuw een overdaad die verlammend kan werken. Iedereen trekt aan je mouw. Als mijn generatie al iets is, is ze gewoon dodelijk vermoeid.

En over die vermoeidheid gesproken, vraag ik me soms af of het dat niet is, dat we eigenlijk te moe zijn om bepaalde fundamentele vragen te stellen. Waarom bestaat bijvoorbeeld de werkweek nog? Waarom ondergaan we - met knarsetanden, dat wel - dat België absurd lange files heeft en dat de NMBS geregisseerd wordt als een aflevering van FC De Kampioenen? Waarom zijn het altijd dezelfden die buiten schot blijven? Waarom weten zij die beter moeten weten het doorgaans niet beter? Je kan blijven doorgaan tot je er aan de andere kant van de taal weer uitkomt en dat het ook allemaal weer niets wil zeggen, natuurlijk, maar het loont, zolang je de juiste graafmiddelen hebt. Onbeholpen metafoor, maar ik word dan ook niet betaald om met snor en al in een krant of tijdschrift te staan.

dinsdag 15 oktober 2013

Onder onbekenden

We staan als bedelaars voor de werkdag aan de bushalte te verkleumen, met als enige afleiding het zich op gang trekkende verkeer op de Heuvelpoort, doorschoten van hier en daar nog een late uitgaander die glazig uit z’n ogen kijkt. De dovende lichten van de cafés en clubs sterven samen met de allerlaatste dronkenlappen of elkaar overeind houdende koppels. Wij staan als moai-beelden in weer en wind te wachten op de bus. Door routine herken ik de meeste gezichten, die elk in hun eigen gedachten gezonken zitten. Dat is goed zo. Het familiaire onbekende. Geen behoefte aan gesprekken.

Het is nog donker, maar in onze ruggen rijst alweer een grijze herfstochtend op boven de hoge daken die zich als een ketting verheffen tot over de Blandijnberg en het Sint-Pietersplein, en die opkomende zon zal straks een palet onthullen aan de donkergrijze regenwolken die al eeuwenlang over Vlaanderen regeren. Talloze schilders legden die wolken vast, met onder hun vorstelijke bedekking het landschap van weilanden, moerassen, laagstammige bossen en kromruggige boeren. Ik rook een sigaret en hoest, werktuigelijk.

Als de bus aankomt, trekken we ons op gang om op te stappen. Ook de meeste passagiers herken ik al van gezicht. Er zijn de drie Russische dames met boerengezichten die onder elkaar converseren, het slanke meisje met het aristocratische gezicht en de fijne ogen, de mysterieuze hipster met zijn perfecte baard, en de vrouw van rond de veertig die steeds een hypnotiserend strakke jeans draagt. Er is ook nog de jongen aan wie ik instinctief een hekel heb: hij draagt nooit een jas, nooit een tas, nooit een rugzak, altijd merkkledij, en zit iedereen letterlijk met open mond aan te gapen. Dat doet hij elke dag. Het moet zijn dat hij niet past in mijn Vlaamse pendelschildering, dat ik geen jas dragen onwelvoeglijk vind en dat ik het niet leuk vind in m’n ochtendburcht van rook en boeken begluurd te worden.

Regen zwiept tegen de vensters en laat de niveaus van inkt die de gevels en straten nog beheersen, door elkaar lopen. Het is een zegen voor vermoeide ogen. Ik bid dat de routine niet gebroken wordt door onnodig halt houden aan irrelevante bushaltes of zich over het voetpad tuimelende haastigen. Ik staar naar mijn handen in mijn schoot en denk aan iemand die me ooit vertelde dat je alleen aan iemands handen zijn werkelijke leeftijd kan zien. Ik verbaas me er ook telkens over hoe handen van andere mensen aanvoelen. Sommige handpalmen zijn natuurlijk sterk doorlijnd en droog, anderen hebben een vanzelfsprekende zachtheid die alleen verkregen lijkt door weinig te werken, hoewel dat niet altijd waar is. M’n vingers verstrengelen zich en trommelen dan een ritme tegen elkaar, als stomme versies van door elkaar gerammelde pophits.

De bus komt op het laatste rechte stuk richting station. In de verte weer licht, deze keer de toren van het Sint-Pietersstation die het baken vormt, als een volle maan die ingekapseld is door sprookjesbaksteen. We hangen achter een tram. We strompelen allemaal weer overeind, met de verhalen die ons nog achtervolgen van gisteren in lijf en leden. Dat is ook de ochtend, immers: onsamenhangende gevoelens en halve zinnen die als ijsblokken nog niet opgelost zijn in de menselijke soep, en dat we ons net als aan de stangen van de bus vastklampen aan de broodnodige routine om niet in slow motion de zonsopgang door te komen. Het geldt alleszins voor mij.

De deuren openen zich en met de deuren ook weer de Belgische hemel waar zelfs veroveraars als de Romeinen nooit echt aan konden wennen. Er wordt gerend door vloekende zakenmannen en schreeuwende schoolmeisjes. Stap voor stap voel ik me wakkerder worden en verleent de dag me meer focus. Tijd voor nog een sigaret. De Metro in één vloeiende beweging meegraaien en hopen dat ik geen twee exemplaren vast heb of zal staan sukkelen en andere mensen zal blokkeren. De ochtendspits mag niet vast komen zitten. Wie ik nog herken van op de bus, kan ik nu op één hand tellen, maar ik hang me aan hen vast, die onbekende vrienden, als verdwaalpalen op een strand van modder en vergeelde mozaïek.

Aan het getril van de sporen boven mijn hoofd voel ik als ervaren seismograaf dat ik nog net m’n trein zal halen en dat ik dus niet hoef te rennen, ook al omdat de roltrap werkt. De laatste rook blaas ik uit m’n mond als een IJslandse geiser die zich opmaakt om weer te gaan slapen, ik reinig m’n tanden met mijn tong, recht m’n rug, til m’n hoofd een klein beetje op en kies positie om met het juiste been te landen op het perron, en dat allemaal op twee seconden. Een vlaag wind slaat over het station en doet zowel jassen als krantenpagina’s wapperen als een herfstfeest.

De trein dendert binnen en harde geluiden weerklinken van overal. Er is de bouwput achter spoor 9, met lassers en slijpers, er zijn de onverstaanbare aankondigingen die evengoed in het Slovaaks hadden kunnen zijn, en het gegil van de stationsfluiten. Daartussenin, in de loopgraven van de sporen zelf, of aan de kiezeluiteindes van de perrons, hangt nog stilte. Het stilste van al nog zijn de mensen zelf, de passagiers die zwijgen en dankbaar zijn dat de dingen deze ochtend lopen zoals ze horen te lopen, of misschien niet helemaal zo horen te lopen, maar desondanks kiezen om de dag weer te dragen zoals hij gekomen is. Op een flard donkergrijze wolk. Op rookgordijnen. Onder onbekenden.

donderdag 19 september 2013

Dagen met Davy

Aan elk verhaal gaat een verhaal vooraf. De proloog van mijn verhaal met Davy begint in december 2009. Op dat moment had ik al drie jaar een voorlopig rijbewijs, en kon ik door een gelukkig toeval vooralsnog mijn praktisch rijexamen afleggen de dag voor dat theoretische rijbewijs zou vervallen. Goden en examinatoren waren me gunstig gezind, want ik was er door bij m'n eerste poging. Al snel drong dan ook de aankoop van een auto zich op, want ik was het constante treinen en bussen naar het werk meer dan beu.

In januari 2010 kocht ik Davy aan: een zilvergrijze, vriendelijke Honda Jazz. Een kleine auto met een sportief uiterlijk, ruim vanbinnen, robuust genoeg om niet weggeblazen te worden op de autostrade, maar nooit een atleet of het soort wagen dat mensen spontaan voor uit de weg zouden gaan. Davy leek me de ultieme naam die dat weerspiegelde: willen maar niet altijd kunnen, hoge schouders opzetten maar vooral veel bluffen.

Davy kwam overal - Brussel, Antwerpen, de kust, Kortrijk, Limburg - en was tegelijk instrument en getuige van een aantal eerste ervaringen. De eerste keer dat ik de weg totaal kwijtraakte, bijvoorbeeld, in een stuk verloren dorpskern van Heule bij Kortrijk. Mijn eerste aanrijding (resultaat: permanent ingedeukte voorbumper, precies in het midden), ook. Achterwaarts reed ik bij te fel zonlicht ook een paal annex uithangbord uit de grond in Gent. De eigenaar van dat uithangbord, een oude franskiljon, besloot, om mijn verzekering te sparen, het op een Belgisch akkoordje te gooien.

Er waren ook veel momenten waar het grijze ros een cruciaal positieve rol speelde. Zijn baanvastheid redde me het leven tijdens een zwaar zomeronweer op de omineus rechte autostrade tussen Sluis en Gent, toen ik terugkeerde van een trouwfeest. Ook redde een gelukkige hoek en een stevige voorruit me het leven toen een vrachtwagen een blok hout verloor - had die door het venster gevlogen, dan had die m'n hoofd tot pulp herleid. Zijn churchilliaanse finest hour kwam nog begin dit jaar, toen ik vanuit Leuven in het holst van de nacht terug naar huis moest onder de hevigste sneeuwstorm die in jaren het land geteisterd had. Ik zal nooit vergeten wat voor aarsvernauwend minuten het waren om om twee uur 's nachts de Brusselse Ring op te glijden door het ijs, met nauwelijks zichtbaarheid dankzij een gevaarlijk slippende Poolse vrachtwagen.

Een auto betekent niet alleen mobiliteit en vrijheid, maar ook veiligheid, zoals Gary Numan wist. Als Natasha of Roman me kwamen halen van een vermoeiende reis terug uit Engeland, bijvoorbeeld, en ik zag Davy staan wachten, wist ik pas echt dat ik thuis was. Ook die talloze momenten dat ik in kon stappen na een stresserende werkdag, m'n favoriete cd kon opleggen en me schor schreeuwen in die paar kubieke meter auto, was beter dan het beste hoofdkussen of veiligheidsdeken.

Over de jaren kreeg Davy nog een aantal extra blutsen, en na een avond feestgeweld in de buurt vandaliseerde iemand ook één van zijn achteruitkijkspiegels. Zijn littekens werden steeds zichtbaarder. Hij was mobiele opslagplaats, rookkot en mismeesterd vliegtuig tegelijk. De laatste nagel in zijn doodskist was de komst van een bedrijfsauto. Toch voelden Roman, Natasha en ik nog altijd een zekere sentimentaliteit tegenover Davy, die al zo veel missies succesvol beëindigd had, gaande van dronken vrienden veilig thuisbrengen tot het verplaatsen van zware meubels. Is dat iets als je eerste lief, je eerste auto?

Roman had de dubieuze eer om Davy naar de garage te brengen en te verkopen. In mijn hoofd had het iets van een oud dier naar het slachthuis brengen. Ja, Davy had putten in zijn dak en die groene verfspatten van de notarispaal waren nooit uit de kofferdeur gegaan, maar dat maakte hem ook uniek, zorgde ervoor dat hij een eigen gezicht had. Terwijl Roman te voet terugkeerde van de garage, met slechts een nummerplaat op zak als tijdelijk aandenken, belde hij me. Hij voelde zich melancholisch. Pas toen drong het tot me door, definitief, dat ik nooit meer in die rokerige zetel zou zitten (in de nieuwe auto wordt er absoluut niet gerookt), me riskant met zijn compacte gestalte zou kunnen parkeren, noch verontwaardigd toeteren naar een Ronny die me van rechts zou inhalen.

Adieu, Davy. We zullen je niet vergeten.

vrijdag 13 september 2013

Gouden regen

Weinig mensen gaan graag naar buiten als het regent in dit grijze land, tenzij onder een paraplu of in een regen die modieus licht genoeg is voor romantische komedies. Kijken naar regen vanachter een venster, dat kan dan weer wel. Het creëert de nodige afstand tot de wereld, en wikkelt straten in ondoorzichtige dekens waardoor contouren minder scherp lijken. Ik vraag me af of holbewoners dat ook deden, aan de rand van hun grotingang gaan zitten, terwijl ze de laatste restjes bot afknuisden en zwijgend keken naar de bakken water die neer kwamen plensen over de velden, bomen en bladeren. Misschien namen ze dan ook de tijd om verder te werken aan hun grotschilderingen, of vertelden ze verhalen om te proberen begrijpen hoe hun wereld in elkaar zat.

We zijn die kunsten nog altijd niet verleerd, voor als we stil zitten en gedwongen zijn om niets te doen. We kunnen in de zetel gaan liggen en kijken hoe eindeloos al die druppels in kolonnes hun weg naar beneden vinden, en intussen fantaseren over plotse rijkdom, ons afvragen waar het ook alweer verkeerd liep met die verloren liefde en of dieren werkelijk kunnen nadenken. Ik kijk rond, naar beneden, vooruit, naar boven, met de gedurigheid van een periscoop. Alle dingen die ik zie, zijn artefacten van andere verhalen. De auto's zijn een ketting van consumerisme ("ein Volkswagen für allen"), de gebouwen dromen van een bakstenen burgerij die via andere artiesten zichzelf tentoonstelde als hoogtepunt van smaak.

In de kranten die op tafel liggen, ligt dan weer een ander verhaal besloten. Het gaat weer beter met de economie, de heilige cijfers vertonen tekenen van leven. Om de een of andere reden moeten we daar blij mee zijn. Geen enkele krant, geen enkele columnist die zich de vraag lijkt te stellen waarom dat op optimisme onthaald wordt net alsof er een welpje geboren is in Planckendael. De groeicijfers betekenen niet noodzakelijk dat er plots minder werklozen zijn. Alleen de miljonairs laten de champagnekurken knallen: er zijn nog nooit zo veel superrijken geweest in België.

Dat we blij moeten zijn als de beurs of 'de economie' het goed doen, is vooral dat we rozen moeten werpen naar de lui die buitensporige lonen, bonussen en ontslagvergoedingen incasseren zonder dat daar veel risico's aan vasthangen. Immers, zij hebben het verhaal waargemaakt dat als een wereldslang ons denken omspant: ze zijn succesvol, materieel welstellend en onafhankelijk kunnen worden, en de achterliggende gedachte is dat we dat allemaal kunnen. Als we hard genoeg werken. Als we niet op de zetel liggen en niets doen terwijl we genieten van regen die tegen vensters uiteenspat. Als we toevallig de juiste connecties hebben. Als we geluk hebben. Als we blanke mannen zijn. Als we de juiste partijkaarten bezitten en goed pakken op tv. Als we domweg de rest een rad voor ogen kunnen draaien.

Wat regen ook doet, buiten laten stilstaan, is verzachten. Het is een balsem voor een overaanbod aan geluiden en verhalen, bijvoorbeeld de talloze verhalen die over de ether en langs reclamevensters binnendringen in de leefwereld. De clou van die verhalen is meestal een variant op 'gij zult kopen'. Het is moeilijk om die afstand tot die constante impulsen werkelijk of ironisch te maken. Ook ik droom van een eigen zwembad, een kostuum op maat of een snel-snel programma dat me zou transformeren in een Griekse god. Misschien is dat het enige dat nog positief is aan mijn generatie, namelijk dat we door het stokken van die continue stroom aan propaganda, des te duidelijker het falen ervan zien.

Ik spreid mijn hand zo ver mogelijk uit tegen het venster en beeld me in dat die de regen aan de andere kant zal tegenhouden. Hoe harder systemen beginnen te sputteren, hoe schriller en evangelischer hun voorstanders beginnen te klinken. De kepi's in de Sovjetunie werden zo groot als vliegende schotels toen de jaren van stagnatie onder Brezjnev aangebroken waren, en het potsierlijke vlaggengezwaai in de Verenigde Staten is meer dan ooit een keizer zonder kleren. Nee, zelfs Reagan en Thatcher waren niet extreem genoeg voor hen: dat was het enige wat ze ooit verkeerd deden.

Iedereen is iemands antagonist, is het niet in z'n persoonlijke narratief, dan is het wel in dat van een grotere groep. Wat voor mij de zegedronken neoliberale elites zijn die high worden van hun eigen gouden pis, dat ben ik allicht voor de lakeien van diezelfde elites. Niet dat dat een oproep is tot relativisme, integendeel. We snappen allemaal wel dat een happy end niet onmiddellijk in het verschiet ligt, maar trekken andere conclusies. We zijn andere verhalen gaan bewonen, andere kolonies en andere grotten, terwijl we in feite grotendeels dezelfde problemen tegemoet gaan. We worden allemaal nat in de regen, en ze zeggen dat we er nog blij mee moeten zijn ook.

maandag 2 september 2013

De rand van gisteren

Door de rondzwervende gedachten en herinneringen voelt m'n hoofd aan alsof het niet één ding is, maar een namaakschedel waarvan verschillende stukjes nog terug moeten samengelegd worden om één coherent geheel te vormen. Ik sta aan het grote venster van m'n living en ik kijk naar de straat - een aquarium dat ik zo nu en dan voeder met asse. De wijn smaakt me niet, en ik proef nog altijd Chinese champignons op m'n tong. Beter dan de zoute pindanootjes van deze namiddag, alleszins, die ik nog niet zout genoeg vond en daarom vruchteloos met extra zout had proberen bedekken. Deze banale walgelijkheid werd ontdekt door Natasha, die me er dan ook prompt voor veroordeelde.

In m'n rug zit een druk gezelschap aan tafel, verzameld rond lege en halflege dozen van de afhaalchinees. Ik frons, de baan volgend van een lawaaibestelwagen, en ik vraag me af wie er nu nog, zondagavond laat, in de vele cafés zit die op het Heuvelpoort-kruispunt open zijn. Intussen voer ik een gesprek met een paar mensen die ook mee aan het raam zijn komen staan voor afdeling. Ik veeg de fragmenten van mijn imaginaire schedel bijeen. Er is een herinnering van de nacht voordien, van schuifelen over een plakkerige dansvloer, een herinnering aan armen vastnemen en een gegrom in donkere kamers, en ook aan gesprekken met onbekenden die nergens naartoe gingen. Het labyrint van het uitgaan. Wordt een mens daar ooit te oud voor? Alleszins wel voor de katers.

