Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling gedachten en semi-dagboekfragmenten daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van Anton Voloshin. Deze blog is momenteel afgesloten. Na 9 jaar columnistiek was het tijd om dit trouwe trekpaard even op stal te laten. Mijn 99 beste columns kan je geredigeerd en wel in boekvorm terugvinden: 'In de vorm van een vogel' is gratis beschikbaar als download in PDF en in EPUB-formaat.

woensdag 6 maart 2013

Antenne

In de trein zit ik tegenover een man die slaapt. Voor één keer doe ik geen dutje en zit ik te lezen ('The Dice Man'). Mijn medepassagier zal me zich niet meer herinneren. Er is zo veel dat vergeten wordt, maar er zijn ook zo veel herinneringen die ons opgedrongen worden. Waar was jij toen koning Boudewijn overleed? Was niet iedereen droevig, die dag? Waar was jij toen Frank Vandenbroucke geld verbrandde? Waar was jij toen Marc Dutroux ontsnapte? Iedereen was bang en moest binnen blijven. Ik herinner me ook de brandende Twin Towers en een vriend die na tien minuten al opperde dat een zekere Osama bin Laden erachter zat. We zaten aan zee toen, ontluikende bourgeoiszonen dat we allemaal waren, in een appartement met een scheef zicht op het strand, de regen en de dijkbejaarden die als grijze peren her en der in het landschap ingeplant leken. Die alles doordringende sfeer van koesterend burgerdom zit ook in het boek dat ik lees. Rhinehart kan alleen maar zijn knotsgekke experimenten doen omdat hij de luxe heeft om keuzes te maken. Dat is het fundamenteelste mensenrecht dat er bestaat: keuzes maken, vrij van alle dwang, ook als het de keuze is om niet te kiezen. Plechtige woorden, zuiver als koud water, dat. De passagier naast me besluit een brikje chocomelk te drinken. De hele handeling heeft iets zielig, maar ik krijg er de vinger niet op gelegd wat het is. Een volwassen man die een piepklein brikje Cécémel drinkt, misschien is het gewoon dat.

Tijdens de lunch kwam er een herinnering terug die ik al lang vergeten was. Op m'n eerste vakantiejob, in het restaurant van de Makro in Eke, was ik op de derde dag tijdens een kalme periode toegewezen tot de controleshift in de grote eetzaal. Dat betekende rondpatrouilleren in een slagerspak met een papieren hoedje op de kop en kijken of mensen wel hun plateaus zelf teruggebracht hadden. Als er echt geen slordigaards meer over waren, moest ik de stoelen goed zetten. Op een bepaald moment zag ik één eenzame plateau aan een onbemande tafel. Het eten was nauwelijks opgegeten. In mezelf foeterend over zo veel verspilling, kieperde ik alles de vuilbak in. Bij m'n volgende ronde stond er op die plek een armzalig uitziende man bedeesd te vragen aan één van de managers waar zijn eten naartoe was. Ik durfde niet zeggen dat ik dat per ongeluk weggegooid had, maar voelde me nadien een rotzak; stelde me voor dat die man al weinig geld had en daar wat zielig alleen zat te eten, en dat ze zijn eten nog hadden weggesmeten ook. Die moet zich die avond ook gevoeld hebben alsof het universum een drol op z'n hoofd gelegd had, met mij als onwetende medeplichtige aan die rotdag. Ik vertelde het hele verhaal aan mijn collega's, en het werd algauw gerelativeerd, want het kon zo veel erger. Onder het eten van pizza's zeilden we zo nog een paar anekdotes af.

Ik kom graag opgerezen uit ondergrondse plaatsen. Al wat naar boven gaat is leuk, en daar zal Sigmund vast wel een theorie over gehad hebben. De massa pendelaars heeft haar normale viscositeit en geordende chaos. Routine. Intussen heb ik voldoende geleerd om te beseffen dat routine niet alleen een knuppel is om mensen murw en dom mee te slaan, maar dat het evengoed een staalvlechtwerk kan zijn dat een beter doel dient. Er barst ergens spontaan een jaren '80 synthrock-soundtrack los: Anton in veel te korte jeansshorts joggend op het strand, Anton met bezweet gezicht in de fitness, Anton die yoghurt eet en Anton die in een keurig pak met das met forse passen voorwaarts komt door de massa van Gent-Sint-Pieters, elke dag. Uit het primordiale slijk van de opvoeding, het afbreken en de zelfuitvinding rijzen de contouren op van een beter type mens. Beter in de losse zin van het woord, want zelfs na al die jaren kan ik trage, bolvormige bejaarden die de weg blokkeren nauwelijks verdragen.

Het roken wordt uitgesteld tot ik goed en wel op straat ben. Ik maak mezelf wijs dat het een voorbereiding is op het definitieve einde van mijn relatie met vader tabak en moeder nicotine, maar het is eigenlijk een uiting van m'n latente masochisme om plezier uit te stellen en geduld te oefenen, hoe onzalig kort die tijdsspanne ook is. Luciano de Crescenzo stelde dat mensen epicuristen of stoïcijnen zijn, fundamenteel, en ik denk dat hij gelijk had. In een gunstig geval kan de epicurist leren van de stoïcijn dat plannen maken en die uitvoeren ook persoonlijke voordelen kan opleveren, en zal de stoïcijn leren beseffen dat niet alles zo godallemachtig belangrijk is, maar het is een torenhoog conflict dat elk moment terug kan losbarsten. Je kan het ook inkaderen als een tegenstelling tussen de structurerende en de opmerkzame persoon. Micro- en macrostructuren aanbrengen, daar ben ik goed in. Ik heb al honderddrieëndertig passen gezet sinds ik uit het station ben gekomen, en marcheer gestaag richting park, richting huis.

Frisbees vliegen door het park. Iemand beatboxt. Jong zijn, jong zijn. Veertig is het nieuwe dertig, proclameren veertigers die het nu voor het zeggen hebben in de media. Ze hebben een punt. Ze verkneukelen zich graag in hoe richtingloos late twintigers en vroege dertigers van nu soms lijken, verlengde adolescentie en al die dingen. Redacteurs van lifestylemagazines toeteren dat we dat net leuk moeten vinden, die vrijheid van dat ronddobberende levensvlot. Ze vergeten er bij te zeggen dat één van de redenen dat we blijven hangen, is dat de huizen peperduur zijn en dat onze geroemde bourgeoisklasse, dat plankton van de maatschappij, op instorten staat doordat we ons allemaal blauw betalen aan schulden die wij niet gemaakt hebben, om privileges in stand te kunnen houden voor generaties die de wereld leeggezogen hebben. Ik werk in marketing en bullshit is mijn beroep, die probeer me alsjeblieft niet zelf te belazeren. Maar wie weet wat denken die drie Turkse jongens nu over mij terwijl ik hen kruis onder de eminente parkplatanen? Ze zien een kerel lopen in kostuum en een lederen tas, dus zullen ze mij ook wel catalogeren als zo'n latent racistische Vlaamse clown die het veel te goed geeft. We horen nochtans samen, allemaal. Alleen zo slaagt de revolutie. Kamagurka tekende ooit een winkel waar je revolutionaire vuisten kon kopen. Zelf heb ik de handen van mijn moeder, maar gelukkig heeft mijn moeder ruim bemeten mannenhanden vol karakter.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik een gevoel als haat niet begrijp. Ik begrijp woede, ik kan ook een smeulende wrok verstaan om oud onrecht, of superieur medelijden, maar haat is al zo lang geen deel meer van m'n gedachten dat zelfs de ervaring van plotse vijandigheid van anderen surreëel voor me is. Niet iedereen hoeft me leuk te vinden en ik kan gerust een reden of zes bedenken waarom iemand me niet zou lusten, maar onmiddellijke vijandigheid, daar weet ik geen blijf mee. Vanuit die gedachte springt een nieuwe archiefkast open: ik zie het beeld voor me van een zekere Bert, Dirk of Baffus, een negatief heerschap die soms wel eens in cafés zit waar ik ook kom, en zich duidelijk tot doel gesteld heeft om ieders persoonlijke strontvlieg te worden. Je merkt dat hij nooit veel vrienden gehad heeft en daarom maar besloten had dat anderen a priori rotte figuren waren. Voeg dat ook maar toe aan de lijst van dingen die ik niet versta. Hoe kan iemand zichzelf nu aanmatigen om door mensen constant te kloten, een soort hypocrisie tevoorschijn te toveren? Je moet mensen er niet eens kwaad voor krijgen om dat te doen. Schuif aan bij een willekeurig gesprek een de zelfrechtvaardiging fluit je al om de oren. Kruispunt. Bijna thuis. De metallic centipede aan forenzen rolt van rood licht naar rood licht. Plodden gras onder m'n laarzen voelen lijkt een gunst, denk ik dan. En overal mensen, overal. Je kan niet leven zonder input, maar soms moeten de machines eens losgekoppeld worden. Het samengeperst zitten maakt wel dat we interessante dingen doen, maar we zijn tegelijk ook ratten in knellende tunneltjes. We verlaten die veel te weinig, ook psychologisch. In elk chic gebouw voel ik me onmiddellijk weer die blozende jongen die 's zomers tussen de koeien liep en bijna in een vossenklem trapte. Het is best pathologisch allemaal: de stad is mijn vluchthuis om te ontkomen aan de benepenheid van harde boerentronies, maar de échte verfijning van de stadsadel voelt voor mij aan als onwerkelijk.

Het wordt groen. Ik bedenk me dat ik straks alleen ga eten. Ook dat heb ik allicht ergens aan verdiend, maar er zal tenminste niemand ongevraagd m'n plateau komen wegnemen. Boterhammen met jonge kaas. De opstandige burger betreedt zijn rommelpaleis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten