Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 8 maart 2026

Ne ring op nen Düsseldorf

Af en toe verlaat ik de hotelkamer en neem ik de lift naar beneden om te gaan roken. Het hotel heeft een enorme, cirkelvormige en overdekte binnenplaats en de hotelkamers zijn gebouwd in een ring rond die cirkel, tot zeven verdiepingen hoog. Elke gang kijkt uit naar beneden op de centrale plaats. De lift is aan drie zijden van glas. Goed voor mijn hoogtevrees is het niet, maar hoe vaker ik de lift neem, hoe minder ik dat gevoel krijg van duizeligheid en schrik. Te pletter storten is één van de ergste doodsscenario’s die ik me kan voorstellen na foltering en levend opgegeten worden door wilde dieren, maar dit is er zo één waar het kinderlijke idee helpt om gewoon je geest leeg te maken, niet te denken aan wat er zou gebeuren indien ik door de glazen wand zou vallen en ook niet niet daaraan te denken. Dit is niet hetzelfde als de fameuze opdracht om niet aan een roze olifant te denken, want de enige bewuste keuze is hier om niet te denken, niet om te reageren op een tekstuele of auditieve input.

Ik hoed me ervoor om vanuit het standpunt van een hotelinkom wat ik zie te nemen als pars pro toto voor een stad, maar er vallen altijd observaties te maken. In Düsseldorf ben ik nog nooit eerder geweest en de stad heeft ook nooit op m’n radar gestaan als een plek die ik wilde bezoeken. Ik maakte me vage voorstellingen van een saaie Duitse stad beheerst door industrieparken, onderling uitwisselbare kantoorgebouwen en onopvallende winkels. Bovendien vond ik het altijd raar dat een grote stad nog altijd door het leven kon gaan als “dorf”. Waarom niet Düsselstadt? Maar: ik vind Düsseldorf eigenlijk een best aangename plek. Een weekend kan bedrieglijk zijn, maar ik vind de mensen die ik zie rustig, de trottoirs zijn er breed, en ik heb al heel wat leuke winkels gezien in het centrum die zeker niet onderling uitwisselbaar zijn met die in de Nieuwstraten, Meirs en Veldstraten van de wereld (ze zijn er wel, maar niet zo overweldigend). Klein Tokio bezoeken was eveneens interessant. Ik eet hier vrij lekker aan degelijke prijzen. Kortom: de stad slaagt moeiteloos voor een vibe check.

Aan de rechterkant even verderop trekt een groot led-reclamepaneel in hoge resolutie constant de aandacht. Lokale concerten, sportwedstrijden, aankondigingen dat het kikkerseizoen weer begint, pakjes laten leveren door Amazon, verzekeringen en dies meer. Superinteressant is het niet, maar omdat het allemaal in het Duits is en ik de laatste maanden weer mijn Duits aan het aanscherpen ben, lees ik alles met genoegen. Een bestelwagen passeert met daarop “mich kann man mieten” (“mij kun je huren”) en ik vraag me af of dat een gebruikelijke grammaticale constructie is – instinctief zou ik zeggen “man kann mich mieten” of “mieten Sie mich”, maar als Nederlandstalige heeft Duits vele verraderlijke addertjes en kuiltjes. Je kan vaak letterlijk Nederlands vertalen waar je het niet verwacht (bijvoorbeeld “schoenlepel” is “Schuhlöffel”, wist Megan me te vertellen) maar het omgekeerde is even vaak waar (bijvoorbeeld “Mist” betekent “stront”).

Tijdens één van m’n avondlijke rookpauzes word ik aangesproken door een wat benevelde oudere man die tegen me begint te praten over de planten die buiten aan het hotel staan te verpieteren. Hij zegt dat hij hier nooit zou logeren enkel op basis van die trieste planten, maar hij geeft geen uitleg als ik hem vraag of planten soms zijn specialiteit zijn. Hij heeft een accent dat ik niet ken, vraagt waar ik vandaan kom en naderhand zegt hij met een glimlachje dat zijn moedertaal het Nederduits is. Vandaar dat ik vond dat zijn accent wat Nederlands klonk, misschien. Maar: gemoedelijke man. Even later leent een hippe dertiger waar Megan en ik enkele uren even mee in de glazen lift vast zaten, vuur van me. Misschien kan dat wel de temperatuur nemen van een stad waarin je verblijft, of vreemden je aanspreken? In Berlijn en Londen werd ik in hotelportieken genegeerd. In Aken en Oslo bijvoorbeeld niet. Het kan ook toeval zijn, of de wijk waarin het hotel is, of gewoon de wil van God.

De voormiddag erop, als ik terug het hotel binnen ga, word ik achtervolgd door een klein, kwispelend hondje. Wie laat hier zijn huisdier zo gewoon rondstruinen in het hotel? De hond is een prototype schoothondje waarvan ik automatisch uit ga dat het baasje een koket vrouwtje is van midden de vijftig. Ik krijg het baasje niet te zien en moet vrij snel de deur sluiten van de hotelkamer, of het dier glipt mee binnen. 

Nog één keer een sigaret voor het vertrek. Een volgende keer neem ik me voor op voorhand een aantal sigaretten uit te tellen om het roken verder te beperken. Ik wandel rond het hotel. Eén oneigenlijke, ronde doorgangssteeg lijkt uit te komen op de achterdeur van het hotel. De steeg buigt mee met het cirkelvormige ontwerp van de lobby. Aan de rechterkant is een aangebouwd schoonheidssalon met opschriften in het Engels en Arabisch. Ik probeer het Arabisch te lezen, maar ik raak niet ver. Van een cursus Duolingo in 2020 ben ik zo goed als alles vergeten. Aan de linkerkant is er een schnitzelrestaurant, want natuurlijk is er een schnitzelrestaurant. Ik dump de peuk de asbak in en kijk nog eens naar de planten. Ik snap niet waarom er dennenappels tussen de begroeiing liggen. Misschien had ik er een foto van moeten nemen of het erover hebben met de benevelde Nederduitser. Maar net zoals dit alles vervliegt het gewoon met de rook, en ben ik gewoon rustig aan het observeren als Ausländer die toch nabij is.
 

dinsdag 10 februari 2026

Donderen in Keulen

Een half uur lang ben ik in blinde paniek en wandel ik in cirkels rond de Dom van Keulen. Daarnet viel mijn telefoon aan de oevers van de Rijn doodleuk uit zonder waarschuwing, maar ik ken de hard gecodeerde pincode van m’n simkaart niet uit m’n hoofd (enkel die van mijn telefoon). Op die telefoon staat echter mijn treinticket naar Brussel, en die trein is zopas afgeschaft zonder uitleg. Ik kan niemand appen of bellen om om hulp te vragen, want de telefoon is slechts gehuld in de homerische nacht – maakte Stanley Kubrick zijn 2001 vandaag, zou uit het opvliegende bot een telefoon ontstaan in plaats van een ruimtesonde – en iemand aanklampen om een telefoon te lenen kan ik ook niet want ik ken geen enkel telefoonnummer uit m’n hoofd behalve dat van mezelf. Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.

Na enkele rondes ga ik zitten op de trappen voor de Dom. Ik beeld me de zorgen in die sommige mensen zich zullen maken als ze de komende 6 tot 10 uren niks meer van mij zullen vernemen. Dat zijn er niet veel, maar ze doen er wel toe. Megan in de eerste plaats, die bijna twee uur geleden eerder vertrok uit Keulen, op een trein die naar de normen van Deutsche Bahn haast miraculeus op tijd was. Belgen die voor het eerst kennismaken met het Duitse spoor zijn steevast onthutst door de chaos en het gebrek aan stiptheid van de treinen bij onze oosterburen, want Duitsland, dat is toch het land van obsessieve Pünktlichkeit en Gründigkeit? Niet zo. Deutsche Bahn wordt nog slechter gerund dan de NMBS een decennium geleden, en dat zegt wat. Het is een beetje als in je eerste keer Frankrijk vaststellen dat er nergens baguettes te vinden zijn, of een Fin tegenkomen die de oren van je kop praat.

