Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 25 augustus 2011

Anton in Parijs

Geschreven naar beperkte analogie met Anton in Chicago van vorige zomer.

Een collega waarschuwde mij dat Parijs druk was, erg druk, maar dat augustus naar Parijse normen nog meeviel. Hij had allicht niet gelogen. Garde de Nord is een gekkenhuis als ik er aan kom, en zal het ook weer zijn als ik vertrek. Het lijkt er een combinatie van gezichtloze, geglobaliseerde moderniteit en de ranzigheid van een Haïtiaans vluchtelingenkamp. Er patrouilleren bovendien militairen met machinegeweren.

Ik kan pas echt tot rust komen enkele uren later, als ik lui aan tafel zit van een klein restaurant in de lange schaduw van de Notre Dame, in het gezelschap van Inna en een tante en oom van haar die Parijs kwamen bezoeken. De kelner is een gewiekste man die geleerd heeft hoe hij met toeristen moet omgaan. Omdat ik Frans kan spreken, heb ik het gevoel dat hij me toch net dat beetje anders behandelt dan toeristen die het Frans onmachtig zijn. Daarmee wordt ook weer een eerste cliché bevestigd, denk ik, terwijl ik bestudeer hoe ik best die enorme lap vlees die op m'n bord is gedrapeerd, zal verorberen: dat Fransen je altijd minder onsympathiek zullen vinden als je Frans spreekt.

Het is de eerste keer dat ik in Parijs ben. Een schande, volgens sommigen. Nochtans ben ik al vaker in Frankrijk geweest (herinneringen aan de lage Alpen en zure Fransen daar, een te warme hotelkamer met kakkerlakken in de buurt van de Côte d'Azur, een majestueuze châlet vlakbij de Tarn). Op een bepaalde manier is het terug aanknopen met een oude liefde. Het Frans verruilde ik als derde taal jaren geleden voor Duits, en de hartslag van Londen is meer naar mijn zin dan die van Parijs. Toch geniet ik van de stijl van de Parisiens, en zowel de erg brede boulevards als de nauwere stegen, die tot aan de nokken toe vol zitten met restaurantjes, fruitwinkeltjes, modezaken en godbetert reisbureaus. Ik ben in goed gezelschap. Inna's tante en oom zijn doorgewinterde Chicagoans. Vooral haar oom, een breed lachende, boomlange tandarts met een charme die alleen maar als Amerikaans kan gekenmerkt worden.

Na het eten zien we een circus aan rollerbladers langs de Notre Dame racen, begeleid door eveneens rollerbladende politie. En passant helpen we ook een verdwaalde Spaanse toerist uit de nood. Er wordt doelloos rondgeslenterd. Enkele straten doen erg Brussels aan, maar dat is natuurlijk omgekeerd. Als het brandt in Parijs, smeult het in Brussel, zoals men zegt.

De volgende dag laat ik me de volledige toeristische behandeling welgevallen, en zit op een rit van een dikke twee uur langs de meest bombastische, protserige gebouwen van de stad, op het dek van een bus vol met andere toeristen. De Eiffeltoren, trots en fallisch, lijkt een grote middelvinger die Parijs opsteekt naar de wereld. Dat de rest maar zwelgt in het Engels, het ongecultureerd zijn en hun eigen rijkjes. Ik neem een obligate foto van de onderkant, de onverholen anus van het gevaarte, dat tegelijk door honderden toeristen van alle kanten beklommen en bestegen wordt. Niet slecht voor een oude lul van metaal.

De bus neemt ons verder mee langs een hoop Napoleontische gebouwen, de ingang van het Louvre en ook langs Musée d'Orsay. Ik denk terug aan mijn lerares Frans uit het zesde middelbaar, die uit wraak, omdat mijn vrienden en ik niet mee waren geweest op het Parijs-weekend, ons voor het mondeling examen de volledige kaart van de stad had doen vanbuiten leren, met alle bezienswaardigheden erbij. Haar kleine Eiffeltorenmiddelvinger naar ons toe, veronderstel ik. De Arc de Triomphe loert over de Champs Elysées. In de schaduw daarvan verdienen enkele straatdansers handig geld, en ik herinner me dat ik als kind dacht dat de triomfboog een portaal was van een gebouw dat nooit volledig gebouwd was geweest. Opnieuw komt ook de vergelijking in met op met Brussel en zijn Jubelpark. Ik geef tegenover mijn Amerikaanse vrienden toe dat Brussel het debiele, charmante broertje van Parijs is. Des petits belges tot in de kist.

Er is die dag ook het chocolademuseum. De blikvanger daar zit goed verborgen - een oud kopje, speciaal gemaakt om chocolademelk te drinken, met een extra stukje porselein dwars over het kopje, om je snor niet vuil te laten worden. Subtiel hangen overal posters die reclame maken voor Belgische chocolade. Later volgt een overenthousiaste, snelle demonstratie van het maken van chocolade, in Engels en Frans dat allebei razendsnel en even onbegrijpelijk uitgesproken wordt. De man aan de balie, die ook de winkel beheert, perst er nog wat charme uit door aan Inna te vragen waarom ze hem geen roos koopt. We laten het ons welgevallen.

's Avonds is er koffie. Het barpersoneel is weinig enthousiast. Bij het afscheid van Inna's tante en oom worden we lastiggevallen door een Parijse dronkaard die hoort dat we Engels spreken en daarop het refrein van een vergeten Amerikaanse evergreen begint te psalmodiëren. Ik doe alsof ik geen Frans versta, noch kan spreken, een truc die ik nog eens zal overdoen de dag erop in het station, door me voor een bedelaar als Duitser uit te geven.

Als slaapmutsje is er tussen Inna en mij alleen nog vodka. Als ik vodka bestel, kijkt de potige bardame me erg kritisch aan, alsof ik mogelijk een marginale dronkaard zou kunnen zijn. De laatste dag volgt er nog een bezoek aan de Opéra, omdat die niet ver van het hotel ligt waar Inna en ik verblijven (en prijs de hemel voor airco). De Opéra is er zo ver over dat hij me haast een instant Stendhalsyndroom bezorgt. We hebben het over de mogelijkheid van een speciale Franse politie-eenheid die slecht geklede toeristen van straat plukt, hen een kapper binnenduwt en hen betere kleren geeft, ondertussen de hele tijd verontwaardigd vloekend. De boulevards zijn breed en heet.

Je moet het hen nageven: als de Fransen erover gaan, gaan ze er zo waanzinnig ver over dat je er een vorm van respect moet hebben. Ik vraag me er ook bij af of hun onstilbare pronkzucht een vorm is van onzekerheid dan wel arrogantie. Het moet iets zijn van beiden. Jammer dat ik geen brandende banlieus gezien heb.

dinsdag 9 augustus 2011

O

Waarom schrijven schrijvers toch zo vaak over schrijvers? Het is allemaal zo masturbatoir. Een grote ronde. De metro van Brussel is een vettige plaats. Na mijn eerste dagen pendelen lachte ik ermee dat het leek alsof de metro al niet meer was gerenoveerd sinds de jaren '70, en wat naleeswerk bewees dat het nog waar was ook. Ik hou wel van de anonimiteit van daar te zitten, lezend. Iedereen kan z'n vooroordelen rustig op elkaar projecteren. Inna zei dat zotten me vaak aanklampen omdat ik vriendelijke ogen heb. Zelfs vind ik van niet, maar er moet toch iets zijn waarom het blijft gebeuren. Woorden glijden in linten en stroken door. Nu eens een pagina van een boek - Politkovskaya in slecht vertaald Russisch, Schouwenaars in helder, levendig Nederlands, Morel in Amerikaans Engels met een schreefloos lettertype - en dan weer het bord van een halte. Maelbeek Maalbeek in alcoholstift op geëmailleerde muren. Schuman op afschuwelijk, rottend vezelhout. Arts Loi Kunst Wet ruikend naar geld en stroopwafels. Ik ben verslaafd aan het herkennen van tekens en symbolen. Structuralisten en poststructuralisten hebben die verslaving alleen maar gevoed. Niemand doet er echts iets mee, of toch niet bewust. Schrijvers keren zich oneindig in zichzelf als papieren matrjosjka's of steeds kleiner wordende derwisjen. Er is nochtans veel om te zeggen dat niet gaat over de pijn van depressieve artiesten in de Eerste Wereld.

Om ons heen wordt de wereld dolgedraaid in een slazwierder van onnozelheid. Kredietbureaus zien er geen graten in kleine spelers als Griekenland routineus te voorzien van nieuwe afprijzingsetiketten, maar als het gebeurd met de schuldenverslaafde Verenigde Staten, ontstaat er paniek. Die paniek, hoe dubieus de reputatie van die bureaus ook is, is terecht, omdat er een fictie mee doorprikt wordt. Toen ik 22 was, belde ik naar de zelfmoordlijn, niet voor mijzelf, maar omwille van een lief dat mij gedumpt had en voor wier leven ik op dat ogenblik vreesde. Een bedaarde vrouwenstem luisterde toen en zei dat het leek alsof ik zocht naar "de dingen achter de dingen". Dat was allicht waar. En het was ook een mooie uitspraak. Geloven we vandaag überhaupt nog in dingen achter dingen. Niet in de platonische betekenis, maar in die zin dat zaken nog iets te betekenen hebben buiten de tekens zelf? Enen en nullen, als in de Matrix.

Engeland relt. Net als de uitbarsting van agressie in Parijs enkele jaren geleden, en de niet aflatende protesten in Athene, heeft het tegelijk iets beangstigends en geruststellend. Het is geruststellend dat mensen het nog kunnen, in een Westers land op straat komen en de boel kort en klein slaan en daarmee deel worden van een lange Europese traditie van stadsgeweld. Het is beangstigend omdat het een uitdrukking is van verwrongen machteloosheid. In Brussel kan het ook. Er waren weer opstootjes in Molenbeek, toch wel het Mordor van de hoofdstad, met Moureaux als een bezwerende Saruman die voor electoraal gewin niemand een dienst heeft bewezen behalve zichzelf en enkele criminelen met kortetermijnplannen.

Op een cynische manier moet ik het de droomeconomen nageven - ze hebben de laatste decennia als één literair project koortsachtig gewerkt aan het opbouwen van hun Grand Narrative. Geen enkele auteur is de zo succesvol geweest buiten J.K. Rowling. Tien jaar geleden al zat ik me bij het lezen van de krant af te vragen wat dat concreet betekende, een economie die groeide, een beurs die winst optekende of een schuldenlast die hoger lag dan wat een land produceerde aan goederen en diensten. Je onthulde je als een grote idioot door die termen in vraag te stellen, een soort links relict, hoewel ik toen rechtser kon genoemd worden dan nu. Het is eigenlijk de keizer zonder zijn kleren zien en bij de eersten zijn die het zegt. Het is het tijdperk van de onzin. Speculatie op graanprijzen? Doe maar. Miljardenstromen die heen en weer flikkeren tussen aandelen van fictieve bedrijven? Waarom niet. En dan verwonderen sommige mensen er zich over dat men soapacteurs op straat aanklampt alsof ze die personages ook in werkelijkheid zijn. De waarheid is dat we geen Matrix of alternatieve realiteit nodig gehad hebben om onze ogen te bedekken - we hebben het zelf gedaan en van deze wereld een dartele, dappere fictie gemaakt. Jammer dat er geen écht goede auteurs aan te pas kwamen.

Je kan zeggen: elk tijdperk had zijn ficties. En dat zal waar zijn. Je kan ook zeggen: door de stand van technologie en de laagdrempeligheid van informatie, is het om ons de ogen uit ons hoofd bij te huilen dat dit nog steeds kan. De metro komt uit z'n hol en stopt aan de halte waar ik af moet. Laten we donkergrijs beton vieren met veel vet en verve. De Verenigde Staten, de uitvinders van de droom van oneindige weelde, atrofiëren verder. Men kan er alleen nog maar kiezen uit verschillende tinten van rechts. Naarmate regimes hun greep op de werkelijkheid verliezen, worden ze steeds schriller en fantasievoller. Ik denk aan de oude mannen die in het begin van de jaren '80 de Sovjetunie leidden, of Ceaucescu die niet kon geloven dat het volk opgedaagd was om hem uit te schelden in plaats van toe te juichen.

