Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

vrijdag 23 oktober 2009

Hagen en kubussen

Ik moet mezelf eraan herinneren dat ik morgen vroeg op moet om te werken als ik het glas gemengde pastis, water, suiker en absint aan mijn mond zet. Dat glas is daar niet vanzelf gekomen - het werd me in de handen gedrukt door B, die binnenkort voor enkele maanden naar Australië vertrekt. Hoewel ik in mijn leven via geheel toevallige wegen al veel Australiërs ontmoet heb, kan ik me bij het land niets meer voorstellen dan die rare accenten, het operagebouw van Sydney, Ayers Rock en enkele chronisch slecht behandelde aboriginals. Het vergt in elk geval moed om zo'n radicale vlucht in het onbekende te wagen. Maar buiten zijn vele vrienden is er niet iets dat B hier echt houdt. Geen relatie, geen kinderen, geen werk, geen studies. Hij doet het omdat het nu nog kan, en, zo vermoed ik, misschien ook om dat totaal vreemde op te zoeken dat een puzzelstuk zou kunnen toevoegen aan zijn zoektocht naar wat een mens gelukkig maakt, al is dat een behoorlijk flauwe zondagspsycholoogbespiegeling. Ik geef het glas door aan S, die tegen me aan leunt alsof ik een vleesgeworden zetel ben, en kijk rond door het appartement. S zal later gelijk hebben dat we niet erg lang hadden hoeven blijven, want per slot van rekening kenden we er iedereen en konden we er gesprekken voeren die we al vaak gevoerd hebben, grappen gemaakt hebben die we op elk moment van de dag konden maken, en ons lazarus drinken zoals we ook zouden kunnen hebben gedaan in ons vertrouwde stamcafé.

Dan liever even de koelte van het balkon, dat uitkijkt over een nieuwe, fris ogende sociale wijk en een klein park met vreemd gesneden, hoge hagen. De fietsen van S en mij leunen tegen het hekken van dat park, "alsof ze verliefd zijn," zo merkte ik in al mijn meligheid even later op. We zullen B voor een half jaar niet zien, en ik weet dat hij ons en al die anderen in het diepste van zijn zelf niet echt zal missen, omdat hij beseft dat niemand volledig onmisbaar kan zijn, enkele grote uitzonderingen niet te na gesproken. Het moet bevrijdend zijn, niemand te hoeven missen. Het moet ook bevrijdend zijn om te leven zonder angst om iets te verliezen. Uiteindelijk bezit een mens niet echt iets. Het ego stribbelt tegen. Het wil niets liever dan bezitten - vriendschap, rijkdom, kennis, liefde en macht. Ik neem nog een slok van de aangelengde absint, en besef dat ze al in mijn hoofd zit, die negentiende-eeuwse, groene duivel. Ik denk ook aan het feit dat vrouwen altijd meer aandacht voor me hebben als ik in een relatie zit, alsof dat ruikbaar en zichtbaar is. Het is een eigenaardige wereld. We kunnen parken met rare hagen aanleggen alsof het kubistische kunstwerken zijn, en tegelijk zo geregeerd worden door oeroude, haast onbedwingbare instincten.

Even later gaan we huiswaarts, nadat we samen het glas suikerwater met absint en pastis plichtsbewust geleegd hebben (er was ook ergens wel vodka bij betrokken, maar geen haan die daar naar kraait). Ik voel me gerust dat ik mijn heilige zes uur slaap zal kunnen koesteren, en heb op dat ogenblik geen weet van collega's die op een bedrijfsfeestje een dikke dag later licht aangeschoten luchtgitaar zullen spelen, noch dat ik me ongewoon berustend zal voelen met een onderstroom van constante ongerustheid, hoewel ik zoiets wel zou moeten kunnen voorspellen. Ik ben vooral blij dat ik me straks naast S zal kunnen aanschurken, en me zal afvragen wat voor gedachtenpluis er in haar rondwaart, terwijl we samen onder dikke dekens zullen liggen en gesprekken zullen voeren die betekenisvol lijken op dat moment, maar mogelijk de dag erop al half vergeten zullen zijn. Terwijl we met de fiets door Gent hobbelen, over kasseien, fietsstroken en langs vervaarlijke tramsporen, denk ik aan wat er mij toe aan zou kunnen zetten om ook zo'n sprong te wagen, weg uit mijn vertrouwde stad met de torens, de bekende winkels en het altijd veranderende gezicht van de uitgaansbuurten. Ik weet het niet. Ik laat alleen mijn verlangens die diepgeworteld zijn in het nu spreken.

Eenmaal thuisgekomen is het net middernacht gepasseerd, en sta ik al met één been in de vrijdag. Ik voel dat het hele raderwerk van de ochtend erop voorbereiden, met het rituele zetten van de wekker, het avondlijke voorbereiden van het ontbijt en de rosse kater triest achter te laten in de living met zijn eten en zijn kattenbak, zich volmaakt afspeelt als een Zwitsers horloge. Ik rook nog een sigaret terwijl S zich in bed nestelt als een grote poes, nadat ze zichzelf eveneens ritueel van haar lenzen ontdaan heeft. De gedachte komt opzetten dat ik misschien hartelijker afscheid had moeten nemen van B, maar dat wordt tegengesproken door het gevoel dat ik nu eenmaal niet iemand ben die goed is in dat soort gevoelens, omdat afscheid als vanzelfsprekend komt. Misschien dat dat minder met het nu dan met de toekomst te maken heeft. Die toekomst, die altijd tantaliserend dichtbij en veraf is, en exotische plaatsen, frisse gedachten en hartverscheurende gevoelens belooft. Het is allicht permanente verliefdheid op een verlangen. Ik neem er nota van dat dit ondanks de speciale gelegenheid op zich bekeken een dag was als een ander, en dat het niet de moeite zou zijn om er ook maar een letter van op te schrijven.