Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

vrijdag 7 februari 2025

Droge eskimo's

De laatste tijd trek ik weer grote banen door de stad, want een fietser is een zwemmer of hoe zei Paul Snoek dat ook alweer. Ons kantoor is definitief verhuisd van Gent-Sint-Pieters naar een locatie die geprangd zit tussen de Bloemekenswijk en de Muide, niet bepaald de meest verheffende kwartieren van de stad. Het nieuwe kantoor is gelegen op de dakverdieping van de Eskimofabriek, waarover ik een paar keer het grapje maakte dat die naam eigenlijk niet meer kan en dat ze de locatie de Inuitfabriek zouden moeten noemen. Maar goed, het was een voormalige textielfabriek uit 1906, en politieke correctheid of rekening houden met interculturele gevoeligheden was toen nog sciencefiction (en is het pijlsnel opnieuw aan het worden). Het is een hol en koud gebouw en zelfs twee dozijn hippe startups, scale-ups, repairshops en hipsterboetiekbodega’s en -bakkerijen kunnen de ware aard van het monster niet verbergen. Ons kantoor zelf is gelukkig tamelijk warm, maar buiten ondoorzichtige dakvensters ook een afgesloten eiland ergens lost in space. Ik moet er nog wat gewoon aan worden, na bijna 3 jaar de luxe te hebben gehad van voor mezelf een eigen kantoortje te kunnen claimen in het huiselijke maar uitgewoonde oude kantoor, dat ook wel zijn beste tijd gehad had.

Omdat het kantoor ongelukkig ver ligt van mijn frequente Gentse avondafspraken, moet ik dus heel wat aftrappen door de stad. Er zullen dagen zijn dat ik er meer dan 30km op heb zitten, maar met een goede elektrische fiets is dat eigenlijk zo erg niet. Meer nog: de nieuwe of herontdekte straten zijn hun eigen avontuur(tje). De weg van thuis naar kantoor verloopt grotendeels zonder meerazend autoverkeer, langs groene stukjes stad die de splinters zijn van hoe de hele omgeving ooit moet geweest zijn voor massale menselijke bewoning. De Romeinen noemden dit Belgica Secunda, en het was een woest amalgaam aan gure moerassen, laagstammige bossen en natte heiden waar de brullende noordwestenwind soeverein heerste. Letterlijk de rand van de toenmalige beschaving. Het is een wonder dat hier grote metropolen konden ontstaan, en wel door rijkdom via textiel, waardoor een dikke wollen draad loopt tussen de Middeleeuwen en de Eskimofabriek.

Als ik door de goed aangelegde, brede fietslanen koers, ben ik dankbaar dat ik in Gent woon. Het hoongelach over die groene Gentenaars weerklonk onlangs tot ver buiten de landsgrenzen nadat een ambtenaar zou geadviseerd hebben aan mensen om hun kerstbomen op te eten in plaats van te verbranden, maar niemand hier liet het echt aan zijn hart komen. Ik eet liever een sparrentak dan in een stad te wonen waar kinderen kunnen doodgeschoten worden in onbeheersbare drugsoorlogen of een stad waar wanbestuur geïnstitutionaliseerd is. Hier wordt voor de fietser gezorgd. Niet altijd perfect, maar men doet zijn best. Ook in het rommelige café waar één van mijn recente omzwervingen me heen voerden om mijn vriend Gavril nog eens te zien, die er een tijd op had zitten in een kliniek, waar we een onzalig grote portie Indonesische stoofpot voor de kiezen kregen. Laatst droeg ik ook mijn toevallig Indonesische sjaal (een cadeautje van een studente die op bezoek was gekomen). Een collega vond dat ik er plots uitzag als Martin Meiland, die halvegare patriarch die vooral bekend staat om zijn gezellig alcoholprobleem.

Daarover gesproken: het is droge februari, en ik doe m’n best om mee te doen. Ik ga eerlijk zijn: plezant vind ik dat eigenlijk niet. Maar met vallen en opstaan moet ik leren dat ik af en toe liever moet zijn voor mijn lichaam. Ik ben nooit een grote fan geweest van dat lichaam, maar het is het enige dat ik heb en ik doe het al zo veel de duvel aan door te roken. Op aanraden van een cardioloog ben ik tevens ook zo goed als gestopt met caffeïne – ook al een drug – in te nemen. Vooralsnog merk ik eigenlijk weinig verschil, buiten dat ik ’s avonds wat sneller moe ben. Maar kennelijk moet ik zelfs met argusogen kijken naar Cola Zero Decaf, want er gaan nu stemmen op dat aspartaam kankerverwekkend zou zijn. Zoals ik ooit schreef in een satirisch nieuwsartikel uit 2014: “Artsen formeel: alles veroorzaakt kanker”. Waarschijnlijk verschijnt er over een jaar of 5 een studie dat ook fietsen kankerverwekkend is. Het is soms moeilijk om niet moedeloos te worden terwijl al die gedachten door m’n hoofd malen en ik probeer om niet verkeerd te rijden in de stad waar ik geboren ben en al 23 jaar woon. Terwijl ik denk aan de Eskimofabriek, probeer ik de gedachte weg te duwen aan de echte Inuit en Groenland, waar ik ooit graag op vakantie zou zijn geweest. Een zekere Amerikaanse dictator-gangster wil het eiland heel graag kopen en desnoods manu militari veroveren. Ik kan daar toch niets aan doen. Maar ik kan er wel voor kiezen om helder vooruit te kijken. Dezer dagen denk ik vaak aan die meme die ik ooit zag, waar in sierlijke letters te lezen was: “Disappointed, but not surprised.” Ik zal wel verderfietsen.

woensdag 15 januari 2025

Helft

Vlakbij waar ik nu al bijna 10 jaar woon is er een brug over de Brugse Vaart. Die brug kwam enkele jaren geleden in het nieuws omdat ze op instorten stond en vernieuwd werd. Tijdens die vernieuwing brak de coronapandemie uit en kon je er zowel dag als nacht, als de werken van de dag gedaan waren, als voetganger over gaan wandelen – over het deels opgebroken wegdek, het trottoir, langs de achtergelaten werktuigen. Dat voelde als een ongehoorde vrijheid. Nu ik terug over de volledig functionele brug wandel, enkel op dat smalle trottoir, voel ik angst. Ik ben gaan wandelen omdat ik onrust voelde en een idioot deel van me denkt dat ik die onrust klein kan krijgen door m’n angsten te confronteren. Ik kijk naar het wegdek, niet naar de Brugse Vaart onder de brug, of de N9. Vreemd genoeg boezemt de N9 me nog meer angst in dan de Brugse Vaart. Een smak in het zwarte water zou natuurlijk verschrikkelijk zijn, maar een doodssmak op de N9 zou dat nog veel meer zijn, met het harde beton van de baan en de voorbijrazende vrachtwagens die me tot pulp zouden herleiden, zelfs na de dood. In het water kan ik tenminste een volledig lijk blijven.

In het voorjaar van 2021 blokkeerde mijn bankkaart aan de automaat van het treinstation van Waregem (omdat ik aan de limiet geraakt was) en moest ik m’n Visa-kaart gebruiken om een treinticket te kopen. Daarna in Gent viel ik in slaap op de bus naar Mariakerke en werd ik wakker in een niemandsland tussen Gent en het Meetjesland, aan de eerder vernoemde N9. In die tijd waren mijn voetwortelbeentjes ontstoken, maar ik kon niet anders dan te voet naar die brug toe stappen en de metalen trap te nemen naar boven, die nachtmerrie-doorzichtig was en waar ik bij elke stap het gevoel kreeg dat ik één windzucht verwijderd was van een fatale val, alsof alle demonen van voorbije honen van sportleraars, onbegrip van klasgenoten, collega’s en onbekenden zich hadden verenigd in één bericht: “Val maar. Je bent toch maar een loser. Je hele verguld voorspelde leven was een grap. Je verdient het om uit onze maatschappij van winnaars, klimmers, atleten en door erfenissen voorbestemde elites verwijderd te worden.”

Ik viel niet en raakte thuis, net zoals ik nu de brug afdaal en oversteek om dan het tegengestelde parcours te nemen, terug de brug op. Je kan het larmoyant noemen, die dwaze hoogtevrees van me en wat ik ermee associeer qua sociale bagage, maar het maakt die niet minder echt. Ik steek een sigaret op en passeer een koppel dat wandelt in de tegengestelde richting. In het winterduister en door hun kappen is het moeilijk te ontwaren, maar ik vermoed dat de man en de vrouw allebei in hun midden-twintiger-jaren zijn. Ze praten onderling in een taal die ik niet versta en niet herken. Als ik hen passeer, heeft de man de koppositie genomen, met zijn partner achter hem. Ik zou dat ook doen. Ze weten immers niet wie deze vreemde man is die hen passeert, met zijn zwarte jas en zwarte muts, rokend, en zelfs in 2025 zijn vrouwen nog altijd kwetsbaarder dan mannen, ook in het liberale België.

Ze zeggen soms dat de jeugd een verkwanseld geschenk is aan wie jong is, omdat je als jongere zo veel niet weet maar zo veel kan doen, en er is wat van aan. Enkele weken geleden probeerde ik voor het eerst in een decennium nog eens mijn oude vergif van de vodka-Red Bull, en mijn God wat smaakte dat niet alleen verschrikkelijk, ik kon er niet van slapen. En dan te denken dat ik dat rond m’n 25 dagelijks dronk. Nu nader ik de 42 en ben ik volgens officiële statistieken over de helft van mijn leven. Ik sprak dat recent uit tegenover mijn huisarts die me nog “jong” noemde (die huisarts is jonger dan ikzelf) en daar had die weinig meer tegen in te brengen dan een sobere glimlach.

Ik passeer de bushalte op het lager gelegen deel van de brug, eindelijk weg van de verlokkelijke duisternis van de N9 en de Brugse Vaart. De laatste jaren hebben gevoeld alsof ik gevangen zat in stroop zo zwart als die Brugse Vaart. Ik beschouw mijn romans ‘Fragmentariërs’ (2020) en ‘Constellatie’ (2024) als faits divers die geen enkele naald wezenlijk hebben bewogen, ik voel me bij mijn promoties en loonsopslagen als een eeuwig zwijgend moai-beeld van het Paaseiland, voor het feit dat ik al m’n haar niet heb ben ik niet eens dankbaar, ik onderga stoïcijns het eb en het vloed van het online daten dat nergens wezenlijk heen lijkt te gaan, en denk over mijn weigering om het nieuws nog op de voet te volgen sinds de herverkiezing van dat oranje stuk stront Donald Trump als een laffe vaandelvlucht. Je ziet, je hoeft geen uitgeteerde heroïnegebruikers op een kraakpand te zijn om een over zichzelf klagende poète maudit te zijn die zelfs niet eens echt blij is met de positieve aspecten in zijn leven. Het is waar, ik dik het aan ter wille van het pathos, want op zo veel vlakken ben ik ook gewoon gezegend, #blessed zeg maar.

Ik kom voorbij de fietsenwinkel waar een jonge werknemer me enkele dagen terug nog zo vriendelijk en kosteloos heeft geholpen. Waar vind je dat nog? Ik zou de naam wel willen vermelden van de winkel maar dan komt het direct over alsof ik gesponsord word – kennelijk is niet alleen ethische consumptie niet mogelijk onder kapitalisme, ook aan belangeloze promotie kleeft onvermijdelijk de stank van het geld. En ik kan het weten, want de betaalde variant is mijn beroep. Ik heb vrienden die academici zijn of leraars. Dat zijn de Atlassen die mee de maatschappij op hun schouders torsen, net zoals vuilnisophalers, therapeuten, of ambulanciers. Waar is die goedbedoelde warmte naartoe toen we 5 jaar geleden op het balkon om 19u applaudisseerden voor de mensen in de zorg en zouden er onder die klappers lui zijn die nu als vanouds weer tekeer gaan tegen hulpdiensten als halfverwilderde beesten? Oordelen is altijd makkelijk. Ik ben een boek aan het lezen over de geschiedenis van stank, en daarin wordt uitvoerig ingegaan op de walging die de bourgeoisie voelde voer de arme klasse, die met stank en vuil werd geassocieerd. Terwijl denk ik dan: dat waren toch ook maar mensen. Maar ik heb de luxe dat te denken vanop een witte toiletpot met een sifon, aangesloten op een ondergrondse riolering. Voor al mijn voorouders die verder teruggaan dan mijn overgrootouders is mijn wc-pot niets meer dan de vorstelijke troon van een man die leeft als een koning.

Als ik de deur open, tref ik Reginald de kat aan, behaaglijk opgekruld tegen één van de hoofdkussens op het bed. Ik kan zijn ogen niet goed zien maar ik weet dat hij naar mij kijkt. Voor hem moet ik zelfs lijken op een onsterfelijke – hij zal met geluk afklokken rond de 15 jaar, terwijl ik vanuit zijn standpunt niet veel ouder zal geworden zijn. Ik heb al bijna drie volle kattenlevens geleid, en nog zit ik maar “net over de helft”. Ik laat hem knus op het bed zitten. Als hij affectie wil, is hij niet te beroerd daar zelf om te komen vragen, want zo is hij wel. Ik wandel door het appartement en kan door de venster bij het balkon terug die brug zien, die nu zo onschuldig, zelfs weerloos oogt als het landschap zelf. Niet die moordkuil richting water of beton die ze leek van bovenaf. Hier zit vast een platitude in over perspectieven maar bedenk ‘m zelf maar.
 

woensdag 1 januari 2025

Nonkel Diarree

We zijn het nieuwe jaar binnengestapt. De vloer is nog nat. Van een kater is geen sprake aangezien de katerstaat de standaard is geworden de laatste jaren. Er is weer overmatig getafeld en gelachen geweest met familie en vrienden en ik heb nog enkele dagen van verlof na een vervelend virus dat me meer dan een week geveld heeft. Er is een geboorte geweest in de familie, dat ook. Ik focus me hier op het persoonlijke omdat ik nog steeds de gordijnen gesloten probeer te houden tegenover de rivieren van brandend afval die overal om ons heen denderen.

In onze familie was er een oudoom, een boekhouder met de naam André, die bekend stond als “Nonkel André” of in ons dialect “Nonklandré”, wat mijn kinderlijke zelf hilarisch vond om te veranderen in “Nonkel Diarree”. Vooral omdat het een wat gevreesde, ernstige man was. Niet, zoals je je clichématig een klassieke boekhouder voorstelt als een schuchtere, ascetische man met een dunne stem, maar een luide, wat zware man met een even zware Stephan Derrick-achtige bril. Toevallig was “Nonkel Diarree” ook dol op Duitsland, maar niet omwille van foute redenen.
 
Een week geleden ben ik dus zelf voor het eerst oom geworden. Hoewel mijn ouders drie zonen hebben weten op te voeden tot volwassenen, zijn noch ik, noch mijn eerstvolgende broer vader geworden en is de kans klein dat we het ooit zullen worden. De wolk van een dochter is van mijn jongste broer en zijn vrouw en ze werd geboren op Kerstdag. Ik heb nog geen bezoek kunnen afleggen aan de baby omdat ik geteisterd werd door - je raadt het misschien al - diarree, wat me in een karmische cirkel nu de werkelijke Nonkel Diarree maakt. Friedrich Nietzsche had het indertijd over de “eeuwige terugkeer”, en bij mij lijkt die zich vooral in grofkomisch karma te grossieren.
 
“Maar een kind ter wereld brengen, in deze tijden?” Je zou het gelijk wanneer kunnen gezegd hebben in de menselijke geschiedenis en tot op zekere hoogte zelfs onafhankelijk van sociale klasse, aangezien voor de komst van de moderne medische wetenschap evenveel aristocratische als arme vrouwen het leven lieten bij de bevalling. Maar toch: het blijft altijd ergens een daad van verzet tegenover de koele onverschilligheid en grilligheid van de wereld. Zeker nu het een keuze is en geen verplichting of ongeval. Om nog maar te zwijgen over wat de komende jaren en decennia zullen brengen.
 
