Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label zondag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zondag. Alle posts tonen

maandag 22 juli 2013

Het zijn de zotten die hier koning zijn

Nadat ik mijn auto achtergelaten had in de momenteel nog doodse Machariuswijk, ging ik te voet naar het centrum van Gent onder een brandende namiddagzon. Voor de gelegenheid was m'n melkblanke zelf slechts gehuld in een lijveke en een pas verknipte jeans die verdachte gaten vertoonde rond de liesstreek. Ik had besloten de Gentse Feesten van 2013 zo veel als ik kon te mijden, omdat het een herhaling was geworden van hetzelfde ritueel, al sinds 2006: overdag drank stockeren, afspreken na zonsondergang met enkele welwillenden, en dan steevast eindigen in het Baudelopark in het vertrapte gras, dronken of anderszins onnozel en gesprekken zonder betekenis aanknopen met wildvreemden. Buiten een paar vage foto's en een gefaalde koppelpoging leverde het me nooit wat op, en bovendien was er de laatste jaren over de Feesten ook een sentiment neergedaald van latent liefdesverdriet. De zomer, zo had ik al jaren het gevoel, was eigenlijk iets voor andere mensen.

Maar nu was ik dus toch onderweg naar het epicentrum van de Feesten, en wel omdat ik zou optreden bij 'Dichters in 't raam', waar ik ook het jaar voordien van de partij was. Tegen optredens zeg ik nooit nee tenzij ik andere verplichtingen heb. Voorbij de lome schaduwen van het brutalistische Belgacom-gebouw sloeg de hete waanzin van de Feesten me vlak in het gezicht. Uit één café klonk een dolgedraaide Italiaanse ballade terwijl ik vanop het trottoir gekeurd werd door twee vrouwen van middelbare leeftijd en een oudere homo, terwijl een wilde kleuter bij een opgeblazen brasserie met een speelgoedpaard zijn stoeltje aan stukken trachtte te meppen. Groepen jongeren, ouderen en bruineren waaierden uit over de gehele straat. Vanop de Vlasmarkt pompten de beats me reeds tegemoet, de dappere inspanningen van een trio rockers met corpse paint niettegenstaande.

De Vlasmarkt zat vol, maar niet afgeladen. De hitte had de professionele dronkaards weggejaagd. Intussen moest ik m'n zonnebril af en toe terug naar boven schuiven omwille van het zweet dat uit m'n (net geknipte) haar liep. Overal waren er mooie mensen te bespeuren. Eigenaardig gevormde mensen ook. Mannen met korte dunne benen en een gigantische bierton, of vrouwen met een sensueel lichaam maar een gezicht dat er 20 jaar ouder uit zag. Aan een fruitstand probeerde iemand in de taal van Pierke Pierlala een verkoopster te imponeren. Ik zwom door al die dingen met de schoolslag van een ervaren warmteduiker.

Eens aangekomen bij Lottes Leescafé leegde ik een Duvel op wat een recordtempo moest zijn, terwijl ik m'n ogen uitwreef van het zweet en m'n materiaal (wat vellen papier, een fototoestel en een boek voor het geval dat, want als schrijver betrapt worden zonder boek is een doodzonde) op de bovenkamer afzette. Poëzie-evenementen, als ze al volk lokken, lokken niet zelden vreemde vogels. Om te beginnen zijn veel dichters zelf sociaal onaangepaste individuen, soms met een overschot aan weemoed of gevoelens die ze nergens kwijt kunnen en ergens in de weg zitten tussen henzelf en de rest van de wereld, soms ook met een elefantesk ego dat een triest protest lijkt tegen een wereld die onverschillig is voor poëzie, en dat vooral ziet als een hobby voor wufte marginalen en dronkaards. Er is iets van.

Voordat het evenement goed en wel van start kon gaan en ik schipperde tuseen twee Venijnige Broeders en bevriend volk dat was opgedaagd om me aan het werk te zien, was het eerste slachtoffer van de avond al gevallen: een technicus had in z'n vinger gesneden en werd terstond met een ambulance naar de spoedafdeling afgevoerd. De dichters en het aanwezige publiek overschouwden het met milde berusting. Overal op het trottoir lagen dikke spatten bloed. Het voegde een onbedoeld element toe aan de live-action painting die voor het Leescafé gaande was.

Godfather Frank, de organisator van 'Dichters in 't raam', was gerust op een goede afloop en regelde links en rechts overal zaakjes met baardige mannen en bleek dichtvolk. Intussen was de eerste dichter al aangetreden, een Nederlander die recht uit 1975 gekomen was en een carpet bombing van monosyllaben dropte op het aanwezige publiek. Hij was zo luid en expressionistisch (m'n kop eraf dat hij het niet als ekspresijonisties zou schrijven) dat op een zeker moment de Gentse flikken een kijkje kwamen nemen of hij niet op de lijst voorkwam van Gekende Zotten. Ze lieten hem begaan. Mijn vrienden en ik zagen het aan met ironie.

Na twintig minuten werd ik naar boven gesommeerd. Terwijl een andere dichter bedaard uit eigen werk voorlas en welwillend glimlachte naar het publiek beneden, joeg ik linten tekst door m'n hoofd. Ooit, als ik meer tijd heb, zat ik te denken, leer ik m'n gedichten uit m'n hoofd, want ik vind het rotvervelend om van een vel papier af te lezen. Ik denk altijd dat m'n ogen scheel draaien als ik van dat blad opkijk naar de konijnenspots van de zon of het publiek. Ik had 11 gedichten meegenomen en zou er 6 lezen.

Uiteindelijk verscheen ik voor het venster na een sympathieke introductie door Frank, een kei in het omgaan met de gedeukte zielen in de onderwereld van de Gentse dichterij. Je voelt dat. Ik ploegde door m'n pagina's. Tussen de gedichten door liet ik weinig pauze, wat het publiek weinig te applaudisseren gaf, maar voor het applaus deed ik het ook niet. Waarom ook? Een dichter is geen rockster en één goed gedicht schrijft zelfs de mottigste dichter ook wel eens per ongeluk. In m'n selectie zat ook een verkapte haatliefdesbrief aan de NMBS. Noblesse oblige (obliesje, zou de Nederlander uit '75 gezegd hebben) op nationale feestdag.

Vanuit m'n venster kon ik hier en daar de tricolores zien wapperen in de avondoven van de straten. Gent, bolwerk van dwars belgicisme. Het was geen toeval dat zowel premier Di Rupo als de uitzwaaiende Albert II Gent kozen om te bezoeken als respectievelijk eerste en laatste Vlaamse stad. Ik braakte intussen Engels en Frans uit en reeg de woorden aan elkaar. Achter mij hoorde ik af en toe een zucht van een andere dichter die in de coulissen zat, of gegrinnik om een trouvaille die zijn goedkeuring kon wegdragen. Rond de tien minuten klokte ik af. Bescheiden applaus was m'n deel. Godfather Frank en ik bedankten ons wederzijds, en m'n posse had honger. Het was sympathiek dat ze afgezakt waren.

Vier uur later lag ik op m'n rug in het gras in de buurt van de Portus Ganda als een lamme goedzak te kijken naar vuurwerk dat begeleid werd door breakbeats en hip gezang. Ik dacht aan het gevaar dat Gent erop afstevende langzaam een zelfgenoegzame stad te worden van hippe designbobo's, maar aan de andere kant, dat was nog altijd een beter alternatief dan het Antwerpen van De Wever en zijn kortebroeknationalisten. Daardoor moest ik ook denken aan Filip die de eed vandaag afgelegd had als zevende koning der Belgen. Het meest tekenende daaraan was zijn glimlachje nadien: "zie je wel, ik kan dit". Zijn vader stond aan de zijlijn "vive le roi" te roepen, alsof kleine Filip onstuimig een beslissende pass of tackle had geplaatst op het voetbalveld van FC Young Boys Laken.

Er waren weinig knopen in m'n gedachten. Er zaten tortilla's in m'n maag die ik opgegeten had met de bravoure van een ongemanierde zesjarige, maar dat liet ik niet aan m'n hart komen. Een vriend had fijntjes opgemerkt dat Oost-Vlaamse dialecten verdacht veel woorden hebben voor "niet kunnen eten", en hij had gelijk. Flitsende bloemen en bommen knalden door de lucht. Gillende keukenmeiden. Splinters van rood en groen. Ik dacht aan de sterren die achter dat geweld nauwelijks zichtbaar waren en slurpte van een plastic beker met vodka. Het weekend passeerde de revue. Voor de werkenden onder ons was het een absurd idee dat er morgen iets bestond als opstaan en achter een bureau gaan zitten.

En kijk: met ferm in het achterhoofd dat ik me zo weinig mogelijk ging aantrekken van les Fêtes Gantoises en dat dit niet de zoveelste zomer moest worden van dwaze verwachtingen, werd deze oefening in nietsdoen een bescheiden hoogtepunt in tevredenheid. Ik liet m'n hoofd leunen op m'n intussen verbrande armen, en terwijl het slotboeket de massa in vervoering bracht, en mogelijk enkele oorlogsveteranen PTSD-flashbacks, werd de vrede totaal.

Die stemming hield aan in de autorit naar huis, waarbij ik moest laveren tussen fietsers, voetgangers en andere auto's vol gezinnen die terugkeerden van het vuurwerk. En wat zag iedereen er mooi uit. Ritueel switchte ik tussen kanalen op de radio, die allemaal schadeloze muziek speelden. Geen nieuws. Ik dacht weer terug aan dat monkellachje van Filip, eindelijk koning. Wat mij betrof mocht er morgen een republiek geïnstalleerd worden, maar ik gunde hem zijn moment in het spotlicht. Ik wist dat thuis nog één blik cola en een lege asbak op me wachtten, en de noodzakelijke voorbereiding voor een nieuwe gruwelmaandag van openbaar vervoer en zweethitte, maar ik dreef die gedachten voor me uit, net zoals de nakende slaap niets meer was dan een theoretisch concept.

maandag 28 januari 2013

Boegschok

Zondag, de moeder van alle surreële dagen. Niemand houdt echt van de zondag. Decennia terug was het de setting voor het verplichte kerkbezoek en koffie met saaie familieleden, nu is het de katerdag bij uitstek, een dag die mensen niet echt bewust beleven, maar veeleer doorstaan, voortdobberend door motregen en restjes, tot de muil van de maandag zich weer breed grijnzend opent. Maar dat hoeft allemaal niet zo te zijn. Met al dat surrealisme kunnen we best aan de slag. We kunnen zondagen beter maken. We have the technology.

Er is zo goed als niemand op straat. Geen auto's, geen trams, alleen de occasionele voetganger, en zelfs die lijkt er niet eens echt te zijn, bang misschien om lawaai te maken in de volstrekt rechte lijnen van straten met tramsporen. De sneeuw van vorige week is verdwenen. De voetpaden zijn vochtig maar het regent niet. Het is werkelijk wonderbaarlijk: waar zijn al die mensen van gisteren die van en naar de Veldstraat gingen, of die 's avonds opeengepakt zaten in de cafés? 

Ik ontwijk bewust de straten waarvan ik weet dat ik er mensen zal tegenkomen. Oranje licht en duisternis. Enkele sterren die er nog in slagen boven de grof gekorrelde mist van dimlichten uit te komen. Mijn gedachten koelen af. Achter me sleept nog de warmte van het café dat ik zonet verlaten heb, zo'n geval met een anarchistische mix aan hoge en lage tafels, een jazzbandje dat er voor niemand in het bijzonder speelde maar zich wel leek te vermaken, en een futuristische handendroogmachine in de toiletten. Er waren ook kaarsen. Noteer: bij zondag horen kaarsen.

Mensen zijn meer dan het volume dat ze uitsnijden in de ruimte - als mijn herinneringen van daarnet achter me aan komen als rook die van me wegdampt, dan gaat de anticipatie me fysiek enkele meters vooraf. Alle objecten in beweging doen dat. Atmosferen omringen het gesteente van werelden, en stralingsgordels gooien zichzelf tot ver voorbij de zon uit. Zelfs ons zonnestelsel maakt in het vacuüm een boegschok terwijl het aan ontzagwekkende snelheden door de leegte ploegt. Voor me uit, op de weg bergop langs gesloten restaurants, wordt de nieuwe week geanticipeerd. Dat de dagen weer langer zullen worden en dat er leuke dingen zullen komen.

Mijn weg is wrijvingsloos. Achter sommige vensters brandt licht en ik kan niet anders naar naar binnen kijken. Een jonge man kijkt tv maar lijkt niet geïnteresseerd in wat er op het scherm gebeurt terwijl zijn huisgenoot staat te oreren. Ik hoor zelfs door het venster het West-Vlaams. Buiten aan een afhaalpizzeria staat een groepje Turken luid te discussiëren. Het lijkt er op alsof de weinige mensen die zich buiten bevinden, er traag gestold gedropt zijn, met een onzichtbare muur tussen zichzelf en de anderen, alsof iedereen elkaar daardoor niet echt opmerkt. Ik vind dat goed zo.

De laatste rechte lijn wordt ingezet. Binnen vijfhonderd meter bereikt u uw bestemming aan uw linkerhand. Het doet me denken aan een anekdote over een ouder echtpaar dat dacht dat hun GPS slechte stemsoftware had, tot bleek dat ze hem per ongeluk in het Afrikaans gezet hadden. Ook dat soort verhalen past net zo goed bij een zondag als appeltaart. Ik ga bewust trager stappen om m'n gedachten beter de savoureren. Naar achteren strekken zich flarden uit van de gesprekken van zoëven, fragmenten over in slaap vallen op toiletten en wat het betekent als vrienden zich in een bunker van burgerlijkheid opsluiten. Naar voren reiken ideeën naar m'n bed en de warmte.

De zondagse verstilling van de binnenstad maakt nu plaats voor het kruispunt waar de eerste aanzet van de nieuwe week al gegeven wordt. LED-reclame probeert me er van te overtuigen natuursteen te kopen of ergens een pedicure te gaan ondergaan. Het zal niet voor komende week zijn, maar toch bedankt. Het veld vernauwt zich terug in de aanwezigheid van meer mensen op straat. Iemand laadt een zetel uit, ergens anders rolt een auto uit een garage, en verderop kijkt een nachtwinkeluitbater bedachtzaam uit zijn venster. 

Ik besef dat de routes die ik codeer en decodeer onderdeel moeten vormen van een bizar ritueel van ontweekending, want anders zou ik zo graag niet buiten zijn op zondag. De precieze betekenis ontgaat me. Maar daar is een zondag dan ook voor gemaakt; de dingen mogen ons al eens ontgaan.

maandag 24 december 2012

Neon arc

Het is na middernacht van 23 december, en het is intussen duidelijk dat de wereld is blijven draaien. Geen fatale zonne-uitbarstingen, magnetische ompolingen of een regen van brandende stieren. Ik sta buiten aan Sint-Jacobs en laat me de gewone, koele regen welgevallen. Hoe je het ook draait of keert, de nabijheid van een kerk alleen al is iets dat stemt tot nadenken, vooral als er in de buurt een café is dat in sierlijke neonletters het devies 'Alles van waarde is weerloos' draagt, die klinkende uitspraak van Lucebert.

Verderop, rechts, ligt de Vlasmarkt, het toneel van fantasmagorische ochtenden tijdens de Gentse Feesten, nu verlaten en doofstom. Die stomheid hoort bij de de winter als een naaldboom bij inpakpapier. Van buiten, in het café waar ik tegenaan leun, komt muziek die een ander seizoen doet vermoeden, maar ik voel geen nostalgie noch verlangen naar de zomer. De zomer is oververhit van verwachtingen die nooit ingelost worden, dagen van zweet en lelijke shorts. Misschien zeg ik dat ook maar alleen omdat ik de warmte niet goed kan verdragen, en dan liever ergens onder een boom lig met een boek.

Ik vraag me af wat de mensen die geloofden dat de wereld ten onder zou gaan, nu aan het doen zijn. Er zijn er vast die hun idee niet hebben bijgesteld - zij hadden geen ongelijk, maar de datum was niet volledig juist. Of ze hebben zich beroepen op het vaagste aller argumenten, de quantumonsterfelijkheid. Er zullen er ook zijn die met het schaamrood op de wangen uit hun bunker gekomen zijn. De mentaal echt zieken hebben zich mogelijk opgehangen. Het meeste tragische aan die hele affaire is dat om te geloven in zo'n onzin, er wel degelijk een vorm van intelligentie nodig was. Ik geloof dan ook van ganser harte dat de idiootste dingen in de wereld gedaan worden door de slimste mensen. Zwakbegaafden hebben niet de luxe om stil te staan bij complottheorieën, en het kan hen aan hun reet roesten wie de Maya's waren.

Er zijn mensen die het einde van de wereld zouden vieren in branderige orgieën. Ik durf ook wedden dat de Sint-Jacobskerk, nu een artefact van sacraal toerisme, weer vol zou zitten. Zelf heb ik geen idee wat ik zou doen. Alleszins niet hier zijn, dat is duidelijk. Rook vermengt zich van uit portieken met de regen die langs lichtstralen naar beneden valt. Wat een beeld. Guido Gezelle zou er vast raad mee geweten hebben, sentimentele pastoor dat hij was. Ik zou er een boog van gemaakt hebben, een brug als een monochrome regenboog waarin de stemmen van mensen die buiten praten, vermengd raken met de geuren van eten en drinken, tabak en stadsregen.

Ik duw het stompje van de sigaret uit in een Duvel-glas dat zich al gevuld heeft met een bodempje regen. Sisgeluid. Daarvan zal ik komend jaar afscheid nemen. Ook ik ben vatbaar voor verbetering, en aangezien ik al jaren loop te verkondigen dat ik voor m'n 30 ga ophouden met roken, kan ik me maar beter houden aan dat voornemen als ik m'n vrienden nog onder ogen wil komen. Indien niet, kan ik altijd wel voor een vriendenprijsje een verlaten bunker overkopen die een apocalyps kan doorstaan.

maandag 16 februari 2009

Bange blanke man

Het is zondagavond en ik ben aan het uitbollen. Pas zondagavond, als de noodzaak van een volgende week zich weer onverbiddellijk aan me opdringt, nadat de hersenschade van een dronken vrijdagavond en de fysieke letsels van een driftige zaterdagavond geleden zijn, kom ik een toestand die men kan omschrijven als weekendgevoel. Rijkelijk te laat, natuurlijk. Op zondagavond ontstaat ook het merendeel van mijn goede voornemens en eindigen alle slechte gewoontes, die zich de week erop weer kenbaar zullen maken op onverstaanbare wijze. Zondag is doorgaans ook de dag waarop ik in de stemming ben om enkele woorden op papier te zetten, en ideëen die doorheen de week gerijpt zijn, hun neerslag vinden in zinnen en paragrafen.

In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.

Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.

Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
Op zondag, in mijn poel van verpozing voor ik weer een week te lijf ga, zit ik geen allesomvattende oplossingen te bedenken voor maatschappelijke kwesties. Ik denk ook niet dat één man dat kan (en zij die het probeerden, hebben gefaald). Wat ik wel besef is dat ik zelf positiever kan bijdragen door niet alleen te erkennen dat er iets van al die drek die dagelijks uitgestort wordt over etnische minderheden in ons land, aan mij is blijven kleven. Dat ik soms ook irrationele angsten voel waar ik me achteraf over schaam. En dat ik daar iets aan kan doen. En tenslotte, dat er iets grondig verkeerds is aan de manier waarop deze gevoelens gevoed worden door de populaire media.