Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label Zwitserland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zwitserland. Alle posts tonen

donderdag 4 januari 2024

Anton in Zwitserland (en Liechtenstein) - Dag 3: Zürich bis

Omdat ik al een eindje voor het ontbijt op ben, nuttig ik mijn eerste sigaret van de dag op mijn door het hotel bezorgde huissloffen aan de portiek. Ik zie een erg vreemde vrouw in zichzelf in het Frans praten en rond een restaurant sluipen dat tegenover het hotel ligt. Ze probeert binnen te raken in het restaurant, wat niet lukt. Er stopt ook een bestelwagen die een kerstboom komt ophalen (of vervangen?). Eerder al zag ik dat de kerstmarktjes zowel in Zürich als Luzern al volop afgebroken worden, hoewel het nog niet eens Nieuwjaar is. De klokken van de stad luiden als in een vraag- en antwoordspel en ik weet niet goed waarom (Matthias weet het ook niet) want ze luiden op vreemde tijdstippen, zoals 40 minuten na het uur of 10 minuten voor het uur. Pas de laatste dag lijken ze synchroon te slaan op het uur.

Na het ontbijt gaan we naar het Landesmuseum, dat lijkt op een kasteel en naast het station ligt. Aan de inkom loopt het er vol joelende en krijsende kleuters, wat nog versterkt wordt door de akoestiek van het gebouw. Ik begrijp niet waarom je als ouders kinderen meeneemt naar een museum als ze niet stil kunnen zijn (of als de onderwerpen van het museum hen niet kunnen boeien), maar het zal vast ik wel weer zijn die “onverdraagzaam” ben omdat ik niet deel wil worden van een probleem waar ik helemaal niet om gevraagd heb.

Met koptelefoons op begint de reis op de eerste verdieping, waar ingegaan wordt op de talenrijkdom van Zwitserland. De sensoren zijn niet altijd even goed afgesteld en sommige stukjes beginnen en eindigen abrupt of aan het verkeerde object, maar niettemin is het erg boeiend, zeker voor een talenfreak als ik. Zo leer ik dat Romansch pas in de jaren ’30 de 4de officiële taal werd van Zwitserland als statement tegen het fascisme en nazisme van buren Italië en Duitsland, om meertaligheid specifiek als een Zwitsers element op de kaart te zetten van het nationaal bewustzijn. Eveneens kom ik te weten dat hoewel Italiaans slechts in twee kantons een officiële taal is, het gebruik ervan ook wijdverspreid is in Duitstalig Zwitserland, vooral onder migranten afkomstig uit Italië, en dat er een soort mengtaal bestaat die doet denken aan het traditionele dialect uit Brussel, dat zelf ook onaangekondigd kan switchen tussen Nederlands en Frans.

Ook opvallend: Zwitserland eert met veel égards de Duitse schrijver Friedrich Schiller. Misschien niet zo opvallend als je je herinnert dat hij Willem Tell wereldberoemd maakte. Of de man ook echt bestaan heeft, wordt in twijfel getrokken, maar tot in reclames voor Ricola toe leeft het verhaal verder.

Het Landesmuseum blijkt nogal exhaustief, in beide betekenissen van het woord. Het lijkt alsof elke laatste tand, pijlkop, beschilderd bord en belangwekkende houten deur in het museum tentoongesteld is. Als uitsmijter is er nog een tijdelijke tentoonstelling van moderne haute couture (en die is wellicht “o zo duur” zoals De Jeugd van Tegenwoordig het zou zeggen) maar tegen dan hebben we het wel zo’n beetje gezien.

Een andere bezienswaardigheid, het operagebouw, blijkt gesloten. Op het plein voor de opera breekt men alweer een kerstmarkt af. Het plein in kwestie heet de Sechseläutenplatz, genoemd naar het jaarlijkse Sechseläuten-festival in april, waarbij een enorme houten pop verbrand wordt en er aan de tijd die het duurt eerde hoofden exploderen, wordt gemeten hoe lang de winter nog zal duren. Matthias weet te vertellen dat het bij de laatste editie ontzettend lang duurde. Toch is dit hier helemaal geen strenge winter, integendeel. Ik ben al elke dag buiten geweest met slechts een hemd en een winterjas en heb het vaak te warm. Na de Rigi Kulm heb ik ook geen enkele keer mijn handschoenen nog aan moeten doen.

Een plakkaat aan de Limmat-rivier, die uitmondt in de Zürichersee waarrond de stad geplooid ligt, legt uit dat er een theorie is dat Zwitserland 50 miljoen jaar geleden aan een zeestraat lag tussen de vroege Middellandse Zee en de Paratethys, een oerzee die vandaag opgedeeld is tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De vele meren die Zwitserland rijk is, zouden restanten zijn van die zeestraat, die liep door wat nu de Hongaarse vlakte is en de IJzeren Poorten van de Karpaten.

Een bezoek aan een botanische tuin is een scheet in een fles. De tuin is klein en ligt er volledig kaal en verdord bij. Ook het Designmuseum en het Le Corbusier-Huis zijn dicht. Ik wist overigens niet dat Le Corbusier eigenlijk een Zwitser was tot dit bezoek. We passeren ook aan de Nationale Bank van Zwitserland, een al met al nogal militair aandoend gebouw met tralies. 

Na een korte pauze op het hotel, waar ik de Senseo op de kamer niet aan de praat krijg, gaan we naar het Kunsthaus van Zürich, een museum dat uit twee grote delen bestaat, gescheiden door de rivier maar ondergronds verbonden. De toegangsprijs voor één deel is al best pittig, aan omgerekend €40 voor twee personen en voor het eerst switcht iemand naar Engels tegen mij als duidelijk wordt dat ik de baliemedewerkster niet goed kan verstaan. 

De ingang loopt door de gift shop, waarbij ik moet denken aan een moment uit ‘The Good Place’ als de helden in de Bad Place (de hel) zijn en daar moeten verschuilen in het Museum van Menselijke Miserie. Het personage Jason vraagt of er een gift shop is, waarop de demonische antiheld Michael zegt: “Jason, you’re in hell. Of course there’s a gift shop.”

Al is de toegangsprijs duur, het Kunsthaus is al even labyrintisch groot als het centraal station van Zürich. Naast wat meer aandacht voor Zwitserse artiesten (waarvan er sommige naar onze mening wat bovenmatig belicht worden als je kijkt naar de kwaliteit van hun werk) zijn er schilderijen en plastische kunstwerken van het kruim van de Europese kunstenaars: Chagall, Kandinsky, Breughel, Mondriaan, Magritte, Hollandse meesters, Lichtenstein en zo verder. Eén zaal wijdt ook aandacht aan “Hulda”, een feministisch kunstcollectief dat de naam gebruikte van Zwingli’s echtgenote om aan de kaak te stellen hoe overweldigend mannelijk museumcollecties zijn.

Na een tijdje is het eerlijk gezegd wat overweldigend. Buiten is het al donker en is het lichtjes aan het regenen. Binnen zijn er vele kamers binnen kamers, trappen na trappen en zaal na zaal, ook met hedendaagse kunst en fotografie. Regelmatig moet ik even gaan zitten. Dat helpt ook om sommige werken wat beter te bestuderen. Bij veel oudere werken hangen labels die uitleggen of de schilderijen mogelijk nazi-roofkunst waren. Het sterkt het Kunsthaus alleszins tot eer dat ze hier zo open over zijn.

’s Avonds bezoeken we een entrecôte-restaurant tegenover ons hotel (niet hetzelfde restaurant waar de zonderlinge dame van de ochtend rond sloop). Matthias vindt het nog een amusante ervaring: er wordt maar één gerecht geserveerd en het is er ontzettend druk. Tijdens onze maaltijd staan aan de ingang tientallen mensen aan te schuiven om binnen te raken. Nochtans is het gerecht flauw, zeker voor €45 per persoon: een kommetje sla en wat brood als voorgerecht, en dan twee rondes van plakjes entrecôte met frietjes, overgoten door een vieze groene saus waarvan Matthias denkt dat er lookboter in zit. Bij de tweede rond kwakt de serveerster nog een grote lading saus over mijn bord, hoewel ze kan zien dat bijna alles van de eerste gang onaangeroerd is. Ze is erg gehaast en net niet onvriendelijk genoeg om echt als onvriendelijk beschouwd te worden.

We komen tot rust in de lounge van het hotel. De erg guitige avondmedewerkster voorziet ons van frisdrank en zwarte thee. Matthias en ik zijn allebei erg moe en ik proef nog altijd de vieze nasmaak van de groene saus in mijn mond en keel. Morgen wordt het weer vroeg dag, echter, want we gaan een buurland van Zwitserland bezoeken. 

woensdag 3 januari 2024

Anton in Zwitserland (en Liechtenstein) - Dag 2b: Luzern & Rigi

De boottocht is niet goedkoop: omgerekend meer dan €90 voor twee personen. Zwitserland is enorm duur, sowieso. Je krijgt er wel één van de beste levenskwaliteiten ter wereld voor in de plaats. Op de hele reis zal ik welgeteld één dakloze zien, en laat ik me vertellen dat onze thuisbasis Zürich één van de hoogste concentraties aan miljonairs ter wereld heeft. De boot zelf is modern en snel. De passagiers zijn bijna allemaal toeristen, en het valt op hoe divers de toeristen zijn als groep: ik tel Chinezen, Indiërs, Amerikanen en uiteraard de obligate Nederlanders. De boot maakt drie stops aan pittoreske haventjes met statige hotels die wel een filmdecor lijken of bedacht hadden kunnen zijn door Wes Anderson (de realiteit is wellicht omgekeerd).

Aan de voet van de Rigi in Vilznau moeten we nog een bergtrein nemen die steil omhoog rijdt langs de flanken van het gebergte. Overal zie je huizen en vakantiewoningen en vraag ik me af hoe de bewoners die bereiken, want veel wegen zijn er niet te bespeuren. Volgens Matthias zijn veel Zwitsers eraan gewoon door de bergen te wandelen dus voor een steile helling minder of meer draaien ze hun hand (of voet) niet om. Op de bergtrein zitten we naast een familie Indiërs waarvan de grootvader hetzelfde stemtimbre heeft als opa Simpson uit de animatiereeks. Hij lijkt constant in de war. Later loopt hij nog twee verschillende keren in de weg als we op de Rigi Kulm zijn.

Na de voorlaatste halte begint een soort Alpenschlager door het geluidssysteem van de trein te schallen: het Rigi Lied van het Quartett Waschächt, dat met veel gevoel voor kitsch “die Königin der Berge” bezingt (“Rigi” zou afgeleid zijn van “regina”, Latijn voor “koningin”). Ik stel me voor hoe de kabels van de trein zouden knappen en we aan een rotvaart onze dood tegemoet zouden denderden terwijl de vrolijke kerels van Quartett Waschächt blijven yolo-lo-loën door het gegil en gekrijs van de passagiers heen in doodsangst. Het hiernamaals is hier geen rit met Walkuren, maar wordt begeleid door buikige mannen op hoempa-pa-muziek.

Het uitzicht over de besneeuwde bergtoppen is de moeite eens we bovenaan de Rigi Kulm zijn maar gek veel is er verder niet te doen. We eten respectievelijk een nogal mottige schnitzel en een vettige worst en het is warm genoeg om gewoon buiten te zitten met onze jassen aan. Naast het treinspoor loopt een sleebaan. Ik vind dat die er gevaarlijk smal uitziet, met aan de andere kant een gapende diepte zonder rails, maar de kinderen vermaken zich. Matthias zegt dat hij in zijn 12 jaar Zwitserland nog maar zelden heeft gehoord over ongelukken in de bergen. De Zwitsers weten wel wat ze doen. Misschien ben ik gewoon een broekschijter. Daarover gesproken: als ik op het toilet zit, komt er in het belendende stalletje haastig een man zitten die met een oerkreet een hoeveelheid diarree loslaat in de pot die lijkt alsof er iemand een grote kookpot groentensaus in één keer in uitstort. Hij verlaat even haastig het toilet als hij gekomen is.

Na een uurtje houden we het voor bekeken op de Rigi Kulm en maken we de omgekeerde tour terug naar Luzern, waar we de namiddag en vooravond doorbrengen. Luzern is volgens Matthias één van de meest “typisch Zwitserse” steden. De hoofdattracties zijn de Kappel- en Spreuerbrücken, twee overdekte houten bruggen die stammen uit de 14de eeuw en in de nok van het dak driehoekige schilderijen tonen met diverse, meestal gewelddadige, episodes uit de geschiedenis van Zwitserland. Ook de Pest is hier van de partij. In de verte blinken de lichten van een circus aan het water dat de weinig creatieve naam “Zirkus Weihnachten” draagt, maar door de afstand en het krullerige lettertype lees ik per ongeluk eerst “Zirkus Wehrmacht”.
 
Aan de oevers van de Reuss-rivier liggen diverse hotels en restaurants die op het gelijkvloers open, ronde bogen hebben, een beetje zoals in Venetië. Wat verraadt dat je echter niet in Italië bent, zijn de enorme koperen kaasfonduestellen die al klaarstaan en blinken in zowel kaars- als kunstlicht. De binnenstad heeft vele oude, goed bewaarde gevels met heiligentaferelen en versieringen. Het water uit de fonteinen ziet er zo helder uit dat het me drinkbaar lijkt, maar ik ga het niet proberen, Diarreeman van de Rigi indachtig.

We gaan ook even binnen in de Sint-Franciscuskerk van de Jezuïeten, volledig ingericht in barok- en rococostijl, iets wat je niet vaak ziet in België, waar de meeste belangrijke kerken van voor of juist na die tijd zijn. Luzern is één van de weinige Duitstalige kantons van Zwitserland die altijd katholiek gebleven zijn, in tegenstelling tot Zürich, de thuisstad van Huldrych Zwingli, één van de prominente aanvoerders van de Reformatie. Zwitsers zijn patriottisch: je ziet overal in het land de vlag wapperen en de geschiedenis is er duidelijk zichtbaar. Het helpt dat veel gebouwen nooit zijn verwoest of platgebombardeerd in beide Wereldoorlogen, waar de Zwitsers geen deel aan hebben genomen. Al is het inderdaad waar dat Zwitserland sinds 1847 geen echt geweld meer heeft gekend en sinds 1648 diplomatiek erkend is als neutraal, heeft het land toch een bloedige geschiedenis achter zich.

Is het huidige Zwitserland een soort “fatsoenlijk rechtse” utopie? Banken en financiële instellingen zijn er groot, de mensen over het algemeen beleefd en aan de conservatieve kant en er lijken geen grote recente sociale schokken te zijn. In Vlaanderen doen Vlaams-nationalisten natuurlijk alsof Zwitserland niet bestaat, omdat het toont dat je in een meertalig land toch succesvol kan samenleven. Ten andere is extreemrechts ook hier groot geworden, met als dieptepunt een brutale campagne van de Zwitserse Volkspartij waarbij op een affiche een wit schaapje een zwart schaapje wegstampt met de achterste poten.

Avondeten doen we terug in Zürich in een wat rare sportbar-achtige keet met eten dat eerder gemicrogolfd lijkt, maar daarom jammer genoeg niet goedkoper. Er speelt aanhoudend pop uit de late jaren ’90. Matthias vindt het er maar niets, maar de dienster is wel enorm vriendelijk en doet me denken aan een jonge zwarte actrice maar ik kan er niet op komen wie. Daarna is het met onze afgejakkerde lijven terug richting hotel om te proberen slapen. De dag erop is Zürich zelf aan de beurt als hoofdmoot van de reis. 

dinsdag 2 januari 2024

Anton in Zwitserland (en Liechtenstein) - Dag 1+2a: Zürich

Mijn broer Matthias woont al 12 jaar in Zwitserland en kwam op het idee om me naar daar te halen tussen Kerst en Nieuw. Ofschoon hij in Genève woont, stelde hij voor om er een city-trip van te maken in en rond Zürich. Ik was enkel ooit nog maar op doorreis geweest door Zürich, op de luchthaven van – ja, lach allemaal maar even – Kloten.
 
