Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

donderdag 1 december 2011

Sixtijnse discipline

Ik lig op de vloer van mijn appartement en staar naar het plafond. De verandering van perspectief doet me terugdenken aan neerliggen in hoog, nat gras en turen naar voorbijkabbelende wolken, mijn ogen beschermen tegen te helder zonlicht of op een koele lente-avond kijken naar de sterren als die niet aan het zicht onttrokken worden door wolken. Toch zie ik alleen mijn plafond, beige en bescheiden in zijn burgerlijkheid. Ik lig op de grond omdat ik situps probeer te doen - mijn eeuwige knipperlichtrelatie met het gevecht tegen de entropie. Ik ben ervan overtuigd dat het er idioot uit ziet, maar zoals Reve schreef over hoe hij alleen en dronken in zijn bed plaste en niemand het een bal kon schelen behalve God, denk ik ook niet dat dit een moment is dat de eeuwigheid zal in gaan.

Het appartement wordt bevolkt door vreemde geuren. Huisgenoot Natasha is soep aan het maken. De huiskater scharrelt neurotisch rond en wil zowel aandacht als eten, als een eeuwig mentaal gehandicapte peuter op vier poten met een staart en klauwen. In mijn haar en aan mijn huid kleeft nog opgedroogde regen, deodorant en de smaak van sterke instantkoffie op kantoor. Terwijl ik van beneden naar boven beweeg en mezelf bewust pijnig om situp per situp, dag na dag die bescheiden buik te zien wegsmelten (vijf kilo verliezen valt best mee, zou je denken), tuimelen al die indrukken over elkaar heen in mijn hoofd. Je zou soms momenten lang willen stopzetten om ze te blijven ontleden en lagen in te gaan ontdekken. Lagen van geuren, van stof, van over elkaar heen gedrapeerde kleren op stoelen en van broodkruimels die afkomstig zijn van een maaltijd met gebakken eieren. Banaliteit is een schatkamer aan ongezegde veelheden en herhalingen, en net daarom ook zo verwaarloosbaar.

Mijn buik begint tegen te spartelen. Dat is een goede zaak. Het doet me denken aan dat psychologische experiment dat men uitvoerde met vijfjarigen. Men legde een koekje voor hen op tafel. De onderzoeker zei dat ze het mochten opeten als ze wilden, maar als ze vijf minuten konden wachten, zou hij terugkomen en kregen ze twee koekjes. Jaren later bleken de kleuters met meer zelfbeheersing ook de meer succesvolle mensen in het leven: doctorandi, geslaagde zakenmensen, tevreden familieleden en productieve leden van de samenleving. Ik vraag me af hoe ik bij zo'n experiment zou gevaren hebben. Als iets de moeite waard is, kan ik mezelf beheersen, denk ik. Alleen is er weinig de moeite waard. Twintig, eenentwintig. We gaan naar de dertig situps, met gezwinde bewegingen, anatomisch correct en medisch verantwoord. Impulscontrole is een fascinerende zaak.

Plafond en muren kantelen bij elke opwaartse en neerwaartse beweging. Ik hoor de soep in de keuken stomen en laat me overweldigen door de kalme banaliteit van de avond. Dat kan. Dat moet af en toe. Je kan niet leven van hoogtepunt naar hoogtepunt. Ik denk aan een glas vodka, straks. Я не люблю водку, водкa я. Franse vodka wordt onderschat in Europa. Vijfentwintig, zesentwintig. Het lichaam moet in vorm gebracht worden. De leraar, zei Sloterdijk, is de figuur die wil dat ik wil, en ik probeer mijn eigen leraar te zijn. Aan de andere kant heb ik lak aan autoritaire figuren omdat ik er stiekem zelf één ben, en zo is elke mens op een bepaalde manier een eeuwige slang die zijn eigen staart aan het opeten is.

Dertig en stop even, rusten. De ogen sluiten en dan weer openen. Het beige plafond is onveranderd, maar ik had dan ook niet verwacht dat er plots schilderingen op zouden gekomen zijn in het genre van de Sixtijnse Kapel. Mijn huiskater komt aan mij snuffelen. Voor hem moet het absurd zijn dat zijn baasje op de vloer ligt en deze oefening doet. Het is tegelijk geruststellend en bevreemdend dat hij, als nauw verwant zoogdier, een aantal uitdrukkingen heeft die even diep ingeëtst zitten in mijn eigen dierennatuur als in de zijne - verbazing, angst, woede, walging, nieuwsgierigheid. Je ziet het ook bij honden, dolfijnen, paarden en olifanten. Ik kom terug in beweging. En octopussen. Zullen we ooit echt mens, ideaal mens, kunnen worden tegenover elkaar als we dieren blijven afbeulen en mishandelen? Er wordt wel eens gezegd dat men de kwaliteit van een maatschappij kan afmeten aan hoe de allerzwaktsten het stellen. Misschien kan men dat a fortiori beweren over de dieren.

Nu gaat het van links naar rechts, elleboog die knie aanraakt. Het einde van de oefening is in zicht. Zovele gedachten die met elke ademtocht uitgestoten worden, en ik besef dat het geen moer uitmaakt. Het brein draait voortdurend nutteloze overuren als een soort vergiftigd geschenk van de evolutie. Ik denk aan Einstein die naar verluidt zijn eigen schoenveters niet kon knopen. Of Franse existentialisten die na het samenstellen van enorm fijnbesnaarde intellectuele theorieën opgewonden werden van zich te laten insmeren met stront. Er zit poëzie in. Men vermoedt er een achterlijke karmische rechtvaardigheid achter. Veertien, vijftien aan de linkerkant. De zwakke kant. Rechtshandig, linksbreinig. Daar bestaan ook parapsychologische theorieën over. Natasha haalt de soep van het vuur en de kater verliest zijn interesse in me. Ik kijk uit naar mijn twee koekjes straks. Mijn voor het geestesoog zwevende glas vodka. Bitte, bitte, gib mir Gift.