Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zondag 13 september 2009

Herfstkathedralen

Het is een zaterdagavond waar de herfst zich al volop aankondigt, ongestoord door menselijke schema's en berekeningen. Bladeren verzamelen zich in de goten van de straten, wolken worden somberder en het gaat wat harder waaien. Ik verblijf hoog en droog in het appartement van vriend F, voorheen mijn huisgenoot, die na al die jaren dat ik hem ken nog steeds de minzaamheid zelf is. Er wordt gepraat over muziek en over film, over zijn zoektocht naar een vetbetalende job en over ergerlijke gewoontes van nieuwe huisgenoten, met op de achtergrond eerst een streep ambient uit de meesterlijke catalogus van Aphex Twin, en daarna nieuw klassiek van een Japanner wiens naam ik al vergeten ben als F hem heeft uitgesproken. Over deze avond regeert een melancholie op kousenvoeten, die ik niet eens hoef te vatten in woorden, omdat ze zichzelf steeds zo verleidelijk aanbiedt als brandpunt van gedichten en zinnen. Misschien zit het in de eenzame, herfstige straten buiten. Misschien heeft het wat te maken met de herinneringen die F zelf oproept. Of is het gewoon iets dat algemeen in de lucht hangt, het wisselen van de seizoenen en de aankondiging dat de zon weer dagelijks sneller verdwijnt en zich trager zal laten zien. Vrienden zijn geslaagd en hebben gefaald voor herexamens, schooljaren zijn verwoed begonnen en de meeste mensen hebben blijkbaar besloten deze avond binnenskamers en binnensmonds door te brengen.

Ik denk onder het praten na over mijn voorliefde voor dieptes in gevoel en verstand, die steeds klopt in mijn hart der harten. Het is twintig jaar geleden dat de muur der muren viel, en het boek der boeken wordt nog steeds gelezen. Er hebben zich nog geen kandidaten aangemeld voor de dood der doden, en wat mij betreft mag die dood nog even wachten, want hoe zacht moeder melancholie ook haar deken over mij legt, ik kan niet ontkennen dat ik me bevind in een toestand van algemeen welbevinden. Ik besef dat terwijl ik me het flessengeluk toeƫigen, dat mogelijk het geluk der gelukken is. Ik heb vrienden en ik mis geen ledematen. Ik heb werk dat ik graag doe, en een dak boven mijn hoofd. En ik heb iemand om graag te zien en graag door gezien te worden. Die iemand bevindt zich onder mijn dekens steeds bij mij, maar is, terwijl ik de beslissende laatste slok neem, ergens in een duister oord waar in het zwart geklede mensen nog troost vinden in diezelfde duisternis.

Onderweg naar huis speelt een nauwelijks hoorbare muzikant tegen de wind in piano. Fietsen staan door elkaar opgesteld tegen muren en palen, en mijn voetstappen vormen de kasseidrum die die onhoorbare muziek begeleidt. Bomen verliezen hun bladeren en de afhaal-Chinees is dicht. Een norse nachtwinkeluitbater moet zijn maaltijd onderbreken om me sigaretten te slijten, en even wenste ik dat ik me in de Leie kon laten vallen, en me kon laten meevoeren met de stroom tot waar S is, om te verrijzen en als donkere messias op te duiken onder de gevlederden, waar ik me meer thuis voel dan ik zal toegeven. Ik passeer een gezelschap snobs met haar zo stijf van de gel dat een nano-beschaving er in zou kunnen bobsleƫen, een knappe Marokkaan die diezelfde mensen met misprijzen gadeslaat, en een zwarte vrouw en haar geblondeerde blanke vriendin die klaar zijn om de Overpoort in te duiken, op zoek naar hits en wie weet ook naar liefde, de heilige graal waar mensen in dit leven voor sterven. Auto's razen over straat, sneller dan de hen opgelegde snelheid die op het wegdek geschilderd staat, en de bomen van het Citadelpark aan de overkant ruisen omineus. De pianist zet zijn beste beentje voor en blijft doorspelen, dwars doorheen mijn verlangen om met uitgestrekte armen op het kruispunt van de Heuvelpoort te gaan staan en in het lawaai en getoeter van de auto's de stemmen te horen van woede en verbazing.

Als ik thuis kom, is er niemand. Of toch. Vanuit het donker buiten komt een rosse kater binnengeglipt, die even vanop afstand toekijkt hoe ik hem zelf gadesla, en dan toch besluit behoedzaam te naderen op het eten dat ik hem geef. Zijn dagelijks brood, en mijn spreekrituelen tegen een dier dat nooit wat zal terugzeggen. Met enkele slotnoten is de muzikant opgehouden en strekt hij de vingers. Ik doe bewust geen enkel licht aan, en laat het enige licht in de kamer dat zijn van mijn aansteker, die al snel een sigaret aansteekt. Laat dat mijn ode zijn aan het leven, een verboden middel dat me dichter brengt bij het onvermijdelijke. Laat dat mijn valse romantiek zijn, die de echte romantiek tegenspreekt van het missen van een geliefde. En laat mijn asse de punten en de komma's vormen van een nog ongeschreven gedicht voor vrienden, familie en voor S, dat ik dankbaar ben dat ze er zijn, en dat ik hen graag zie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten