Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

maandag 16 november 2015

Van de rails

De werkdag is voorbij. Ik wacht op de tram. Over het Ledebergplein hangt er een mistroostige herfstduisternis. Er is wel nog veel volk op de been. Cafés en restaurants, het ene al wat smoezeliger dan het andere, adverteren zichzelf in neon. Boven alles torent de grote kerk van Ledeberg uit, een bakstenen gevaarte dat in zijn tijd misschien als modern gold. Nu is het een wezenloos ding, doods en onaantrekkelijk. Ledeberg heeft zijn reputatie niet mee. Gentenaars spreken soms spottend over de Ledebronx, een curieuze mix van oude en jonge marginalen die al van generatie op generatie meegaan, aangevuld door heel wat kleur. Uit Turkije, uit Oost-Europa, uit het hart van Afrika. Zouden er in Gent terreurcellen kunnen ontkiemen? Natuurlijk dat ik daar aan denk sinds de terreuraanslagen in Parijs. De schrik zit erin en samen daarmee mijn vrees dat deze tragedie nog maar eens een boksbal gaat worden voor stoere rechtse praat. Ik denk eigenlijk niet dat de vluchtelingencrisis, Daesh of terreur in Europa veel mensen die niet racistisch zijn, plots racisten gemaakt heeft. Het is gewoon dat racisten het gevoel krijgen dat ze steeds openlijker hun racisme mogen belijden.

De tram komt eraan. Er zitten niet veel passagiers op, maar ook hier weer de stedelijke diversiteit duidelijk zichtbaar. Ik vraag me af hoe mijn medepassagiers zich voelen. Denkt die moslima daar nu dat ik denk dat ze sympathiseert met de grotesquerie van Daesh? Ik las via Twitter een hartverscheurend verhaal over een Arabische taxichauffer in New York die de dag na de aanslag in Parijs meer dan twee uur moest wachten voor er een klant zijn taxi in durfde stappen. De man huilde onderweg van machteloosheid en verdriet en zei dat wat de monsters van Daesh doen, in niets lijkt op waar hij in gelooft. Ik heb ook vele goede opinies gelezen, de laatste dagen, terwijl de mijne zich nog helemaal moet vormen. Ik heb het niet zo voor de driftige, snelle reactie.

Het ergert me dat ik de laatste jaren de oren sneller spits als ik een paar hangjongeren in training zie in een slecht verlichte straat. Dat is wat de jarenlange indoctrinatie gedaan heeft van media die niet-aflatend Noord-Afrikanen en Turken in verband hebben gebracht met criminaliteit, asociaal gedrag en terrorisme. Het sijpelt erin, willen of niet. Hoe kan het ook anders, met een tram in Ledeberg waar mensen van allerlei achtergronden op zitten, maar met een eindeloze zee aan witte gezichten in de media? Sommige instanties doen hun best, het is waar, maar genoeg om op te tornen tegen de kanker van het brute wij-zijdenken? Het duurde nog geen dag of enkele complotdenkers schoven de schuld van de aanslagen in de schoenen van een ingebeeld amalgaam aan linkse bewegingen. Vanop een afstand is het bijna wonderbaarlijk hoe die mensen zo kunnen denken - feiten en nuance zullen hen worst wezen. De gore praat die vroeger beperkt bleef tot dronken gefluister aan de stamtoog, stroomt nu over het trottoir naar buiten en vindt veel te weinig weerstand.

Aan de Zuid stappen meer passagiers op. Een blonde Lijn-medewerkster slaat een vrolijk praatje met de chauffeur, een jonge Turkse man. Ik heb allicht relatief geluk van in Gent te wonen, waar de situatie niet zo is opgeklopt tot proporties als in Antwerpen, waar de homo hystericus aan de macht is en waar een kind mag omgelegd worden met wapentuig van de FN. Wapentuig, nota bene, dat ook zijn weg vindt naar Daesh. De aandelen van wapenfabrikanten gingen fors de hoogte in na het Parijse bloedbad. Maar het zal wel beteren, ooit. Er zal wel ooit een oplossing komen voor al die problemen. Dat wil ik erg graag geloven, maar optimistisch ben ik niet. Afghanistan is al bijna 40 jaar een puinhoop. De situatie in het Midden-Oosten is erger dan 15 jaar geleden, toen het er ook al geen pretje was om er te wonen. Wat als conflicten zich blijven uitbreiden? Wat als niemand de zotten hier een halt toeroept, en de foorapen van het Pegida van vandaag de bruinhemden leveren van morgen?

Men denkt dan dat dat zelf een hysterische angstfantasie van me is, allicht. Hoe zou dit nu kunnen, hier? Terwijl de tram voortkabbelt langs gerestaureerde voorgevels, eetgelegenheden, standbeelden en pleinen, gezellig warm, lijkt het idee van pogroms en etnische zuivering een absurditeit. Maar wat als de opeenvolgende militaire antwoorden van het Westen blijven mislukken en meer terreur blijven genereren? Wat als dat onze eigen ergste volksgenoten zich nog meer macht laat toeëigenen, nog meer de bakens verschuiven om een paranoïde politiestaat te installeren? Wie zal daar tegen in opstand komen behalve wie al gedemoniseerd is?

Een tijd terug bekeek ik een toespraak van een Holocaust-kenner die in een onderzoek had proberen achterhalen waarom in sommige landen zo veel Joden weggevoerd waren naar de kampen en in andere landen bijna geen Joden. Het antwoord was niet het gehalte van antisemitisme. Het antwoord was dat daar waar staatsstructuren vernietigd waren en elk begrip van normaliteit verdwenen was - zoals in Oost-Europa en de Baltische kust, die de nazi's volledig wilden annexeren - mensen veel sneller overgingen tot gruweldaden. Die casus komt terug in de Balkan-oorlogen van de jaren '90. In Bosnië werd het meeste verkracht en gemoord omdat de staat zelf er in rook was opgegaan. Een vacuüm zuigt snel de ergste elementen van de mensheid aan. Het stond zelfs al te lezen in 'Heart of Darkness', waar de wetteloze omstandigheden in Vrijstaat Congo de grootste gruwel leken te bespoedigen. Ik stap uit op de Korenmarkt, die levende postkaart voor toeristen. Aan de volgende tramhalte staan er veel van die toeristen. Het miezert en ik moet zuchten. Ja, ik ben dus bang. Maar ik ben niet zo bang van het leven te laten in een aanslag van één of andere fanaticus met een gordel semtex. Ik ben banger dat als we terugkijken binnen 40 jaar, dat we haarscherp het moment zullen kunnen identificeren waarop we zelf van de rails zijn beginnen glijden.