Toen men mij nog niet met meneer aansprak omdat ik nog niet ging werken in een mooi wit overhemd en een donkerpaarse das, uitten sommige kennissen wel eens dat ik nog niet helemaal volwassen was. Maar een wereldvreemde hippie die tegen "het systeem, man" is, ben ik helemaal nooit geweest. Ik heb een diploma gehaald, gesolliciteerd, gewerkt, geproduceerd en belastingen betaald. God, ik heb zelfs een tweedehandswagen en ik huur een stadsappartement. Hoe waanzinnig middenklasse kan je zijn? Maar niet volwassen, en wel daarom: het is maar een spel. De buzzwords, de marketingpraat, de onderhandelingen en de beleefdheden. Het zijn aardige woorden en nette mensen die ze spreken, maar ze betekenen niks. De dingen achter de dingen zijn geld en lef. Artiesten hebben groot gelijk als ze hun eigen kak verkopen, want de persoon die er een fortuin voor betaald is nog een grotere idioot dan die die het maakt. Het is een metaprotest tegen een fictiecratie van geld dat diezelfde rijken niet begrijpen. Het bullshitisme is alomtegenwoordig. Je kan er vrolijk van worden, je kan erin berusten, of als je niks hebt en als de droom van snel rijk en honderd homies je uitgespuwd heeft, kan je beginnen rellen. De zwaksten vallen eerst de net iets minder zwakken aan. Cijfers en letters, nullen en o's. Een oneindige o, zeg maar.

woensdag 20 juli 2011

Minimumsnelheid

Doelloos rondrijden is een doel op zich. Ik hou meer van nacht- dan van dagkleuren. 's Nachts zijn contrasten groter en de kleurtinten zachter, en dat is een verlossende afwisseling voor het lawaai waar onze zintuigen dagelijks mee gebombardeerd worden. Er is de terreur van vaal kunstlicht, de reclames, irritante radiojingles en de wildwaterbanen van het verkeer. Het klinkt erg tendentieus om aan onthaasten te willen doen, maar bij God als er geen gram waarheid in zou zitten. Je moet je haast afsluiten van bijna alles wat om je heen gebeurt als je de dag wil rondkomen, want er is van zo goed als alles te veel en van de dingen die er echt toe doen te weinig. Mijn gedachten voelen zich misschien om die reden aangetrokken tot enorme, uitgestrekte, lege ruimtes met weinig mensen in. Of rijke binnenwerelden binnen een overdrukke buitenwereld die volgens onnavolgbare patronen lijkt te werken. Ik probeer die patronen toch te begrijpen - wat mensen beweegt en drijft, welke geheime paringsdansen zich afspelen in de topregionen van de politiek, wat veroorzaakt dat de bekendste dakloze van de stad ervoor gekozen heeft dakloos te zijn, waarom mensen niet houden van volle asbakken en waarom ik 's nachts zo vaak niet kan slapen. Gary Numan wist al dat auto's bescherming bieden tegen het geweld van de postmoderniteit. Natuurlijk is dat ook weer ironisch, want je eigen auto hebben is één van de kenmerken van de Westerse, postmoderne middenklasse.

Op de autosnelweg ver boven de maximumsnelheid rijden, in één recht stuk door, alleen, is een bevrijding. Het is een viering van kortstondig egoïsme, machismo en idiotie in één. Maar God weet dat ik in de bebouwde kom rustig over straat rij, oude vrouwtjes laat oversteken en me niet bezondig aan het intimideren van fietsers, omdat ook ik ooit zo'n fietser was die in de winterkou of zomerregen vloekte op roekeloze chauffeurs, en omdat ook ik ooit zo'n schuifelende oude man zal zijn die zijn tijd nodig heeft om over te steken. Rondrijden maakt me tegelijk milder en harder. Mild voor de zwakke weggebruiker, en medogenloos voor klungelende medechauffeurs. Ik besef dat het idioot is dat ik er mijn eigen regels op na hou, want daar houdt de wet geen rekening mee. Onlangs sloop ik over een busstrook weg en werd ik tegengehouden door de politie. Er stond me niks meer te doen dan schuld te bekennen en toe te geven dat ik een kolossale idioot ben. Er wordt al zo vaak gescholden op de politie, en er zijn al zo veel mensen die denken dat ze alles mogen. Ik weet dat ik niet alles mag, maar het zal me niet beletten van het te proberen.

Verschillende straten zijn afgesloten. De Overpoort, het Gentse epicentrum van alles wat fout en interessant is in het uitgaansleven van de stad, is verlaten, omdat het Gentse Feesten zijn. De mengtafel van dronkenschap, komedie en tragedie is tijdelijk verplaatst naar de Vlasmarkt, waar geen zinnig mens met de auto kan of mag komen in deze periode. Ik denk aan literaire theorieën over het carnavaleske, en opnieuw die complete overdaad aan alles wat op een mens afkomt - de massa in beweging, het geroep, het gelach, de glazen en de glazige ogen. Het is vergankelijk en dus mooi. Niet iets om vast te houden. Ik sla een ingeslapen straat in en probeer zo weinig mogelijk lawaai te maken. Het hobbelen over de kasseien heeft een therapeutisch effect. Therapie voor wat? Voor de aloude, intussen versleten hartzeer die veroorzaakt wordt door in het hart van de stad en de mensen toch alleen te zijn en daar ook naar te verlangen? Of door het feit dat zomers elk jaar een barometer vormen voor het hele jaar? Het zijn vragen die op zich bekeken niet erg interessant zijn, en waarvan het antwoord altijd minder bevredigend is dan de vraag zelf, zoals bij een zenkoan. Wat is het geluid van een blik op een slapende geliefde?

Het uitstappen is niet definitief. Wij zeggen geen vaarwel, al hoop ik dat ooit écht te kunnen doen. De gedimde kleuren van de nacht zijn onveranderd, ook zonder een autovenster, maar het uitgaansgeschreeuw is weer dichterbij. Het noopt me tot een keuze - roekeloos volgen en bijbenen in drinken tot ik deel ben van die mensenbrij die stampt, wroet en klinkt, of stil afhaken en slapen met dromen over buitenwerelden binnenin.

zondag 13 maart 2011

De gezellige demon

Ik sta even stil in een smalle, slecht onderhouden straat waar langs weerszijden landbouwgronden liggen, bollend en glooiend als brood in een middagzon. Een koe kijkt op naar de auto, vanuit de verte, wantrouwig als een boer uit de Balkan.
"Die koe heeft geen idee wat er gebeurt," zegt Inna. Ze neemt een foto. Ik kijk naar de putten in de weg.
"Ik kwam hier vroeger vaak fietsen," zeg ik. Niet dat dat eigenlijk relevant is, of dat het mijn herinneringen kan overbrengen op een persoon die hier nog nooit geweest is. Maar ik ben blij dat ze alles open in zich opneemt. Ze neemt een foto van de andere kant. Het is een mooi landschap, moet ik ook toegeven, en ik had het voordien nog nooit gezien als iets dat de moeite waard was om een foto van te nemen omdat ik het al haast dertig jaar in onveranderende toestand gekend heb.
"Bij die bunker daar," leg ik uit terwijl ik met een genoeglijke traagheid verderbol over de weg, langs nog meer weilanden en enkele losstaande huizen in omgebouwde, kneuterige fermettestijl, "ging ik soms ook spelen. Erg leuk om er oorlogje te spelen. Het lag er ook altijd vol vuil en sigarettenpeuken. En porno."
Inna tuurt naar de bunker in de verte.
"Bosporno," zegt ze. Ze kent het fenomeen.
"Inderdaad."
Ik zwenk traag langs een familie op zondagswandel. Een oude foto doemt terug op uit mijn albumgeheugen. Ik zit in een buggy, ergens omtrent mijn eerste verjaardag, en de hele familie doet een korte wandeling langs een heuvelachtige kasseiweg die in de zomer altijd rook naar rottend gewas en te dicht opeen groeiende, vochtige bomen. Een de laag hangende klinkers en ingeslikte syllaben van de streektaal, die onlosmakelijk verbonden is met de plaats, een gemeenschap van zijn. Als ik een kind had, denk ik, zou ik het soort goedbedoelende maar uiteindelijk mogelijk pretentieuze vaderfiguur zijn die wil dat zijn kind opgroeit met verschillende talen.
"In de jaren '60 was hier nog haast niks," zeg ik, alsof ik het zelf allemaal heb meegemaakt, "Je ziet het aan de huizen: allemaal gebouwd in de jaren '70 of zelfs later."
Ik sta er niet bij stil dat ik over deze straten en deze velden al eerder geschreven heb. Dat daar moorden gebeurden, dat er geweld was. De waarheid is veel erger dan de groteske fictie en de ontaarde bebouwdekomwaanzin die ik in grove penseelstreken neerschilderde, want een boosaardige aanwezigheid heeft zich deel gemaakt van onze levens.
"Een erg dichtbevolkt land," zegt Inna.
"Bijna elf miljoen mensen op zo'n kleine oppervlakte, wat wil je."
Minder lintbebouwing, misschien, beantwoord ik mijn eigen retorische vraag. Misschien zou dat ervoor zorgen dat de landschappen terug opener worden, dat onze blik minder vernauwd is en we en we die boosaardige aanwezigheid met een ontstellende helderheid zullen kunnen zien.
"Dit land is echt mooi."
Ik haal de schouders op. Ik ben het hier gewoon, en dat klinkt arroganter dan het bedoeld is. Je hoort ze het vaak zeggen, expats die na lange tijd terug dit tochtgat aan de Noordzee opzoeken, dat we het hier zo goed hebben en dat het zo'n rustig land is. Ik begrijp dat wel.
"Ja, we mogen zeker niet klagen," zeg ik nog, terwijl de auto terug de baan op rijdt richting Gent, in een omgekeerde Stef Hertmans-beweging, "Er zijn erg veel historische gebouwen bewaard, en als je ze weet te vinden, zijn er erg mooie landschappen te vinden. Je moet er voor zijn, natuurlijk, die romantiek van dikke grijze wolken boven donkergroene weilanden. Of een warme koffie drinken in een verlopen tearoom aan de dijk, met zand nog in je haar en in je schoenen."
Ik merk dat ik er zelf lyrisch van word. Is het dat gevoel waar Jacques Brel over zong? En is het ook niet zo dat elke persoon, waar ook ter wereld, met zijn eigen streek en volk verwikkeld is in een haat-liefdeverhouding? Inna kent dat gevoel zeker. Op haar paspoort staan de verblindende sterren en strepen en de bombastische uitspraken over vrijheid van de Founding Fathers.
"Ik ben een beetje een volksverrader, weet je. Het wij-zijn-maar-een-klein-volkje-gevoel waaruit zowel een minderwaardigheidscomplex als een dwangmatige valse bescheidenheid spreekt, is een voortdurende bron van irritatie voor mij," zeg ik. De demon waar ik eerder aan dacht, is eindelijk uitgesproken.
"Ik heb er al eerder over geschreven," orakel ik door, "en het is niet dat ik denk dat ik er veel aan kan veranderen door me er aan te blijven ergeren. Maar hier hangt het ook samen met die zieke machtsgreep van rechts."
"Dat ken ik maar al te goed," zegt ze schamper. In mijn hoofd zie ik natuurlijk onmiddellijk beelden van permanent kwade presentatoren op Fox News, de homohaat van fundamentalistische christenen of het verwrongen realiteitsperspectief van sommige Republikeinse kopstukken. Onlangs bestonden ze het een idee te lanceren waarbij het nog moeilijker zou worden verkrachting te vervolgen. Men had het over 'gedwongen verkrachting', waaruit de zoveelste poging spreekt van de patriarchie van blanke oude mannen om vrouwelijke seksualiteit aan banden te leggen.
"Ja, het is niet alleen hier of in de Verenigde Staten zo," geef ik toe, "Het omspant de hele wereld. De krachten van rechts lachen al jaren met de 'linkse kerk', die zogezegd fout was in het migratiedebat, die te goedgelovig en naïef is als het aankomt op misdaadbestrijding, en die niks kent van economie. Dat, terwijl er geen grotere en naïevere religie is dan blind geloven in neoliberale dogma's, die nergens hebben gezorgd voor meer welvaart bij de bevolking. De kloven tussen arm en rijk zijn alleen maar gestegen, solidariteit wordt geassocieerd met een profitariaat, en de haat tegenover de socialezekerheidsadel is een bliksemafleider voor het feit dat grote bedrijven jaarlijks veel meer stelen van de belastingsbetaler dan die minderheid aan marginalen die sociale vangnetten probeert uit te buiten."
Ik besef dat ik klink als een linkse agitator, en dat zint me niet. Ik zucht. We rijden door Ledeberg, het oorsmeer van Gent.
"Aan de universiteit waren de meeste van mijn vrienden links."
"Ah, vaag links."
"Precies. Nu ze werken, zijn de meesten onder hen rechts. Ze zijn volledig meegestapt in die logica van de rechtse kerk, dat armen, migranten en Walen voortdurend op de loer liggen om hun belastingen op te souperen."
"Jullie betalen hier wel veel belastingen."
"Dat is waar. Maar dat is een andere kwestie."
De plompe, betonnen brug van de E17 doemt op. Het is een dag waarop het zou kunnen gaan regenen, maar het maar niet doet. De wolken zijn onmachtig. Het is ook lente, en in de lente kan alles. Ik trommel met mijn vingers op het stuur terwijl ik wacht aan het rode licht.
"Mijn vader werd ook alleen maar linkser met ouder worden," zeg ik, "Ik denk dat ik gedoemd ben dat te volgen. Gaan werken na de universiteit heeft me niet blind gemaakt door geld, of ontvankelijker voor neoliberale praatjes. Ik zie alleen steeds meer onrechtvaardigheid."
Maar ik ben geen kruisvaarder. Ik rol de Gentse binnenring op met mijn vuile auto.

dinsdag 22 februari 2011

1989

Ik zit in een woonkamer hoog in het noorden van Engeland het nieuws te lezen. Een golf van revoluties overspoelt de islamitische wereld. De dictators van Tunesië en Egypte zijn gevlucht, Libië is in de koortsachtige greep van een revolutie, Jemen blijft onversaagd de straat op trekken, en her en der kan ik zelfs vanuit mijn comfortabele zetel voelen hoe de angst regeert in de paleizen van despoten, koningen en andere heersers die zich nauwelijks raad weten met zulk een explosie aan volkswoede. Het volk wil werk. Het volk wil een bestaan zonder corruptie en vernedering. Het volk wil kunnen kiezen hoe het geregeerd wordt. Op de achtergrond van mijn lezen speelt, ondanks de bittere, felle kou buiten, melancholisch-romantische kizomba, een genre geboren in het verscheurde Angola, maar gekenmerkt door een teder soort levensvreugde dat zich diep onder de huid nestelt. En in de keuken maakt Inna pannenkoeken. Kan het leven beter zijn dan zoiets banaals? Het is een snapshot van een intens welbevinden met de wereld, en dat is zeldzaam genoeg om te koesteren.

Wordt 2011 het 1989 van het Midden-Oosten? 1989 roept bijzondere herinneringen bij mij op. Ik was zes jaar toen, en besefte dat er dingen gebeurden in de wereld die haar nooit meer hetzelfde zouden maken. Ik wist dan misschien niet waar Berlijn was en waarom die Muur er ooit had gestaan, maar op televisie zag ik alleen maar euforische mensen die die Muur sloopten en elkaar in de armen vielen. Ik herinner me ook dat ik de executie zag van Ceaucescu, en nauwelijks een jaar later in de kinderafdeling van de bibliotheek een charmant klein boekje meenam over onze nieuwe, Oost-Europese vrienden die het juk van het communisme van zich hadden afgeschud. Dat die stemming van hoop en vrede al in 1991 de grond in geboord werd door de brutale, beestachtige burgeroorlog in het verkruimelende Joegoslavië kan die herinneringen niet temperen. Het is uiteindelijk een rechtstreeks gevolg van die revoluties in Oost-Europa dat de Europese Unie zich vandaag uitstrekt tot aan de Witte Zee en de Zwarte Zee, en al het pessimisme en immobilisme ten spijt dat eigen is aan een logge instelling als de Unie, denk ik niet dat iedereen voldoende beseft dat dit in het jaar dat ik geboren werd, ondenkbaar was. Men had het over de homo sovieticus, een eeuwig catatonisch soort mens die eeuwig de drukkende last van een totalitaire maatschappij zou kunnen verdragen. Vandaag heeft men het over de Arabische mentaliteit, die niks anders kent dan onderdrukking, dictatuur en piramidale corruptiesystemen. De cynici hadden het al fout in mijn tijd, en nu staan ze nog steeds aan de verkeerde kant van de geschiedenis.

In de keuken haal ik die herinneringen op. Erg goed kan ik die eigenaardige samenvloeiing van bitterzoete fragmenten uit mijn kindertijd, opflakkerende hoop in het heden en het aroma van pannenkoeken en muziek niet uitleggen, maar een oprechte aanraking is altijd welkom. Ik kauw op de intussen versteend clichématig geworden beeldspraak van Lester Burnham in American Beauty, die bekent dat de wereld heel soms zo’n mooie plaats kan zijn dat het voelt alsof je gaat imploderen onder dat verpletterende gewicht, en spreek die gedachte dan ook niet uit. Maar het is zo. Mensen vermoorden, verminken en verkrachten elkaar, en het is revolterend hoe verknocht men kan zijn aan zijn idiote materialistische principes, maar op momenten als deze staat er een deur op een kier naar een vorm van zachtheid die te grillig is om zomaar met enkele woorden te beschrijven.

In 1989 kreeg ik voor mijn verjaardag speelgoedauto’s die verkleurden als je ze in warm water onderdompelde. Intussen rolden tanks het Plein van de Hemelse Vrede op om het Chinese studentenprotest gewelddadig de kop in te drukken. Daar had ik geen weet van. Het is waar dat niet alles dat begint met hoop, goed zal eindigen. Misschien is mijn gevoel over de revoluties van 2011, uiteindelijk grotendeels veroorzaakt door zakelijke factoren als werkloosheid en exorbitante voedselprijzen, misplaatst en sentimenteel. Maar het doet geen afbreuk aan het feit dat, al was het maar voor even, de sluier van de onkenbare ander is afgescheurd en het gezicht dat eronder zit diepmenselijk is, even evenzeer wil vechten en sterven voor een waardig bestaan. Vrijheid is een veel te brede vlag geworden voor oorlogszaaiers en extremisten. Democratie is maar een woord. De bruten en monsters zullen blijven moorden, plunderen en verkrachten. Ik kijk uit het licht aangeslagen venster de straat in, waar papier rondslingert en waar fietsen tegen rode voorgevels staan. Gisteren was dit al zo, morgen allicht ook, en ook over volgende maand maak ik me geen illusies. Maar even adem ik mee met de wereld, en excuseer ik me absoluut niet voor het gevoel dat elke mens nog meer op elkaar lijkt dan dat hij denkt dat hij van een ander verschilt. Ik hoop dat dit 2011 ergens, in een andere woonkamer, het 1989 wordt waar ik zelf op terugkijk als een van zon doordrenkte foto.