Wat te doen? Ik haal diep adem en negeer het drukke gaan en komen van mensen in en uit het station op het grote, propere plein. Ik maak me onzichtbaar, in mezelf gedrukt, zelfs geen lokaas voor brolverkopers of psychotische daklozen, die stations in Europa steeds als een natuurwet lijken aan te trekken. Bidden doe ik niet, al is de aanwezigheid van ’s werelds grootste gotische kathedraal zonder meer verpletterend. De Dom is van de buitenkant eigenlijk nog indrukwekkender dan aan de binnenkant. Je mag er gratis binnen maar er zijn overal opzichtig collectebussen opgesteld in meerdere talen om je schuldgevoel aan te wakkeren: vintage katholicisme. Het bouwwerk zou overigens net zo goed kunnen dienen als tempel voor de Ecclesiarchie uit het 41ste millennium, waar de God-Keizer wordt aanbeden die al 10.000 jaar wegrot op zijn Gouden Troon. Maar zo veel tijd heb ik niet om thuis te raken. 

Ik sluit de ogen en duik in mezelf. Drie cijfers komen naar boven geborreld. Over het vierde ben ik niet zeker. Ik open m’n ogen en probeer mijn eerste gok. Verkeerd. Dat had ik wel verwacht. Ik denk aan het kleine papiertje waar ik die code ooit op schreef. Het originele plastic uitdrukkaartje dat in een theekop staat op m’n bureau. De cijfers op dat kaartje. Het regent een heel klein beetje. Het miezert al weken af en aan, ook aan de oevers van de Rijn, en regen maakt de cijfers in m'n hoofd vager, alsof er een lens voor hangt die maar niet scherp kan worden. Tweede poging ook mislukt. Wat nu?

Ik adem uit. In de verte zie ik taxibusjes staan, allemaal in hetzelfde beige van behangpapier uit de jaren ’70. Hoe veel zou een rit vanaf hier naar Gent kosten? Of naar Brussel? Makkelijk €500, als er een chauffeur al zo waanzinnig is om de opdracht aan te nemen. Ik ben een buitenlander. Mijn Duits hier is onbetrouwbaar gebleken: mensen verstaan me heel goed, maar omdat ik een bepaalde mentale grens voorbij steek van niveau, doen ze geen enkele moeite om zelf verstaanbaar te zijn. Megan lachte gisteren met me dat mijn poging om een Vlaams accent in m’n Duits aan te dikken door meer te mompelen en slechter te articuleren eigenlijk Duitser klonk dan de schoolmeestertaal waarmee ik kom aanzetten. Ik denk aan haar koele hand in de mijne. 

Derde poging, en daarna het begin van de verlossing of het begin van een waanzinnig en ongewild avontuur. Dat pad is grillig en breed: van proberen diverse taaie en humeurige instanties te overtuigen van mijn bonafides om ergens op een trein te geraken en maar tegen het putje van de nacht thuis te komen, tot ergens stranden in de grensgebieden tussen Duitsland en België en de nacht moeten doorbrengen in een elektriciteitscabine of een krot aan de rand van de spoorweg dat ik moet delen met een zwerver die naar kak ruikt (dit is iets waar ik ooit al over heb gedroomd), om vervolgens opgespoord te worden door de Cel Vermiste Personen, die ik vooreerst zal moeten vragen om een sigaret en een kop koffie. De telefoon ontgrendelt zich. Het pad vernauwt zich terug aanzienlijk. Mijn lijn naar mijn vrienden en geliefden is terug, en de hemelsblauwe telefoonachtergrond toont zich weer alsof er niets gebeurd is. Ik adem diep uit. Het angstzweet is al weg. Nu ik nog.