Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 25 februari 2014

Contrawerelden

De hemel boven Brussel is zo grijs als de Noordzee. Er ligt een stoflaag van tristesse over de stad, die bijna in regenen gaat uitbarsten. Het is sentiment. Het is eigenlijk een dag als alle andere in deze milde winter, maar hoe ik me voel, daar kan ik ook niets aan doen. Je hebt mensen die geboren worden en zich direct een plaats weten in de wereld, of aanvoelen dat de wereld een plek is die op hun maat gesneden is. Veel mensen voelen dat niet zo aan, en op onze eigen lullige manieren gaan we daar allemaal zo goed en zo kwaad als we kunnen mee om. Mijn tactiek was altijd om de wereld te veranderen in een plaats die voor mij geschikt was. Desnoods zou ik werelden maken, en wat is de hele lange adem van schrijven anders dan de praktijk daarvan? Een vriend die bij nader inzien later maar een lul was, zei ooit dat veel fantasie hebben een eigenschap is van losers. Het ergste was dat hij gelijk had. Aan de andere kant is fantasieloosheid de dood van alles, dus dan ben ik liever een pathetische loser dan een zandzak met kleren aan.

De keerzijde van nobele bedoelingen is de uitvoering ervan, denk ik, als ik voor de zoveelste keer passeer langs de vaste schare daklozen en metromuzikanten terwijl ik haastig naar Brussel-Centraal stap. Er is één oud vrouwtje die ik af en toe enkele eurocentjes heb toegestopt, maar ik ben daarmee opgehouden omdat er in haar buurt altijd een zeer opdringerige straatventer rondliep die zich persoonlijk beledigd voelde als ik voor de vijftigste keer geen daklozengazet wenste te kopen. Het ergste is dat ik die man z’n woede niet eens verwijt, maar dat ik de twee minuten rust van een sigaret roken tussen trein en metro ’s ochtends vroeg niet wenste opengebroken te zien door telkens hetzelfde gesprek te voeren in telkens datzelfde taaie Frans, dat om 8 uur uit m’n mond kwam alsof ik net had leren spreken.

Maar: nobele bedoelingen genoeg, al zijn we er soms niets mee. Op het perron lees ik in de Humo een interview met twee ouderparen die een kind verloren, naar aanleiding van de Oscarnominatie voor ‘The Broken Circle Breakdown’, en het gevoel in mij neemt weer de overhand. Wat heb ik te klagen over lawaai op het werk van collega’s die te luid kauwen aan hun bureau, of wat zit ik boos te pruttelen over de strontgoochelaars die me het leven zuur maken als ik probeer te vatten wat dat moet zijn, je kind verliezen. Natte treinen gieren naar binnen en naar buiten, en mensenmassa’s verplaatsen zich, maar m’n blik hangt ergens in het ijle. Zo veel pijn wens je niemand toe, en valt ook niet te delen. Misschien wil je ze ook niet delen. Miserie houdt van gezelschap en plant zich maar al te graag voort. Wat zou ik doen als iemand van m’n vrienden een kind verloor? Mijn ouders hadden een vriend die twee weken voor mijn geboorte verongelukte, en als kind (ik werd nota bene geboren op zijn verjaardag) werd ik één keer per jaar naar zijn ouders meegetroond. Na de taart viel er telkens die lange stilte die voorafging aan het bezoek van zijn graf. Uiteindelijk verwaterde het contact tussen mijn ouders en zijn ouders.

Ik rol de Humo op als de lichten in de tunnel mijn trein aankondigen. Het is zo’n oud treinstel met neplederen zweetzetels. In de winter heb ik die liever, omdat die treinstellen zo veel lawaai maken dat ze het gebabbel, getelefoneer en ge-eet van de medepassagiers overstemmen en niet zo drukkend warm zijn. Ook vanavond heb ik geluk, en vind ik na even zoeken een coupé waar het redelijk stil is, na één coupé ontweken te hebben waar iedereen bier aan het drinken en chips aan het eten was, en een andere die gedomineerd werd door een Chinese die via haar iPad met de luidspreker aan aan het bellen was, omringd door het mooiste aan wat passief-agressief België te bieden heeft. Belgen zijn te beleefd voor hun eigen goed, en als ze dan uiteindelijk toch kwaad worden, exploderen ze in oudtestamentische woede. ’t Is niet dat ik anders in elkaar zit, en ik tors dan ook nog de last van uit mezelf een persoon die zijn met zeer veel woede. Het is een familietrekje. De scheldtirades van mijn overgrootmoeder waren naar verluidt legendarisch, haar dochter kon concurreren met boer Van Paemel, en haar dochter – mijn moeder – valt ook soms ten prooi aan vlagen van drift en boosheid. Ik zeg: met woede is er geen probleem, zolang het geen ongeleid projectiel wordt.

Er is een lijn bijgekomen in mijn voorhoofd, merk ik als ik kijk naar mijn weerspiegeling in het donker van het treinvenster. Het is een denkrimpel en geen lachrimpel, maar een mens moet van vele markten thuis zijn. Zoals vaker zie ik er moe uit, om niet te zeggen wat verwaarloosd, met iets te weelderig gezichtshaar en een das die slordig geknoopt is. Ik durf dat geen off-day meer noemen, want het zijn de dagen dat ik het vaakst blikken opvang van onbekende vrouwen. Hoe aantrekking werkt, dat heb ik nooit goed begrepen. Een grote verleider ben ik nooit geweest. De vrouwen in m’n leven kwamen vanaf een bepaald moment op eigen houtje, en bleken vooral meester in me het gevoel te geven dat ik hen aan het versieren was. Dat spel hoeft gelukkig niet meer. Dezer dagen ben ik vooral blij dat ik naast goede vrienden ook goede vriendinnen heb. Iemand die als volwassene enkel vrienden heeft van maar één geslacht, vind ik zelfs verdacht.

Ik sluit m’n ogen en probeer een dutje te doen. Het wordt zo’n kattenslaap, waarin mensen en dingen bijeen gedroomd worden die er ook in werkelijkheid zijn, maar in andere ruimtes en configuraties. Af en toe word ik weer wakker als de trein vertraagt over een stuk onzichtbaar spookland. Buiten is er niks dan donkere contouren van voorsteden of zeldzame Vlaamse velden. Emoties bezinken langzaam weer. In de halfslaap zijn het niet alleen de oren die afdwalen, ook het zintuig dat me vertelt waar m’n ledematen zich bevinden, begint z’n eigen gang te gaan. In sommige kringen geldt dat allicht als een uittreding. Voor mij is het gewoon de zoveelste komeet aan de hemel die zegt dat ik vaker moet slapen. Maar meer slapen, hoe doe je dat, als je elke dag op zo’n roetsjbaan gestuurd wordt van plaats naar plaats, gedachte na gedachte en gevoel na gevoel? Ze verwijten de jongeren van nu dat hun concentratie onbestaande is, te gefragmenteerd, zonder er bij stil te staan dat die jongeren leven in de wereld die die commentatoren mee hebben helpen scheppen.

We zijn bijna in Gent, en ik hou die gedachte nog even vast. Hoe doen we dat, een nieuwe en betere wereld scheppen? Ik heb altijd mijn idealen gevolgd in het stemhokje, nooit politiek opportunisme, maar veel zoden heeft dat niet aan de dijk gebracht. Ik probeer wel het goede te doen, maar hoe meer goed je doet, hoe meer je beseft dat er nog zulke grote stukken braakliggend land zijn. Het is pervers, allemaal. Als iemand me zegt dat ik een goed persoon ben, dan voel ik oprecht schaamte. Terwijl het publiek dat ik bereik elk jaar een beetje aandikt, word ik paranoïde van al die ogen. Richard Katz in ‘Freedom’ van Jonathan Franzen besefte op een bepaald moment dat depressie zijn biotoop was en dat hij zijn eigen geluk de nek omwrong omdat hij geen idee had hoe hij er mee om moest gaan.

De avondlucht rond Gent-Sint-Pieters is druk en fris. Ik zoek opnieuw aansluiting bij de wereld buiten m’n gedachten – die wereld waar ik altijd al geweten heb dat mijn plaats niet is, wat ook altijd een rustige zekerheid geboden heeft. En ik wacht. Ik wacht op de bus, en ik wacht op het moment dat de dingen in de plooi vallen, omdat het soms alles is wat ik kan doen. Een anonieme zenmeester zou ooit gezegd hebben: “Doe niet gewoon iets. Zit daar!”. Lastig in een bewegende wereld, zowel aan de binnenkant als de buitenkant, als je één van die vissen bent die niet met de stroom mee zwemt omdat hij niet wil, maar omdat hij niet kan.

donderdag 13 februari 2014

Ik ben de regen

Buiten stormt en waait het. Door de gangen van het appartementsgebouw klinkt de atonale muziek van de wind. Ik lig op het bed en luister, met naast me de huiskater. We ademen samen. Ik kijk graag naar hoe zijn borst groter wordt en dan weer kleiner, sneller dan de mijne, omdat zijn lichaam zo veel kleiner is en ik meer zuurstof nodig heb om te leven. Ademen is fundamenteel, en toch één van de enige lichamelijke processen die we volledig zelf kunnen controleren. De zonen van de storm buiten blazen hun longen leeg. In mijn hoofd spoken naast die wind nog andere melodieën: landschappen van trage en donkere geluiden, de muzikale badhuizen waar ik me altijd het meeste heb in thuis gevoeld. Dat komt omdat ze me kalmeren. Zenuwen die vonken hebben geen overstimulatie nodig van gitaren en distortie.

Ik steek een sigaret op en leg mijn vrije arm tussen mijn hoofdkussen en mijn matras. Het licht in m’n kamer is gedimd, en de warmte kan elk moment overgaan in dat moeras tussen slapen en waken, maar ik besluit wakker te blijven. Ik moet ook wakker blijven, want straks komt Jelka langs, en er is weinig dat ik meer haat dan het gevoel van desoriëntatie na een gestolen dutje. Wanneer kan ik echter anders slapen? Ik heb het mezelf nooit echt toegestaan, dat slapen. Waarom, dat weet ik al lang niet meer. Het was misschien magisch denken, dat ik mezelf als kind zag als beschermer over iedereen die in ons huis woonde, en dat ik pas als laatste mocht slapen. Het was ook altijd al deel van die knetterende zenuwen die al zulke mooie dingen hebben teweeggebracht, maar even goed vriendschappen relaties op de helling zetten en me een vluchter maakten als ik me afgemat voelde.

De rook verdwijnt naar waar hij wil. Soms maak ik me zorgen over het effect van m’n rookgedrag op de kater. Hij houdt niet zo van m’n sigaretten, maar de laatste dagen lijkt het hem minder te storen omdat ik het enige gezelschap ben dat hij heeft, nu Natasha en Roman in Thailand zitten. Beggars can’t be choosers. Ik rek me uit en voel de kieren tussen m’n gewrichten kraken. Het geluid van lucht die ontsnapt. Daar heb ik eigenlijk altijd al van gehouden, van ontsnappingsroutes. Met de rug tegen de muur staan is het ergste wat er is. Het is geen enkele keuze meer kunnen maken die relevant is. Het zijn de grote jongens met een stinkende adem en veel miserie die een kleinere jongen aftuigen. Maar ik sta niet met de rug tegen de muur, nu. Ik ben een eenmansleger dat zoals vele eensmanslegers elke dag worstelt met zijn eigen demonen. Als ik zou zeggen dat we allemaal hetzelfde zijn, dan zou ik liegen, maar ik zou eveneens liegen als ik zou zeggen dat we allemaal verschillen. Het is een statement waar niets mee te bereiken valt. Het punt is: hier is voortschrijdend inzicht aan de gang, hoewel die term me altijd doet denken aan Herman Van Rompuy die met de handen op de rug door een abdijtuin wandelt en Phil Bosmans citeert.

De wind en regen blijven inbeuken op het appartementsgebouw. Ik sluit de ogen en denk aan de straat met haar verweerde voetpaden, waar altijd wel tegels los liggen, of de binnenring van Gent, waar op elk uur altijd wel auto’s rijden, door weer en wind. Ook die beelden, vlakken en geluiden hebben hun eigen soundtrack. Ze verdrinken in aangehouden, subsonische baslijnen met spaarzame fragmenten van stemmen en onregelmatige percussie. Het is hypnotiserend, net als het één-twee van het kijken hoe de kater ademt en voelen hoe ik zelf adem. Nog een rookpluim komt naar buiten en verspreidt zich naar het plafond. Ik voel me niet per se goed als het zo hard regent, maar regen maakt dingen meestal draaglijker. Regen is niet triest. Wat triester is, is een uitvaart in volle zon, als het mooi weer is. Of in de gestolde kou van een heldere winternacht doodvriezen op straat als dakloze. Soms probeer ik regen zelf te zijn. Het is een truc waarmee ik mezelf kalmeer als ik op een podium moet staan om teksten te lezen, denken dat ik in ontelbare, gestage druppels neer val over het publiek, en de zaal vul met verkoeling of verfrissing, al naargelang.

Voorzichtig ga ik overeind zitten. De kat wordt niet wakker en blijft in zijn cirkel gedraaid liggen, met zijn kopje over zijn voorpootjes. Om me heen staan kaarsen en theelichtjes die nog niet aangestoken zijn, en een fles wijn die nog op moet, broederlijk naast een fles vodka die nog voor driekwart vol zit en een laag ijs op het glas heeft. De vodka is voor mij, de wijn voor haar. Net als wij zijn beide flessen even groot. Hun eigenschappen lezen als mogelijke beschrijvingen van onszelf: vodka schenkt een ijsschok die een hete laag legt over het binnenste, en de meer gematigde wijn is niet te zoet, niet te droog is, helder als een klok, feestelijk, aangenaam om naar te luisteren. Over luisteren gesproken, dat is nog iets wat regen ook doet: het drukt veel andere geluiden weg en dwingt me niet langer rekening te houden met de agressieve dissonantie van wat er voorbij ligt. Waarom zou een mens nog oordopjes willen?

Terwijl de flessen en ik wachten op m’n lief, druk ik de sigaret uit in de asbak, en daarmee ook het verlangen nog meer belegen metaforen te bedenken voor de liefde. Een mens kan dat toch niet vatten in haar totaliteit. Er bestaat geen enkel systeem dat zo consistent is dat het nergens een paradox kent, of iets dat aan zijn greep ontsnapt. Er zijn alleen fenomenen die oprijzen uit het diepe, en dan vervagen. Het schijnt dat atomen zich anders en intenser gedragen als ze geobserveerd worden. De perceptie van onze eigen werkelijkheid lijkt precies andersom: hoe meer en hoe harder we kijken, hoe meer de dingen oplossen en hun vanzelfsprekendheid verliezen. Uiteindelijk eet analyse zichzelf op. Met zo weinig mogelijk geluid kom ik uit het bed en verplaats ik de asbak. Terwijl ik de theelichtjes aansteek en de kater wakker wordt van het gerinkel van de lichtjes in hun ijzeren potjes, krijg ik telefoon. Ze komt eraan. Nog vijf minuten. Under a sheet of rain in my heart, I dream of home.

donderdag 6 februari 2014

Haperende goden

Van beroemdheden ontmoeten ben ik zelden onder de indruk. Ik denk steeds: "die moet toch ook kakken". Die gedachte heb ik niet toevallig terwijl ik op het toilet zit. Het kan natuurlijk zijn dat ik gewoon nog geen persoonlijke held heb mogen ontmoeten, want het is makkelijk om blasé te doen over toevallige ontmoetingen met BV's wier werk en bezigheden ik helemaal niet volg. De mensen die ik echt bewonder, zijn bovendien meestal teruggetrokken figuren. Ik bewonder hen niet omwille van hun teruggetrokkenheid, maar het blijkt een rode draad te zijn door het weinige dat ik weet over hun persoonlijkheid. Dat hou ik ook graag zo.

Het kan teleurstellend zijn om je helden te ontmoeten. Ze kunnen etters blijken, of gewoon een off-day hebben. Ik herinner me een uitspraak van Will Smith, toen hem gevraagd werd of roem een mens verandert. Die zei dat je bestaande persoonlijkheid enkel uitvergroot wordt. Wie al een eikel was, zal een gigantische eikel worden. Wie een mens is zoals de meeste mensen - met goeie en slechte kanten - zal beide ook uitvergroot zien. Misschien verklaart dat waarom zo veel wereldberoemde mensen tegelijk groter willen zijn dan Jezus zelf, maar dan plots een daad stellen die getuigt van een verbluffende lacune in hun morele centrum. Bono voert overal campagne voor het behoud van het leefmilieu, maar maakt nodeloze trips in z'n privéjet. Sean Penn zet zich in voor de indiefilm en al wat links is, maar ranselde in de jaren '80 Madonna af.

Dan vraag ik me af, zou dat voor mij hetzelfde zijn? Mijn slechte kanten - neiging naar het exces en ongeduld - zijn eigenschappen die al veel sterren fataal zijn geworden. Aan de andere kant ben ik niet jong meer. De vileinste daden van beroemdheden zijn er vaak van zij die te jong beroemd werden. Ik moet dan altijd denken aan Romeinse keizers. De grootste zotten onder hen waren bijna steeds jongens die het purper al in hun handen hadden voor ze 20 waren; de Justin Biebers van hun tijd. Ik zou ook niet m'n hand in het vuur willen steken om een goed aflopende alternatieve tijdlijn te vinden waarin ik beroemd was geworden op m'n vijftiende. Ik zet m'n handen tegen elkaar en kijk naar boven, naar de deur. Er hangt een raadgeving op aan werknemers om in de pot te kakken en niet ernaast. Dat dat advies er hangt, geeft te denken over de ontdekkingen die zelfs op een keurige werkplek als deze voorkomen.

Men zegt dat de celebrities van vandaag onze nieuwe goden zijn, ons Grieks pantheon met hitsige mannetjesputters, ijdele blazen, wulpse verleidsters en gebeeldhouwde atleten. Zelf doen ze vooral hard hun best om menselijk over te komen, met een PR-agent aan hun zijde die dat beeld ten allen tijde onder controle houdt. Ik vind dat saai. Als een celebrity dan toch een idioot is, mag dat geweten zijn. Ik hoef geen korrelige naaktshots van paparazzi te zien, of een ster die door de modder wordt getrokken voor een misstap, want die morele verontwaardiging is toch hypocriet. De sterren met de ergste misdaden op hun kerfstok, ontsnappen meestal aan werkelijke boetedoening. Chris Brown heeft nog altijd een carrière maar Paula Deen werd afgevoerd van het scherm voor racistische uitspraken die zo voor de hand lagen dat het verbazing opwekte dat ze nog niet eerder gevallen waren. Ook voor ons nieuwe pantheon zijn de Schikgodinnen grillig.

Ik knoop m'n broek dicht en vraag me af hoe dat komt dat wij en onze huisdieren het liefst van al privé naar het toilet gaan. Is het een oerinstinct dat ontwaakt, dat beseft dat we op het moment van onze ontlasting extra kwetsbaar zijn? Of zien we de ander niet graag meedoen aan het afscheiden van biologisch afval omdat we beseffen op welk een basaal niveau we allemaal gelijk voor de wet zijn? Er bestaat in de States een boekje voor kinderen met de titel 'Everybody poops'. Zo is dat.

Het is moeilijk om me voor te stellen dat ik een popster of een acteur werkelijk zou bewonderen. Misschien is dat de hardcore atheïst in mij, denk ik dan. Het is niet omdat mensen in Europa jaar na jaar minder gelovig worden, dat de religieuze mechanismen mee zijn verdwenen. Kijk naar de fanatieke toewijding van fans aan hun favoriete sportclub en welke miljoenen dat genereert. Topsporters zijn halfgoden, en de eigenaars van de tempels kunnen bijna openlijk hun corruptie bedrijven, zolang de spelen maar verder gaan, of dat nu de Winterspelen zijn in het uiteenvallende snelbouwdecor van Sotsji, dan wel de Wereldbeker voetbal in Qatar, toegekend op basis van een fata morgana met centen. Ik was mijn handen en denk daarover na, vraag me af of ik ook corrupt zou kunnen zijn indien ik het lot in handen had van iets wat zo veel mensen belangrijk vinden maar er voor mezelf niet toe doet. Ik denk dat ik er niet psychopathisch genoeg voor ben.

Mijn weinige helden gaan ook naar het toilet. Misschien drogen ze ook hun handen af op dit eigenste moment. Misschien doen ze dat ook niet: het eerste barstje in de kwaliteiten die ik hen door hun kunst toch onbewust toeken. Sommige dingen wil je heel graag delen, zei een vriend van me ooit, maar je deelt ze beter niet, ook al zijn het nog zulke zuivere gevoelens of diepe artistieke ervaringen. Als ik ooit één van m'n helden zou ontmoeten, dan zou ik het hen niet zeggen wat ze betekenen voor me. Ik zal niemand verplichten om aan mijn ideaalbeeld te voldoen. Laat me gewoon in stilte bidden, en ondertussen de neus optrekken voor de openlijk aanbeden sterren, hun volgelingen en hun wegwerpmythes. Ik zal wel verder doen alsof ik niet mee op die wc zit.