Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

zaterdag 4 juli 2015

Werkloos en warm

Acht dagen geleden ben ik ontslagen. Omdat ik al een baan in bijberoep had, ben ik officieel niet echt werkloos, maar toch weer wel. Want dat bijberoep staat bij lange nog niet stevig in de schoenen om een redelijk vervanginkomen te kunnen genereren. Het ontslag stak. Is er ooit iemand die ontslagen wordt en zegt “nou, wel, dit had ik eigenlijk wel verdiend”? Dus ook ik zal zeggen dat het niet terecht was, of dat de officiële reden alleszins rook naar een stok om een hond mee te slaan. Mijn chef keek me ernstig aan, geflankeerd door zijn chef, die er bij zat alsof hij hard zijn best deed om zo boosaardig mogelijk te kijken, en aan de andere kant de rubberen vertegenwoordiger van HR.
“We erkennen dat je veel talenten hebt, Anton, maar we hadden toch gehoopt dat je wat beter ging worden in verhalen vertellen.”
Dat bestond dit heerschap te zeggen tegen iemand die tientallen kortverhalen, zeven manuscripten, een vrachtlading columns en een bestelwagen vol satire geschreven heeft. Wel, zoals ze zeggen boven de Moerdijk, krijg nou tieten.
Sereen liet ik me na het afscheid van de collega’s – shock, onzekerheid – naar buiten begeleiden door de HR-man, die dat professioneel deed en daarbij een mooie balans vond tussen professionaliteit en empathie. Het is een delicate kunst, mensen ontslaan.

En nu ben ik weer buiten, maar niet buitengezet. Ik slenter over het voetpad, rond de hoek van m’n straat en rond tien meter verder een andere hoek, naar de Eedverbondkaai, een lange sliert Gent die zich langs het water krult en waar op een bijzonder warme zaterdagavond niet veel volk is. Mir scheint die Sonne ins Gesicht, zoals Till Lindemann optimistisch constateert in ‘Ich tue dir weh’. Mijn tempo is bewust traag. Acht dagen en evenveel kilo’s lijken van me afgevallen. Geen stress meer om elke ochtend die tram te halen, dan de trein, dan de metro en dan nog een tram. Geen dagelijkse momenten meer dat ik me haast de haren uit het hoofd rukte om één of andere brok franglais die geschreven was door amateurs. Geen sociopatische oversten meer. En geen geld. Wel, momenteel is dat ook geen probleem. Dankzij de verworvenheden waar onze grootouders voor streden, is m’n voormalige werkgever verplicht me nog enkele maanden uit te betalen. Als het aan de Homansen, Lagardes, Junckers en Dijsselbloemen van deze wereld lag, dan had ik allicht niets en zou ik me maar moeten optillen uit het moeras aan m’n eigen schoenveters. Die Dijsselbloem: wat een incompetent lulletje rozenwater is me dat, zeg.

Er passeert een motorbootje met vijf twintigers of vroege dertigers erin. De twee mannen vooraan poseren voor een selfiestick, voor cultuurpessimisten het laatste nieuwe symptoom van ons terminale narcisme. Ik denk: in zo’n bootje zie je er sowieso uit als een patser, je kan dan maar net zo goed all the way gaan. Even verderop, terwijl ze zich verder van mijn trage stappen verwijderen, kruisen ze een ander bootje. Er wordt druk over en weer gewoe’d en gehoe’d. Dat zijn niet echt woorden maar wie maalt erom. Ik kan toch geen verhalen vertellen.
Ik neem plaats op een kleine betonnen rand die dienst doet als stijger voor bootjes. Rechts licht er een sympathiek blauw roeibootje gulzig te klokken en te klotsen in het water. Ik hou van dat geluid. Ik heb altijd gehouden van havens en stijgers, hoe klein ook. Het zijn de wereldse rode lopers die avonturen  beloven op uitgestrekte zeeën, meanderende rivieren en blinkende meren. Ze zijn een uitnodiging om eruit te stappen en de hele zwik hier achter te laten.
Links van me ligt een grotere boot aangemeerd, verzwaard met ballast. Hij oogt wat vuil. De gordijnen in de stuurcabine zijn dicht. Er liggen rotte bladeren op het dek. Ik adem diep in en uit. De lucht is zwaar. Is dat die fameuze ozon, waardoor ik al de hele dag wat licht in m’n hoofd ben? Of is dat ook een neveneffect van niet meer te hoeven werken, voorlopig – de ketens die gebroken zijn?

Ik slenter een ander straatje in dat me naar boven voert. Daar bots ik op een troep meisjes en één jongen. Ze praten allemaal Engels met een Zuid-Europees accent. Het zou vast al te toevallig zijn indien er Grieken tussen zaten. Ze hebben kleurige, papieren bloemen in hun haar en zien eruit alsof ze hier in Gent een vrijgezellenweekend komen vieren. We hebben geen interactie. Ondanks mijn trage tempo hoor ik al snel het flatsj-flatsj-flatsj van hun flipflops achter me wegsterven.
In de nachtwinkel – het eigenlijke echte doel van m’n wandeling, die ik bewust gerekt had om te onder te dompelen in de zwoelheid van de avond – begroet de vaste medewerker me met een glimlach. Het is een keurig geschoren jongeman die er Bengaals uitziet, maar voor hetzelfde geld vergis ik me schromelijk. Het “en waar zijde gij van?”-stadium ben ik als ingezetene van het kosmopolitische Gent al lang voorbij.
“Ah, zo sportief,” merkt hij op, doelend op mijn short en sportschoenen.
Ik moet lachen.
“Ik draag dat normaal nooit. Vandaag is het gewoon veel te warm om iets anders aan te doen.”
“Ik weet het. Ik draag ook driekwartsbroeken vandaag.”
Zonder dat ik het vraag, grijpt hij al naar m’n vaste pakje sigaretten. Onlangs moest ik noodgedwongen naar een andere nachtwinkel, die werd uitgebaat door twee oudere Turken. Toen ik hen vroeg om Gauloises, bleken ze die niet te hebben, dus vroeg ik maar om Winchester. Eén van beide mannen fixeerde me geschrokken met zijn ogen: “Niemand koopt dat.”
Het bleef een tel stil, een seconde vol suspense.
“Behalve jij,” zei hij toen, met een even loden ernst. Zijn kompaan en ik moesten allebei lachen. Nachtwinkels: eveneens een poort naar het kleine avontuur, als aanlegsteigers in een vreemde wereld.

Terwijl ik terug mijn eigen straat afdaal, kom ik nog langs een hele familie die buiten staat afscheid te nemen aan de deur. Dertigers, veertigers, een paar kinderen wier leeftijd nog niet uit twee cijfers bestaat. De mannen zijn potig. Zware buiken, brede armen, beetje roodverbrand. Eén van hen taxeert me. Geen idee waarom.
Ben ik nu ook deel van dat legioen “werkzoekenden” (ik heb al plichtsgetrouw drie sollicitaties verstuurd deze week!) dat mag rekenen op de verachting van zijn medemens? Of krijg ik toch nog wat respijt? Ik voel me er veel onbekommerder over dan misschien zou moeten. Maar we bekommeren ons al om zo veel, nietwaar moeder. De wind blaast warm over m’n gezicht en door m’n haar. Dat mag. Het is zoals iemand tegen me zei: “Er zijn ergere momenten om ontslagen te worden dan de zomer.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten