Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label café. Alle posts tonen
Posts tonen met het label café. Alle posts tonen

zaterdag 19 maart 2016

Donker aan de rafels

Dit is zo'n weekend. Opgestaan om drie uur in de namiddag, vlug naar de winkel geweest om wat eten en drinken, dan weer in m'n pyjama glijden en me afsluiten van de wereld in mijn mancave, een ruimte van vier op vier meter met boekenkasten, mijn computer, een leeszetel en een koelkast. Om daar even al het stof op me te laten vallen, artikels te lezen, alleen te lachen met comedy en af en toe de kat eten te geven. Het zijn weekends waar ik intens van hou, ook al bereik ik er niets mee en zijn er honderd dingen waarvan ik me kan voorstellen dat ik ze zou moeten doen, zoals opruimen, de afwas of een rondje gaan hardlopen in het nabijgelegen park. Het is gewoon de balsem voor mijn beursgeslagen ziel, om het pathetisch te zeggen.

Deze kamer vat m'n leven aardig samen, inclusief de grote, halflege vodkafles die aan de muur gespijkerd hangt (jaren geleden gekocht van een bevriende, voormalige cafébaas). Op het bureau liggen allerlei pillen die ik moet nemen tegen mijn chronische ziektes, een verstoord immuunsysteem dat zichzelf voortdurend aanvalt. De burgeroorlog in Syrië op moleculair niveau, als het ware. Er staat ook een fles cola en een half-opgegeten, opgerolde zak chips waar ik rustig vier dagen over doe om die op te maken. Niet te vergeten: ook de asbak staat er, die smerige recipiënt van het smerige afval van m'n al even smerige gewoonte. Gisteren hadden we het er nog over op café, of het zou kunnen dat men roken gewoonweg illegaal maakt binnen 30 jaar. Het lijkt me niet onmogelijk.

Gisteren, dat was ook een nieuwe expositie bezoeken in het SMAK, dat voor de gelegenheid de deuren wijd had opengezwaaid. Op het gelijkvloers was het een drukke bedoening rond lelijke en stomme objecten waarvan mijn broer Roman, zelf een soort kunstenaar, bijna agressief werd. Zo van die contemporaine kunst waar je ergens wel van vermoedt wat het zou kunnen betekenen, maar enkel in masturbatoire verhouding staat tot zichzelf, met geen vermoeden van technisch kunnen of boodschap die niet ergens te herleiden valt tot een postmoderne zaadvlek in een catalogus waar kunstkenners mensen massaal bij de neus nemen.

De bovenste verdiepingen waren interessanter. Levensgrote wall art, kartonnen decors die nagetekend waren in houtskool, met teksten erbij als uit een avonturenverhaal. Het was er bijzonder warm. Dan waren er de platen (etsen) in de kamer daarnaast, sombere metalen rechthoeken waar in goud en vlammen primitieve silhouetten gekerfd waren, vlammen en sterren, als een verre echo van de kunst van Lascaux tot de hiëratische mystiek van het Oude Egypte. Je ziet, een eind lullen, dat kan ik ook wel. Maar het sprak aan. Daar waren we het allemaal over eens.

Wat net zo veel bekijks oogstte van ons, waren de mensen die je typisch in een museum ziet rondlopen. Meisjes met kekke hoedjes en een soort 'lesbian chic', grijze mannen met véél jongere partners, hipsters met manbuns en de occasionele spuuglelijke persoon die je nergens anders tegenkomt dan in een museum. Veel mensen ook à la berlinette, volledig in strak zwart en met witte sneakers. Een amalgaam aan mensen waar de gemiddelde rechtse zak in een volkscafé een gloeiende hekel heeft. En waren we zelf niet even stereotiep? We waren met vijf, twee mannen met baarden, één met een snor, één vrouw met kort haar en één vrouw die door haar vriendinnen constant beschuldigd wordt dat ze een hipster is. Ik ben het daar niet mee eens maar misschien maakt mij dat ook wel een hipster.

Ik neem een voorzichtige slok van m'n glas, wil een sigaret aansteken en merk dat er al één lag op te branden in de asbak. De helft van m'n sigaretten die ik aansteek, rook ik niet eens volledig op. Ik zit te luisteren naar enkele nummers van Editors en glij mee op de aan de rafels donker gerande neopunk die zich steeds nadrukkelijker profileert als de second coming van U2. Dat is ok. Mensen schijten zo veel op U2 en om redenen die ik goed versta, maar dat neemt niet weg dat ze een back catalogue hebben die bijzonder veel respect verdient.

Ik denk ook terug aan de Sinksenfoor waar we door moesten waden toen we van het SMAK naar een café gingen. Ik weerstond aan de verleiding van vettig of gesuikerd eten en dacht aan al die herinneringen die opgeslagen liggen in die foor. Vorig jaar bezocht ik er nog een spookhuis op een lieve date met m'n toenmalige lief. Vier jaar geleden had ik er een date met iemand anders, een prelude op een doodgeboren relatie. Die relaties van me, die duren gemiddeld een jaar. Waarom is dat zo? Ligt het aan m'n eigen onmogelijkheid, of valt dat virus in m'n lichaam ook psychisch zichzelf aan? Ik weet het niet. Momenteel heb ik nog geen tijd voor nieuwe liefde. Er valt nog zo veel te lezen en te schrijven, en straks moet ik boterhammen smeren. Every move you make - breaks me. Every smile you fake - breaks me.

maandag 28 januari 2013

Boegschok

Zondag, de moeder van alle surreële dagen. Niemand houdt echt van de zondag. Decennia terug was het de setting voor het verplichte kerkbezoek en koffie met saaie familieleden, nu is het de katerdag bij uitstek, een dag die mensen niet echt bewust beleven, maar veeleer doorstaan, voortdobberend door motregen en restjes, tot de muil van de maandag zich weer breed grijnzend opent. Maar dat hoeft allemaal niet zo te zijn. Met al dat surrealisme kunnen we best aan de slag. We kunnen zondagen beter maken. We have the technology.

Er is zo goed als niemand op straat. Geen auto's, geen trams, alleen de occasionele voetganger, en zelfs die lijkt er niet eens echt te zijn, bang misschien om lawaai te maken in de volstrekt rechte lijnen van straten met tramsporen. De sneeuw van vorige week is verdwenen. De voetpaden zijn vochtig maar het regent niet. Het is werkelijk wonderbaarlijk: waar zijn al die mensen van gisteren die van en naar de Veldstraat gingen, of die 's avonds opeengepakt zaten in de cafés? 

Ik ontwijk bewust de straten waarvan ik weet dat ik er mensen zal tegenkomen. Oranje licht en duisternis. Enkele sterren die er nog in slagen boven de grof gekorrelde mist van dimlichten uit te komen. Mijn gedachten koelen af. Achter me sleept nog de warmte van het café dat ik zonet verlaten heb, zo'n geval met een anarchistische mix aan hoge en lage tafels, een jazzbandje dat er voor niemand in het bijzonder speelde maar zich wel leek te vermaken, en een futuristische handendroogmachine in de toiletten. Er waren ook kaarsen. Noteer: bij zondag horen kaarsen.

Mensen zijn meer dan het volume dat ze uitsnijden in de ruimte - als mijn herinneringen van daarnet achter me aan komen als rook die van me wegdampt, dan gaat de anticipatie me fysiek enkele meters vooraf. Alle objecten in beweging doen dat. Atmosferen omringen het gesteente van werelden, en stralingsgordels gooien zichzelf tot ver voorbij de zon uit. Zelfs ons zonnestelsel maakt in het vacuüm een boegschok terwijl het aan ontzagwekkende snelheden door de leegte ploegt. Voor me uit, op de weg bergop langs gesloten restaurants, wordt de nieuwe week geanticipeerd. Dat de dagen weer langer zullen worden en dat er leuke dingen zullen komen.

Mijn weg is wrijvingsloos. Achter sommige vensters brandt licht en ik kan niet anders naar naar binnen kijken. Een jonge man kijkt tv maar lijkt niet geïnteresseerd in wat er op het scherm gebeurt terwijl zijn huisgenoot staat te oreren. Ik hoor zelfs door het venster het West-Vlaams. Buiten aan een afhaalpizzeria staat een groepje Turken luid te discussiëren. Het lijkt er op alsof de weinige mensen die zich buiten bevinden, er traag gestold gedropt zijn, met een onzichtbare muur tussen zichzelf en de anderen, alsof iedereen elkaar daardoor niet echt opmerkt. Ik vind dat goed zo.

De laatste rechte lijn wordt ingezet. Binnen vijfhonderd meter bereikt u uw bestemming aan uw linkerhand. Het doet me denken aan een anekdote over een ouder echtpaar dat dacht dat hun GPS slechte stemsoftware had, tot bleek dat ze hem per ongeluk in het Afrikaans gezet hadden. Ook dat soort verhalen past net zo goed bij een zondag als appeltaart. Ik ga bewust trager stappen om m'n gedachten beter de savoureren. Naar achteren strekken zich flarden uit van de gesprekken van zoëven, fragmenten over in slaap vallen op toiletten en wat het betekent als vrienden zich in een bunker van burgerlijkheid opsluiten. Naar voren reiken ideeën naar m'n bed en de warmte.

De zondagse verstilling van de binnenstad maakt nu plaats voor het kruispunt waar de eerste aanzet van de nieuwe week al gegeven wordt. LED-reclame probeert me er van te overtuigen natuursteen te kopen of ergens een pedicure te gaan ondergaan. Het zal niet voor komende week zijn, maar toch bedankt. Het veld vernauwt zich terug in de aanwezigheid van meer mensen op straat. Iemand laadt een zetel uit, ergens anders rolt een auto uit een garage, en verderop kijkt een nachtwinkeluitbater bedachtzaam uit zijn venster. 

Ik besef dat de routes die ik codeer en decodeer onderdeel moeten vormen van een bizar ritueel van ontweekending, want anders zou ik zo graag niet buiten zijn op zondag. De precieze betekenis ontgaat me. Maar daar is een zondag dan ook voor gemaakt; de dingen mogen ons al eens ontgaan.

woensdag 12 september 2012

Voorherfst

Men spreekt over een nazomer en een voorzomer, soms eens over een vroege lente, of knarsetandend over een vroege winter, maar de begrippen voorherfst of nalente bestaan niet. Nee, de zomer is de zware jongen waar het allemaal om draait, prent de taal ons in. Onze maatschappij is ook op dat model gebouwd. Waren de zomermaanden vroeger oogstmaanden met dito feesten en hun gezwollen fruit, dan zijn ze nu het decor voor alcoholische escapades, bruin bakken aan God weet welk strand, of road trips in aftandse auto's. De winter heeft eveneens zijn passionele aanhangers, al ruikt het verdedigen van een seizoen vol doodsheid en sombere avonden een beetje naar contrair doen om contrair te zijn.

Persoonlijk ben ik de herfst gaan appreciëren, de laatste jaren. Die gedachte komt bij me op als ik terug naar huis slenter van een cafébezoek midden in de week. De weg is niet lang, maar omdat het al donker is en toch niet bijzonder koud, voelt hij langer aan. Aan de wegenwerken zie je dat het binnenkort verkiezingen zijn. Het academiejaar is nog niet begonnen, dus de straten die over enkele weken het terrein zullen zijn van legioenen studenten, liggen er een beetje onthutst bij, alsof ze bezoek verwachten dat al te laat is. Er zit alleen lokaal volk in de pitabars, en de geur van hamburgers en frieten wordt door de zwakke wind, in afwezigheid van geluidsgolven van volk, sterker gedragen dan anders. Het aroma is warm en nutteloos tezelfdertijd.

Poelen licht draaien overuren. Sommige cafés hebben hun uithangborden vernieuwd. Her en der zijn al kluitjes mensen die zich aan togen verzameld hebben. Ik zou het geen melancholie durven noemen, maar opnieuw waait een zeker gevoel van verlorenheid door wat ik denk als ik naar binnen kijk via het venster. Bastonen, glazen die neergezet worden, pratende mensen, een salvo aan noten popmuziek. Afstand op gezelligheid. Ik bedwing mijn nieuwsgierigheid om niet ergens binnen te stappen en me nog dieper te gaan onderdompelen in die schemersfeer van de laatste weekends van de zomer. Niet alleen heb ik niks bijzonders te vertellen, ik ben ook niet erg goed in zomaar ergens stilzitten tenzij ik dat grondig heb voorbereid. Meditatie is bewegen, wat mij betreft.

Ik kijk weg van de vensters naar het kruispunt van de Heuvelpoort dat opdoemt terwijl de straat breder wordt. Links van me is een oud studentenrestaurant in volle afbraak. Weinig is zo zichtbaar onzichtbaar als sluipende renovatie. Van alle cafés en voetpaden die ik daarnet passeerde, bestond meer dan de helft tien jaar geleden nog niet. Het verkeer van het kruispunt raast over die herinneringen heen op het ritme van oscillerende basdrums. Elk moment heeft zijn soundtrack, en dan is daar het moment dat het lijkt, vlak voor het zebrapad, of er in het gelijktijdig in- en uitademen van de binnenring, mijn longen en de verspreide terrasjesmensen achter en voor me, één ogenblik het gevoel dat alles precies in elkaar past zoals het hoort, ook als het vloekt en vecht. Alsof deze paar honderd vierkante meters in het hart van de stad één grote kathedraal zijn voor een god van terugtrekking. De sleep van de zomer die ruisend een verkoeling achterlaat. Al het haar op m'n armen en nek staat overeind.

Het is beter om verder niets meer te zeggen en te doen alsof m'n lippen aan elkaar genaaid zijn. Terwijl ik het kruispunt verlaat en nog maar op enkele meters van mijn huis ben, ebt ook het verlangen weg van over te steken en me daar te wijden aan het mysterie van alleen drinken in het gezelschap van onbekende mensen van wie ik nooit wat zal eisen (en omgekeerd). Vooruitgeschoven wolken beginnen over de in impressionisme gehulde daken te komen, en beloven regen. De stad anticipeert. De lichten springen op groen. In zelfhypnose, bedolven onder de lichtste en oppervlakkigste van indrukken, sluit ik af en ontsluit ik de deur.

donderdag 16 februari 2012

Parallelle levens

Het is een milde, natte februari-avond als ik naar buiten stap zonder sjaal. Meteorologisch gezien is het een doodgewone, zelfs saaie, miezerige dag. De avond doet geen recht aan de omwentelingen om ons heen, maar zo gaat dat nu eenmaal - de banaalste contexten kunnen de belangrijkste feiten in zich dragen. Hannah Arendt mag dan gesproken hebben over 'die Banalität des Bösen', ik hou persoonlijk meer van de fractaalachtige structuur die modernisten uit het banale wisten te puren. Tegen het aanstromende verkeer moet je met zulke lulkoek natuurlijk niet komen aanzetten, ook al is lullen mijn broodwinning. Aan de poorten van de appartementsgebouwen staan vuilzakken buiten als dikke vrouwtjes met een gele regenjas, ongracieus natgeregend. Ik snuif de lucht op. Dat doe ik vaak, alsof ik er mee zou kunnen aanvoelen wat voor sfeer de omgeving regeert.

In de hall van mijn appartement, waar ik me nu met elke volgende stap verder van verwijder, ligt een stapel bruine enveloppen te wachten op postzegels. Ik ben realistisch over mijn kansen bij uitgevers, omdat ik intussen weet dat ik kan schrijven, maar daar niet alleen van afhangt of je een uitgever vindt of niet, en ook omdat ik weet dat de kans klein is dat ik het stratosferische niveau zal halen van mijn eigen literaire helden. De ambitie is altijd groter geweest dan het resultaat. Net dat heeft me ook wel in staat gesteld uit te stijgen boven mijzelf. Uit een venster weerklinkt ruzie. Op straat staat een groepje West-Vlamingen rond een auto luid te praten over bier. De hemel zelf ziet er zompig uit. Zoals steeds word ik achtervolgd door muziek. Een grote auto rolt door de straat. Hij is wel tien meter lang, volledig groen geschilderd en op het dak staat een zwembad waar een harige travestiet in bikini in zit.

Overal lijk ik mensen te herkennen maar dat komt omdat het donker is, de verlichting schaars en ik elke dag ouder word. Een meisje met een strenge tred en een Frans uitziend kapsel doet me denken aan iemand die ik bijna alle dagen tegenkom in de metro en altijd kauwgom eet. Misschien om te proberen stoppen met roken. Misschien als bezigheidstherapie. Misschien is het qat. De slotsom van de vergelijking is dat niemand er een moer om geeft, en dat is ok. Aanvaarding is een deugd. Niet dat we niet meer aan onszelf mogen werken, maar wild in het rond blijven zwaaien met sloophamers is nooit een oplossing geweest. Aan een smeedijzeren hekken waar ik langs stap zit een leeuw die me indolent aankijkt, en ik krijg er zin van in een goeie lap biefstuk.

Ik ben onderweg naar een café (waar zou ik 's avonds anders nog te voet naartoe gaan als het geen sociale gelegenheid was) waarvan ik weet dat de baas soms last heeft van buien van razernij en al een keer zonder aanleiding met stoelen was beginnen gooien. Cafébazen zijn een soort apart. Een draad muziek kruipt terug naar omhoog langs mijn been - een droef-dreigende baslijn die elk moment kan muteren tot een gesmoorde, onverstaanbare stem die zich verliest in ruisende percussie. Woorden doen de werkelijkheid weer eens geweld aan. Op de hoek van de straat kruisen zes studenten mijn pad en ze vragen me om vuur. Van mijn kant verbaas ik me er om dat ik dat nog steeds bij me heb, hoewel ik probeer te stoppen met roken. Proberen stoppen met roken, bestaat dat wel? Je rookt of je rookt niet. Voorlopig niet, dan. Eén van de studenten steekt een enorme pijp aan en begint de brabançonne te zingen.

Is niet elke werkelijkheid inbeelding? Als we beseffen hoe vaak onze geheugens liegen tegen ons en het brein het lichaam naar zijn hand probeert te zetten, waar staan we dan met onze pogingen tot controle? De dingen gebeuren. Mijn favoriete artiesten hebben nieuwe muziek uit, ik heb een bundel af vol poëzie van twijfelachtig allooi, uitgevers zitten niet te wachten op mijn werk en rondom me lijkt iedereen zich voortdurend schrap te zetten tegen economisch noodweer. Het werk gaat hard, de slaap gaat harder. Om het hele leven te omvatten, zou ik nood hebben aan een constante buitenlichamelijke ervaring, maar wat heb je daar aan zonder de kans iets mee te delen over die ervaring? De ware observanten zijn gedoemd tot steen. De rest praat. Ik stap over de drempel en zwaai de deur van het café open. Er zit binnen een aap met een enorme bril op de luster, en een groep Italiaanse carabieneri viert de opening van een gat in de grond waarin mensen al hun slechte herinneringen, schuld en schaamte kunnen weggooien. Ik denk dat ik er een extra voorhoofdsrimpel bijgekregen heb.