zaterdag 4 juli 2015

Werkloos en warm

Acht dagen geleden ben ik ontslagen. Omdat ik al een baan in bijberoep had, ben ik officieel niet echt werkloos, maar toch weer wel. Want dat bijberoep staat bij lange nog niet stevig in de schoenen om een redelijk vervanginkomen te kunnen genereren. Het ontslag stak. Is er ooit iemand die ontslagen wordt en zegt “nou, wel, dit had ik eigenlijk wel verdiend”? Dus ook ik zal zeggen dat het niet terecht was, of dat de officiële reden alleszins rook naar een stok om een hond mee te slaan. Mijn chef keek me ernstig aan, geflankeerd door zijn chef, die er bij zat alsof hij hard zijn best deed om zo boosaardig mogelijk te kijken, en aan de andere kant de rubberen vertegenwoordiger van HR.
“We erkennen dat je veel talenten hebt, Anton, maar we hadden toch gehoopt dat je wat beter ging worden in verhalen vertellen.”
Dat bestond dit heerschap te zeggen tegen iemand die tientallen kortverhalen, zeven manuscripten, een vrachtlading columns en een bestelwagen vol satire geschreven heeft. Wel, zoals ze zeggen boven de Moerdijk, krijg nou tieten.
Sereen liet ik me na het afscheid van de collega’s – shock, onzekerheid – naar buiten begeleiden door de HR-man, die dat professioneel deed en daarbij een mooie balans vond tussen professionaliteit en empathie. Het is een delicate kunst, mensen ontslaan.

En nu ben ik weer buiten, maar niet buitengezet. Ik slenter over het voetpad, rond de hoek van m’n straat en rond tien meter verder een andere hoek, naar de Eedverbondkaai, een lange sliert Gent die zich langs het water krult en waar op een bijzonder warme zaterdagavond niet veel volk is. Mir scheint die Sonne ins Gesicht, zoals Till Lindemann optimistisch constateert in ‘Ich tue dir weh’. Mijn tempo is bewust traag. Acht dagen en evenveel kilo’s lijken van me afgevallen. Geen stress meer om elke ochtend die tram te halen, dan de trein, dan de metro en dan nog een tram. Geen dagelijkse momenten meer dat ik me haast de haren uit het hoofd rukte om één of andere brok franglais die geschreven was door amateurs. Geen sociopatische oversten meer. En geen geld. Wel, momenteel is dat ook geen probleem. Dankzij de verworvenheden waar onze grootouders voor streden, is m’n voormalige werkgever verplicht me nog enkele maanden uit te betalen. Als het aan de Homansen, Lagardes, Junckers en Dijsselbloemen van deze wereld lag, dan had ik allicht niets en zou ik me maar moeten optillen uit het moeras aan m’n eigen schoenveters. Die Dijsselbloem: wat een incompetent lulletje rozenwater is me dat, zeg.

Er passeert een motorbootje met vijf twintigers of vroege dertigers erin. De twee mannen vooraan poseren voor een selfiestick, voor cultuurpessimisten het laatste nieuwe symptoom van ons terminale narcisme. Ik denk: in zo’n bootje zie je er sowieso uit als een patser, je kan dan maar net zo goed all the way gaan. Even verderop, terwijl ze zich verder van mijn trage stappen verwijderen, kruisen ze een ander bootje. Er wordt druk over en weer gewoe’d en gehoe’d. Dat zijn niet echt woorden maar wie maalt erom. Ik kan toch geen verhalen vertellen.
Ik neem plaats op een kleine betonnen rand die dienst doet als stijger voor bootjes. Rechts licht er een sympathiek blauw roeibootje gulzig te klokken en te klotsen in het water. Ik hou van dat geluid. Ik heb altijd gehouden van havens en stijgers, hoe klein ook. Het zijn de wereldse rode lopers die avonturen  beloven op uitgestrekte zeeën, meanderende rivieren en blinkende meren. Ze zijn een uitnodiging om eruit te stappen en de hele zwik hier achter te laten.
Links van me ligt een grotere boot aangemeerd, verzwaard met ballast. Hij oogt wat vuil. De gordijnen in de stuurcabine zijn dicht. Er liggen rotte bladeren op het dek. Ik adem diep in en uit. De lucht is zwaar. Is dat die fameuze ozon, waardoor ik al de hele dag wat licht in m’n hoofd ben? Of is dat ook een neveneffect van niet meer te hoeven werken, voorlopig – de ketens die gebroken zijn?

Ik slenter een ander straatje in dat me naar boven voert. Daar bots ik op een troep meisjes en één jongen. Ze praten allemaal Engels met een Zuid-Europees accent. Het zou vast al te toevallig zijn indien er Grieken tussen zaten. Ze hebben kleurige, papieren bloemen in hun haar en zien eruit alsof ze hier in Gent een vrijgezellenweekend komen vieren. We hebben geen interactie. Ondanks mijn trage tempo hoor ik al snel het flatsj-flatsj-flatsj van hun flipflops achter me wegsterven.
In de nachtwinkel – het eigenlijke echte doel van m’n wandeling, die ik bewust gerekt had om te onder te dompelen in de zwoelheid van de avond – begroet de vaste medewerker me met een glimlach. Het is een keurig geschoren jongeman die er Bengaals uitziet, maar voor hetzelfde geld vergis ik me schromelijk. Het “en waar zijde gij van?”-stadium ben ik als ingezetene van het kosmopolitische Gent al lang voorbij.
“Ah, zo sportief,” merkt hij op, doelend op mijn short en sportschoenen.
Ik moet lachen.
“Ik draag dat normaal nooit. Vandaag is het gewoon veel te warm om iets anders aan te doen.”
“Ik weet het. Ik draag ook driekwartsbroeken vandaag.”
Zonder dat ik het vraag, grijpt hij al naar m’n vaste pakje sigaretten. Onlangs moest ik noodgedwongen naar een andere nachtwinkel, die werd uitgebaat door twee oudere Turken. Toen ik hen vroeg om Gauloises, bleken ze die niet te hebben, dus vroeg ik maar om Winchester. Eén van beide mannen fixeerde me geschrokken met zijn ogen: “Niemand koopt dat.”
Het bleef een tel stil, een seconde vol suspense.
“Behalve jij,” zei hij toen, met een even loden ernst. Zijn kompaan en ik moesten allebei lachen. Nachtwinkels: eveneens een poort naar het kleine avontuur, als aanlegsteigers in een vreemde wereld.

Terwijl ik terug mijn eigen straat afdaal, kom ik nog langs een hele familie die buiten staat afscheid te nemen aan de deur. Dertigers, veertigers, een paar kinderen wier leeftijd nog niet uit twee cijfers bestaat. De mannen zijn potig. Zware buiken, brede armen, beetje roodverbrand. Eén van hen taxeert me. Geen idee waarom.
Ben ik nu ook deel van dat legioen “werkzoekenden” (ik heb al plichtsgetrouw drie sollicitaties verstuurd deze week!) dat mag rekenen op de verachting van zijn medemens? Of krijg ik toch nog wat respijt? Ik voel me er veel onbekommerder over dan misschien zou moeten. Maar we bekommeren ons al om zo veel, nietwaar moeder. De wind blaast warm over m’n gezicht en door m’n haar. Dat mag. Het is zoals iemand tegen me zei: “Er zijn ergere momenten om ontslagen te worden dan de zomer.”

maandag 15 juni 2015

De klauwen van de banaliteit

Ik weet niet hoe het zit met de gemiddelde mens, maar banaliteit is zowat mijn ergste vijand. Ik heb het daarmee over het 'busywork' dat een groot deel van de dag in beslag neemt en waarvan ik maar niet kan begrijpen dat we er in de 21ste eeuw in het Westen nog geen oplossing op hebben gevonden. Bijvoorbeeld: files, treinvertragingen, administratieve rompslomp, de 9-to-5-dag, stoppen met roken. Banaliteit en haar circumstantiële begeleider, verveling, zijn de lijken in de kast van een leven dat naar historische menselijke normen comfortabel is. Ik ben niet elke dag bezig met me afvragen of ik eten zal hebben of een dak boven m'n hoofd, ik heb vrienden om me heen, m'n familie leeft nog en is min of meer functioneel, en al bij al verkeer ik niet in slechte gezondheid. Maar dat niet per se positief. De afwezigheid van duisternis betekent nog niet dat het licht is.

Meer dan tien jaar geleden gaf een toenmalig lief als één van de redenen om me te dumpen dat ze me nooit zag functioneren in een dagelijks bestaan met een typische dagjob. Los van het feit dat dat een hard oordeel is om te vellen over iemand van 19 die nog heel wat groei voor de boeg heeft, zag ze daar een symptoom in van een gebrekkig en onvolwassen karakter. Ik was kwaad over dat verwijt. Maturiteit betekende immers niet zich neerleggen bij het dictaat van het eeuwige "omdat het zo hoort", maar met wilskracht het eigen pad effenen. Maar waar sta ik nu? Ik heb een dagjob, ik dobber rond tussen de massa forenzen die van Gent naar Brussel gaat en weer terug en ik heb er even grote stronthekel aan als dat ex-lief van me voorspeld had. Ironisch dat het deel van haar voorspelling dat ik niet kon functioneren in zo'n leven niet uitkwam. Ik kan het dus wel. Maar het vermindert me. Het dingt af op wat ik kan, wie ik ben.

Als ik m'n klaagzang aanhef over dit burgerleven, zegt een optimistische vriend wel eens dat ik het misschien eens allemaal achter me moet laten. Waarom geen ontslag nemen, enkele maanden tot jezelf komen, vrijblijvend rondsolliciteren? Dat klinkt feestelijk, maar de huur betaalt zichzelf niet. Ontsnappen aan de dwingelandij van de banaliteit is makkelijker als je die ontsnapping kan afkopen met kapitaal op reserve. Het enige kapitaal dat ik bezit, is van geestelijke aard. Met het geld dat ik heb, zou ik nauwelijks drie maand kunnen leven voordat ik door een paar gorilla's van een incassobureau beurs zou geslagen worden. Maar, zeggen goedbedoelende mensen dan, spaar dan wat meer. Dat is als zeggen tegen een hongerlijder dat hij meer moet vasten. Vanaf hier kan ik een paar kilometers wegvreten over hoe onrechtvaardig rijkdom verdeeld is, dat de fiscus een bandiet is of dat ik het recht heb op een bewonderende mecenas, maar dat is slechts pissen in de zee.

Sommige mensen verdedigen het banale omdat zonder dat achtergrondruis grootsheid niet meer tot zijn recht zou komen. Dat geloof ik niet. Er is een verschil tussen complexloze alledaagsheid, zoals een krant kopen of een kop koffie drinken, en de agressieve grotesquerie van lompe medepassagiers op de trein of een nutteloze memo zitten schrijven die toch geen hond zal lezen. Mensen raden me ten langen leste aan om het me allemaal niet zo aan te trekken. Maar hoe doe je dat? Als je constant in je hoofd een systeem kan construeren die oplossingen biedt voor al dat banale, is het om tegen de muren op te lopen om te zien dat we mijlenver verwijderd zijn van de realisatie ervan. Banaliteit is elastisch en resistent tegen wie haar uitdaagt.

Begrijp me niet verkeerd - het leven hoort voor mij geen ongeremde speeltuin te zijn. Weerstand, pijn en verlies kunnen en moeten deel uitmaken van een essentieel groeiproces. Ik zou nooit de liefde hebben kunnen waarderen als ze niet verloren had in de eerste plaats, of ik zou nooit verbluft kunnen staan van een mooie tekst als ik me eerst niet jaren had ingelezen in andere teksten. Zo gaat dat. Maar wat leert de zoveelste gruwelijke file me bij? Welk nut heeft het dat je bij een verhuis tot drie, vier keer toe moet passeren bij de administratie van de stad (en dat uiteraard tijdens de werkuren, waar je dan "vakantie" voor moet nemen)? Ik kan toch niet de enige zijn die zich ernstige existentiële vragen stelt bij de zoveelste confrontatie in een snackbar met een persoon voor je die pas begint na te denken over wat hij wil eten als het al zijn beurt is. Staat iedereen te slapen?

woensdag 13 mei 2015

Zandbak

Vroeger verveelden verhalen over kinderen me en in het bijzonder verhalen over baby's. Kinderen vond ik slecht afgestelde stoorzenders, amorele monstertjes en samengebalde kopieën van de ergste kanten van hun ouders. En baby's, ja, wat had een mens daar nu aan? Die schreeuwden de buurt bijeen voor de geringste aanleiding en drukten elk mogelijk plezier uit een sociale gelegenheid weg door ergens over te kwijlen, in te kakken of op verrukte kreten onthaald te worden als ze een lollig geluid wisten voort te brengen. 

Maar de tijden zijn veranderd. Ik ben veranderd. Dat merk ik als ik op een bijeenkomst ben met de potentiële schoonfamilie ergens in een zonovergoten tuin te lande. Nu kan ik gefascineerd kijken naar hoe de radertjes achter een paar kinderogen draaien. Ik vraag me af hoe hun gedachten lopen. Wat ze denken als ze een spel bijeen fantaseren dat ze een minuut later met even veel enthousiasme weer kunnen achterlaten. De kleinste van het stel, één jaar geworden, zit content als een varken in de zandbak. Natuurlijk denk ik aan Nietzsche en zijn zandkastelen bouwen.

