Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zaterdag 19 maart 2016

Donker aan de rafels

Dit is zo'n weekend. Opgestaan om drie uur in de namiddag, vlug naar de winkel geweest om wat eten en drinken, dan weer in m'n pyjama glijden en me afsluiten van de wereld in mijn mancave, een ruimte van vier op vier meter met boekenkasten, mijn computer, een leeszetel en een koelkast. Om daar even al het stof op me te laten vallen, artikels te lezen, alleen te lachen met comedy en af en toe de kat eten te geven. Het zijn weekends waar ik intens van hou, ook al bereik ik er niets mee en zijn er honderd dingen waarvan ik me kan voorstellen dat ik ze zou moeten doen, zoals opruimen, de afwas of een rondje gaan hardlopen in het nabijgelegen park. Het is gewoon de balsem voor mijn beursgeslagen ziel, om het pathetisch te zeggen.

Deze kamer vat m'n leven aardig samen, inclusief de grote, halflege vodkafles die aan de muur gespijkerd hangt (jaren geleden gekocht van een bevriende, voormalige cafébaas). Op het bureau liggen allerlei pillen die ik moet nemen tegen mijn chronische ziektes, een verstoord immuunsysteem dat zichzelf voortdurend aanvalt. De burgeroorlog in Syrië op moleculair niveau, als het ware. Er staat ook een fles cola en een half-opgegeten, opgerolde zak chips waar ik rustig vier dagen over doe om die op te maken. Niet te vergeten: ook de asbak staat er, die smerige recipiënt van het smerige afval van m'n al even smerige gewoonte. Gisteren hadden we het er nog over op café, of het zou kunnen dat men roken gewoonweg illegaal maakt binnen 30 jaar. Het lijkt me niet onmogelijk.

Gisteren, dat was ook een nieuwe expositie bezoeken in het SMAK, dat voor de gelegenheid de deuren wijd had opengezwaaid. Op het gelijkvloers was het een drukke bedoening rond lelijke en stomme objecten waarvan mijn broer Roman, zelf een soort kunstenaar, bijna agressief werd. Zo van die contemporaine kunst waar je ergens wel van vermoedt wat het zou kunnen betekenen, maar enkel in masturbatoire verhouding staat tot zichzelf, met geen vermoeden van technisch kunnen of boodschap die niet ergens te herleiden valt tot een postmoderne zaadvlek in een catalogus waar kunstkenners mensen massaal bij de neus nemen.

De bovenste verdiepingen waren interessanter. Levensgrote wall art, kartonnen decors die nagetekend waren in houtskool, met teksten erbij als uit een avonturenverhaal. Het was er bijzonder warm. Dan waren er de platen (etsen) in de kamer daarnaast, sombere metalen rechthoeken waar in goud en vlammen primitieve silhouetten gekerfd waren, vlammen en sterren, als een verre echo van de kunst van Lascaux tot de hiëratische mystiek van het Oude Egypte. Je ziet, een eind lullen, dat kan ik ook wel. Maar het sprak aan. Daar waren we het allemaal over eens.

Wat net zo veel bekijks oogstte van ons, waren de mensen die je typisch in een museum ziet rondlopen. Meisjes met kekke hoedjes en een soort 'lesbian chic', grijze mannen met véél jongere partners, hipsters met manbuns en de occasionele spuuglelijke persoon die je nergens anders tegenkomt dan in een museum. Veel mensen ook à la berlinette, volledig in strak zwart en met witte sneakers. Een amalgaam aan mensen waar de gemiddelde rechtse zak in een volkscafé een gloeiende hekel heeft. En waren we zelf niet even stereotiep? We waren met vijf, twee mannen met baarden, één met een snor, één vrouw met kort haar en één vrouw die door haar vriendinnen constant beschuldigd wordt dat ze een hipster is. Ik ben het daar niet mee eens maar misschien maakt mij dat ook wel een hipster.

Ik neem een voorzichtige slok van m'n glas, wil een sigaret aansteken en merk dat er al één lag op te branden in de asbak. De helft van m'n sigaretten die ik aansteek, rook ik niet eens volledig op. Ik zit te luisteren naar enkele nummers van Editors en glij mee op de aan de rafels donker gerande neopunk die zich steeds nadrukkelijker profileert als de second coming van U2. Dat is ok. Mensen schijten zo veel op U2 en om redenen die ik goed versta, maar dat neemt niet weg dat ze een back catalogue hebben die bijzonder veel respect verdient.

Ik denk ook terug aan de Sinksenfoor waar we door moesten waden toen we van het SMAK naar een café gingen. Ik weerstond aan de verleiding van vettig of gesuikerd eten en dacht aan al die herinneringen die opgeslagen liggen in die foor. Vorig jaar bezocht ik er nog een spookhuis op een lieve date met m'n toenmalige lief. Vier jaar geleden had ik er een date met iemand anders, een prelude op een doodgeboren relatie. Die relaties van me, die duren gemiddeld een jaar. Waarom is dat zo? Ligt het aan m'n eigen onmogelijkheid, of valt dat virus in m'n lichaam ook psychisch zichzelf aan? Ik weet het niet. Momenteel heb ik nog geen tijd voor nieuwe liefde. Er valt nog zo veel te lezen en te schrijven, en straks moet ik boterhammen smeren. Every move you make - breaks me. Every smile you fake - breaks me.

zondag 13 maart 2016

Zo vloeibaar en vluchtig mogelijk

Sinds korte tijd neem ik van en naar het werk buslijn 3 in Gent. Het is telkens een fascinerende rit, omdat lijn 3 aan haar uiteinden rustige, burgerlijke, zelfs voorstedelijk gekarakteriseerde buurten heeft waar gezinnen soms nog in losstaande huizen wonen, dwars door het verhipsterde en toeristische centrum van de stad gaat, en als tussenlaag slingert door de Dampoort en de Brugse Poort, buurten waar gegoede Gentenaars zelf een beetje vies van zijn. Het is waar, de Dampoort en de Brugse Poort bulken van de smoezelige telefoonwinkeltjes, Turkse cafés met TL-buizen, kromme oude ventjes en behoofddoekte moeders die een kasteel aan buggy’s voortduwen over uitgewoonde trottoirs. Maar je ziet er ook de Turkse ondernemersgeest, de grillhuizen waar mannen onder een dampkap druk vanalles zitten uit te leggen, of de kleurrijke Afro-shops die altijd “blessed” zijn. Beter alleszins dan die Afro-shop in Gentbrugge, dicht bij waar ik werk, die in grote letters “SOS Africa” kopt, alsof Afrika onveranderlijk synoniem is voor miserie, ziekte en honger.

Buslijn 3 geeft me een korte inkijk in het alledaagse leven van mensen die ik in mijn eigen sociale kringen zelden ontmoet. Ik herinner me uit mijn kindertijd dat we soms naar de pleegouders van mijn vader gingen en dat die mensen in Ledeberg woonden. Daar zag ik voor het eerst vuil op straat, m’n eerste verloederde huis en m’n eerste familie die duidelijk niet van Vlaamse afkomst was. Je kan je afvragen in wat voor melkwitte omgeving ik opgroeide, maar we spreken hier over de late jaren ’80, toen er nog geen Zwarte Zondagen geweest waren en terreur die het land kende, in hoofdzaak even blank was als het merendeel van de bevolking. Wat ik me herinner van door het venster van de auto te kijken naar die donkerder kindjes die op straat speelden en een man die er sjofel op zijn dorpel bij zat met een huid van bruin papier en een volle snor, is hetzelfde gevoel dat ik nu heb als ik door het busvenster binnen kijk in zo’n amateuristisch winkeltje. Daar zit een wereld waar ik niet thuis hoor, niet uit kom en allicht ook niet erg veel mee deel. Voor je denkt dat ik hier een beetje de oriëntalist uithang in eigen stad, nog dit: ik deel niet zo veel met het merendeel van mijn landgenoten. Sinds kort kijk ik wel weer tv en ik laat me altijd een goede pot voetbal smaken, maar wielrennen gaat aan mij voorbij, lekker koken interesseert me nauwelijks en er is geen enkele soap die ik volg. Maar bij die leefwereld kan ik me meer voorstellen want daar kom ik wél uit. Ik weet wat het is als grootouders, ooms en tantes schuine moppen tappen bij het kaarten en bij taart en koffie. Ik weet waar het hart van de wielertoerist sneller gaat van slaan.

Toen ik nog aan de Heuvelpoort woonde, dook ik ’s nachts soms onder in een andere wereld die als jongere vreemd en gesloten voelde. Dan ging ik relatief anoniem van café naar café en van club naar club. Ik wilde de gesprekken horen om vijf uur ’s ochtends op de Oude Beestenmarkt tussen veteranen van de nacht, of wilde toekijken hoe een straatgevecht ontstond in de Overpoort. Ik ben een cholericus dus er is iets voor nodig om me daarheen te brengen, omdat ik gruw van het idee ergens te zijn waar ik niet gewenst ben. Dus dronk ik een paar glazen en maakte ik me zo vloeibaar en vluchtig mogelijk. Als ik een vlieg op de muur geweest was, dan zou ik daar extatisch van geworden zijn. Zo luid en levendig als ik ben in mijn eigen sociale aquariums, zo stil en bedachtzaam werd ik bij het aanschouwen van een nieuwe, andere wereld.

Ex Emma zat niet graag op bus 3. De realiteit voor een jonge blonde vrouw is anders dan voor een vrij gewoon uitziende man van vooraan de 30. Het is een voorrecht dat ik me anoniem ergens kan bewegen. De toegang is me ook zelden geweigerd aan de deur van nachtclubs, tenzij misschien in échte m’as-tu-vugelegenheden. Die wereld van losjes over de schouders gedrapeerde golfsweaters en mocassins trekt me ook aan, maar niet in de mate dat de nachtbrakers, de migranten en de arbeiders mij boeien. Misschien is dat omdat ik, als ik pakweg te voet slenter door Nieuw Gent bij Zwijnaarde, iets lijk op te pikken dat dwars is, iets dat echt doorleefd is, hoewel zo snel weer vergeten. Wat moet ik met een snob die staat te pronken met een fles wijn van €80 op restaurant? Tegelijk ga ik nooit claimen dat ik een volksmens ben. Als er één mensensoort is die ik nog meer minacht dan de oranje gecrèmde, übergeföhnde Knokke le Zoute-mens, is het wel de hogere middenklasser die zich uit alle macht een volks imago probeert aan te meten. Denk liberale politici die stemmen ronselen op boerenmarkten. Denk middenstanders met een BMW en een Toyota die klagen dat ze het ook lastig hebben om rond te komen.

In een stad samenleven, het is niet simpel. Dat wisten ze ook al in Athene en Rome, met het typische cynisme van de sofisten en het sarcasme van satirici tot gevolg. Maar er schuilt ook altijd ruimte in voor verwondering. Als het niet was dat ik in Dublin in het midden van een plein een sociaal geval een drol zag leggen in zijn eigen handen, dan is het dat ik me stil afvraag waarom in Gent twee Turkse modewinkels aan weerszijden van de straat dezelfde naam hebben.

maandag 7 maart 2016

Natuurlijk denk ik nog aan haar

Afscheid nemen kan hard zijn. Een maand geleden beëindigde ik een relatie van een jaar. Het is zeker niet de eerste keer dat ik uit een relatie stap (of eruit gegooid word) en hopelijk is het wel één van de laatste keren geweest. Onmiddellijk gaan herinneringen druk aan het werk om etiketten te kleven op wat geweest is. Zo staan er verschillende glazen bokalen in de kelder met de namen op van voormalige geliefden en daaronder een aantal steekwoorden. Het is niet fair om mensen tot karikaturen van hun slechtste en beste momenten te reduceren en dat doe ik al enkele jaren niet meer met ex’en. Misschien daarom dat ik er drie van hen tot vriendinnen mag rekenen, waar ik dankbaar om ben.

Met Emma zal dat allicht niet lukken en ik moet respecteren dat ze me niet in haar leven wil. Als initiatiefnemer van de breuk heb ik geen rechten. Ik weet niet hoe dat zit met anderen, maar uit relaties herinner ik me als tederste momenten meestal niet de Grote Woorden en de Grootste Daden. Geen passionele kus in de regen als in ‘Four Weddings and a Funeral’, geen “Frankly, my dear, I don’t give a damn.” Ik herinner me van één geliefde hoe ze met berustende geamuseerdheid kon kijken als ik voor de zoveelste keer ergens de clown kon uithangen. Of hoe ik één keer van de ouders van een ander lief bij m’n enige overnachting in haar ouderlijk huis een sponzen pyjama van haar vader (!) moest dragen omdat ik er zelf geen bij had. Met Emma denk ik aan onze laatste maaltijd, nukkig doorgebracht in het appartement waar ik nu alleen woon en zij op de valreep nooit komen wonen is. Het waren godbetert hot dogs. Ik denk aan de pot kippensoep die ze zonder iets te zeggen achterliet aan de deur toen ik ziek was. Ik denk aan een minikrantje met kruiswoordraadsels en andere spelletjes dat ze voor mij samengesteld had, of aan strandballen over en weer meppen terwijl we met modderig zand ingewreven stonden te giechelen in de Noordzee.

Maar hoe gaat dat, een relatie die voorbij gaat? Soms kan je zeggen: “zus en zo sloeg me”, of “ze wilde geen kinderen”, of “hij bleef vreemdgaan”. Maar veel vaker is het de dood van de duizend kleine steekjes. Je lichaam dat voelt dat het op is nog voor je die gedachte bewust toelaat. Het wanhopige onderhandelen van de laatste momenten, de vlam die nog eventjes opflakkert voor het einde van het vuur. En als je het zelf beëindigt, is er ook nog het schuldgevoel nadien. Vrienden proberen mijn beslissing goed te praten en het wàs ook de juiste beslissing, maar dat ontslaat me nog niet van het feit dat ik iemand pijn heb gedaan die ik graag zag, en geen klein beetje. Toen ik een veel jongere man was, was ik vaker de gedumpte. Dat doet meer pijn, maar die pijn is een rechtvaardige pijn. Je kan gerust even de andere demoniseren en verhaal halen bij sympathieke troostschouders. Als dumper heb je daar niet echt recht op, tenzij in de voornoemde gevallen waar één duidelijke aanleiding het drama in gang zet. Wat hier absoluut niet het geval was.

Natuurlijk denk ik nog aan haar. Natuurlijk hoop ik dat ze haar romantische dromen niet opgeeft en de man vindt die niet haar vertrouwen breekt. Of dat ze zelf eens iemand de wacht zal aanzeggen (wat ze, al mijn jeremiades ten spijt, allicht beter had gedaan, maar vijgen na Pasen zijn makkelijk te plukken). Je wil niet iemands persoonlijke Waterloo zijn. Een relatie beëindigen is meestal niet eens een overwinning, maar een opgeven. Cultuurpessimisten vinden dat de Westerse mens te snel opgeeft en maken zich er druk in dat we ongelukkig worden van het nastreven van de Ideale Relatie. Ik weet het niet, ik ben minder gelukkig dan drie maanden geleden maar gelukkiger dan een maand geleden. En elke keer dat iemand me dumpte, klauterde ik nadien naar hoger gelegen oorden. Ik ben er zeker van dat ik ooit terug verliefd zal worden, want ik ben een mens die nog niet half de misantroop is die hij soms denkt te zijn.

Al een half leven probeer ik de liefde te begrijpen. Ik probeer te verstaan wat mensen in elkaar aantrekt of afstoot, waarom die ene blik onweerstaanbaar is en die andere persoon toch net niet dàt is, of waarom sommige mensen altijd gehuld blijven gaan in een mist van potentiële verhalen die nooit zullen uitkomen. Hebben andere mensen dat ook? Ze zullen vast bestaan (dat maakt ons nog geen vrienden of potentiële minnaars, evenwel), maar misschien moet ik me er bij neerleggen dat het het ene puzzelstuk is dat ik nooit zal kunnen plaatsen. Laat wetenschap, politiek, taal en cultuur maar op de poorten beuken of hun meest geschifte vormen aan me opdringen – ik kauw erop, verteer ze en scheid de overtollige resten af. Maar relaties, dat blijven die vreemde schelpen die je verzamelt op het strand zonder echt te kunnen verantwoorden waarom.