De hoop is dat, mocht mijn nichtje deze tekst onder ogen krijgen binnen 41 jaar, ze schamper zal moeten glimlachen over de zorgen die de generatie van haar ouders had en dat de jaren '20 van de 21ste eeuw voor haar geldt als de laatste, gewelddadig-zure oprisping van het terminale kapitalisme. Alles kan slechter, maar het kan ook beter. Zolang we nog durven geloven dat er een bocht mogelijk is, hoe hopeloos de zaken ook lijken, kunnen de slechteriken nooit echt winnen, want het slechte gedijt bij wanhoop en het gevoel te geven onvermijdelijk te zijn. Om het te zeggen in het potjeslatijn van 'The Handmaid's Tale': Nolite te bastardes carborundorum.

En die diarree? Ach, mijn moeder wanhoopte dat ik niet mee had gekund op babybezoek, en ik zei: “Binnen 30 jaar herinnert iedereen zich de geboorte van een kerstkind op deze dag, niet dat ik diarree had”.


 

maandag 16 december 2024

Wat als ik nu eens geen goesting heb?

Het jaareinde nadert en dat nodigt uit tot omkijken, dus doe ik dat niet. Vooruitkijken is al weinig verheffender, met de wereld die is wat ze is. Je had die zinnen vast ook kunnen schrijven in 1523, 523 en 3523 voor Christus en ze waren even waar geweest. Wel heb ik een gedicht geschreven vandaag, dat ik volgens de regels van de kunst zou moeten promoten met een afbeelding, een video, een reel of een bijbehorende rake opmerking die zou zorgen voor meer engagement, oogbollen en kliks, maar wat ik daar nu gewoon geen goesting in heb? Het is een lange dag geweest. Ik zat vandaag in Oostende bij een ex-klant die hopelijk opnieuw klant wil worden bij ons en zowel voordien als nadien op de trein. Vooral de heenrit was weer een volkskermis van debielen, met achter me een dikke bierdrinker met een zware adem, die na zijn pint snurkend in slaap viel.

Ik heb vast ook al gesnurkt op de trein. Maar nog nooit een trein binnengestapt met een blik bier, en al helemaal niet 's voormiddags. Die man zal een triest verhaal hebben, daar twijfel ik niet aan, maar ik heb er geen zin in dat hij mijn eigen trieste verhaal nog triester komt maken. Helaas, zoals de beroemde filosoof Pennywise de Dansende Clown zegt: "we all float down here." Als je goed kijkt, kun je hem ook vinden op het schilderij 'De school van Athene', tussen de bedenker van het vulgarisme, Testikles, en de eerste man die ooit protesteerde tegen het beleid van de Griekse stadstaat door de Areopagus in te smeren met fecaliën, genaamd Koprophagos. Je ziet, het is alweer een dag vol bedenkingen van een ongekend niveau waar enkel markies de Sade mee zou hebben gelachen.

Het eerder vermelde gedicht was me al in fragmenten komen aanwaaien op de fiets naar het station en broeide verder op de fietstocht naar huis. De laatste weken lees ik veel en schrijf ik weinig. Overal knabbelt er wel iets aan die rattenkop van me dat me het schrijven verhindert, en ik heb niet eens kinderen, tenzij rosse Reginald meetelt. Het arme dier zat gisteren verloren voor het balkonvenster te kijken naar de kerstboom, die ik verplaatst had naar de andere kant dat venster. De dagen ervoor was hij er al in geslaagd vijf (!) kerstballen van de boom te lichten en die te gebruiken als zijn nieuw speelgoed. Hij was tevens in de plastic naalden beginnen bijten, terwijl ik er vrij zeker van ben dat katten geen plastic verteren (of lusten). Soms heb ik medelijden met hem, opgescheept als hij is met een dichter als baasje, gehuisvest op een appartement met twee slaapkamers (we delen één slaapkamer) zonder tuintje. Maar ja, zo zal hij tenminste niet vergiftigd worden door een dierenbeul of aangetikt worden door een auto.

Tegen dat ik de eindmeet haal van het jaar, zal ik net als het jaar ervoor 20 boeken hebben gelezen. Ik moet daar altijd aan denken als ik door de Humo's blader in december, met die schier onuitputtelijke eindejaarslijstjes van BV's, die kennelijk allemaal de tijd vinden om zich aan Belangrijke Literatuur te wijden. Welke mens gelooft dat pakweg Constant T.V. Hoofdt, bekend van lichte entertainmentshows, werkelijk naar de opera geweest is, een turf van 800 bladzijden heeft gelezen en geboeid heeft zitten kijken naar de nieuwst bejubelde film uit de Olijfboomcinema? Niet dat ik lach met mensen die dat allemaal doen, integendeel, maar het is een beetje potsierlijk allemaal.

Potsierlijke boeken! Een vriend kwam er hier recent nog een tas dumpen. Ondanks mijn ongeloof over sommige titels, die zo niche zijn dat ik ze niet zou geloven als iemand me over zou hebben verteld - geen reëel voorbeeld, maar iets als 'Die Geschichte der Masturbation im 16. Jahrhundert in der Markgrafschaft Meißen' - weet ik heel zeker dat die vriend ze allemaal gelezen heeft. Wat een man. Intussen doe ik wat afwas, vul ik een vaatwassertje en gun ik Reginald wat speeltijd. Om de één of andere reden houdt hij ervan als ik hem achtervolg door het appartement. Met tussenpozen laat hij zich dan vallen en aaien. Ook dieren zijn personen, nietwaar. Maar Reginald heeft geen gedicht geschreven en ik wel. En net als Reginald heb ik geen goesting om het te promoten. 

donderdag 7 november 2024

De levens van anderen

De hemel is al de hele dag loodgrijs en begint te verzwaren en verzwarten terwijl ik wacht op de trein. Ik rook een sigaret, wat hier niet mag, maar goddank zegt niemand er iets over. Het is twee dagen na wat misschien wel de meest noodlottige verkiezing zal blijken in de wereld na 1933 en ik ben al twee dagen in hopeloze vrije val. Ik maak me geen zorgen over wat de komende jaren allemaal gaat gebeuren, want dat staat als een paal boven water: we zullen nog maar eens een ongeziene cascade van goorheid over de wereld zien uitgutsen vanuit het Oranje Huis. Ik maak me zorgen over waar ik de hoop kan vinden om dit allemaal te overleven – om dit zelfs te willen overleven. Het heeft geen zin dat ik alles opsom, maar als je werkelijk denkt dat het allemaal zal meevallen, dan ben je zo hersendood als Rik Torfs. Elke weg terug naar een Westen als te bewonderend baken van democratie, vrijheid en gelijkheid zal lopen over immense pijn en in veel gevallen gewelddadigheid, en zelfs dan is niet zeker dat we tijdens ons leven dat pad terug zullen inslaan.

De voorbije twee dagen heb ik van gedachten gewisseld met vrienden, broers, collega’s. Ik wil hen niet mee onder water sleuren maar ik ga ook niet doen alsof ik al die dingen die ik zojuist heb gezegd, niet denk. Het toeval wil trouwens dat ik een nieuwe bundeling van columns en wat we maar dagboekfragmenten zullen noemen, aan het samenstellen ben terwijl ik tegelijk de eerste – ‘In de vorm van een vogel’ – nog eens herlees. Melancholisch ben ik altijd al geweest, maar de lichte toets die er nog was in de periode tussen 2008 en 2016 is niet meer dan een vage suggestie geworden in de periode tussen 2017 en nu. Ik lees veel woede, tegenover steeds dezelfde charlatans – ook lokaal. En met de fatale herverkiezing van die laffe baby van een 100 kilo rotte eieren in een te groot kostuum is er iets geknapt. Ik heb beseft dat mijn woede niets uitmaakt. Ook lokaal niet.

