Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

vrijdag 26 mei 2017

Overkapte rivieren

Eindelijk vind ik even na middernacht de anti-insectenspray, verborgen achter enkele schoonmaakproducten onder de pompbak. Zoals de moeder van Stromae al wist, "Lorsqu'on cherche bien, on finit toujours par trouver". En die vervelende kleine muggen, vliegen en naamloze andere ongewervelden die aangetrokken worden door het licht in m'n bureau moeten eraan. Ze kunnen het niet helpen dat ze van de waterkant die even voorbij m'n achterburen begint, aangetrokken worden tot dit kleine kamertje zoals Klein Duimpje in de verte een lichtje zag branden, maar Klein Duimpje was geen bloedzuiger of geen verspreider van vuiligheid. Misschien dat insecten dit anders zouden zien als ze sprookjes konden vertellen.

Ik voel me warm en zwaar, als een voorbode van de nog warmere dagen die me te wachten staan en als een naslag van de voorbije weken, die tot de nok gevuld waren met werk. Werk als in werken voor de werkgever, in kleine kamertjes zitten bij klanten en om acht uur 's ochtends al monter en fris met de eerste koffie van de dag hevig tokkelen op het toetsenbord. Werk als in terug even aansluiten bij vrienden die ik al even niet meer gezien had, waarbij ik met Tim een matige Thai deed die niettemin heel verdienstelijke soep serveerde, en daarstraks in het park met Kim lag te kijken hoe luchtballons opgeblazen werden en joelende kinderen daar een hele avond entertainment uit wisten te puren. Werk als in emotionele bescherming, om niet te diep in te gaan op het idee dat Donald Trump, de cheeto-golem met een stripfiguurkapsel en een prehensiele mond die lijkt op een anus, in België is. Nu, in deze lagune na het spookuur, is er geen werk. Ik zit in m'n pyjama en mol met de spuitbus tal van insecten die zich aan het plafond genesteld hebben.

Dat doet me denken aan toen ik klein was (echt klein). Ons huurhuis was oud en had het toilet in een kot buiten. Tijdens een warme dag, toen ik op de pot zat, keek ik eens naar boven en zag ik tientallen muggen aan het plafond kleven, terwijl over de muren allerlei vieze spinnen kropen. Het lijkt iets wat je zou tegenkomen in het zuiden van Italië of in Marokko, maar dat was gewoon Vlaanderen anno 1988. Later had ik nachtmerries over die insecten, dat ze overal zaten op de muren van het huis en gigantische proporties hadden aangenomen.

Wie kijkt er dan ook naar plafonds, tenzij op de pot of in bed. Dat bed staat nu uitnodigend als anders op me te wachten, met een deken waar diverse vrolijke tekeningen van poezen op staan. Gisteren lag ik er nog naast Sofia, die bijna in slaap viel louter door de horizontale houding, ingebed tussen een deken met poezen en kussens met hetzelfde patroon, opgekruld alsof ze zelf een grote poes was. We hadden goed gegeten en gedronken en ons overgegeven aan het opzoeken van hits uit onze jeugd op YouTube, en nu lagen we gewoon dicht bij elkaar. En zij voelde zich stom omdat ze vond dat ik altijd zo gul was voor haar en ik voelde me stom omdat ik altijd de indruk leek te geven dat ik een soort schuldeiser ben van ongeïnde emotionele arbeid. Zo hoeft dat allemaal niet te zijn, natuurlijk.

Praten met gesproken woorden gaat me niet altijd even goed af. Ik luister naar muziek, of ik probeer poëzie te bespeuren in de buurvrouw die met een nukkig gezicht haar auto wast terwijl er een oudere man voorbij wandelt die zijn best doet om haar niet aan te staren. Ik krijg meer gezegd door een knuffel of de voorhoofden tegen elkaar houden dan ik kan in al m'n fraai geconstrueerde zinnen of m'n stomme grappen.

Ik bekijk m'n telefoon. Enkel automatische mails, waarvan eentje me vrolijk meldt dat er weer facturen zijn gearriveerd via m'n bank-app. De betaling daarvan regel ik wel op de dag dat ik zelf betaald word door het werk van de kantoren en het getokkel. Nu wil ik nog niet zien of ik in het rood sta (en hoeveel), en of ik al betaald ben door andere schuldenaren. "Zoals ook ik vergeef aan mijn schuldenaren" zong ik vanaf m'n 11 trouwens niet meer mee als we het 'Onze vader' moesten zingen in de klas. Het toekeren van de andere wang leek me altijd zo onnozel. Niet dat ik een wraaklustige jongen was, maar rechtvaardigheid leek me belangrijker dan jezelf een heilig imago aanmeten, laat staan op een best paternalistische manier te proberen tonen aan wie je kwaad doet dat je er lekker boven staat. Wraak is idioot, maar overdreven zachtaardigheid is dat ook. Zelfs Mandela, Martin Luther King en Ghandi hadden hun kernen van staal.