De boog die ik afgelegd heb van mijn eigen onherinnerde oorsprong tot het punt waar ik nu een wafel eet en koffie drink in beleefd gezelschap, doet me onvermijdelijk terugvallen in het verleden waar ik zelf door tuinen hotste terwijl de volwassenen aan tafel volwassen dingen deden en af en toe uitbarstten in vettig gelach. Van mijn kant van de grens leek hun wereld me even moeilijk te verstaan als dat ze mij misbegrepen. Ik kon er m'n voordeel mee doen, soms. Ik gaf me soms uit voor onnozeler dan ik was, of deed alsof ik bepaalde onthullende verklaringen - een oude familievete, een aangebrande anekdote - niet begrepen had. Dan lieten ze me langer zitten aan tafel. Nog vaker kroop ik op die tafel om een show op te voeren. Het was me niet enkel te doen om de aandacht. Ik wilde gewoon blije gezichten zien. Dat was niet altijd evident, want niet iedereen laat zich graag een goochelshow welgevallen van een negenjarige.

Enkele uren later word ik opnieuw met sporen van kleine mensen geconfronteerd, als ik een laatste avondwandeling maak naar de nachtwinkel. In m'n straat hebben een hoopje pagadders met stoepkrijt een lange streep getrokken over het trottoir, met willekeurige onderbrekingen die haltes aanduiden waar duidelijk iets moet gebeuren. Er staat "snurken", "schete laten", "chiqe madam" en "raar doen". Een vak met "wc" is drie keer omcirkeld. 

De kinderen zelf zijn al lang niet meer op straat in deze schemer, die zich gezellig in de stad genesteld heeft. Nu ja, er zijn nog grote kinderen out and about, natuurlijk, zoals ik. Wie niet glimlacht om "schete laten", denk ik, is een beetje dood vanbinnen. Wat voor vader zou ik zijn? Alleszins een vader die niet op die infantiliserende manier praat tegen zijn kroost zoals diverse zelfbenoemde "papa's" dat doen. Mijn vader deed dat ook niet. En de dag dat de hypothetische moeder van m'n hypothetische kleine me aanspreekt met "papa" aan de ontbijttafel, smijt ik me voor de eerstvolgende Lijnbus.

De straal bolt lichtjes op en lijkt de schaduwen zelf naar boven op te gooien. Ik ben gewoon aan het worden aan de buurt waar ik vijf maand geleden naar verhuisd ben en ik apprecieer de rust hier. De, om het met een tel omineuze vertraging te zeggen, de aanvaarding. Zoals die tekst van dat nummer gaat: "There is so much I can't take / But I will understand / I will open my hand". Het brullen en tieren van het leven zelf blijft een vreeswekkend ding en lang stak het me tegen van daar misschien zelf een vervolg aan te breien door ander leven te maken. Kind zijn heeft ook zijn schaduwen. De wonden van vroeger kunnen net zo goed de wonden worden van later, bij iemand anders. 

Maar met het gewonde kind dat nog altijd rondwoekert in mijn groeven (waar is die vioolmuziek) heb ik vrede gesloten, stap voor stap. Dat ik ook mag willen. Dat mijn uitgestoken hand om iets te omsluiten en te claimen niet zal afgehakt worden omdat ik een duivelse egoïst ben. Dat verlangen en kwetsbaarheid mogen bestaan. Ik rond de hoek. De nachtwinkel komt in zicht, met daartegenover de royale tramhalte voor tram 1. Aan beide zijden staan kleine groepjes samengeklonterd te wachten. Ik lijk wel de enige mens in beweging.

Im Nachtladen nichts neues. Ik krijg wel de indruk dat nachtwinkeluitbaters steeds beter Nederlands spreken. Bourgeois zou zich in de handjes knijpen. Ik kende ooit, in een ander deel van de stad, een Iraanse nachtwinkelman die perfect Nederlands sprak. Hij had een droevig gezicht en een treurige bariton. Hij luisterde altijd naar Radio 2. Op den duur dachten we dat we hem ooit nog stuiptrekkend aan een touw gingen ontdekken achter zijn kassa. 

De man voor me is noch triest, noch vriendelijk, maar gewoon professioneel. Zijn etnische herkomst valt niet te raden. We wensen elkaar nog een goeie zondagavond. Zou hij ook Moederdag gevierd hebben in een zonnig tuintje vandaag? Mijn moeder moest het helaas stellen met een telefoontje, maar ze apprecieerde de geste. Vorig weekend bakten Emma en ik crocques voor haar en mijn vader, waarbij het me niet voor het eerst overviel dat m'n ouders op mijn leeftijd al af te rekenen hadden met een achtjarige Anton.

Ik ontdoe het pakje sigaretten van zijn pel en gooi het plastic in de vuilbak die ik op de heenweg op de hoek gerond had. De avond heeft zich nog dieper ingezet. Een tram komt uit de verte aan geschoven. Menselijk, gestaald, feitelijk. Kennis en gevoel rafelen, ritselen aan de randen van m'n gedachten.

maandag 20 april 2015

In de weg

Me verheffen boven de waan van de dag is één van de zelfgekozen doelen van mijn bestaan. Niet omdat ik vanuit een arrogante hoogte wil neerkijken op deze termietenhoop, maar om iets te vinden dat lijkt op perspectief. Dat dingen hun plaats kunnen krijgen in onderlinge verhouding. Met elke zomer die passeert, lijkt de wereld echter sneller te draaien, en zit de waan in elke geleding van elke dag. Overal liggen obstakels. De baas die me naar het buitenland wil halen voor een simpele meeting. Mensen op de trein die niet lijken te beseffen dat ze op een trein zitten. Steekvlampolitiek en spin doctors. Of, zoals nu, staan aanschuiven aan een kassa van een plaatselijke supermarkt, waar ik aan dit tempo allicht gletsjers zou zien kunnen verschuiven.

Ik kijk naar de grond. Achter mij staat een koppel dat onderling een discussie voert in het Russisch, voor mij een lange man in een fluohesje en een modieuze baard, maar ik zie slechts zijn schoenen. Rechts van me de snoep van de laatste kans, kauwgom en chocolade die bedoeld is voor de impulskoper. Links magazines. Een halve blik is genoeg om te leren dat de covers me geen hol interesseren. Ik probeer om het hoofd helder te houden, wat niet simpel is met een kater van de nacht voordien. Ik ben te oud geworden voor katers, en te oud voor het type apocalyptische feestjes dat ermee gepaard gaat. Het zal het laatste worden in zijn soort, denk ik, en ik voel dat ik het meen. Genomen besluiten, daar keer ik niet zo snel van terug.

M'n neus zit verstopt. Het is eindelijk aan fluohesjesman om z'n boodschappen uit te laden. Hij doet dat zelfbewust en talmt niet te hard. De dame voor hem - een oudere vrouw met een hoornen brilmontuur en een trapezoïde permanent die er vuurvast uitziet - is nog altijd bezig één voor één elke boodschap minutieus in te laden in haar rieten tas. Daarnet had ze de omgekeerde beweging met dezelfde zondagse lijzigheid uitgevoerd die me zo op de zenuwen had gewerkt. Ik wil dan precies beginnen roepen: "Beseft u dat hier andere mensen staan die geen tijd hebben? Vindt u het normaal dat u hier een kwartier over doet en dan nog eens tot op de eurocent met kleingeld wil betalen?". Maar dat roep ik natuurlijk allemaal niet. Dat zou me nog meer deel maken van de dagwaan van azijn en amandel dan dat ik al ben.

Inademen, uitademen, Anton, en probeer die hoofdpijn te vergeten. Ik kijk vooruit, als ik straks Emma zal zien, die het weinig amusant vond dat ik midden in de nacht plots volledig van de radar verdwenen was. Reconstructie (ik kijk achteruit) leert me dat het geheugen stroop is na een bepaald uur. De grote lijnen zijn er nog. Zo hard gelachen that even my momma thinks that my mind is gone, om het met Coolio te zeggen. Te veel gerookt. Overal as. Beats en glowsticks. Daglicht. Half dood in slaap gevallen met de gsm op stil. Het is mijn beurt. Ik heb water gekocht en cola, een botervlootje en ik wil een klein pakje sigaretten. Gisteren was het hele pak leeg en bleef ik zeuren bij vrienden om meer. Het voelt alsof beklauwde vingers langs de binnenkant van m'n hoofd runetekens aan het kerven zijn. Ontsnapt aan de waan van de dag, dat zeker, maar door in het eerste het beste zwarte gat te springen. Zo werkt het ook niet.

Nee, ik spaar geen zegeltjes en ik wens geen ticketje bij te houden, dank u wel mevrouw. Prettige zondag nog. Ik glimlach de rood-dode glimlach van een man met een cementen hoofd. Eens ik buiten ben, snuif ik de lentelucht op. Het licht is te hard, maar de zuurstof doet deugd. Wat doen mensen zichzelf toch aan? Er is geen geweld te dol of er is ergens wel iemand die het durft. Zoals die wanhopige vluchtelingen die hun zeemansgraf vonden in de Middellandse, de Mare Nostrum van Europa, met de nadruk op "nostrum". Griezels links en rechts zijn opgelucht dat een paar honderd sukkelaars daar verdronken zijn, want anders hadden die geleefd van onze centen, stel je voor. Maar racistisch, nee, dat is niemand. Hoe durven we zoiets hardop zeggen. Ik durf veel hardop zeggen, maar ik moet me afvragen of dat helpt, nog maar eens een stem toevoegen aan het geruis en gekraak op alle frequenties.

In de auto blijf ik even zitten terwijl de motor al draait en de airco als een bezetene probeert om de lome lentewarmte te verdrijven. Ik moet wachten omdat er een bus door het verkeer komt gelaveerd. Dat ergert me half niet zo als de trage mensen aan de kassa van daarnet. Integendeel, voor buschauffeurs heb ik altijd sympathie gekoesterd. Het was de bus die me in het middelbaar bijna elke dag van huis naar school en terugbracht, en toen ik werkte maar nog geen auto had, kwamen er ook dikwijls bussen aan te pas om me tot op het bureau te brengen. In wat voor wereld leven mensen die denken dat alles privatiseren de oplossing is? Ze kunnen net zo goed het cijnskiesrecht terug gaan bepleiten. Er zijn vast en zeker al kabinetsmedewerkers die daarover een memo hebben geschreven. Bedrijfsleiders zijn 15 stemmen waard, 'Berbers' moeten eerst bewijzen dat ze geen homo's haten en Nederlands spreken vooraleer ze hun magere stemmetje kunnen gaan oppikken aan het loket. Waar niemand religieuze symbolen draagt of getuigt van één of andere gekke seksuele obediëntie. Welkom in Bloemkool-Vlaanderen.

Rustig bol ik nu langs een paar universiteitsgebouwen dan langs het Citadelpark, richting Kortrijkse Poort. Een paar seconden ergernis nog met een zondagsrijder die denkt dat het hier zone 30 is. Daarna gaat de weg weer wat vlotter. Het dashboard waarschuwt me dat iemand zijn gordel niet aan heeft, maar snapt niet dat het de boodschappentas is naast me die de passagiersstoel bekleedt. Dat geeft weinig hoop voor de zelfrijdende auto. Wat gaan we op de duur nog zelf kunnen doen? Kiezen uit pizzatoppings, Belgium's Got No Talent volgen en ons boos maken op allerlei digitale brulhokken. In de toekomst is alles volautomatisch. Alleen spijtig dat we, nadat alle ergernis zal verdwenen zijn met wat inefficiënt werkt, zijn nut niet stante pede bewijst, enkel onszelf nog in de weg gaan zitten.

dinsdag 31 maart 2015

De laatste echte Belgen

Regen die bij dunne vlagen als stof uitgewaaierd wordt onder straatlichten. Niet veel verkeer op de baan in het niemandsland tussen Merelbeke en de Gentse deelgemeentes Gentbrugge en Ledeberg. Wat bij daglicht een meanderende slinger is aan middenstanders, grauwe rijhuizen, een begrafenisonderneming die er als een bordeel uitziet, een dozijn tankstations en enkele omheinde villa's, doorkruist door bruggen, is rond middernacht een grotendeels lege ader van beton en geparkeerde wagens. Ik ben onderweg naar huis en heb zopas Emma thuis afgeleverd, wat ik na een afspraakje meestal doe, enerzijds om haar de busrit en de bushalte te besparen, anderzijds omdat ik graag rij. Als kind had ik angstdromen over autorijden. Ik droomde dat ik de controle over het stuur verloor en dat de auto met mij aan de haal ging door te beginnen vliegen, aan hoge snelheid in een gevel te crashen of zich gewoon spontaan in het water zou storten. Sinds ik leerde rijden heb ik die droom nooit meer gehad.

Op de radio speelt een nummer van Katy Perry, één van de huidige avatars van de Amerikaanse popgeest. Ik betrek er onlogisch Saul Bellows 'Humboldt's Gift' bij, dat ik momenteel aan het lezen ben, waarin de genaamde Humboldt voortdurend kruisverwijzingen maakt tussen intellectuele theorieën, literaire figuren en massacultuur als sport, film en de geest van de democratie. De Amerikaanse geest, als er kan veralgemeend worden, is groots, luid en obees, een ding waar ik altijd vol verwondering naar sta te kijken. We zullen Katy Perry horen 'roaren' en even later zijn Kanye West en Jay-Z in Parijs, 'niggas' die het tot aan de sterren van het firmament geschopt hebben en hun ego meten met de Eiffeltoren. In Ledeberg zou zoiets niet passen.

Bellow diept in 'Humboldt's Gift' een anekdote op uit Wereldoorlog II, die zegt dat de Britten haast gek werden van de praatzieke Amerikanen, die voortdurend ongewild details van oorlogsplannen vrijgaven, maar dat de Duitsers die toch niet geloofden omdat ze dachten dat het opzettelijke misleidingen waren. De Europese geest, als ik die ook even mag veralgemenen, is er één die het gewicht torst van eeuwen van verraad. Wie op de juiste momenten z'n bek hield, die overleefde. Zelfs Odin zou dat advies al gegeven hebben in de håvamål, een codex met praktische adviezen voor de vikings, die onder andere stipuleerde dat je je geheimen maar best voor jezelf kan houden en dat je aan elke vreemde deur goed moet rondkijken om te zien of er geen vijanden op de loer liggen.

Hier zijn geen vijanden, in de veilige kooi van m'n auto. Ik raas langs een kerkhof. Ergens luidt toepasselijk een kerkklok, altijd brenger van onheil, maar het loden luiden verdwijnt mee met de volgende bocht, evenals het dodenakker. Ook over de dood had Odin het één en ander te zeggen: "Je veestapel sterft, je familie sterft, zelf sterf je ook - maar ik weet één ding dat nooit sterft: het oordeel over het leven van een overledene". Emma en ik hadden het nog over de dood, onlangs. Zij vreest de dood iets meer dan ik, maar waar ik liever mijn ouders zou overleven, zou zij het omgekeerde kiezen. Ik verlies liever dan verloren te worden, voor haar is verloren worden het minste kwaad. Er valt iets te zeggen voor respectievelijk het egoïsme en het altruïsme van beide stellingen. We hadden er geen oordeel over. Verschillen mogen immers bestaan.

Mijn wagen gaat onder een brug door, passeert een groezelige vzw en een schroothandelaar, en laat zich nogmaals ringen door een tweede brug, ditmaal een stuk lager en in een scherpe bocht. Tramsporen komen in zicht. Er zijn enkele cafés te zien, wegmarkeringen die zijn vervaagd, en verkeersborden waar geen enkele chauffeur ooit acht op slaat. Een collega van me die uit Binche komt, wilde me ooit eens "het echte Wallonië" tonen. Hij toonde een video van een parade langs los door elkaar heen gebouwde koterijen, bakstenen droefnishuizen en kneuterige beeldjes van uilen en Maria's op vensterbanken, die uiteraard allemaal rolluiken of gordijnen hadden. Ik moest hem teleurstellen en zeggen dat dat even goed in Vlaanderen had kunnen opgenomen worden. De belgitude der Belgen zit soms in de dingen waarvan we denken dat ze ons verdelen.

M'n ruitenwissers draaien overuren tot ik onder de flyover begin te rijden van de E17, die betonnen mastodont die de kern van Gent scheidt van haar belittekende onderbuik. Het middernachtnieuws is bijna klaar met de dieptepunten van de dag op te sommen. Ook de radio neemt 's nachts een andere vorm aan, intiemer, dieper, afgestemd op eenzamen die net als ik op een weekdag nog zo laat onderweg zijn naar huis. Heidegger vond de taal het huis van het zijn, maar ik geloof dat het eerder omgekeerd is: het huis is de taal van ons zijn. We zien onszelf in compartimenten, kamers, meubels, kelders. Jager-verzamelaars zouden hun geest nooit op die manier visualiseren. Al ons psychisch jargon is sedentair. We geven de dingen een plaats. We stoppen iets weg. Trauma's liggen begraven. Het geheugen is een archief.

Als een schaatser glij ik de bocht in die me op de binnenring brengt. Gebouwen worden hoger, rijvakken breder, en in de verte is al de Heuvelpoort in zicht, die al bij al bekeken op een bijzonder flauwe heuvel ligt. Misschien was hij vroeger hoger en is hij platgemalen door die talloze wielen die er overheen gereden zijn. Of misschien is hij vanzelf bescheidener geworden is alles behalve naam, gewoon door zich aan te passen aan zijn Belgische omgeving. In 'Waterland' schreef Graham Swift over de moeraslanden van het Engelse noordoosten als metafoor voor het verraderlijke, sombere en gesloten karakter van de mensen die er woonden, en Cyrus de Grote van Perzië meende dat zijn ruige land ruige, harde mannen gekweekt had. Wat kweken onze betonnen Gestalten, onze eindeloze werven en onze immer groeiende voorsteden? Ik zal voor één keer niet generaliseren, maar enkel voor mezelf spreken. Ze hebben me licht verloren gemaakt, maar altijd verwonderd. Ze hebben me geïrriteerd, maar leren beseffen dat je sommige verschillen moet nemen voor wat ze zijn. Ze leerden me dat ik me allicht nooit zal meten met het Empire State Building of een brullende leeuw zal zijn, maar dat ik in gedachten wel altijd kan schuilen voor de regen onder een lelijke flyover. Soms, in het holst van de nacht, denk ik dat ik bij de laatsten ben van de echte Belgen.

dinsdag 10 maart 2015

In the presence of mine enemies

De Sinksenfoor is in Gent en ik sta met mijn voorarmen tegen een metalen stang geleund die hoort bij een draaimolen waar steeds sneller karretjes op en neer toertjes maken. Een paar kleine meisjes kirren van plezier. De kraamuitbater staat erbij met een doezelige blik. Rondom ons andere kramen zover het oog reikt. Foorkramers die al jaren prrrraten alsof ze op een vrrrrije rrrradio zitten dames en herrrren, "ja u daarrrr, meneermetdeblauwejas, komenwineen televisieeeee." Flitsende lichten, kitscherige kraamschilderingen. Luke Skywalker die meer dan ooit lijkt op Willy Sommers, Chewbacca die eruit ziet als Alf. Een eendjeskraam met een huilende peuter en het jonge grut dat overal doorheen rent, botst, uitgelaten en jong is.
Emma en ik wandelen verder nu, als een botermes doorheen de wild-gezellige drukte, zij parmantig op haar hakken, ik kloppend op mijn laarzen, boef en heer in één gedaante. We besluiten om geen oliebollen te eten. De maaltijd van zo-even ligt nog op de maag. Het eetkraam is magisch breed, met bolle lampen en een belettering die oudere decennia voor de geest haalt. Handgetekend, zelf geverfd en gefikst. Met een weldadig Doppler-effect bereikt ook gekrijs ons van de passagiers van die attractie die als een slazwierder mensen van onder naar boven klutst en weer terug.
Kermissen stemmen me blij en verdrietig tegelijk. Blij door herinnering aan de tijd dat lunaparken nog games hadden en vanuit een minivliegtuig de 'flosj' pakken voor een extra ritje het summum was van entertainment, verdrietig door de realiteit dat de Foor en zijn provinciale afstammelingen ten dode opgeschreven zijn. Enkel wie een teveel heeft aan nostalgie of een tekort heeft aan geld en mobiliteit, die komt hier nog gewillig.

We staan stil bij een waterbad waar kinderen in plastic ballen zitten en ronddollen door het water. Haar zouden ze nooit in zo'n ding krijgen, zegt ze. Ik zou het nog overwegen, maar ik ben er allicht te groot en te zwaar voor. Wat heb je als man ook te zoeken tussen al die polymorfe kleine wezens. Ze zouden maar eens moeten denken dat ik zo'n blozende pedofiel ben. Emma geeft me uit het niets een kus en ik moet glimlachen. Dat doe ik wel vaker, de laatste tijd. Er is weinig dat slechter staat voor een schrijver dan domweg gelukkig zijn, maar zo is dat.
Terwijl we onze weg verder zetten, verkennen mijn zintuigen de Foor verder, dit keer weg van de eetkramen, de ballenkramen en de schiettenten, maar des te meer geconcentreerd op de talrijk opgedaagde medemens. Al die mensen in hun ontzettende veelheid, en 99% onder hen zal ik nooit kennen, niet weten wat hen bezig houdt, hoe ze de personen geworden zijn die ze nu zijn en waar hun levens heen zullen gaan. De meesten zal ik één ogenblik zien om voorgoed te vergeten, preventief gegooid in een massagraf onder de geheugencryptes.
Ik ben jaren geleden op de Foor ooit uit het niets door een dwerg uitgescholden voor homo. Niet alleen raakt die belediging mee even veel als dat iemand "Waal" of "kaalkop" naar mij zou schreeuwen (geen van beiden zijn waar en geen van beiden vind ik een belediging), ik was ook te verbouwereerd om te reageren. Die gast zal ik dus nooit vergeten, maar wat met die groep luide Turkse jongens of dat trio bejaarden met wijd opengesperde ogen? Of de Nonkel Danny die daar morsig twee pinten tegelijk zit te drinken en ongegeneerd op z'n dijen slaat van het lachen? Zij zien me allemaal niet, maar ik zie hen.
Toen ik nog studeerde en ik 's nachts naar huis wandelde na een feestje, beeldde ik me soms in dat er in m'n nasleep onzichtbare linten uitgerold werden, of nauwelijks waarneembare vleugels, en dat iedereen in m'n slipstroom daardoor eventjes werd aangeraakt, nooit zou vergeten worden, opgenomen werd in een idee van vrede en eenheid. Zeg zelf, er zijn slechtere manieren om de dronken nagloei van een feestje te beleven. Met geheven hoofd ging ik dan door de soms donkere, soms hel verlichte straten, de bedstee tegemoet.

Emma en ik gaan na wat dralen het spookhuis binnen. Dat heb ik in mijn drie decennia als mens nog nooit gedaan (de Efteling telt niet). Hand in hand schuifelen we naar binnen, beducht op onverhoedse geluiden en effecten. Ik mag eerst van haar niet met m'n gsm voor me uit schijnen omdat dat de verrassing verpest, maar drie minuten stikdonker en benauwde houten gangen later, vraagt ze zelf om licht. Buiten de claustrofobische schuifelingen waartoe we gedwongen worden, valt het al bij al nog mee. De bewegende vloeren jagen even de primaire schrik aan om te vallen - en niet eens zo onredelijk, op ons instabiele schoeisel. De coup de grâce van het spookhuis is een kerel in een monstermasker die voorts duidelijk een groene confectiesweater en een trainingsbroek draagt. Wat een rotjob, in feite.
We besluiten mild dat deze ervaring misschien geen €3 waard was, maar wat stelt €3 in deze tijden nog voor, nietwaar? Terwijl we door de massa een weg banen richting uitgang, doemt die andere permanente Foor op van de Overpoort. Die neem ik voor het eerst sinds ik een kilometer verder verhuisde, op met nieuwe ogen. Er is berusting dat de tijd die ik doorbracht naast deze tot straat geworden flipperkast, voorbij is. M’n nieuwe appartement mag dan een bric-à-brac zijn van typisch Vlaamse koterijbouw, met ongelijke vloeren, onbehoorlijke afvoerbuizen en overgepleisterde geschiedenis, het is de demarcatielijn geworden met de zeven Bijbelse jaren voor 2015.
Ik knijp in Emma’s hand. Ze glimlacht. Ik zie het in mijn ooghoek. De cafés, clubs en snackbars konden voor haar net zo goed niet bestaan hebben en ze is hier een vis uit het water. Ze biedt aan om nog iets te drinken in één van de enige cafés waar ik zelf nooit graag zat. Ik sla dat vriendelijke aanbod af, te meer omdat ik me veel liever thuis in de zetel zij aan zij wil vlijen met haar. Indrukken moeten gerangschikt worden, de mensen moeten hun plaats krijgen in de X-, Y- en Z-assen van het hoofd. Er slepen geen linten of magische vleugels meer achter me aan. Epische grandeur is niet langer een noodzaak. Des te meer wil ik een koel bad van een warme woonkamer waar de meubels wat te dicht op elkaar staan en niet echt bij elkaar passen, maar waar ik dankbaar kan drinken van affectie achter gesloten gordijnen.

dinsdag 10 februari 2015

De Hitler van de Sleepstraat

Mijn therapeut is een belezen vrouw (gouden tip voor literatuurliefhebbers, dat). Bij het verlaten van haar kabinet valt mijn oog op het boek 'Over normaliteit en andere afwijkingen' en ik moet lachen met de titel. Het is van Paul Verhaeghe, waar ik al eens een pamflet van gelezen heb. Als Verhaeghe iets te zeggen heeft, heb ik de neiging te luisteren, omdat hij veel zinnige dingen zegt. Dat is jammer genoeg een zeldzaamheid geworden. Ze ziet me kijken naar de kaft van het boek, en ziet ook dat ik wrang glimlach.
"Wat is dat, 'normaal', hé?" zegt de therapeut.
"Tja, het is een containerbegrip, zeker. Normaliteit is per definitie vaag, ook al is de norm welomschreven. Normale mensen zullen vast niet bestaan."