Magdalena en ik praten over geld. Zij die nooit wat tekort kwamen, weten zelden wat geld echt betekent, en zijn altijd zo snel om de rekening te maken van anderen. Ja, als ik nooit gerookt had, had ik met al dat gecombineerde geld al een vette SUV kunnen kopen voor m'n imaginaire familie, maar hoeveel niet-rokers hebben er een vette SUV, dan? Magda en ik verstaan elkaar op dat vlak. Hoe dan ook ben ik niet in de stemming om op de imaginaire pupiter te kloppen over de misverstanden in de wereld.

Al meermaals heb ik m'n liefde uitgedrukt voor de betere lulconversatie. Het is de verbale variant van kinderen die creatief een bal naar elkaar toekaatsen op het speelplein. Het hoeft niet echt over iets wezenlijk te gaan, het moet vooral gesmeerd lopen. Een element van verrassing, hier en daar, een onverwachte domme mop of een dolkstoot: het kan allemaal. Het is een zuiver taalspel dat Wittgenstein trots zou gemaakt hebben, om maar niet Shakespeares 'all the world's a stage' erbij te slepen, want ook originaliteit blijft belangrijk.

Als kind observeerde ik volwassenen graag in hun onderlinge gesprekken. Ik had al snel in de gaten welke strategieën grote mensen hanteerden. Er was een aangetrouwd familielid dat altijd traag praatte, met veel gevoel voor romantiek en retoriek. Er was ook een tante die zich specialiseerde in snedige one-liners, en er was natuurlijk de oom die compleet toondoof was voor wat er gebeurde. Voor hem waren gesprekken vooral een kans om te monologeren over zijn al dan niet ingebeelde verwezenlijkingen. Ik voel me overigens slecht op m'n gemak bij mensen die taalspelen aangrijpen om hun persoonlijke drama's tentoon te spreiden, ook al doen ze het niet opzettelijk. Dito voor wolven aan de rand van de conversatie die niet willen deelnemen aan bredere gesprekken en agressief enkel jouw aandacht blijven vasthouden. Luister, ik heb ook het boek met regels voor goede sociale interactie niet meegekregen bij m'n geboorte, maar door dat gebrek heb ik verduiveld goed m'n best leren doen om bij te benen, dus verwacht niet van mij dat ik een uur foto's zit te bekijken op je smartphone van je voettocht door de Peloponnesos.

Wat ook weer waar is: iedereen maakt zijn eigen verhaal over zichzelf. We zijn wandelende verhalen. De ene ziet zichzelf als de vervulling van een noodlot, de andere als een tragikomedie waar stukken van ontbreken. Iemands wereldbeeld zegt vaak meer over zijn zelfbeeld dan over hoe de dingen werkelijk zijn.

Ik sluit de ogen en voel via de maag, die ook op wandel lijkt te zijn door het lichaam, hoe gisteren zich in vandaag duwt als een kreukelzone van een gecrashte auto. Zo gaat het altijd met de dagen. De ene boort zich in de andere, de regenbui van de nacht laat sporen na in de natte ochtend en het hete zonlicht van vandaag zal er ook nog even over doen om zich terug te trekken uit mijn kamer. Ik koester al jaren de ijdele hoop dat het ritme van mijn dagen zich op een mooie keer eindelijk volmaakt om de contouren van week- en weekenddagen zal kunnen plooien, maar een modelburger zal ik wel nooit worden. Ik steel te graag de uren na middernacht.

Soms denk ik dat de samenleving een zwijgend complot heeft gesmeed tegen mensen als ik. Er is altijd zo veel bullshit waar je je hoort mee bezig te houden: papieren invullen, rekeningen betalen, de auto binnendoen voor groot onderhoud, formulieren en officiële stempels gaan krijgen, vertragingen verdragen van het openbaar vervoer, gedwongen tijd doorbrengen met familie en collega's of simpelweg de almacht van de media, die je langs alle kanten in je oor brullen met nieuws dat er niet toe doet.

Roman vindt me op dat vlak onverdraagzaam en te hard. Ik zeg: het is een bijzondere gevoeligheid om te weten wat er wel en wat er niet toe doet. Het is niet dat alles een explosie moet zijn van zorgeloos genot, integendeel. Het is dat de maatschappij gebouwd is op wat goed hoort te zijn voor de grootste gemene deler, en daar hoor ik niet bij. Het is niet dat ik daar trots op ben. Als tiener had ik niets liever gewild dan normaal zijn, handjes vasthouden met leuke meisjes en goed zijn in voetbal. Ik heb echter al lang aanvaard dat ik niet pas in de mal van tuinmeubelen en reality-tv.

Intussen raakt de drank op en gaan de gesprekken verder over bizarre seksuele handelingen (de Poltergeist, de Steamboat Willie, de Jelly Doughnut) of hoe verleidelijk een carrière als astroloog zou zijn. Er is geen reden tot klagen. Onzichtbaar is Natasha weer maar eens de perfecte gastvrouw en ruimt ze efficiënt de tafel af, terwijl de gasten één na één huiswaarts gaan. Roman onderhoudt me over m'n boeken die hij aan het proeflezen is, en Shinji kijkt uit naar zijn nieuwe kippen op stok zetten en verder zijn balzak te verzorgen waar hij onlangs hete thee over gegoten had. Je bedenkt zoiets niet.

In de laatste stralen warmte van het menselijke gezelschap gaat Odin de huiskater languit op de vloer liggen. Hij kijkt schalks op naar iedereen die om hem heen staat, om ze uit te dagen hem te strelen, waarna hij naargelang zal beginnen spinnen met gesloten ogen, of brutaal zal uithalen met zijn sterke voorpoten. Voor hem bestaan er maar drie soorten dingen: speelgoed, voedsel en kussentjes. Terwijl de laatsten vertrekken, maai ik door zijn pels alsof het mals gras is.

Het wordt weer stil in huis. De cd die tijdens het Chinees eten en de gesprekken nog stomende beats uit 2004 rondstuwde, is afgelopen. Alleen de lichten wachten nog om gedoofd te worden. Morgenochtend is nog zeven uur verwijderd van het moment waarop ik een laatste sigaret rook bij het venster, maar dat voel ik niet. Ik voel het nooit, tot op het moment de wekker afgaat en gisteren en vandaag in elkaar klappen. Tomorrow never comes until it's too late. De fragmenten van herinnering gaan langzaam op hun plaats liggen, en ik weet dat m'n bed op me wacht als een regeneratief bad. Geen nieuwe berichten op de gsm, niemand die me momenteel nodig heeft. Dat is goed. Ik heb alleen mezelf nodig, en zelfs daar twijfel ik regelmatig aan.

donderdag 8 augustus 2013

Anton in Dublin - dag 5

Kogel in de anus

De kortste dag breekt aan. Die dag is gereserveerd voor de National Gallery, een gratis museum. De cultuurtempel zelf is indrukwekkender dan wat hij herbergt. Het hoogtepunt van de kunstverzameling zijn enkele Caravaggio’s die me met verbluffing slaan. Er hangen ook een paar Vlaamse meesters en één van de mindere Picasso’s. Sculpturen van Ierse staatsmannen. In een ruimte waar bezoekers zelf kunnen tekenen, maak ik een clowneske demon met één nephand. Freona maakt een bescheiden karakterstudie van mijn hoofd.

Op straat is het zeer druk. Er zijn vooral jonge mensen. Lucius en ik bedenken een sexy versie van Tetris met commentaarstemmen van Isaac Hayes. Het is zeer warm, wat ook weer een mooie cirkel rond maakt en doet terugdenken aan ons vertrek uit het dampende België. Bij de St. Patrick-kathedraal liggen we loom in het gras en geven we ons over aan de nutteloze, meanderende gesprekken die horen bij een laatste reisdag.

De taxi naar de luchthaven komt er sneller dan verwacht. Ik krijg een klop van de hamer. In de luchthaven zelf is het gelukkig rustig. Het meisje achter de check-inbalie ziet er dodelijk vermoeid uit, zelfs onder haar lagen fond de teint, alsof ze al haar dodenmasker draagt voor een zwaar weekend. Ik word gefouilleerd, maar men vindt niets. Niet dat er iets te vinden valt, tenzij Miss Bucharest als weerwraak voor m’n nachtelijke gesnurk een kogel in m’n anus geduwd heeft.

De Power Rangers hebben zin in goedkoop vertier en slaan roddelboekjes en tabloids in. Natasha geeft met een exemplaar van de FHM, een Engels mannenblad dat ik vroeger graag las. Ik maak er terug kennis mee met terughoudendheid. Het is ongeveer wat ik me ervan herinner: in bepaalde mate wel seksistisch, maar ook met een bredere kijk dan men zou verwachten van zo’n machobastion. Het artikel over voetbal en types mannen op het strand doet me zelfs terwijl we opstijgen, hardop lachen.

Het vliegtuig landt en triomfantelijk trompetgeschal weerklinkt. Het heeft iets zwart: “Hoera, we leven nog!” Ook nog steeds zwart is het avondlijke Charleroi. Zonder omkijken wandelen we voorbij een frietstand, allicht bedoeld om ontheemde Belgen thuis te doen voelen en hen en passant vijf euro armer te maken, maar we hebben al genoeg (mottige) frieten gezien in Dublin.

Op de terugrit kan ik wel ademen. Ik zit namelijk aan het stuur. Als in de tien kleine visjes vallen we één voor één af. Als de koffer thuis opengaat, is er niks dat nog naar vis ruikt.

Anton in Dublin - dag 4

Liefde is... de hele dag naar zijn panfluitmuziek luisteren

Natasha en Freona reserveren de vierde dag voor shopping. Voor de ingewijden in de rituelen en de gebruiken in de shoppingwereld is dat een spannend vooruitzicht, vooral omdat blijkt dat kleren in Dublin een fors stuk goedkoper zijn dan in ye olde Gent. Tiësto, Lucius en ik zijn wat aan ons lot overgelaten. Daardoor beperken we ons tot het observeren van de shoppers in de straat en te schatten hoe hoog de Dublin Spire – een enorme naald in het centrum – precies zou reiken. Ik schat ongeveer 100 meter. Het blijkt 121 meter te zijn. Mensen zijn slecht in hoogtes inschatten van iets dat meer is dan vier meter.

De dienster in een goedkope bistro is geamuseerd door Tiësto’s bestelling van twee spuitwaters voor zichzelf. Ik neem de pizza deal. Er is een bordje frieten bij. De Indische zaakvoerder neemt alles op met een benevolente blik en een glimlach. We wisselen sterke verhalen uit over het uitgangsleven te Gent. Van zware feestjes hebben we in Dublin tot nu toe niet veel gemerkt, maar we zijn dan ook niet gekomen om te feesten, bedenk ik me.

De shoppingstraat heeft ook een zeer persistente panfluitist. Hij ziet er authentiek uit. We vragen ons af wie er in godsnaam graag luistert naar panfluitmuziek. Misschien dezelfde mensen die oprecht vrolijk worden van het kaboutervoetengestamp van Ierse folk. Naast de panfluitist staat er een vrouw cd’s te verkopen. We besluiten al gauw dat het de echtgenote van de muzikant moet zijn. Niemand anders zou de hele dag lang kunnen luisteren naar panfluit. Dat is muziek die je blijft achtervolgen tot op het toilet en tot tijdens seks.

Het shoppen van de dames strekt zich tot voorbij de middag uit. Lucius en ik geven er de brui aan en gaan terug richting hostel, wat een beproeving wordt voor ons gebrek aan oriëntatievermogen. Gelukkig is Dublin niet zo moeilijk te navigeren. Het lijkt ook niet groot. Nochtans wonen er meer dan één miljoen mensen. Misschien is het het gebrek aan hoogbouw, of dat de buitenwijken zich ver buiten het centrum uitwaaieren, zoals bij sommige andere steden op de Britse Eilanden het geval is.

We passeren een café waar uitgepakt wordt met het feit dat zich er een scène in James Joyces klassieker ‘Ulysses’ afspeelt. Het is niet de eerste verwijzing naar Joyce, maar wel de meest openlijke die ik zie. Het plan om de route van Leopold Bloom af te leggen door de stad, heb ik al lang opgeborgen. Waarom zou ik ook? Het Dublin van nu lijkt vooral een samenraapsel te zijn van architecturale beslissingen van na de tijd van Joyce en zijn hoofdpersonage. Ik zou me er ook pretentieus bij voelen.

Buiten aan het hostel maak ik kennis, via Freona, met de Britse sportmannen, die blijkbaar uit Leeds afkomstig zijn. Freona heeft hen onmiddellijk de uitdrukking ‘geil wijf’ geleerd. Hun cynische humor doet me terugdenken aan al die keren dat ik zelf in Leeds was. Ik verontschuldig me voor m’n Zuid-Engelse accent (“yeah, you do sound a bit posh mate”), maar dat vegen ze al snel van tafel door te zeggen dat ze zelf niet eens goed Engels spreken. Het inferioriteitscomplex van Noord-Engeland houdt hen niet tegen van later op de avond te proberen aanpappen met een Frans en twee Zwitserse meisjes.

Ik gebruik de tijd die ik heb gewonnen door mijn ontsnapping aan het woeste shoppen om te lezen. Er overvalt me een langzaam gevoel van melancholie als ik terugdenk aan de buurt waar we zijn, en in de verte enkele mensen die voorbijschuifelen die hier hun toekomstloze leven leiden. Dublin is geen rijke stad. Wat opgeschoond, dat wel, maar zoals men in boerenfamilies het zilver koestert dat bij patriciërs als onopmerkzaam zou gelden. Met m’n ogen volg ik de gang van een sigarettenschooiend boefje. Ik stel me voor hoe de rest van zijn leven er nog zal uitzien. Lelijk is hij niet echt, maar hij ziet er gemeen uit, met harde blauwe ogen die omrand worden door te lange zwarte wenkbrauwen. Ik zou hier niet kunnen wonen.

’s Avonds is Lucius’ gloriemoment aangebroken. Hij heeft zich verzekerd van een plaatsje op een lokale stand-up comedy-avond. Dat vindt plaats in de Temple Bar-buurt, waar tussen hipsters, toeristen en uitgaansvolk ook opvallend veel daklozen rondhangen. In het zaaltje boven de pub zit de sfeer er al onmiddellijk in. De presentator van de avond is een Noord-Ier die praat als een machinegeweer, en de ene grap na de andere het publiek in vuurt. Als buitenlanders moeten we het ook ontgelden (“I know fuck all about Belgium”), vooral als blijkt dat ik niet Natasha’s vriend ben en Tiësto ook niet. Slechts één oude man in het publiek antwoordt positief op de vraag of hij z’n lief op reis zou laten gaan met zijn broer.

Het niveau van de comedians ligt opvallend hoog. Eén man met een grappig krom gezicht doet iets over spraakgebreken en polsstokspringen, en hekelt de onnozele woede van dertigers tegenover jongeren die verkeerd een Kit Kat opeten. Een andere man treitert een Welsh koppel in het publiek (“Oh, people in Ireland love the Welsh! Even though you’ve never done anything for us. You’re not even funny”). Lucius brengt het er goed vanaf. Zijn tempo ligt laag, maar zijn timing is goed. Het publiek kan vooral zijn grappen over hemzelf smaken.

We willen nadien nog wel wat rondhangen in de buurt, maar de meeste pubs zijn dicht. Ook dat is typisch Britse Eilanden, en moeilijk om aan te wennen. ’s Nachts is Dublin mooier dan we gedacht hadden. De straten liggen er proper bij. Er hangt ook niet de dreigende sfeer die sommige grote steden in het donker kenmerkt. Incidenten zijn er niet. In het hostel zetten de mannen van Leeds hun beste beentje voor bij de Zwitsersen.

Buiten – tradities moeten in ere gehouden worden – raken Tiësto en ik nog in gesprek met een innemende Duitse uit Bremen. Ze spreekt zelfs een beetje Nederlands, en zegt dat ze “het sneeuwt” de allerschattigste zin vindt die ze kent. Tiësto en ik proeven het op onze tong en kijken elkaar aan met een lege blik. Vreemd hoe banaliteiten voor anderen exotisch zijn.

Anton in Dublin - dag 3

Een zelfvoldane hond

Voor de derde dag hebben we onder leiding van Natasha, die officieus onze dirigent en gps is, een busreisje geboekt dat ons door de Wicklow Mountains zal voeren tot in Kilkenny, en dan weer terug. Kilkenny kende ik voordien alleen maar van het biermerk. De bus, die opereert onder de naam ‘Wild Rover Tours’, wat onmiddellijk die cantushit in het geheugen brengt, blijkt vol te zitten met Duitsers. Het logo op de bus toont een zeer zelfvoldaan kijkende hond. We slapen veel.

De reisgids, een stevige vrouw met een zangerige stem, geeft tekst en uitleg bij het landschap. Ze vertelt over de Great Famine in de jaren 1840, hoe mensen uit verveling kleine muurtjes begonnen te bouwen die nog altijd overal in het landschap zichtbaar zijn, en over de massale emigratie naar Amerika. We rijden ook door het gehucht Hollywood, dat zijn naam zou verleend hebben aan het wereldberoemde mekka van de filmindustrie. Ze verhouden zich een beetje zoals beide Hobokens, denk ik.

Ik heb weinig zin in de korte voettocht rond een meer en een pittoresk kerkhof dat niet misstaan had in een set van een fantasyfilm. Ik ben er ook niet op gekleed. Mijn vuil hemd wappert in de wind en de aanslag van m’n laarzen is onnodig luid als ik alleen over het houten plankenpad langs het meer slenter. Het levert me een kritische blik op van een groep vrolijke, bolvormige wandelaars.

Kilkenny is weer wat anders. Terwijl Freona gaat shoppen, bezoeken wij een kasteel. Net zoals de vikingburcht in Dublin zelf, is het omliggende park eigenlijk mooier. Binnenin is er niet erg veel te zien, buiten enkele gereconstrueerde kamers van oude edellieden, en een hoge hal met staatsieportretten van diezelfde edellieden. Ik leg het meeste van de weg alleen af, onwillekeurig tegelijk met een meisje dat er ook alleen rondwandelt, een brunette met grote nootogen die de kleur van steenkool hebben. In een lokaal restaurantje – wat heeft Ierland ontzettend veel eetgelegenheden – laat ik me een lekkere dagsoep welgevallen. De uitbaatster heeft het koddigste accent ooit. Een hint van echt Gaelic, misschien.

De busreis terug naar Dublin wordt een martelgang. De temperatuur neemt niet alleen gestaag toe, ook heeft er iemand een tape opgezet met Ierse folkrock die onophoudelijk door de bus schalt. Buitenlanders die houden van die pseudo-Keltische folkmuziek, en zeker Vlamingen, verdenk ik er altijd van dat ze van die weeïge, conservatieve mensen zijn die verlangen naar een ingebeeld dorpsleven vol gezelligheid en sentiment. Het staat maar een trapje boven de schlagermuziek. De pastorale hymnes op de groene velden van het Smaragden Eiland persen er al onze energie uit, en we zijn dan ook blij als we terug uit de bus kunnen bij de Christchurch.

’s Avonds smokkelen we drank mee naar beneden in het ruime café van het hostel. Niemand blijkt er echt om te geven. Natasha en Freona ontmoeten de eerste andere Vlamingen die we op de reis zullen tegenkomen, en het geldt als waarschuwing dat ons regiolect, dat door de andere toeristen op orengespits of verstomming onthaald wordt, niet altijd zo onverstaanbaar is als we wel geloven. Vorsicht muss sein.

Bij het roken buiten ben ik getuige van een dronken nerd die vanuit de patio van een dakappartement tegenover het hostel hele stukken dialoog uit de ‘Lord of the Rings’ naar beneden brult. Hij krijgt weerwerk van een aantal tienermeisjes beneden. De hostelgasten staan erbij en kijken ernaar. Onder de verse lading citytrippers zijn er veel Duitsers bijgekomen, en hoor ik ook hier en daar Frans. Er is ook een ploeg sportmannen bij uit Engeland, luide kerels die elkaar voortdurend zitten de pesten.

Alsof het een traditie geworden is, sluit ik de avond af bij een buitenwipper, deze keer een man die zichzelf Tarzan noemt en uit Roemenië komt. Hij blijkt nog in Brussel gewoond te hebben, maar is er niet laaiend over. De andere reisgenoten vinden hem een onvriendelijk man. Hij kijkt gelaten toe terwijl ik aangesproken word door een rondwandelende religieuze gek, die vol hangt met kettinkjes en kruisbeeldjes. Hij zegt dat het einde nabij is. Ik denk dat het einde van zijn geestelijk welzijn al lang voorbij is. Hij heet Martin, zegt hij. Erg geïnteresseerd lijkt hij niet om me te overtuigen van zijn visie. Hij is boos, maar niet op mij persoonlijk, en schreeuwt me nog toe dat ik maar beter goed ga slapen als ik terug naar binnen ga.

Anton in Dublin - dag 2

Omdat je weggegaan bent, moeder

De tweede dag wordt onmiddellijk de meest prototypisch toeristische. De rondleiding door de brouwerij van Guinness loopt volgens het plan van een geoliede machine. Het stikt er van de Chinezen, Russen en Amerikanen. Tiësto, die zelf brouwer is, is in z’n nopjes. Intussen maak ik etnografische observaties. Amerikanen lijken altijd blij om landgenoten te ontmoeten in den vreemde. Een paar kranige tantes met lange gezichten wisselen onmiddellijk wetenswaardigheden uit over hun families als ze zich bij mij in de lift wringen die helemaal tot boven gaat. De skyline van Dublin oogt pover, bedenk ik me, terwijl we weer wegzakken in de industriële porno van de brouwerij. De Amerikaanse dames verlustigen zich in observaties over kinderen en hoe ze soms lastig kunnen zijn.

Het hoogtepunt van het brouwerijbezoek is het zelf tappen van een pint Guinness. Met het bier zelf heb ik nooit veel gehad. Ik vond het altijd te vlezig, te veel een afdronk hebben van ijzer. Eens we echter alle vijf samen keurend onze zelfgetapte Guinness zitten te drinken, wordt hij vanzelf beter. We hebben er ook een certificaat bij gekregen. Jammer genoeg liet Lucius toe dat ik zijn naam doorgaf, waardoor de naam ‘Rudi Balzak’ op z’n waardepapier prijkt. Hij kan er mee lachen. Je bent stand-up comedian of je bent het niet.

Ik ben als eerste weer buiten wegens een dringend behoefte aan verse lucht en nicotine. O tempora, o contradictiones. Ik raak er aan de praat met een Amerikaanse van middelbare leeftijd uit Chicago, maar het gesprek stokt. Daardoor steek ik uit nervositeit nog een tweede sigaret op, terwijl de binnenplaats van de brouwerij zich onder de grimmige bruine bakstenen vult met Chinese toeristen. Bij het gadeslaan van de vrolijke families in parka’s uit Beijing, Shanghai, Guangzhou of Confucius weet waar, valt me ook te binnen wat ik het vreemdste vind aan Chinezen: hun gevoel voor humor. Dat komt op mij altijd over als kinderachtig en onnozel. Misschien ligt dat aan mijn gebrek aan kennis van de Chinese cultuur, die tenslotte ook al 3.000 jaar meegaat. In 1.000 voor Christus voerden Chinese koningen en krijgsheren al complexe oorlogen met geraffineerd wapentuig terwijl mijn voorouders elkaar omgekeerd aan bomen ophingen in Germaanse moerassen.

Nog een gratuite observatie: Ieren zien er vaak vermoeid uit, alsof ze allemaal al meer dan een dag aan een stuk op zijn, of zich zorgen maken over het weer dat aan de horizon loert. Van die zorgen is echter weinig te merken als we in de namiddag eten en drinken in een pub even buiten het centrum, een authentieke Ierse pub waar constant sport op staat en oude mannen hun repertoire aan vaste moppen vertellen. In een achterkamer speelt er een muzikant. De waard bekent dat hij met Freona wil trouwen terwijl zijn dochter ons bedient. Die dochter ziet eruit alsof men, als ze haar in een laken zouden rollen, spontaan een tweede lijkwade van Turijn zou achterlaten.

Dat brengt me bij een andere gedachte. Wij, continentale Europeanen en de Belgen op kop, doen graag geschokt over hoe zwaar gemaquilleerd en kortgerokt veel Britse – en Ierse – jonge vrouwen er bij lopen. Die kritiek stoort me altijd. Laat mensen doen wat ze willen. Of het mooi is, is natuurlijk een andere vraag. Op de terugweg komen we een groepje meisjes tegen van hooguit 13 met zo veel lagen make-up dat Schliemann er Troje VIIIa in had kunnen terugvinden. Het contrast, of net het samenspel, met een muurgraffiti die de patriarchale en katholieke Ierse staat laakt, kan niet perfecter zijn.

Het begint te regenen. Enkele dagen later zal een komiek de relatie van Ieren met het weer omschrijven als die van een vrouw met haar alcoholistische echtgenoot: zelfs als er goed weer aangekondigd wordt, blijven ze achterdochtig. We laten het niet aan ons hart komen en ontdekken een indoor hipstermarkt. Het personeel is Victoriaans gekleed. Kleine subwinkeltjes bieden allerlei curieus waar aan. Ik twijfel om me vintage games aan te schaffen, puur uit nostalgie. De Sega Game Gear, een hebbeding uit m’n jeugd, lonkt. Freona twijfelt om zich een luipaardjas te kopen. Uiteindelijk kopen we niets en zitten we de regen uit in een minicinema waar zonder geluid ‘The Maltese Falcon’ speelt.

De moppen van de dag draaien om slechte titels van boeken en platen. De aanleiding is een foto van Tiësto, waar hij er bij zit als een ideale schoonzoon die net z’n eerste schlagerplaat uit heeft en dames van middelbare leeftijd welwillend toelacht. Lucius merkt op dat ‘moeder’ toevoegen aan het einde van een titel altijd werkt, evenals een titel beginnen met ‘waarom’ of ‘omdat’. Op straat word ik wonderwel vaak aangekeken door Ierse vrouwen. Het moet vast het land zijn waar me dat al het vaakst overkomen is – Amerikaanse vrouwen negeerden mij straal, bijvoorbeeld. Van onze Power Rangers word ik ook het meest onverhoeds aangesproken op straat. Philip de buitenwipper zal dat ’s avonds laat flegmatiek verklaren door te zeggen dat ik er nu eenmaal Iers uitzie.

Op het hostel trekken we naar de kamer met een voorraad drank. Miss Bucharest blijft onverstoord chatten. Een andere kamergenoot, van wie we al begonnen te vermoeden dat het een crossdressende Indiër was met een voorliefde voor fluoroze bh’s, blijkt een Russisch meisje te zijn. We drinken elk ons eigen vergif en discussiëren over de grenzen van humor en sociale vooruitgang. Voor de rest lijkt het hostel zo goed als verlaten. Dat merk ik bij de laatste sigaret, als de buitenwipper binnen gaat drinken en ik daar nog een kwartier sta, en daardoor spontaan gasten de procedure moet uitleggen om binnen te raken. Niemand van het hostel lijkt het erg te vinden dat ik voor security speel. De slaap volgt, en is kort maar verkwikkend.

Anton in Dublin - dag 1

All these moments will be lost like shit in the park

Omdat het vliegtuig richting Dublin vanuit Charleroi ‘s ochtends vroeg vertrekt, zie ik geen andere keuze dan de hele nacht opblijven. Normaal kost me dat geen enkele moeite, aangezien m’n bioritme tijdens het verlof de neiging heeft om zich op een nachtspoor te leggen. Dit blijkt echter de eerste nacht te zijn waarin ik tegen twee uur ’s nachts echter al moet vechten tegen de slaap. Ik eet een vies blikje makreelfilet, maak een sterke koffie en check nog twee keer alle bagage als bezigheidstherapie tot Natasha wakkerwordt en de andere reisgenoten arriveren: de helmboswuivende Freona, Lucius en Tiësto.

De autorit wordt alvast een beproeving voor m’n wervelkolom. Een auto voor vijf personen is nooit echt een auto voor vijf personen, zeker niet als je je op de achterbank bevindt met voor je twee lopende meter stand-up comedian als Lucius. De laatste ronde punten, geheel opgetrokken volgens het Belgisch surrealisme, dat in Charleroi de vorm aanneemt van een permanente bruine vlek, zijn de lastigste, en eens in de luchthaven zelf loop ik verloren tussen de grillige corridors aan humeurige mensen en krijsende kinderen. Luchthavens: toch wel deel van de hellecirkels van het leven van de middenklasse.

Wat wel goed is aan een luchthaven, is de smakeloosheid ervan. Dat dempt een onmiddellijke cultuurschok. Naast de zeelucht en het Gaelic is er weinig dat zou doen vermoeden dat we in Ierland zijn als we lummelend wachten op een taxi. Vanuit die taxi doet Dublin vooral denken aan Noord-Engeland, waar ik vroeger zo vaak geweest ben: rode baksteen, verwilderde voortuintjes, laag hangende opschriften voor smoezelige winkels en cafés, en iedereen rijdt er links. Er zit ook vast een grap in de letterafkorting van Ierse nummerplaten (IRL) die al een miljoen keer door toeristen gemaakt is.

Het hostel is een normale Toren van Babel van allerlei talen en nationaliteiten. Vooral Engelsen, maar ook kuddes Spanjaarden. Aan de linkervleugel prijkt een grote, smalle toren, die bij nadere inspectie vroeger een verbrandingsoven blijkt geweest te zijn. Niets aan de binnenkant van het hostel herinnert daaraan. Alles ademt er architectuur anno 2002 uit, maar omdat Natasha me toch altijd verwijt dat ik ergens in de late jaren ’90 blijven hangen ben wat smaakt betreft, stoor ik me daar niet aan. Intussen zitten we een soort ontbijt te eten. Het is tien uur ’s ochtends, maar het voelt alsof we er al een hele dag op zitten hebben.

Na een rustpauze gaan we de eerste keer het centrum van Dublin in. Onderweg, in een klein park, zien we hoe een man doodgemoedereerd een drol legt op een grasveld. Correctie: hij houdt zijn hand onder zijn aars, alsof hij later nog iets van plan is met die drol. Doorlopen, doorlopen. Aan de Liffey nemen we het stadslandschap van het centrum nauwkeuriger in ons op. De verkeerslichten maken allemaal dat vreemde geluid waarmee ‘Lethal Cut’ van de Propellerheads begint. De wolken zijn van een genadig grijs. Weinig hoogbouw. Veel eilandgezichten: wat breder dan normaal, gek uitstekende oren. Ik heb het gevoel dat we vijf Power Rangers zijn die ergens geland zijn om een monster te bevechten. Misschien duikt er nog ergens een enorme Evil Paddy op die ons zal bestoken met klavertjes vier.

Het historische centrum is niet zo groot. De geroemde vikingburcht heeft een charmant parkje, maar het gebouw zelf is niet zo spannend. We zwemmen door een grote groep Italiaanse toeristen en een snelheidsduivel in een rolstoel. Daarna is het etenstijd. Ook daar maken we een mentale nota van cultuurverschil: Lucius krijgt z’n bestelde lasagne met een automatische side dish van frieten. Die frieten zijn, zoals we vermoed hadden, Engelse chips. Karbonkels van halve patatten die één keer in het frietvet gegooid zijn, en niet echt de naam friet waardig zijn. Elke keer als ik er één in m’n mond stop, krijgt er ergens een friturist in la Belgique een hartaanval.

De dubbele opschriften in Engels en Gaelic zijn enigszins verwarrend. Ik ben wel gewoon aan tweetalige bewegwijzering, maar van Gaelic kan een mens haast niets maken. Bovendien besef ik dat het een laagje nationalistisch vernis is. Niemand die Gaelic spreekt, spreekt ook geen Engels, en het is de moedertaal van nog geen 10% van de bevolking. Een voorbijgaande gedachte zegt dat Nederlands misschien ook zo had kunnen eindigen in België indien de verfransing zich overal had doorgezet als in Brussel.

Na de maaltijd slaat de vermoeidheid volledig toe, en trekken we ons terug op het hostel voor een uitgebreide dut. Daar maken we alvast kennis met één kamergenote, wier bijnaam de rest van de reis Miss Bucharest zal blijven. Ze zal het merendeel van haar tijd daar spenderen in haar bed alsof ze in een imaginaire bunker zit, haar meelgezicht slechts belicht door het schijnsel van haar smartphone, terwijl ze heelder conversaties voert met haar lief. Niemand van ons begrijpt Roemeens, maar de cadans van de klefheid is universeel in alle culturen.

Bij de koffie beneden eist een nieuw fenomeen onze aandacht op. Een groep potige Britse vrouwen van midden de 30 draagt er een zwarte jurk en een roze lint. Hen night. Waarom een hostel als afspreekpunt? Niemand die het kan zeggen. Ze kirren en trappelen rond in hun eigen bubbel, met voorpret op de in onze verbeelding klasseloze taferelen die zich later op de avond zullen afspelen (één der dames die zal kotsen zonder onderbroek aan, een andere die een kerel binnendoet zonder tanden, en de hen zelf, die in haar Paddy-kostuum en met haar opblaasbare piemel wenend in de goot zal zitten). Tegen negen uur worden de hennen afgevoerd in een brandweerwagen, plastieken piemel en al. We zien ze nooit meer terug.

We gaan nog één keer richting centrum, naar een fish & chips-keet die het reisplan ons aangeraden heeft. Die wordt uitgebaat door een man met een sterk Slavisch accent en een meisje met koele ogen. Het worden direct zowat de enige onvriendelijke Ieren die ik op de reis zal tegenkomen, want als er al één cliché klopt over het rosse volk, is het dat ze inderdaad zeer hartelijke mensen zijn. Je voelt je onmiddellijk overal welkom. Op de terugweg zijn we nog getuige van een vechtpartij tussen twee groepen zwarte jongens. Migratievraagstukken en kansarmoede zijn universeel. Het is jammer.

De eerste avond van een extreem lange dag eindigt, zoals hij begonnen was met de drolleerder in het park, op een surreële noot. Blijkbaar organiseert het hostel een soort van minidisco omdat het zaterdag is. We voelen ons lamme toeschouwers meer dan wat anders, en zitten versteend in de zetel te grijnzen naar de door elkaar wemelende Engelsen. Een paar mannen proberen indruk te maken op de weinige aanwezige vrouwen met hun poolkunsten. Freona en ik proberen de Crystal Head-vodka uit. Niet slecht.

Bij de sigaret voor het slapengaan leren Freona en ik tevens van de strenge security aan de deuren van het hostel waarom diezelfde security er überhaupt al is. Philip, een buikige kalerd met zijn handen permanent aan zijn buik vastgelijmd, legt uit dat het ruime plein, waar nu moderne flatgebouwen en winkels prijken tegenover het hostel, vroeger een rauwe buurt was. Achter het hostel liggen nog altijd sociale woonwijken, en ’s avonds loopt er soms volk op straat dat ze in het hostel liever niet over de vloer krijgen. De komende dagen zullen we ze vaak zien voorbijparaderen: graatmagere mannen in trainings, zwervers, meisjes die al een bierbuikje hebben op hun 14, en mensgeworden meeuwen die ons om sigaretten komen vragen.

Na een laatste vodka ga ik slapen, droomloos, onder het geluid van drums beneden, en de immer chattende Miss Bucharest.

vrijdag 2 augustus 2013

Vandaag, gisteren, morgen

De zomer is aan het voorbijzwemmen aan een dement tempo. Kloegen we de voorgaande jaren dat er van echt zomeren geen sprake was en dat alles weer veel te snel verdronk in eindeloze regenbuien, dan lijkt het nu alsof hogere machten besloten hebben een buitengewoon warme zomer door onze strot te rammen. Het gevolg is een trager wandelritme, ventilatoren die overuren kloppen en zweet dat overal schijnt over te parelen, van kaas tot voorhoofden.

Het is ook rustig gesteld met de literaire productie. De workshops van de geest, die anders overuren draaien, liggen er zo goed als verlaten bij. Wat valt er te berichten over deze verlofperiode? Dat de geneugten van lang opzitten en me verliezen in de donkere stegen van het internet nog altijd communicerende vaten vormen met overdag iets productief gedaan krijgen, of dat er een langzame proliferatie is van papier en kattenhaar in m'n kamer.

Ik was m'n handen en strijk nadien door m'n snorbaard - er is geen ander woord voor - als een geroutineerde Poolse truckchauffeur. De koelte van het water, waar verdacht weinig druk op zit, doet deugd. In de spiegel staart iemand me aan die overdenkt dat 2013 alweer voor meer dan de helft voorbij is. Ik had nauwelijks voornemens aan het begin van het jaar, en dat was een goede zaak. Op de achtergrond ligt m'n kat languit op de vloer van de hal, geveld door de intense warmte. Een pels hebben is niet erg praktisch in de zomer.

Naast het verdwijnen van de dwang aan voornemens en het realistischer worden van ambities, is een ander voordeel aan ouder worden dat je er geen fuck meer om geeft van mensen over je denken. Sommigen onder ons worden met die eigenschap geboren, maar het is alleszins niet iets dat in de Vlaamse volksaard zit. "Wat gaan de mensen wel niet zeggen?" Ik denk aan de gezelligaard op Tomorrowland die z'n middelvinger naar me opstak omdat ik twee keer na elkaar oogcontact gehad had met zijn vriendin. Wat gaan de mensen anders niet denken? Dat hij niet voldoende een soort alfagorilla is? Zij liever dan ik.

Als wijdbeense veroveraar, slechts gehuld in een boxer, besluit ik nog wat te lezen. Lectuur van het moment is ''t Bolleken' van Cyriel Buysse. Het overvloedige Frans dat er in voorkomt doet me denken aan zijn vriendschap met Emile Verhaeren. Verhaeren, een Franstalige Vlaming, kon alleen Buysses werk lezen in Franse vertaling. We zijn zo ver nog niet, maar de dag kan gerust komen dat er een nieuwe generatie Vlamingen opstaat die zo goed als Engelstalig is. Ik zie het steeds vaker om me heen. Conversaties die doorspekt worden met heelder zinnen Engels, mensen die geen affiniteit meer hebben met de Vlaamse cultuur, en steeds minder naarmate Vlaanderen voorbij de horizon verdwijnt van bloedworst en bloemkool.

Het dialect dat Buysse in zijn dialogen hanteert, doet sterk denken aan de moerassige taal waarin ik grootgebracht ben. Het roept herinneringen op aan grootouders en kermisvolk. Ik vouw het boekje even op m'n borst en steek een sigaret op. Misschien is het daarom, denk ik, dat ik zo hou van sciencefiction en andere literatuur waar verbeelding een centrale rol speelt: in m'n eigen taal is er alleen de verbeelding van tenenknippers in het koren en andere mensen vreselijke ziektes toewensen.

Heel ons leven lang proberen we te ontsnappen aan de gevangenis van onze jeugd. Het lukt ons toch nooit. Dat maakt deze zomer ten overvloede duidelijk, alsof er net een stapelwolk van warmte, doordrongen van melancholie, geland is in de straten van de stad. Ik zal me altijd een boerenlul voelen als ik ergens in een viersterrenhotel ben of rondjes rij in een mooie auto. De enige geslaagde ontsnappingspoging is wetenschappelijke afstand, toen ik bijvoorbeeld een eigen schrift ontwikkelde voor het dialect van de triepenvreters waarbij ik opgroeide.

Als kind wenste ik regelmatig dat ik een buitenaards wezen was op geheime missie om de mensheid te observeren. Ik vraag me af wat die alien nu in zijn rapport zou schrijven. Het zou weinig verheffend zijn. Buysse is intussen terzijde gelegd. Ik heb me neergeknield bij m'n kater, die zich laat welgevallen dat ik zijn buik streel. Binnenkort zal hij me vier dagen moeten missen, want ik ga naar de stad van James Joyce om me te vergapen aan vislucht en rosse mensen. Ook dat is een bourgeoisontsnapping, maar m'n spiegelbeeld is niet overtuigd: de enige bagage die je altijd en overal meeneemt, zijn de linten en de kettingen die zich met haken en knopen vastgemaakt hebben aan een ingebeeld verleden.

maandag 22 juli 2013

Het zijn de zotten die hier koning zijn

Nadat ik mijn auto achtergelaten had in de momenteel nog doodse Machariuswijk, ging ik te voet naar het centrum van Gent onder een brandende namiddagzon. Voor de gelegenheid was m'n melkblanke zelf slechts gehuld in een lijveke en een pas verknipte jeans die verdachte gaten vertoonde rond de liesstreek. Ik had besloten de Gentse Feesten van 2013 zo veel als ik kon te mijden, omdat het een herhaling was geworden van hetzelfde ritueel, al sinds 2006: overdag drank stockeren, afspreken na zonsondergang met enkele welwillenden, en dan steevast eindigen in het Baudelopark in het vertrapte gras, dronken of anderszins onnozel en gesprekken zonder betekenis aanknopen met wildvreemden. Buiten een paar vage foto's en een gefaalde koppelpoging leverde het me nooit wat op, en bovendien was er de laatste jaren over de Feesten ook een sentiment neergedaald van latent liefdesverdriet. De zomer, zo had ik al jaren het gevoel, was eigenlijk iets voor andere mensen.

Maar nu was ik dus toch onderweg naar het epicentrum van de Feesten, en wel omdat ik zou optreden bij 'Dichters in 't raam', waar ik ook het jaar voordien van de partij was. Tegen optredens zeg ik nooit nee tenzij ik andere verplichtingen heb. Voorbij de lome schaduwen van het brutalistische Belgacom-gebouw sloeg de hete waanzin van de Feesten me vlak in het gezicht. Uit één café klonk een dolgedraaide Italiaanse ballade terwijl ik vanop het trottoir gekeurd werd door twee vrouwen van middelbare leeftijd en een oudere homo, terwijl een wilde kleuter bij een opgeblazen brasserie met een speelgoedpaard zijn stoeltje aan stukken trachtte te meppen. Groepen jongeren, ouderen en bruineren waaierden uit over de gehele straat. Vanop de Vlasmarkt pompten de beats me reeds tegemoet, de dappere inspanningen van een trio rockers met corpse paint niettegenstaande.

De Vlasmarkt zat vol, maar niet afgeladen. De hitte had de professionele dronkaards weggejaagd. Intussen moest ik m'n zonnebril af en toe terug naar boven schuiven omwille van het zweet dat uit m'n (net geknipte) haar liep. Overal waren er mooie mensen te bespeuren. Eigenaardig gevormde mensen ook. Mannen met korte dunne benen en een gigantische bierton, of vrouwen met een sensueel lichaam maar een gezicht dat er 20 jaar ouder uit zag. Aan een fruitstand probeerde iemand in de taal van Pierke Pierlala een verkoopster te imponeren. Ik zwom door al die dingen met de schoolslag van een ervaren warmteduiker.

Eens aangekomen bij Lottes Leescafé leegde ik een Duvel op wat een recordtempo moest zijn, terwijl ik m'n ogen uitwreef van het zweet en m'n materiaal (wat vellen papier, een fototoestel en een boek voor het geval dat, want als schrijver betrapt worden zonder boek is een doodzonde) op de bovenkamer afzette. Poëzie-evenementen, als ze al volk lokken, lokken niet zelden vreemde vogels. Om te beginnen zijn veel dichters zelf sociaal onaangepaste individuen, soms met een overschot aan weemoed of gevoelens die ze nergens kwijt kunnen en ergens in de weg zitten tussen henzelf en de rest van de wereld, soms ook met een elefantesk ego dat een triest protest lijkt tegen een wereld die onverschillig is voor poëzie, en dat vooral ziet als een hobby voor wufte marginalen en dronkaards. Er is iets van.

Voordat het evenement goed en wel van start kon gaan en ik schipperde tuseen twee Venijnige Broeders en bevriend volk dat was opgedaagd om me aan het werk te zien, was het eerste slachtoffer van de avond al gevallen: een technicus had in z'n vinger gesneden en werd terstond met een ambulance naar de spoedafdeling afgevoerd. De dichters en het aanwezige publiek overschouwden het met milde berusting. Overal op het trottoir lagen dikke spatten bloed. Het voegde een onbedoeld element toe aan de live-action painting die voor het Leescafé gaande was.

Godfather Frank, de organisator van 'Dichters in 't raam', was gerust op een goede afloop en regelde links en rechts overal zaakjes met baardige mannen en bleek dichtvolk. Intussen was de eerste dichter al aangetreden, een Nederlander die recht uit 1975 gekomen was en een carpet bombing van monosyllaben dropte op het aanwezige publiek. Hij was zo luid en expressionistisch (m'n kop eraf dat hij het niet als ekspresijonisties zou schrijven) dat op een zeker moment de Gentse flikken een kijkje kwamen nemen of hij niet op de lijst voorkwam van Gekende Zotten. Ze lieten hem begaan. Mijn vrienden en ik zagen het aan met ironie.

Na twintig minuten werd ik naar boven gesommeerd. Terwijl een andere dichter bedaard uit eigen werk voorlas en welwillend glimlachte naar het publiek beneden, joeg ik linten tekst door m'n hoofd. Ooit, als ik meer tijd heb, zat ik te denken, leer ik m'n gedichten uit m'n hoofd, want ik vind het rotvervelend om van een vel papier af te lezen. Ik denk altijd dat m'n ogen scheel draaien als ik van dat blad opkijk naar de konijnenspots van de zon of het publiek. Ik had 11 gedichten meegenomen en zou er 6 lezen.

Uiteindelijk verscheen ik voor het venster na een sympathieke introductie door Frank, een kei in het omgaan met de gedeukte zielen in de onderwereld van de Gentse dichterij. Je voelt dat. Ik ploegde door m'n pagina's. Tussen de gedichten door liet ik weinig pauze, wat het publiek weinig te applaudisseren gaf, maar voor het applaus deed ik het ook niet. Waarom ook? Een dichter is geen rockster en één goed gedicht schrijft zelfs de mottigste dichter ook wel eens per ongeluk. In m'n selectie zat ook een verkapte haatliefdesbrief aan de NMBS. Noblesse oblige (obliesje, zou de Nederlander uit '75 gezegd hebben) op nationale feestdag.

Vanuit m'n venster kon ik hier en daar de tricolores zien wapperen in de avondoven van de straten. Gent, bolwerk van dwars belgicisme. Het was geen toeval dat zowel premier Di Rupo als de uitzwaaiende Albert II Gent kozen om te bezoeken als respectievelijk eerste en laatste Vlaamse stad. Ik braakte intussen Engels en Frans uit en reeg de woorden aan elkaar. Achter mij hoorde ik af en toe een zucht van een andere dichter die in de coulissen zat, of gegrinnik om een trouvaille die zijn goedkeuring kon wegdragen. Rond de tien minuten klokte ik af. Bescheiden applaus was m'n deel. Godfather Frank en ik bedankten ons wederzijds, en m'n posse had honger. Het was sympathiek dat ze afgezakt waren.

Vier uur later lag ik op m'n rug in het gras in de buurt van de Portus Ganda als een lamme goedzak te kijken naar vuurwerk dat begeleid werd door breakbeats en hip gezang. Ik dacht aan het gevaar dat Gent erop afstevende langzaam een zelfgenoegzame stad te worden van hippe designbobo's, maar aan de andere kant, dat was nog altijd een beter alternatief dan het Antwerpen van De Wever en zijn kortebroeknationalisten. Daardoor moest ik ook denken aan Filip die de eed vandaag afgelegd had als zevende koning der Belgen. Het meest tekenende daaraan was zijn glimlachje nadien: "zie je wel, ik kan dit". Zijn vader stond aan de zijlijn "vive le roi" te roepen, alsof kleine Filip onstuimig een beslissende pass of tackle had geplaatst op het voetbalveld van FC Young Boys Laken.

Er waren weinig knopen in m'n gedachten. Er zaten tortilla's in m'n maag die ik opgegeten had met de bravoure van een ongemanierde zesjarige, maar dat liet ik niet aan m'n hart komen. Een vriend had fijntjes opgemerkt dat Oost-Vlaamse dialecten verdacht veel woorden hebben voor "niet kunnen eten", en hij had gelijk. Flitsende bloemen en bommen knalden door de lucht. Gillende keukenmeiden. Splinters van rood en groen. Ik dacht aan de sterren die achter dat geweld nauwelijks zichtbaar waren en slurpte van een plastic beker met vodka. Het weekend passeerde de revue. Voor de werkenden onder ons was het een absurd idee dat er morgen iets bestond als opstaan en achter een bureau gaan zitten.

En kijk: met ferm in het achterhoofd dat ik me zo weinig mogelijk ging aantrekken van les Fêtes Gantoises en dat dit niet de zoveelste zomer moest worden van dwaze verwachtingen, werd deze oefening in nietsdoen een bescheiden hoogtepunt in tevredenheid. Ik liet m'n hoofd leunen op m'n intussen verbrande armen, en terwijl het slotboeket de massa in vervoering bracht, en mogelijk enkele oorlogsveteranen PTSD-flashbacks, werd de vrede totaal.

Die stemming hield aan in de autorit naar huis, waarbij ik moest laveren tussen fietsers, voetgangers en andere auto's vol gezinnen die terugkeerden van het vuurwerk. En wat zag iedereen er mooi uit. Ritueel switchte ik tussen kanalen op de radio, die allemaal schadeloze muziek speelden. Geen nieuws. Ik dacht weer terug aan dat monkellachje van Filip, eindelijk koning. Wat mij betrof mocht er morgen een republiek geïnstalleerd worden, maar ik gunde hem zijn moment in het spotlicht. Ik wist dat thuis nog één blik cola en een lege asbak op me wachtten, en de noodzakelijke voorbereiding voor een nieuwe gruwelmaandag van openbaar vervoer en zweethitte, maar ik dreef die gedachten voor me uit, net zoals de nakende slaap niets meer was dan een theoretisch concept.

maandag 24 juni 2013

Maanrivier

Het heeft alles in zich om een lelijke zomer te worden. Het geeft experts in het koetjes- en kalfjesgesprek wel weer een uitgebreide voorraad munitie om de dag mee door te komen, dus dat we weinig zachte zomeravonden zullen hebben met klatergepraat en wijn, is misschien het einde van de wereld niet. Intussen draait het reuzenrad van emoties door, van de ijl makende hoogtes tot de mistige dieptes. Je moet meer adjectieven schrappen, zegt de fantoomredacteur die over m’n schouder meeleest. Je moet vooral je bek houden, zeg ik terug.

Ik ben in Brussel en neem opzettelijk niet de metro die ik normaal moet nemen, en wandel tot aan het volgende metrostation bij het Jubelpark. Brussel, stad van eters, heb ik ooit ergens gezegd, en het is waar. Met het aandikken van de tijd en al haar eenheden heb ik mezelf erop betrapt dat ik indrukken steeds minder opdrink. Is het dat de honger voorbij is? Of is het net dat ik de dingen onverdraaglijk scherp zie. Bijvoorbeeld: op de trein zat deze ochtend een dikke vrouw tegenover me, en die haalde een reep chocolade boven.

Los van het feit dat ik me gegijzeld voel door andermans eetgeluiden, besefte ik ook dat die vrouw weinig goeds kon doen in de ogen van anderen. Een dikke mens die iets gezond eet, daar zit iedereen met genoegen van te denken “ha, eindelijk op dieet!” en als die persoon zit te snoepen, dan heerst de verontwaardiging. Dik zijn, het moet niet bepaald prettig zijn. Maar bekijk het zo: binnen twintig jaar word ik misschien ingehaald door een gruwelijke vorm van kanker, en daar sta ik dan met m’n normale confectiematen.

Al te vaak probeer ik er mezelf van te overtuigen dat ik bepaalde zinnen of slierten woorden moet onthouden, omdat ik geloof dat ze iets zullen zeggen over de condition humaine of op z’n minst amusement zullen bezorgen aan wie ze lezen, maar tegen dat ik ze vergeet ga ik er eigenlijk van uit dat die woorden wel zo geweldig niet zullen geweest zijn. Ook dat hoort bij het minderen aan honger. Er valt minder te bewijzen. Niet dat ik de geweldenaars, brulkikkers en idioten van deze wereld niet graag nog eens een paar klappen zou verkopen, maar het hoeft niet zo nodig.

De fontein sproeit grijs water naar boven in een grijze lucht. Auto’s slingeren over de betonnen ringen van Saturnus, in en uit het groezelige tunnelnetwerk onder Brussel. Ook dat is België. Het wordt tijd dat het verlof is. Je ziet het aan de uitgelaten, gespannen scholieren die net nog wachten op hun resultaten, of de laatste troepen studenten die nog knarsetandend examens moeten afleggen over materie die ze binnen tien jaar niet meer zullen kennen. Het reuzenrad zal zijn revoluties blijven afleggen.

Misschien is het zo, denk ik bij het oversteken en het handopsteken naar een vriendelijke loodgieter die voor me gestopt is, dat ik vergeten ben dat ik honger heb en het daarom niet meer voel. Het is makkelijker om verlangens met stilzwijgen te begroeten dan om er door verteerd te worden (graag ‘Slechte metaforen in het werk van Anton Voloshin voor €5000, Luc!’). Beter om te denken dat het wel gaat zo, in m’n fijn gelegen appartement en m’n leuke vrienden, dan dat ik m’n tong op bankbiljetten vol cocaïne wil leggen en intussen met een geverfde dame TS Eliot wil deconstrueren in een jacuzzi.

Honger is een holle wachtkamer. Je merkt het ook aan die verguisde hangjongeren, rondlummelend op perrons, met weinig beters te doen dan dreigende blikken te schieten naar wat hen niet aanstaat. Wat als die energie in iets positief kon omgezet worden? Wat als ze hier in BXL die idiote 19 gemeenten zouden afschaffen? Wat als men niet meer aan allerlei goedbedoelend manvolk moest uitleggen waarom geweld tegen vrouwen ook hun probleem is? Dan leidde ik allicht het bestaan van een blij varken in een modderpoel. Het enige wat dat varken-zijn momenteel benadert, zijn m’n stampende laarzen over de trappen van Montgomery.

Terwijl het natte halfdonker van de metro zich over me heen buigt, probeer ik me voor te stellen dat de metrosporen veranderd zouden zijn in een wildwaterrivier. Dan kwam ik misschien een sympathieke slang tegen die me zoals het egeltje in ‘Jozjik v toemanje’ zou meevoeren tot bij m’n vriend de beer. Of naar het Wonderland van Alice, dat mag ook. Alle fictie is één groot boek verspreid over miljoenen ruggen.

Caligula zou ooit gezegd hebben: had het volk maar één nek. Ik denk: hadden we maar één bibliotheek, een rondwentelend gevaarte waarin alles wat men ooit neerschreef, bewaard was gebleven. Ze zouden me er van de kaften moeten wegsleuren als een halve gare fetisjist. De metro komt er aan gepiept. Ik ga me vanavond eieren bakken en ondertussen zal ik een boek lezen. Het duurt nog even tegen dat het reuzenrad weer begint aan z’n tocht naar boven, en het duurt nog even tegen dat ik zal dansen van de honger. Hopelijk zal ik nog op tijd zijn voor de hoofdschotel.