Overmorgen - technisch gesproken morgen - trouwt Natasja, en ik ga op haar feest een kleine speech geven. Tevens ben ik de laatste DJ in het rijtje feestomkaderaars, en ik heb eindelijk de volledige playlist samengesteld, nadat Kim me er op gewezen had dat ik niet één maar twee uren moest zorgen voor vertier voor alle leeftijden van 9 tot 99. Op diezelfde dag moet Sofia naar een uitvaart. Wij Vlamingen zijn niet geschikt voor uitvaarten. Het gaat er allemaal zo houterig aan toe. Zeker waar ik vandaan kom, daar werd op een uitvaart openlijk verdriet weliswaar gerespecteerd, maar ook met afstandelijkheid benaderd, alsof het eventjes ok was om je ogen uit je kop te huilen, maar dat je nadien bij de broodjes maar best weer flink kon zijn. Is het dat waar onze vooruitgang op gebouwd is, dan? Op flink doorwerken, flink de files verdragen, flink je huishouden doen en flink aanvaarden dat je allicht nooit meer zal mogen zijn dan wat bepaald is bij je geboorte door je kleur, het geld van je ouders en je genitalia.

Gisteren - eergisteren, technisch gesproken, maar rot toch op met die term - zei ik tegen Sofia dat m'n eeuwige tweestrijd loopt tussen het goede doen en m'n eigen zin doen. Meestal lopen die twee hand in hand. Soms knokken ze met elkaar. Zoals die keer dat ik een snoeppapiertje op straat gooide en dan terugliep om het op te rapen en in een vuilnisbak te gooien. Of dat ik geloof dat daklozen een maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn, maar dat ik toch ergens in Brussel een oude bedelaar een paar euro's in de hand drukte.

Op het pakje sigaretten waaruit ik een sigaret pluk staat als waarschuwing dat roken het risico vergroot op blindheid. Samen met de waarschuwing die vergezeld wordt van een vader met een jaren '70-kapsel die rook in het gezicht van een baby blaast, vind ik dat één van de zwakste waarschuwingen. Niet omdat ik blind zijn onderschat, maar omdat ik van alle zintuigen het zicht verliezen allicht het minst erg zou vinden. Doof worden of niets meer kunnen voelen lijkt me nog erger. Dan zit je al bij leven in een isoleercel. Misschien denken mensen die doof zijn daar anders over. Het is sowieso een uitspraak van iemand die op dat vlak het privilege heeft van goed werkende zintuigen. Misschien te goed. Ik proef bijna de insecticide die zonet een dozijn geleedpotigen heeft doen neersuizen van m'n muren en m'n plafond. Ik pik de vibratie op in de buurt dat er bijna geen vibraties zijn om op te pikken. De luchtballons zijn al lang weg gevlogen, en het hete Thaise eten van even geleden baant nu zijn weg ergens door mijn cellen en door de riolering.

Ik controleer of alle asse in de asbak voldoende afgekoeld is en ik doe dan het licht uit dat zo'n lokvogel bleek voor al die insecten. Alweer ben ik tientallen teksten rijker in m'n hoofd, maar weet ik heel goed dat er hoogstens één gaat uitrollen, alsof het een kaduke printer betreft. Het zij zo. Ook de groten hadden hun mindere dagen. Dus laten we de kleinen, met hun lieve vrienden en hun dekens met poezen op, niet te hard benaderen.

dinsdag 9 mei 2017

Een hoofd vol schaduwen

De turnzaal van m’n lagere school deed dubbel dienst als de theaterzaal voor het lokale amateurgezelschap van het dorp. Als er op het podium decor opgesteld stond, vond ik het er altijd leuker om te turnen. Het gaf een feestelijk cachet aan een zaal die anders gedomineerd werd door veel te hoog ingeplante ramen uit de jaren 1910, en donkergroen tapijt waar je je knieën lelijk aan kon schuren. Ooit had één van de decormuren op het podium het graffiti-opschrift “Hoe lang nog?”. Hoe lang nog tot wat? Als vieze prepubertjes onder elkaar dachten we natuurlijk aan seks. Tien jaar later dacht ik bij die wanhoopskreet aan de opening van Cicero’s beroemde redevoering tegen Catilina, waar hij het bombast allerminst schuwde.

Nu denk ik eerder aan een existentiële invulling. Hoe lang nog tot bewezen wordt dat het goede in deze wereld toch iets waard is? Ik kijk door het brede venster van m’n werk naar beneden en zie het eindeloze draaien en keren van de wagens op het rond punt. Ik nip van m’n koffie. Elke verklaring over waarom er slechte dingen gebeuren, voelt ontoereikend aan. God is een verzinsel en karma is me te simpel. Dan blijft er nog toeval over, maar moeten we het daar dan maar mee doen? De zon die nu schijnt is een vrij frisse voorjaarszon, maar bij God (weer Hij) als die ook geen schaduwen werpt. Hoe lang nog? Hoe lang nog tot ik ooit vrij kan zijn van die meerlagige agenten die het water troebel maken en zwaarder maken wat voor andere mensen vederlicht kan zijn?

Het is met gepaste afstand dat ik frons als ik wollige theorieën hoor over hoe deze wereld ons misvormt tot uitgeholde idioten met de aandachtspanne van een kip. Een goed gesprek kan al eens deugd doen, maar analyse blijft maar beter met z’n tengels van mijn axonen en dendrieten. Medicatie is ook niet alles, natuurlijk. Al jaren ben ik een trouwe opvolger van medicatieschema’s, en al zit ik niet meer in woeste getijen of de Death Valleys van de geest zoals jaren terug, het is niet dat ik fundamenteel een vrolijker persoon geworden ben. Tijd voor een pauze.

In de lift kom ik een collega tegen die deze ochtend samen met me arriveerde en gisterenavond tegelijk met me vertrok. Hoe lang nog zullen we betekenis toekennen aan toeval? Er ligt een plasje water op liftvloer. We zien het allebei tegelijk. “Het is niet van mij,” zeg ik. Ze giechelt als een schoolmeisje. Ik ben nooit op m’n grappigst als ik me gelukkig voel, dan lijkt het soms alsof de woorden me ontbreken. Niet genoeg geoefend op die mooie woorden die bellen kunnen blazen van het gemoed, of misschien ben ik gewoon zo bang van het cliché dat ik liever m’n bek hou. Ook dat is een cliché, de mislukte artiest die plots wordt verlaten door de Muze als het geluk om de hoek komt kijken. Maar dat is niet waar – ik heb nog verliefde gedichten geschreven en bericht over eenvoudig en simpel geluk. Het is alleen moeilijker omdat het niet direct kan.

Directe rede of niet, de lift laat ons eruit en we gaan elk onze weg zonder nog iets te zeggen. De rokers hier zijn verbannen naar een half-ondergrondse parkeergarage die aan één kant nog een vaargeul heeft waar je in de zon kan staan en waar auto’s soms per abuis in komen gereden. Ik zeg niets tegen de andere rokers en kijk naar boven, naar de suikerspinnen wolken. Het zonlicht is lauw. Dat is niet erg want ik ben allergisch aan zonlicht, alsof ik letterlijk de witste man ben die je je maar kan voorstellen. Of een vampier. Wat moet het eenzaam zijn om een vampier te zijn.

Hoe lang nog, tot dit hoofd ergens kan gaan neerliggen in het gras, onbekommerd en gedachteloos? Hoe lang nog, tot ik niet onverhoeds door een geur of een geluid terug verloren gewaande herinneringen beleef waar ik het niet van kan helpen dat die doordrenkt zijn met nostalgie? Alsof ik als kind zo gelukkig was, daar in die vieze turnzaal en met een bullebak van een leraar sport. Als ik die neigingen krijg, dan tel ik soms mijn rozenkrans aan dingen die me beter doen voelen, zoals de eigenaardige schare aan vrienden die ik heb weten te verzamelen, of dat ik nog al m’n haar en m’n tanden heb. Of dat ik niet vastgekluisterd zit aan afbetalingen of spijtkinderen.

De sigaret is nu een stompje en vergezelt zijn dode broers en zussen nu in de asbak. Aan de muur hangt het opschrift “Om te roken gelieve u zich naar buiten te geven” en de taalfout in die zin ergert me nog altijd even hard als de eerste keer dat ze me opviel. Verleden zaterdag stond ik gemoedelijk te paffen met de organisator van een quiz waar ik deelnam, en hij zei wat ik zelf al vaak dacht, dat het oppassen geblazen is met korte teksten om niet te snel te vervallen in trucjes. Dat is waar, maar trucage heb ik niet echt nodig. Toch niet voor de indirecte rede, die steeds probeert te koersen langs die randen van de schaduwen die niemand kan zien. Hoe lang nog, tegen dat ik die kan wegblazen als het pluis van een paardenbloem?