Even later, als ik richting auto wandel, bekruipt me niet de eerste keer dat angstige gevoel dat ik ben opgegroeid met één versie van normaliteit die vervangen is door een andere. Ik ben niet veranderd, maar de wereld wel. Het nulpunt ligt elders dan waar het werd gevormd in mijn jeugd.
Francis Wheen beschrijft in zijn boek 'How mumbo-jumbo conquered the world' de gestage opmars van onzin sinds de late jaren '70, in alle geledingen van de maatschappij. Het is als een pletwals gerold over de normen en waarden die we voor zinvol en consistent houden, zoals logisch redeneringsvermogen, bewijsvoering, solidariteitsdenken en pragmatiek.
Ik passeer langs een Turks café waar een groep oudere mannen in een kring zit te babbelen en af en toe naar tv kijkt, waar een sportwedstrijd bezig is. Het is één ding om te zeggen dat die mannen en ik andere werelden bewonen en bevolken, en over weinig gedeelde ervaringen beschikken. Het is een andere zaak wat er gemeenschappelijk boven onze hoofden hangt. Denkers en opinieerders proberen in uithoeken van de media die nog niet meegezogen zijn in het Nieuwe Normaal, dapper weerstand te bieden aan onze cultuur van socio-economische nonsens. Zij doen dat met logica, met empathie, met cijfers. Ik zeg: het haalt niets uit. De religieuze ijver waarmee deze generatie marktzeloten hun geloof belijdt, is compleet immuun tegen logica. Moedwillige irrationaliteit valt niet te bekampen. Niet de beestachtigheid van ISIS, niet de wetenschapsontkenners van Amerika, niet opeenvolgende regeringen die onschuldigen doen boeten voor de financiële misdrijven van een elite.

Gelaten wacht ik aan het zebrapad om over te steken. Het is weer een drukke avond hier in dit transitdeel van Gent, waar de buurt van de dokken verstrengeld raakt in de buurt van de Sleepstraat. Op het plein aan de overkant staat een frituur te puffen uit zijn rookpijpje. Er priemt door de smalle venstertjes licht, voor zover die vensters al niet beplakt zijn met advertenties voor allerlei vettigs. Het verkeer luwt en ik steek over. Een auto stopt en ik steek m'n hand op. Dat moet niet, maar hoffelijkheid kost geen cent. Behoort dat soort fatsoen nog tot het Nieuwe Normaal? Rechtse partijen zetten nochtans graag in op beleefdheid, ook al hebben hun volgelingen vaak een stuitend gebrek aan manieren. Meer nog: in de cenakels van de macht is ploertigheid vaak een tactiek om het debat te doen ontsporen.
Ons Nieuwe Normaal is een hydra met duizenden koppen. Nadat progressief gezinden zich jarenlang murw hebben laten slaan door de voorposten van het theatrale regionalisme en de nonsensicale "Derde Weg" insloegen, waren ze in feite al rijp voor de slachtbank. Para's in het straatbeeld? We kunnen niet anders. Dienstverlening van het openbaar vervoer wurgen? Gaat niet anders. De superrijken vragen om een proportioneel iets grotere bijdrage? Staat niet in het regeerakkoord. Dat regeerakkoord dat zomaar ergens uit het niets materialiseerde alsof Gabriel het zelf in het oor van BDW gefluisterd had. En nu ben ik toch weer bezig in de val aan het trappen van met logica te bevechten wat helemaal niet logisch is.

Ik begraaf m'n handen dieper in m'n jas en verschuil m'n neus onder m'n sjaal. In de verte staat de auto trouw te wachten. Toen ik hierheen reed, een dik uur geleden, waren andere chauffeers naar me aan het flitsen omdat ik per ongeluk zonder lichten rondreed. Pas toen ik kon parkeren, had ik tijd om uit te vissen hoe die lichten aan moesten (normaal gaan ze altijd automatisch aan). Hier, nog een metafoor uit de grabbelton: de koplampen van de tientonner van de onzin zijn zo fel dat veel mensen er verbaasd in blijven staan als een bevende ree. Ik wacht nog op de eerste mainstreamanalist die uit zijn verdoving wil ontwaken en rechtuit zegt: "Dit gebeurt allemaal opzettelijk, we leven nu in een wereld waar irrationaliteit terug de bovenhand heeft."
De ironie ontgaat me niet dat de auto die ik nu van het slot haal, een bedrijfswagen is en dat ik deel ben van het probleem. Maar laat dat soort passieve medeplichtigheid geen goedkoop mikpunt worden om m'n punt minder scherp te maken. Ik ben immers niet diegene die macht heeft. Ik moet bitter lachen als ik mensen zich hoor opwinden over een vermeende politiek correcte elite. Was het maar waar dat die bestond en machtig was, maar elitaire intellectuelen hebben feitelijk geen fluit te zeggen in deze maatschappij, tenzij hun wereldbeeld oplijnt met onze hegemonie.

De motor slaat aan, de lichten worden ontstoken, de radio vult de auto met een track van Caribou. Dat kon erger. Ik vertrek en rol voorbij een buurtcafé. Ik spied naar binnen door de aangeslagen vensters om te zien of Homans' imaginaire marginalen daar met hun kinderen het belastinggeld zitten op te zuipen van de modale Vlaming. "Ik ben verkeerd begrepen!" Sure. Hitler was ook verkeerd begrepen. Hoe durf ik iemand met Hitler vergelijken? Mijn verontwaardiging is tenminste echt. Hitler staat nergens meer voor, behalve de Hij Die Niet Genoemd Mag Worden in één of ander debat.
Ach, niemand denkt over zichzelf als een slecht persoon. Onze zelfverklaarde zalmen van De Morgen zitten eveneens vol goede bedoelingen, maar een racistische uitschuiver wordt ook snel met de mantel der liefde bedekt. Intussen ben ik al bij het ovale punt waar de Turkse bakkerij die simpelweg 'Den Türk' heet, de omgeving domineert. Een jong koppel danst een woning uit. Zij met zwart haar, verliefd opgeslagen ogen, hij stoer en zelfzeker, in een modieuze jeans. In het donker is het het raden naar hun etnie, en wat maakt het ook uit? Voor mij alleszins niets. Mijn eigen Normaal bestaat nog altijd, zij het sterk bedreigd en omheind binnen m'n eigen leefwereld, een plek waar superdiversiteit een gegeven is waar mee moet geleefd worden, waar mensen niet per se uit zijn op enkel het eigen gewin, en waar ik in de eerste plaats niet in therapie had moeten zitten omwille van de corrosie van deze maatschappij. Maar ik functioneer. Ik druk het gaspedaal in als het groen wordt, en schiet de binnenring op in één rechte lijn.