De heenreis begint met drie valse noten. De eerste: een oud mens op de bus dat drie (!) plaatsen bezet houdt met zichzelf en haar bagage. De tweede: een familie Aziaten op de trein waarvan de kinderen door elkaar zitten te gamen op maximaal volume. Ik zie zo veel scenario’s waarin ik me nog meer ga ergeren (ze verstaan misschien geen Engels of doen alsof, ze weigeren de vraag of beginnen te discussiëren met mij) dat ik niets zeg en in een tussencompartiment ga zitten. Door de wanden kan ik de gamegeluiden nog altijd horen.

De derde en laatste valse noot: de vlucht is vertraagd en de zon schijnt maximaal door het venster van de gate naar binnen, waardoor ik zit te zweten op een decemberochtend. Ik haat luchthavens. Ze maximaliseren alles wat er mis is in deze kapitalistische hellewereld: de constante oproep tot consumptie van (luxe)producten die je nergens voor nodig hebt, overal veel te fel licht en veel te veel lawaai, mensen die nu eens veel te jachtig zijn en dan weer rondslenteren alsof ze de enige mensen ter wereld zijn en al de rest NPC’s in een videospel, de onderbetaalde medewerkers van de bagagehandelaars en de vliegtuigmaatschappijen en natuurlijk de mega-vervuilende vliegtuigen zelf.

“Maar Anton, je bent toch niet verplicht om op een vliegtuig te gaan zitten?” Ik heb geen auto, een treinreis is trager en duurder en zoals ik wel vaker pleeg te zeggen is ethische consumptie onder kapitalisme simpelweg niet mogelijk.

De vlucht vertrekt uiteindelijk slechts met 25 minuten vertraging en ik kan een genadig dutje doen onderweg. Ik ga slapend naar de Kloten, als het ware. Op de luchthaven moet ik nog een trein nemen naar het centraal station van Zürich, waar Matthias op me wacht. Een vriendelijke oudere medewerker helpt met de juiste trein te kiezen. Hoewel ik hem aanspreek in het Duits, lijkt hij in eerste instantie te denken dat ik Franstalig ben. Het zal niet de laatste keer zijn. Jaren geleden had ik op een vakbeurs in Parijs het omgekeerde voor, met Fransen die aan mijn Frans meenden te horen dat ik een Duitser was.

Hoewel ik de volgende dagen het centraal station van Zürich geregeld zal bezoeken, raak ik er nooit echt volledig aan uit. Het station heeft meer dan 40 (!) sporen en behoort tot de oudste van Europa. Bovendien ben je onmiddellijk in het stadscentrum als je erin slaagt uit te vissen hoe je het labyrintische complex kan verlaten.

Matthias is al redelijk bekend met de stad en gidst me te voet naar ons hotel, een discreet weggestopte viersterrenbedoening in de steegjes van het oude centrum (de straat waar het is heet letterlijk “In Gassen” of “In Steegjes”). Mijn hotelkamer is groot, een beetje te groot voor één persoon zelfs, en op tafel staat een fles spuitwater die elk dag vernieuwd wordt en liggen drie stukken fruit op me te wachten. Er is ook een gigantische flatscreen (die ik nooit zal aanzetten) en een badkamer met zowel inloopdouche als ligbad. Het is er, zoals eigenlijk bijna overal in Zwitserland, heel proper.

Avondeten doen we in Hiltl, wat klinkt als de verre achterneef van een zekere Duitse dictator maar dan met een onfortuinlijk spraakgebrek maar volgens het Guinness World Records-boek het oudste vegetarische restaurant ter wereld is, opgericht in 1897. Het is een smaakvol, klassiek gebouw met op het gelijkvloers een café en buffet en op de bovenverdieping rondom rond het eigenlijke restaurant, dat een hele straathoek inneemt. Omdat ik groggy en moe ben, gewrichtspijn heb en last heb van een vervelende reflux, krijg ik haast geen hap binnen van de nochtans lekkere maaltijd. Matthias eet zijn portie op en wat overblijft van de mijne.

Ik probeer meestal Duits te spreken en mijn vrees komt een beetje uit dat de Zwitsers mij prima verstaan maar ik hen moeilijk tot zelfs helemaal niet. De geschreven standaardtaal van Duitstalig Zwitserland mag dan het standaard Hoogduits zijn (mits een paar uitzonderingen in spelling en woordenschat), de gesproken taal is eigenlijk bijna een andere taal. De meeste Zwitsers spreken echter ook een aardige mond Engels, maar ik wil me niet al te snel laten kennen.

Na het avondeten bespreken we de plannen voor morgen en praten we lang bij, initieel in een guitige cocktail/mocktailbar die naderhand een gay bar blijkt te zijn. Matthias komt niet vaak meer naar België en dat we alleen kunnen spreken zonder een scherm tussen ons is al vele jaren geleden. We hebben er allebei een zwaar jaar op zitten en kijken met gemengde gevoelens uit naar 2024.

Het hotelontbijt de volgende ochtend is niet alleen uitstekend, je kan in ons hotel ontbijten tot de middag, dus eigenlijk gewoon brunchen. Niettemin staan we relatief vroeg op na een voor ons beiden semi-slapeloze nacht. Ik heb altijd al slecht geslapen in bedden die niet de mijne zijn en hotels verergeren dat probleem nog – te warm, te droge lucht, te dikke dekens, te stijve of juist te slappe matrassen of kussens, er is altijd iets. Bovendien ben ik mijn slaappillen vergeten in Gent. De onderbroken slaap is bovendien geplaagd door een type nachtmerrie dat ik de laatste jaren vaak heb. Ik moet er meestal dingen regelen op het werk maar ik kom er maar niet toe omdat ik voortdurend weer andere prioriteiten krijg, noodgevallen moet beantwoorden of me moet verplaatsen naar ruimtes die ik niet vind of in vergaderingen moet zitten waar ik niets weet en de schijn hoog moet houden dat ik toch op de hoogte ben van alles.

Maar het ontbijt dus: er is ruime keuze uit alles, en de hotelmanager komt ons persoonlijk voorzien van koffie of thee. Als hij het al vreemd vind dat ik Duits met hem spreek en mijn broer Engels, laat hij het alleszins niet merken. Mijn reflux is weg dus ik haal ook de schade in door me stevig te goed te doen aan roereieren, spek, toast, versgeperst fruitsap en koffie.

Vandaag is het weer erg helder, dus Matthias stelt voor om de Rigi te bezoeken, een kleine bergketen aan de rand van de Vierwaldstättersee, en meerbepaald de Rigi Kulm, de hoogste piek aldaar met 1797m hoogte. De Vierwaldstättersee vormt het hart van de oorspronkelijke drie Zwitserse kantons Schwyz, Uri en Unterwalden, waarbij vooral de laatste naam klinkt als een duister sprookjesbos waar zich nog trollen schuilhouden de pijlen van trefzekere jagers je om de oren kunnen zoeven. Om de Rigi Kulm te bereiken nemen we eerst de trein naar Luzern (in België beter gekend onder haar Franse naam Lucerne) om de tocht verder te zetten per boot. Trein en boot zijn ontzettend goed op elkaar afgestemd, zo goed dat we de boot bijna missen omdat ik eerst nog dringend op de pot moet, die ook weer wonderlijk proper is. Belgische stations lijken verloederde derdewereldstations uit sloppenwijken vergeleken hiermee.