Het is druk op de trein en willens nillens volg ik enkele conversaties mee. Bijna iedereen heeft het erover. Ik heb bewust analyses in de media gemeden en heb me uitgeschreven bij enkele YouTube-kanalen die hedendaagse geopolitiek coveren. Nu ben ik verplicht ze toch bij te wonen, met dank aan mijn goedbedoelende medemens. Maar elke analyse die niet naar de kern van de necrose gaat is hooguit “interessant” en op zijn slechts even steekhoudend als Percival Lowell die in de 19de eeuw kanalen meende te zien op Mars maar in realiteit wellicht met zijn peperdure telescoop in een spiegelbeeld van zijn eigen oogbol aan het kijken was. De kern is: zolang we de toegang van de big business tot de politiek niet beteugelen, blijft de fabeltjesfuik intact en blijft de pijplijn van elke centristische en centrumrechtse beweging naar fascisme overuren draaien. Miljardairs en enorme multinationals willen hun macht en vermogen indien niet behouden, nog vergroten, en dat gaat altijd ten koste gaan van anderen. Omdat op dat principe gebaseerde politieke recepten ofwel enorm impopulair zijn, ofwel boerenbedrog à la Reagonomics, wordt er gesteund op diverse schakeringen van fascisme en moeten de mensen die je aan het bestelen bent geloven dat hun problemen de schuld zijn van iemand anders – of op z’n minst geloven dat ze hun woede mogen koelen op die ander, die ze eigenlijk toch al haatten. 

Ik ga niet herhalen hoe onnozel ik de meeste andere analyses vind. Ook die van mijn medepassagiers. Ze proberen uiteindelijk net als ik ook maar hun best te doen hier een touw aan vast te knopen en ze zitten tenminste vanavond niet in een praatprogramma hun ideeën af te doen als genuanceerde, weloverwogen theses. Maar weet je wat het is? Ik moet denken aan ‘Cloud Atlas’ (als je die nog niet hebt gelezen: doen), zeker nu het volledig donker is geworden buiten, op verspreide lichten na van hoge kantoorgebouwen. Op het einde breekt tegelijk het eerste en laatste hoofdpersonage een lans voor menselijkheid als daad van verzet, zelfs tegenover schier eindeloze, duistere golven van geweld, haat en leugenachtigheid die misschien ooit wel de mensheid zelf zullen verdoemen. Het zijn juist die daden van verzet die ooit kunnen ontkiemen tot iets dat echt de moeite waard is, en er zullen steeds mensen zijn die die keuze zullen willen maken, ongeacht hoe kansloos ze lijken. Dat is waar menselijkheid om gaat. “Our lives are not our own. We are bound to others, past and present, and by each crime and every kindness, we birth our future.”

In de nachtspiegel van de treinvensters zie ik m’n eigen ogen, verborgen. Ik ben maar één persoon en ik kan het wereldleed niet op mijn schouders nemen, laat staan oplossen. Ik mag mezelf de tijd geven om even niet al het nieuws in me op te nemen over rampspoed, verlies, oorlog en vernedering, dat de komende jaren enkel erger zal worden. Ik kan het leed en de pijn erkennen en tegelijk blijven proberen, zoals ik hoop dat ik dat al heel lang doe, het leven van anderen aan te raken. En dat op een manier dat eens ik opgelost ben in de eindeloze zwarte zee, dat mijn korte bestaan het leven van die anderen blijer heeft gemaakt, vreugdevoller, getrooster, meer gehoord, meer gezien – meer mens. Je mag dat belachelijk vinden, of sentimenteel. Het kan me niet schelen. Dat maakt het de moeite om te overleven, dat ik de liefde die mij gegeven is kan doorgeven aan anderen, zelfs als dat is op de meest bescheiden manieren of in moeilijke omstandigheden. De grimmige uitsmijter is dat wie nu de messen zit te slijpen, zot van eigen glorie, wellicht even ongelukkig en miserabel is als ikzelf. Maar zij zijn bij leven eigenlijk al dood en als ze komen te gaan, van de meest misogyne incel op zijn kamertje tot de grootste tiran, zal niemand hen missen. Zij hebben al verloren.