Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

dinsdag 25 september 2012

Zeeziek, maanziek

Kerst komt vroeg dit jaar. ’s Ochtends aan het station staan de grenzen van de werken aangeduid door lange lichtkabels over de ijzeren hekken, en vormen ze zo het natuurlijke wandelspoor voor fietsers aan de ene kant, bouwvakkers aan de andere kant. Met die kerstverlichting komt ook de vertrouwde kilte van een plots ingezette, aangewaaide herfst.  De dag condenseert al tot humus nog voor hij goed en wel begonnen is. Ik wens geen gesprek te voeren, maar het trage op gang komen van de maandagmorgen wordt getemperd door de stilte van de honderden andere pendelaars, die net als ik een uur geleden nog in een warm bed lagen, alleen of tegen een ander lichaam aangeschurkt. Mijn nieuwsgierigheid is ontembaar. Een belegen volkswijsheid luidt dat als je als heteroman ergens aankomt, dat er één vrouw altijd de knapste is, en die zoek ik ook altijd. Ik vind haar tijdelijk. Ik vergeet haar nooit.

Als treinen over sporen knarsen, boven het mechanische gepraat van stationsaankondigingen uit, vraag ik me af of er nog mensen zijn die net als ik last hebben van die constante sensoriële overdaad. Al die mensen, al dat lawaai, dat licht, die bewegende stromen, obstakels en verwarring. Is het omdat ik opgroeide op een dorp waar er hoop en al maar drie belangrijke straten waren? Of is hier iets fundamentelers aan de hand? Het antwoord op die vraag maakt niks uit. Je moet omgaan met het hier en nu, en het verleden is een vorm van fictie die voortdurend verandert in samenhang en nadruk. We blijven er aan boetseren naargelang het ons uitkomt. Zelfs perspectiefwissels zijn bedrog. Als ik mezelf zie van buitenaf, staand, lezend, zittend, met stenen gezicht, zie ik nog steeds mezelf van binnenuit in een fantasiewereld. Maar de cirkel sluit zich: als we toch alleen maar van de binnenkant voorstellingen kunnen maken en die sorteren in graden van plausibiliteit, dan nog is het alles wat we hebben.

Via de reflectie van het metrovenster kijk ik naar een man en vrouw in gesprek. Het zijn bekenden van elkaar, dat zie je aan de manier waarop ze lachen en hun gesprek weinig, maar ook weer niet te weinig onderbrekingen vertoont. Ik zit me af te vragen hoe het komt dat ik haar aantrekkelijk vind, onmiddellijk, zomaar, hoewel ze naar alle maatstaven van catwalks, videoclips en mannelijke staarbladen zeer gewoon is. Ligt het aan vormen en curves, ligt het aan geprojecteerde herinneringen? De vraag is interessanter dan het doelloze graven dat er op volgt, en ik wend mijn blik af. De man naast me probeert te zien wat ik aan het lezen ben. De cover van mijn boek lijkt op een cover van een stationsromannetje – vrouw met slappe witte hoed, man met vierkante kin en een grijs kostuum die haar vasthoudt als een nukkige rots in de branding.

Een naakte man klautert uit de Schelde terwijl ik aan de overkant voorbijloop. Breed, gezond pallieterlijf. Geen idee wat hij in de Schelde zat te doen om halfzeven ’s avonds, in het volle zicht van de huizen aan de waterkant. Ook dit is Gent. Ook dit is een vorm van schoonheid, het soort waar we een perverse relatie mee hebben. Schoonheid najagen als waarde lijkt hopeloos achterhaald, iets voor hobbyschilders en huismoeders die kleffe kaartjes van Anne Geddes verzamelen. Onze woordenschat is er ook niet meer op voorzien, want iedereen voor ons heeft al alle woorden opgebruikt om dat persoonlijke gevoel te beschrijven. Het is de keerzijde van de medaille van de overdaad aan indrukken die voortdurend op me af komt. Geef me een paar noten muziek die door het ruggenmerg prikken, en er komen zakdoeken aan te pas. Toon me een treurfaçade in verval, een gezicht met een verhaal of een gezicht met gesculpteerde jukbeenderen, en ik ben verliefd.

Routineus, tussen de uitgang van het spoorstation Brussel Centraal en het metrostation Brussel Centraal, steek ik een sigaret op die ik maar half ga oproken. De parade is onvermoeibaar. Een enorme man met een baard een hoed die eruit ziet alsof hij te veel fantasy leest. Een oudere vent met een uitgelopen gezicht, armzalige sportschoenen en grijs haar over alcoholrode huid. De fijne haviksneus van een parmantige Turkse. Al die dingen gaan de harde schijf op, alsof ik er een code mee ga kunnen kraken, later. Alsof lang genoeg naar een lepel staren hem ook zal doen ombuigen. Er zit een Uri Geller in elk van ons, die indien niet zichzelf, anderen ervan kan overtuigen dat de lepel buigt. Er zit ook een Morpheus in elk van ons, die weet dat er helemaal geen lepel is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten